Hij voelt den tijd heel dicht komen bij de gebeurtenis die h

Produced by The Online Distributed Proofreading Team at

https://www.pgdp.net/

Nederlandsche Bibliotheek

Onder leiding van L Simons

Herman Teirlinck

Het Ivoren Aapje

Een roman van Brusselsch leven

Uitgegeven door de Maatschappij voor

Goede en Goedkoope Lectuur

Amsterdam

VOORBERICHT.

Enkele hoofdstukken uit het "Ivoren Aapje", voortijds in het

maandschrift De XXe EEUW verschenen, hebben--naar ik verneem--bij

sommige lezers veronderstellingen gewekt, die niets met de bedoelingen

van dees werk en de inzichten van den schrijver te maken hebben. Er

werd namelijk beweerd, dat meer dan éene romanfiguur, naar de

werkelijkheid uitgebeeld, geheel met bestaande belgische of fransche

personages ware te identificeren.

Tegen zulke identificatie teeken ik uitdrukkelijk protest aan.

Zeker--ik heb waarlijk geen reden om het te ontkennen--psychologische

gegevens, bij 't nagaan van levende en bekende mensch-typen opgedaan,

werden hier schaamteloos aangewend. "On prend son bien où on le

trouve," zei Molière en ik ben blij, dat ik mij op zoo hoog een

autoriteit ter verontschuldiging beroepen kan. Ik zou bezwaarlijk

kunnen staande houden, dat bijvoorbeeld een Lieven Lazare in

het roman niet werd geïnspireerd door wat mij over een befaamden

prozaschrijver, dien ik persoonlijk niet eens ken, zijn eigen proza

heeft geleerd. Daarvan nu afleiden, dat wezenlijk Lieven Lazare een

ten voete uit geschilderd portret van dien schrijver is, zoude op

zijn minst vermetel zijn, zelfs daar waar ik niet geaarzeld heb,

zijne geschreven woorden haast letterlijk over te nemen.

Mijn realisme, in zoover de behandeling van de hier aangebrachte

kunstmotieven onder deze conventioneele benaming mag geheeten worden,

is geen slaafsche namaak van de werkelijkheid. Voor wie lezen kan

hoop ik, dat ik het nauwelijks hoef te zeggen. Dit gansche "Ivoren

Aapje" is de vrucht van eene verbeelding, welke ik beproefd heb aan

werkelijkheid te toetsen. Er kan dus geen sprake zijn van identificatie

mijner hoofdfiguren. De litterair-betrachte menschelijkheid van die

hoofdfiguren is, met fouten en dwalingen en zwakheden en al, van mij

en alleen van mij. Ik houd er mij verantwoordelijk voor en het is niet

mogelijk, dat mijnheer X.... of Z.... aansprakelijk gemaakt worde,

waar en hoe ik hem ook, in de oogen van een realiteits-dollen lezer,

doe handelen of spreken. Uit een oogpunt van litteraire kunst, zou

het overigens van mijnentwege tamelijk nuchter geweest zijn anders

te handelen dan ik hier ter voorlichting beweer.

Wat ik omtrent mijne personages verklaar, geldt ook voor de

omstandigheden, waarbinnen de door mij opgezette dramatische handeling

gebeurt. Ik heb willen een beeld ophangen van het Brusselsche leven en

inzonderheid van de Brusselsche hooge burgerij. Wat ik daar o.a. zoo

al van belgische politiek en Brusselsche publieke huizen vertel, kan

schijnbaar een spiegel van de werkelijkheid zijn. Mij mag nochtans

geen de minste toespeling of bedekte insinuatie verweten worden. Ik

ben de geschiedschrijver van een Brussel, dat mijne verbeelding binnen

de vormen van het ware Brussel heeft opgebouwd. Ook de historische

waarde van mijn verhaal behoort mij dus toe. Ik ben wel verplicht al

mijne rechten dienaangaande op te eischen, wil ik de zuiverheid van

mijn kunstenaarsstandpunt voor mogelijke aantijgingen vrijwaren.

En ik doe het in de overtuiging, dat de lezer, aldus voorbereid,

met vastere onafhankelijkheid het boek kan opslaan. Indien hij het

verveeld mocht dichtdoen, heb ik dan toch de zekerheid, dat zijn

misnoegd ongeduld aan mijne ontoereikbare krachten is te wijten,

en niet aan een misverstand.

Herman Teirlinck.

Opgedragen aan mijn Vader.

EERSTE GEDEELTE.

I.

DE DOOD VAN MEVROUW CHANTERAINE

Stil, stil is de hooge kamer. Tegen de neergelaten venstergordijnen

blauwt de vroege Meimorgen en verwisselt zijn violette klaarte met

het ongelijke kaarsenlicht. Twaalf groote kaarsen branden aan het

hoofdeinde van het zwarte praalbed, waar, in de opene zwaar-eiken

kist, wit uitrust de doode mevrouw Chanteraine. Aan de wanden hangen,

breed-neervouwend, met zilver betikkeld en berand, de rouwfloersen

zwaar en roerloos. In gele beweeglijke schemering reikt hoog en somber

de stille kamer. Hier houdt de tijd op zijn tastbaren gang en geen

werkzame vinger kruipt over een geheimzinnig horlogegezicht. Het is

alsof deze kamer buiten de vergankelijke wereld stond. Hier gebeurt

de eeuwigheid. Rond de sponde en tot tegen de kist kleuren de bloemen

in tuilen door mekaar of gevlochten kroonsgewijs. 't Is een levende

hoop van geurende bloemen. De geur walmt in de kamer, flauw, met iets

vunzigs erom, iets ongemeens. De sponde is donker en veelvervig.

Vooraan, knielend over een lagen stoel, bidt een oude priester. Zijn

oude hoofd blinkt grijs boven zijn zwart kleed uit, onder het

waggelend kaarsenvuur. Zijn hoofd neigt diep naar voren, en zijne

bleeke handen rusten op de stoelleuning, saamgebracht in vrome

onbeweeglijke houding. Onbeweeglijk is hij gansch. Geen plooiken

roert over hem. Zijne oogen zijn gesloten. Hij is als een stuk van

de hooge kamer, dewelke zelve als de stilte is en de eindeloosheid.

Ernest Verlat blijft nog een poos bij de deur staan, steunend tegen de

deur. Het gaat hem zoo vreemd in het hoofd. Het dreunt en klopt er zoo

pijnlijk. Het zindert er alsof daar iets barsten zou van binnen. Is

dat moeder, dat witte ding, die lichte doorzichtige witheid op die

massale stede van floers en van bloemen, die wonderlijke witheid in

zwaren eik besloten? Gisteren-avond lag ze nog in 't klare, gewone bed,

vrij op het klare kussen. Het slaat in zijne borst:

--Moet alles zoo rap, zoo rap ....?

Hij nadert traag. De oude priester ziet niet om en bidt. Ernest staat

nevens hem, stijf rechtop, en staart met strakke blikken naar zijn

moeder. Aldoor kleppert het door zijne hersens:

--Moeder .... moeder ....

O! kon hij eens warm doorweenen, kon dat harde gebons in zijn hoofd

week worden en uitvloeien met heeten tranenvloed, kon hij vergaan in

een breed-snikkend al-verterend verdriet, en niet denken, niet denken

meer. Sinds moeders dood is hij, door innerlijke koorts gejaagd,

rechtgebleven, versteend in eenzelvige droefenis. Als steenen wegen

eenzelvige gedachten op zijn hart. En weenen kan hij nog niet. Aldoor

denken en zijn eigen opvreten in zelfverwijt. Dat moeder zoo plots ziek

werd en ineens stierf, 't was zijne schuld. 't Verleden ligt open,

en halsstarrig wroet hij daarin. Hij voedt met steeds hernieuwde

gepeinzen de wroeging die als een gier in zijne hersens huist. Hij

heeft geen andere gepeinzen dan die tot spijs voor zijne wroeging

dienen. En zoo ratelt het onverpoosd in hem:

--Moeder .... ik heb u lief, ik heb u lief .... wat is alles schielijk

gebeurd .... dat niet meer te veranderen is.. door mij, door mij,

enkel door mij....

Hij maakt zijn leed tot zichtbare onuitgesproken woorden, waarbij

hij hoopt dat hij eindelijk zal kunnen weenen.

Straks breekt zijn hoofd. Als er daar iets gebroken is, breekt dan

misschien de ondragelijke pijn? Hij bijt op zijne tanden, zijne

vuisten werken tegen mekaar, zijne blikken liggen vast op moeders

aangezicht. Als er iets breekt onder zijn schedel, zal hij weenen. In

hem ook zit een onzekere gewaarwording--dat hij weenen moet, als een

uitwendig teeken van zijn groote harteleed. Niet onecht is zijn wee,

maar diep en overdadig. Zijn geest echter zoekt het theatrale gebaar,

dat zijn wee vertolken moet. Wel strijdt seffens zijn geest tegen die

verzoeking, seffens daarop hertracht heimelijk de bezorgde gedachte

naar 't uiterlijk verdriet. Dan nog sterker golft het zelfverwijt,

dan wil hij om die oolijke begeerte zijn eigen kastijden, en zoo

foltert hij zich met het schuldgevoel, dat door hem zijne doode moeder

beleedigd wordt.

Zonder rust is die strijd. Hij staat paalrecht en stijf. Hij voelt

niet de oogen van den ouden priester op hem, denkt evenwel vluggelings:

--Beziet hij me? ....

En hij zelf ziet zich staan, terwijl hij toch niet weenen kan en wel

zou willen weenen. Hij hoopt dan de aandoeningen opeen over hem,

schept met groote brokken weemoed het verleden tot een lillende

wroeging te voorschijn en hijgt onder 't bonzen, dat aanhoudend door

zijn slapen slaat.

Bleek, als door een wazig floers heen, klaart op, bijkans alover

moeders bleek gezicht, zijne kindsheid. Hij was een lichtblonde jongen,

toen vader stierf. Vader was raadsheer bij het hof van cassatie, een

goede man, te oud getrouwd, die zijn zoon, zijn dochtertje en zijne

jonge vrouw op zijne handen droeg. Vader stierf. Ernest werd naar het

athenaeum en Francine, zijn zusje, op pensioen bij nonnen gestuurd. 't

Werd, in het groote huis, op de Regentielaan, een sober, grijs leven,

even opgekleurd door de bestendige aanwezigheid van moeders jongsten

oom, mijnheer du Bessy. Mijnheer du Bessy was, door de familie, tot

Ernest's en Francine's voogd aangesteld. Hij was waarlijk een lief

opgeruimd ventje, de zestig jaar voorbij, fier op zijn baronetblazoen,

en arm. Hij kwam bij mevrouw Verlat inwonen en werd, spijts zijn zeer

lichtzinnig karakter, een uitmuntende gids voor Ernest. Na drie jaar

hertrouwde mevrouw Verlat en Ernest kreeg vaders vriend, mijnheer

Chanteraine, prokureur-generaal bij het beroepshof, als tweeden

vader. Vijf en twintig maanden duurde dat huwelijk. Mevrouw Chanteraine

maakte zeer veel toilet, voerde een leven van overdreven weelde en

lette niet meer op haar zoon, die nu gansch aan het eigenaardig

geleide van mijnheer du Bessy werd overgeleverd. Ernest leed wel

een tijd onder die plotselinge verwijdering, maar het trof hem niet

zoo ongemeen en de lichte elegantie van zijn voogd hielp mede om het

ongemak te besluieren. Hij leefde door in den slenter van recepties,

feestmalen en avondpartijen, zag zijne moeder gedurig omringd en

omfleurd. Hij zelf bewonderde zijne moeder, dewelke in de volle

pracht van een rijpe schoonheid zeer aanzette tot bewondering. Hij

vergat dat hij haar nooit anders zag dan in de staatsie van rijkdom

en vrouwenluxus, en dat zij nooit op den drempel van zijne kamer

meer verscheen, nooit, bij uchtend, aan de sponde van zijn bed,

nooit over hem boog en hem bedekte met een licht van lach, dat hij

wel wist .... eens .... eens .... Hij kòn 't niet vergeten, al groeide

boven hem een schaduw van pijnlijke vergetelheid. Hij werd een stille

jongen, een droomende jongen. Hij las veel, verwijlde in een wereld

van roerende fantazij en lag soms uren en uren, door late avonden,

te suffen over verzen. Hij dichtte zelf. Hierin had hij de leering

van mijnheer du Bessy ontvangen. Mijnheer du Bessy was een dichter

van madrigalen en rondeelkens.

Ernest bestond bijna buiten moeders zorgen en geheel buiten de

herinnering aan zijn zusje. Francine kwam eens in 't jaar naar huis,

bleef enkele dagen, was een broos bleek meisje met een vroom-gemanierde

houding die in het hotel van de Regentielaan niet thuis hoorde. Ze kwam

en ging. 't Gebeurde eens in 't jaar, en gebeurde het waarlijk? Niemand

zag naar heur om, en 't leek wel alsof het niet gebeurde. Zij ging,

en 't was al niet meer gebeurd. Tusschen deze drie wezens, waar de

komst van mijnheer Chanteraine stilaan de lauwte van eene zonderlinge

onverschilligheid had gebracht, behield mijnheer du Bessy toch, als

teere snoerkens, de banden van een natuurlijke genegenheid. De invloed

van den minzamen baronet was zekerlijk niet zwaarwichtig; ook werd deze

invloed te grillig, te ongeregeld bewerkt om het tijdelijk doel van

mijnheer du Bessy stelselmatig te bevorderen. Maar mijnheer du Bessy

was elkendeen zoo innig sympathiek, dat hij het verwantschapsgevoel

onder de leden van de verlaten familie wist te bewaren.

Mijnheer Chanteraine bezweek aan een schielijke beroerte. Het was,

korten tijd na dit ongeval, alsof mevrouw Chanteraine hare kinderen

wedervond. Ze riep Francine uit het pensionaat, verwonderde zich

over hare schoonheid, liet haar thuis een goed onderwijs geven en

was bezorgd omtrent de minste regeling van deze nieuwe opvoeding. Ze

had gedurig wat op te merken--de taalmeesteres was te streng, de

borduurmeesteres was niet kunstig, de zangmeesteres was leelijk. Ze

placht te zuchten, terwijl ze Francine kuste:

--Och, wat doen ze alweer met mijn dierbaar kind! ....

Ze merkte dan dat Francine's oogen er moede uitzagen, dat haar

goudblonde haar niet meer zoo glansde, dat de blos op hare wangen

doffer werd, dat haar stem niet zoo fijnhelder opzilverde; ze aaide

haar kind en troetelde het, klagend en deernisvol:

--Wat doen ze, wat doen ze toch, lieve Fran!....

En Francine lachte en was dankbaar.

Met Ernest deed mevrouw Chanteraine nog gevoeliger. Hare liefde

straalde over hem en warmde gretig zijn kleinste begeerten. Niets

kon ze hem weigeren, verlangend en aandachtig ging ze zijn

wil te gemoet. Ze was schrander van zinnen en kon met ongewone

teergevoeligheid de luttele geheimen raden, die optikkelden, menig en

veranderlijk, in zijne jonge ziel. Die behandeling oefende op hem een

onverwachten invloed. Hij werd eerst zeer minzaam, dan uitgelaten, dan

verwend en tiranniek. Toen hij het athenaeum verliet en student werd

in de rechten, sprong hij als een woestaard in het studentenleven. Hij

bleef laat uit, was op alle partijen, braste geweldig en verging in een

roes van ziekelijk gezwabber. 't Mocht geld kosten. Na een tijd was hij

tot de overtuiging gedaald dat het geld kosten móest. Daar was immers

geld. Hij eischte 't in overdaad en moeder dierf niet weigeren. Wel

berispte de oude du Bessy zijn bedorven neef. 't En baatte. De student

boemelde, deed gemeen in late kroegen, hield er een danseresje op na,

dat hem in het Zomerpaleis was aangekleefd en zijn kleederen met

patchouli besmette. Moeder zeide niets. Een groote ernst was over

moeders gezicht gekomen. Ze zag alles, ze wist alles. Brieven van

sletjes vielen haar in de handen. Ze zweeg. Hare oogen werden grijzer

en haar voorhoofd bleef niet zoo glad-effen. Soms was haar gelaat,

boven het malsche zwart van haar kleed, krijtwit en eendelijk. Soms

waren hare oogleden blauwrood, en kleurloos hare lippen. Soms schenen

hare handen zoo bleek, zoo mager, zoo akelig-lang .... Ernest lette

op niets. De weken en maanden woeien over hem, en hij ging maar door,

in zijn roes voortrakkerend, en ploeterend midden zijn lage pret. Toen

ontmoette hij Simon Peter.

Hij ontmoette Peter in het atelier van zijn joelmakker Florjan

Pacôme, den schilder van viezigheidjes. Het trof hem hoe schoon en

sterk de blik van Peter was, hoe adellijk zijn groot, breed-grootsch

voorkomen, en hoe stil en rechtzinnig het gebaar van zijne struische

beeldhouwershanden. Hij was dadelijk zeer erg met hem ingenomen. Hij

las hem zijn verzen voor, besprak ze met hem, voelde allengs, uitgaande

van zijn nieuwen vriend, het gewicht van een ernstiger, zwaarder,

humaner leven. Simon Peter redeneerde sober en beeldend. Hij was

ouder dan Ernest, rustiger, verdraagzaam. Ze praatten veel over

de pas-ontstane revolutionaire beweging, waarbij Peter scheen

aangesloten. Beiden toonden zich danig volksgezind. Maar geleidelijk

moest bij Ernest de overgang naar het grondiger leven gebeuren. Te veel

vraagstukken lagen in de nieuwe toekomst te glanzen. De openbaring

maakte hem dronken en met lichtzinnige geestdrift kleefde hij heel

de vrije nieuwigheid aan.

In die nieuwigheid was liefde aan het gloeien als een wonderlijk

juweel. Hij werd verliefd. Hij werd verliefd op de dochter van een

fanatiek-katholiek schrijver, een meisje met ongewone gaven van

gelaten, zelf-verloochenend gevoel. Ernest was sterkelijk door haar

gemind. Hij stortte zich algeheel in de laaiing. 't Docht hem dat

nu de weg beslist voor hem gekozen en open lag. Hij kwam bij zijne

moeder aan en zeide dat hij het meisje huwen zou.

Voor het eerst, terwijl hij verlegen sprak tot haar die zweeg en

ernstig opkeek, merkte hij hoe oud en hoog-stil zij geworden was. Hij

voelde een onbekende angstigheid drukken op zijne borst. Was deze

vrouw niet zijne moeder? Hij herkende, op een slag van zijn herwonnen

geweten, de vrouw, wier lach eens als een licht hem bedekken kwam en

welke hij verloren waande. Het was maar toen hij neerzitten ging en

over het tafelberd ineens te weenen begon, dat mevrouw Chanteraine

de stilte brak, waarlangs haar zoon tot haar was gekomen. Nog nooit

had zij zich tegen een gril, tegen een wil van hem verzet. Nu, met

bedaarde, effene bewoording, lei ze tusschen hen beiden de koude

verklaring, dat hij met dat meisje niet trouwen mocht. Ze sprak van

zijn niet voldoenden ouderdom, van zijne in slempspel versmeten

gezondheid, van zijn naam en van zijn toekomst. Lang sprak ze,

haar gedachte lengde zich uit over een eentonigen vloed van grijze

volzinnen, en bevreesd, beklemd, verwonnen luisterde hij toe. Ze

kuste hem en verliet hem. Dagen slierden om, dagen aan dagen. Meer

warmte, meer gezelligheid was in huis teruggekomen; maar, gelijk een

killig water, bleef liggen tusschen Ernest en zijne moeder haar wil,

dat hij niet trouwen mocht. Niet eens steigerde zijn wil daartegen

op. Het witte gelaat van mevrouw Chanteraine, met gedachten van leed

overladen, benauwde hem, spookte alom de hooge kamers rond. 's Avonds,

rechtuitgestrekt op zijn bed, lag hij vaak halfluide te stamelen

"of zij nu waarlijk zijne moeder was? ...." Warme geuten schoten

naar zijne slapen, waar ze uitdruppelden in plotselijk zweet, en hij

schaamde zich. Zoo sleet de tijd.

Op Kerstavond gebeurde die leelijke slag....

Het meisje ging zwanger, had alles aan haar vader bekend, en de vader,

wiens dweepzucht en gestrengheid hem niet toelieten een gevallen meisje

op te rapen, zette haar aan de deur. Op Kerstavond zei Ernest aan zijne

moeder dat het meisje zwanger ging, dat haar vader haar had aan de

deur gezet en dat moeder nu eens goed bedenken zou of 't niet raadzaam

was dat hij trouwde. Het ernstige gezicht van mevrouw Chanteraine

betrok, hare grijze oogen werden rond en groot. Een zonderlinge

glimlach krulde hare lippen, binstdat schielijk een rechte rimpel,

van weerskanten haren neus, de witte wangen neerwaarts snokte. Dan

opende ze haar mond die, een heele poos, gelijk een vierkante gaping,

daar somberde. Ze zeeg zachtekens in hare zwarte kleeren thoope op het

roode karpet. Men droeg ze in haar kamer. Men riep den dokter, mijnheer

du Bessy en pastoor Doening, den ouden vriend van den huize. Als ze

weer bekwam, deed ze seffens Ernest roepen en wilde alleen zijn met

hem. Toen lachte ze vriendelijk haar zoon tegen en zei dat alles wel

goed was en zich zou schikken geleidelijk; hij moest het meisje bij

haar brengen, en zij zou haar liefhebben. Ze vroeg dikwijls:

--Heeft zij u lief, mijn jongen?

Hij moest dan maar gauw trouwen. Pastoor Doening zou dat allemaal

regelen, en dan zouden ze tezaam in een lief huisje wonen, heel

dichtebij, ergens rond den Bloemenhof. Heel dichtebij, hoor! Hij moest

dan zijne studiën voleinden en een hoog magistraat worden, zooals

vader zaliger. Ze leek zóo ganschelijk gelukkig. Ze huilde stille....

Ernest trouwde. Alles werd aangelegd en besteld zooals 't moeder

wilde. Maar moeder kon uit haar bed niet meer.

En moeder stierf.

Waar moeder ligt, op de sombere koets bekleurd met paarse en mauve

en wit-violette bloemkransen, in de stilte, die hangt om de hooge

kamer en roerloos den roerloozen dood begeleidt, schemert het bevende

kaarsenlicht en speelt met verfplekken en donkerten. Over moeder

heen speelt het eenderlijk. 't Vloeit bleek uit op moeders matbleek

gelaat, scherpt den neus tegen de schaduw, die van den neusrug op de

beenderige wang, tot in de dompe oogholten, vlekt. Effen is het blanke

voorhoofd, alsof daar nooit een streepken smart was doorgerimpeld,

en glad, dof-wit onder de kaars, spannen de kaken over het uitpuilend

schedelbeen. Half-ontsloten gaapt de liplooze mond--hebben daar ooit

lippen bewogen, heeft daar ooit een kleur langs gelachen, heeft ooit

een zinrijk geluid geklonken uit dezen mond, waar rust, zonder einde,

de eeuwigheid geluideloos? Een doorzichtig Sineesch netelfloers plooit

licht op het donkere haar en vouwt over het kleine hoofdkussen tot

langs de wegzinkende schouders. Wit, tot aan het voeteinde toe, is het

lijk rechtuit-gelengd in de kiste. Over de borst, dewelke even oprondt,

liggen tegaar de witte mooie handen om het wit-ivoren Krist-kruis ....

Tusschen de zwarte kandelaars heen, doet nu Ernest een stap. Zijn

knie sliert langs de malsche kronen en zijne handen raken de koude

nattigheid van bloemtuilen. Hij schrikt bij het schielijk-veranderd

uitzicht van deze dingen--hoe groot worden ineens de koperen knoppen

van de kist en hoe klaar-afgeteekend liggen daar moeders handen! Het

lichtgespeel verschilt en moeders aangezicht is zoo plots uitgelengd

tusschen de plooien van de licht-zijige netelvool. En alweer ziet

Ernest hoe hij zelf hier vóor zijn moeder staat, en hij staat recht

overeind als een stake. Hij ziet over zijn eigen gelaat de pijnlijke

pees, die zijn lippen neerwaarts drukt en tot in de hoeken van zijn

oogen trilt. Hij ziet zijne handen langs zijn rouwrok wit nederhangen,

en vluggelings schiet door zijn geest de heimelijke vraag of 't zoo

passend is en of insgelijks de oude priester het ziet. Hij buigt

zich langzaam, plukt in den dikken bloemenhoop witte en teer-roze

rozen. Hij zoent de rozen, die geuren en zoet-bedwelmend over

zijn mond aanwalmen. Hij legt ze rond moeders hoofd. Traag schikt

hij ze, zoekt onwillekeurig de bleeke kleureffekten, brengt daar

een zachte schakeering van licht-amber, wit-roze, safraan-roze,

wit-geel en blank. Zijne vingeren werken om de natte kelken, mijden

de nadering van het kille hoofd, van het jeukend gewaad, en zorgen

dat niets beweegt van die witte doening, die versteend rust in den

dood. Hij vreest de doode, omdat ze thans bedeeld is met de machten

van het onbekende, en hij raadt den vreeselijken toets van dat koude

hoofd, zooals hij soms in hollen nacht de spoken voelt, die uit de

duisternis een lichaam krijgen. Zijne vingeren leggen tot een losse

kroon de rozen om het koude hoofd. Dan, lang, strak, staart hij op

het koude aangezicht. Hij verzint, in rappe sprongen van zijn koorts,

de eenvormige beelden van zelfverwijt. Hij staart op de doode en zijn

koorts klopt door zijn gedachte:

--Sta op! sta op! en kijk naar mij ....

Hij voelt den tijd heel dicht komen bij de gebeurtenis die hij verzint,

en hij verwacht zich erop, dat moeders oogen gaan openschuiven en

een leven brengen in het wassig gelaat. 't Is àl fantazije. Het is

de gebeurlijke straf, maar hij weet wel, dat ze niet zal gebeuren. O,

moest moeder nu eens opblikken naar hem en met overweldigende sterkte

dringen tot diep binnen hem, daar alles blootleggend wat er zijne

oolijke lafheid is--zou hij dan vergaan, verwoest en verdrongen tot

in de waarachtige kleinigheid van zijne ziel? Zoo juist weet hij

alles wel, maar moeder zal niet opblikken. Bij zwakkelingen komt

de vervaarlijke hallucinatie, die den geest op hol brengt. Bij hem

zal 't niet gebeuren. Bij hem is 't alles een gewikkeld spel van

vizioenaire gissingen, die leuteren buiten het bereik der logische

werkelijkheid. Maar 't is toch een kant van zijn waarlijk verdriet,

en het hijgt mede met het lijdelijk slaan dat door zijne slapen

dreunt. Dan komt de wanhoop, omdat alles onherstelbaar is. Dan

herziet hij de moeder van vroeger, de lieve mevrouw Verlat, zoo

keurig en zindelijk voorkomend uit de verte van den verleden tijd en

buigend, met zoenen op haar mond, over de blonde hoofden van Ernest

en Francine. Dan herziet hij de heerlijke mevrouw Chanteraine,

de onverschillige pracht, die glansde langs hare mooie lenigheid,

de verschillige weelde van hare vele toiletten, den sekuren blos die

den lonk van oogen opwakkerde en de blankheid der keel verteederde,

de uitmuntende mevrouw Chanteraine, zoo zwierig werkzaam met lachjes

en voorname salutatiën in 't gewoel van blikkerende onthaalsalons. Dan

nog herziet hij de allerlaatste rouwfiguur, het bleeke ernstige gezicht

boven het effen-zwart kleed, den gulzigen mond, snakkend naar stille

kinderliefde, de oogen die volgden en zochten, beangstigd, bezorgd,

begaafd, in moederangst, met wonderbare verduldigheid. Zoo was moeder,

zoo, eindelijk, de moeder veropenbaard. Naastbij geuren, flauw, de

bloemranken, de tombe van geurende bloemen, en iets ongemeens, dat

opwolkt bij poozen, precies uit de donkerheid van het staatsiebed. Er

dibbert een nieuwe geut naar Ernest's wangen en tot op zijne oogleden

stijgt de vlugge heetigheid. Maar hij kan niet weenen, al kittelt de

goede aandoening in zijn neus. 't Slaat aldoor zijn schedel binnen,

als een geweld van hamerschokken:

--O moeder, ik heb u niet bij wete zeer gedaan ....

En seffens weet hij niet meer of hij zich nog houdt gelijk hij

moet. Hij kan die bezorgdheid niet wegdringen uit hem, en gedurig

neemt hij zijn minste gebaar in acht, wil al zijn doen op de maat

brengen van zijn groot leed. Hij is bij oogenblikken geheel vol

met die bijzonderlijke aandacht, en dan zou hij wel gaarne zijlings

omkijken naar pastoor Doening, den ouden priester, die roerloos zit

en bidt. Hij durft niet omkijken, verlegen wegens de reden, die hem

omkijken doet. Hij voelt wel dat hij niet enkelvoudig en gemakkelijk

kan omkijken, en hij vreest den blik, die tegen zijn blik mocht

stooten en raden de dubbelzinnigheid. Toch, en al meteen, kijkt hij om.

De oude priester bukt onbeweeglijk over de leuning van zijn stoel. Zijn

grijze hoofd buigt ver over de leuning juist boven den bleeken glans

van zijne saamgevouwen handen. Zeker heeft hij geen enkele maal zijn

gelaat geheven naar het kaarsenlicht en tusschen zijne zwarte schouders

hangt het nederig grijze hoofd, gelijk een zwaar gebed. Ernest voelt

de droefenis die op den ouden priester weegt, en voelt tegelijk hoe

diep zijne moeder door elkendeen vereerd werd en bemind. 't Jaagt een

versche aandoening op in hem en grooter nog lijkt hem het verlies,

dat hij heeft aan zijn doode moeder. Zou, geheel en volledig, het leed

van den ouden priester rechtzinnig zijn? Is het dan mogelijk dat men

zich, gelaten en gansch, aan éene aandoening kan overgeven, zoodanig

dat het gemoed en den geest meegaan zonder hindernis en geheel het

wezen in éene richting wordt bestierd? Hij denkt daaraan, terwijl hij

algelijk bewust is dat zijn wee niet uitsluitelijk meester wordt van

hem, en dat er ievers, boven zijn zinnen, wakende loert het toezicht

van zijne kleine ziel.

II.

DE DOOD VAN MEVROUW CHANTERAINE

(Vervolg).

Dien morgen sloeg leutig de gulden meizon tegen de ruiten van

Francine's kamer. Ze tokkelde, als een regen van licht, tegen de

ruiten. Ze druppelde de groenzijden gordijnen langs, dibberde over

de zware franje en, waar 't kon, vlaagde binnen klabetterend. Zoo

viel ze op het kleine tafeltje Louis XV, juist te midden op het rood

marmeren tafelberd, pletste verder open langs de witte vacht, vóor 't

mahoniehouten bed, kroop hooger op, tegen 't bed aan, totdat ze daar,

tusschen de plooien van een blauw-satijnen bovensargie, over een lieve

roze hand kwam streelen. Al de rest van de vierkante kamer was nog

met blauw-grijze schemering omdaan. Heel lui en lauw was de kamer,

zwaar van 't warme ademleven, hetwelk als een wiegelende zwoelte in

de lucht hing.

De roze hand roerde nu even. De vingertjes krulden eens dicht toe,

bijeen en toen langzaam weer uit elkaar, zoodat ze eindelijk, stil

als te voren, gelijk wonderlijke spoelen schoon lagen op het blauwe

satijn. Daarbinst zwol de gansche sargie, herrok hare plooien, en

een zucht voer lang en luidelijk op, boven het witte hoofdkussen.

Te midden van het witte hoofdkussen rustte, zacht ademend opnieuw, het

kleine hoofd, zacht in de schaduw en omlokt met de gouden gloeiing van

geel-gulden haar. De gesloten oogen, het kleine neusje en de kin, 't

kleurde altegare effen uit met de wangen en het roommatte voorhoofd. 't

Was niet te merken dat, van weerskanten, iets, als een bleeke blos,

in de bleeke verve levendig werd, maar de mond, met zijn kersen-blonk,

blekte zeer voornaam, malsch en versch en uitmuntend. De lippen waren

niet geheel dicht, en het leven luwde er zoetekens over.

Nog bewoog die helverlichte hand. De bloote arm, die precies

van tusschen het zware haargoud was heengedrongen, herroerde op

de zijige bedekking. 't Was alsof nu Francine ontwaken zou. Een

nieuwe zucht blies ruischend boven haar rooden mond en vluggelings

trilden hare wimpers. Ze ontwaakte toch algelijk niet seffens, want

hare oogen bleven gesloten en de zon aaide weer rustig op hare roze

hand. Geleidelijk kwam haar bemeesteren de leelijke onrust van deze

laatste dagen, en 't gebeurde zoo 's ochtends, dat ze, nog slapende,

reeds de angst voelde naderen, die zich te nacht verwijderd had.

Ze ontwaakte met een schok. Wijd-open rondden hare groene oogen en

staarden onbeweeglijk rechtop naar de zoldering ....

Zoo bleef ze een poos. Zoo lag ze te glariën, verwijlend in een verte,

waar ze niets wist en niets herkende. Dan, terwijl ze zich overeind

zette en haar los haar met een rappe beweging naar achter smeet,

tuurde ze verwonderd de kamer rond. Hare hand, waar ze gansch op

leunde, drukte dieper in het beddedons, en haar hoofdje zeeg traag

zijdewaarts, op haar naakten schouder. Nog gleden hare groene blikken,

van de vergulde versiersels der zoldering allangs de met dof-geel

brokaat behangen muren, lager over het klein marmeren toiletgerief tot

op het oranje tapijt met zijn bleek-karmijnen bloemen. Toen vloeide

alles saam in een plotselinge nattigheid en ze begon halfluide te

snikken. Haar hoofd schokte bij elk geweld van haar boezem en de

lichte kant die op haar borst rond blauwe snoerkens thoopfrommelde,

rok rap uit iedermaal. Dieper drong in het kussen de tengere hand en

dieper, al schokkend, zakte het hoofd. Op mekaar stapelden zich de

dikke haarlokken en zwaarder werd de rijkdom van het haargoud. De

arm plooide eindelijk en het gezichtje zeeg voorover, weg in dat

overvloedig goud. En Francine weende aldoor, gelaten in weldadigen

tranenvloed. Het lauwe leven, dat straks stille en matelijk door de

zoele kamerlucht asemde, was thans beroerd en overrompeld.

Als ze weer recht kroop, was heel rood heur aangezicht en glom het nat

uit rond de oogen, welke nog baadden in de sterke aandoening. Ze nam,

achter het kussen, het zijden doekje met lavendelwater, dat zij er 's

avonds had weggestopt, en vaagde daarmede alover haar voorhoofd, hare

wimpers en haar mond, binstwijl stille de opfrisschende geur snuivend

die walmde als een goed windje. De geur schoot, docht het haar,

tot binnen in hare hersens, zoodat hare kleine gedachtjes nevenseen

zeer duidelijk te voorschijn opwipten, gelijk soms in ochtendheesters,

wanneer 't gewaai van zonnelicht den nevel verdrijft, schoon zichtbaar

de verscheidene vogeltjes joepen, elk naar eigen gedoe ....

En ze dacht het eerst, op die manier, aan Simon Peter. Ze rok zich

uit, liet zich achterover zinken op hare ellebogen, lengde hare

beenen buiten de sargie en gleed zoo langs den malschen bedderug tot

op de witte groote vacht. Daar stonden, naast mekaar, hare kleine

poppevoetjes op de witte vacht. Ze leunde nog tegen het bed. Haar wit

lichte hemdje viel in rechte plooien nederwaarts, gansch wit waar het

haar lichaam niet raakte, en bleek koraal-rozig doorglanzend op den

klein-dubbelen boezem, op de heupen, op de beenen. Ze hief tegelijk

hare armen op en pakte, in twee mooie wrongen, het mooie haar boven

op haar hoofd samen. Maar het bleef daar niet thoopegeleid: 't zeeg

van de zwaarte tot in haar hals, waar 't gulden en gewichtig massief

rusten bleef.

Onderwijl dacht ze aan Simon Peter. Ze zag waarlijk zijn groote

struische gestalte, zijn bleek gelaat vol ernst en gepeinzen, zijne

zwarte oogen die zoo lang op haar konden staren en haar omdoen met

de goedheid die er uitstraalde onverpoosd. Ze zag dat wit gelaat met

den grooten zwarten baard en den forschen arendsneus erboven, zijn

blanke voorhoofd, marmerhard en fijn-gebult. Zij dacht waarlijk aan

hem, omdat hij zoo kalm-sterk was, zoo groot en edel-denkend, terwijl

zij zelve zoo klein en kinderachtig deed en zoo luttele gedachtekens

liet opflappen. Op die wijze, elke ochtends en veel overdag, dacht

zij aan hem. Hij was een machtiger broeder dan Ernest en hij had

breeder schouders om op te rusten. Nu dat moeder gestorven was,

bleef Simon als een schoone steun.

Ze trok hare kousen aan, stak hare voetjes in de roode muilslofjes,

die daar veerdig stonden, en pantoffelde korttrippelend naar de

toilettafel. Ze kwam vóór den hoogen spiegel staan en zag, in een rap

zicht over haar gansche lijf, hoe ze in 't blauwe kamerlicht oprankte

blank en blond en blozend tallenkant. Naast den spiegel, aan een

koperen knop hing het grijze morgenjapon, beverfd met kleine groene en

violette bloempjes, die door mekaar in het dichte gevouw wegschoven. Ze

wierp het lichte japon om hare schouders en 't golfde breed uit, woei

rond haar leên en ruischte langzaam tot het met rustige bloempjes

eindelijk nederhing. Toen schelde ze voor Mariëtte, de kamermeid.

Mariëtte kwam rap en gedienstig en hielp Francine in haar opschik. Ze

was zeer handig en beweeglijk. Omdat ze merkte dat Francine geweend

had, begon ze een vlug getater vol vriendelijkheid.

--Heeft mejuffrouw goed geslapen? .... O! Het is buiten zoo'n mooi

weer. Kijk maar naar 't venster, mejuffer. Echt lenteweer. Wil ik de

gordijn wegpakken?

--Ga uw gang, Mariëtte .... ik heb zoo'n hoofdpijn ..... Och!

't Groote ongeluk, dat moeder dood was, viel over haar, en ze zeide

nu dat ze hoofdpijn voelde om te toonen dat ze gevoelig was. Ze

boog sierlijk haar hoofdje, terwijl Mariëtte heur haar ontvlocht,

en ze zweeg, als in een droom luisterend naar het gebabbel van

de kamermeid. Ze begreep dat Mariëtte zoo dol doorpraatte uit

gedienstigheid en om den akeligen dag met lichte figuurkens in te

leiden. Maar ze schaamde zich erover, dat ze mocht beïnvloed worden

en zich verwijderen van haar smart. Ze zweeg maar, en mijmerde,

bleef lang uitkijken naar 't volle zonnelicht, dat met vrije geuten

binnenviel. Ze voelde 't ijverig vingerenwerk van Mariëtte om haar,

dat gejeuk op haar hoofd, 't kittelend gefleer van handen in roerende

haren. 't Maakte haar stil en lui. Ze dacht alweer aan Simon Peter ....

Vóór ze haar keurslijf aanreeg, bracht Mariëtte de dampende chocolade

en de beschuitjes met zeem. Ze bracht het op een breed Japansch

draagbord, zwart-verlakt en bebloemd met aardige versiersels,

goud-bespikkeld en opgelicht met klare verven. De witte dampende

chocoladepot, het honingvaatje, het bordje met beschuiten, het

broze tasje en 't zilverwerk, 't leuterde er fraai te midden, onder

de volle straling der zon. Terwijl Mariëtte zwijgend om de kamer

ijverde en alles nog te pas schikte voor verder gebruik, schoof

Francine een lagen stoel bij tafel, wierp er een licht kussen op en

zette zich te ontbijten. Ze schonk zonder aandacht den geurenden

drank, die uitwalmde de gansche kamer door en de kamerlauwte ging

verdikken. Ze liet de witte suikerkorreltjes er in regenen en al

smeltend weer tot schuim opborrelen. Ze brak de droge beschuitjes,

streek met het ronde smeermesje den gelen zeem erover en snuisterde

traagbekkend eraan. Snoezig hief ze hare lippen boven hare tanden

naar voren, om ze in de zoetigheid niet te bemorsen. Ze dronk met

kleine slokjes. Het kopje tikte kort, als zij 't op het porseleinen

bord nederzette. Dan speelde ze met het zilveren lepeltje, klonk het

tegen het witte tasje of deed het in evenwicht wiegen op haar duim.

--Wel, zei ze zuchtend, is mevrouw Verlat reeds op?

--Ja zeker, juffrouw, ze heeft het al zeer druk gehad dezen morgen,

maar mijnheer Peter helpt haar goed. Mijnheer Peter is zeer vroeg

aangekomen, juffrouw.

--O zoo! ....

Het lepeltje wiegelde op haar duim. Op het kristallen honingvaatje

blikkerde de zon. Francine smakte langzaam, dronk nog eens, bracht

hare roode lippen saam, thoopegefronst en gedrongen tot een klein

rond mondje. Toen zonk ze achterover tegen de leuning, in het lichte

kussen. Het zilveren lepeltje viel.

--Kijk eens, Mariëtte, vroeg ze, houdt ge niet waarlijk van deze kamer?

--Het is een mooie lieve kamer, mejuffrouw.

--Ja wel, eene lieve kamer .... maar mijne echte, breedere kamer,

ginds thuis, daar houd ik meer van .... Och, Mariëtte, roep toch even

Vere boven, zeg aan Mevrouw Verlat .... roep mevrouw Verlat .... het

is hier niet om uit te houden!

De deur klonk achter Mariëtte dicht. Francine stond schielijk recht

en schelde.

--Neen, zei ze somber, als Mariëtte de deur openstiet, ga maar liefst

niet .... 't Is gekheid. Ze zou gaan denken dat ik ziek ben. Ik zal

zelf wel beneden gaan.

Dan stiller en vriendelijk, zich nederzettend:

--Zie ik er ziekelijk uit, Mariëtte?

Mariëtte meende van neen. Een beetje koortsig, korzelig en gejaagd,

meende ze.

--O ik ben niet wel, Mariëtte, dat zal Vere wel merken. Mijne oogen

zijn betraand en gezwollen, niet waar? Mijn hoofd gloeit en klopt. Kunt

ge dat alles niet zien toch, Mariëtte?

--Haast niet, juffrouw, haast heelemaal niet, ik verzeker u.

Francine brak beschuitjes en kruimelde ze over de rood-bestippelde

servet. Daarbinst nam Mariëtte de muilslofjes weg en bracht schoenen

met hooge hakken. Op een laag bankje rustten Francine's kleine

voetjes. Mariëtte knoopte de spannende schoenen toe. 't Sloeg negen

uren beneden, op de groote klok van het vestibule.

--Hemel! hoe rap gaat de tijd! .... Wat zou Ernest nu doen? Heeft

hij dan heel den nacht ginder doorgebracht, Mariëtte?

--Ik geloof ja, juffrouw ....

--Dat is toch akelig, niet waar, Mariëtte? .... O! het is een groot

ongeluk!

Terwijl Mariëtte haar dat zwarte rouwkleed aantrok, sprak ze niet. Ze

had een ernstig gezichtje. Hare groene oogen keken ernstig rechtuit,

maar rozig waren haar wangen en haar mond bleef rood van frisch en

overdadig leven. Het kleed somberde om haar, gewichtig en zwaar. Het

deed nog feller opgloeien het goud van heur massieve haar, en haar

gelaat blonk klein en liefelijk uit, in blanke mooiheid en doorzichtige

blosjes daar langs. Bleek hingen, als bloemen, haar fijne handen

tegen het zwarte kleed.

Ze ging vóor den grooten spiegel staan, keerde zich half rechts om,

dan links, deed de plooien in den rok uitrekken of breken, boog haar

leên en hief haren arm. Ze lei een dubbele rang doffe gitparelen rond

haren hals. Ze wendde zich naar Mariëtte:

--Ik dank u--laat me alleen ....

Nog stond ze vóor den spiegel. De zon kaatste achter haar tegen het

gele brokaat van het muurbehangsel. Ze mompelde:

--Hoe bar zie ik er uit!

Ze nam uit een lade van de toilettafel een nieuw-zijden zakdoekje met

zwarte bolletjes op de randen, goot er een paar druppels reukwater op

en verliet de kamer. Op de trap moest ze zich bedenken of ze alles

bijhad en alles in orde was. Ze dacht nog eens vluggelings aan haar

geldtasje, haar poeierdoosje, haar pennemesje, haar drie kleine

sleuteltjes, haar zakdoekje .... Ze dacht even aan Simon Peter,

alsof hij daarbij hoorde. Ze had wel alles bij, en rustig gleed ze

de trap af in 't breede geruisch van haar nieuw kleed.

Ze vond hare schoonzuster in de verandah. Vere keek op, als ze

Francine's lichten stap hoorde kloppen op het houten parket. Haar

bleek-ovale gezicht met de diepe blauwe oogen kwam juist opsteken in

een smalle zonnestreep, die verder tegen den wand op het ebbenhouten

étagère een onyxen naakt-figuurtje zeer zonderling en bijna alleen te

beglanzen lag. Het naakt-figuurtje glom en al de rest vaagde weg in

ondergeschikte kleurenspeling: de groene muur met oker-bruine friezen,

de vele schilderijen daarop, bronzen beeldhouwwerk op het schouwblad,

de zwaar-groene meubileering, 't verdoezelde tot eene traag-levende

grijsheid. Hoofdzakelijk en met een zonnestraal bekletst glom het

naakt-figuurtje van onyx. Dat was aardig. Eronder blikte het stille

gelaat van Vere, vermoeid en te bleek. Stil glimlachte Vere's gelaat:

--Goêmorgen, liefje .... hebt ge wel wat gerust?

--Ach ja .... ach ja ....

Francine boog en kuste Vere op het voorhoofd. Toen schudde ze haar

kopje en kloeg:

--Ik voel me niet lekker .... zeker ....

--Och, zie! dat moet allemaal voorbijgaan; dat doet de tijd, mijn

zoete Fran.

--O! maar gij .... gij ziet zoo wit, wit .... wit ....

--Dat moet allemaal voorbij .... Het belangrijkste nu is,

dat wij erdoor geraken. Veel hangt van ons zelf af, vindt ge

niet? Waarachtig. Ik heb zeer veel medelijden met Ernest bijvoorbeeld.

--Ho! ik ook, beste Vere .... Arme jongen! En Simon heeft u goed

geholpen, niet waar?

--Simon is een edel man. Hij heeft hier alles geschikt. En nu is hij

ginder, bij Ernest, met Oomken.

--Met Oomken .... Hoe mal! Nu had ik Oomken heelemaal vergeten.

Ze rechtte zich en lachte meteen gulzig. Ze klopte met hare hakjes

tegen den vloer en gichelde zilverig:

--Dat is toch raar, ten minste .... Wel, Oomken!

Ze lachte door: Oomken! Oomken! .... Ze werd rood tot op hare

slapen en haar boezem schokte. Ze zweeg plots. Ze keek naar het

stapeltje doodbrieven, die, vóor Vere, op de groene tafel vlekten

wit-en-zwart. Ze vroeg ernstig, laag:

--Adressen schrijven? Nog .... ?

Ze zag ineens moeder liggen, moeder op het witte bed waar ze gisteren

en eergisteren lag, en straks de begrafenis. Ze zeeg op een stoel

neder en begon luide te snikken, aldoor jammerend:

--Moederken! .... mijn moederken! .... waar zijt ge nu?

Vere ging over haar neigen, vatte haar gansch in hare armen, zoende

haar in heur dichte haar en troostte met innig gestreel dat groote

leed, hetwelk zoo ineens en zoo geweldig opschoot. Francine wou

eindelijk bedaren. Maar nu wilde ze seffens bij moeder gaan, seffens

naar het andere huis, waar moeder lag. Ze moest nog eens moeder zien,

eer men ze wegdroeg.

--Kom .... kom rap .... Wilt ge niet gaan met mij?

Dan moest ze bloemen hebben. Waren er wel bloemen genoeg ginder? Dat

had Simon geschikt.. dat had Simon geschikt, ja, maar ze wilde het

precies weten. Ze was er zeker van dat er niet eens bloemen genoeg

waren. Ze wilde veel, veel bloemen, volle vrachten met witte en

teer-blauwe en paarse, versch geplukt en nog met frissche nattigheid

bepereld. Had daar dan niemand aan gedacht? Dat was toch niet

mogelijk. Vere zei dat ze de groote koets zou doen inspannen. Maar

neen, dat duurt, en hoe laat is het, hoe laat reeds is het, in Gods

name? Ze zouden saam te voet gaan. Roep gauw Mariëtte. Ze zouden enkel

haar kapeliene opwerpen, en Mariëtte zou medeloopen om de bloemen

te dragen, gedeeltelijk. Dat geraakt zoo wel in orde. Ze hijgde,

en kuste, bij vlagen van zenuwachtigheid, Vere die knikte met dikke,

ernstige tranen in hare oogen.

--Kom .... kom .... och kom!

Geen verzet baatte. Vere dacht dat Francine op straat redelijk

en kalm zou worden, en ze riep Mariëtte. Ze kleedden zich aan in

allerhaast, speldden de groote zwarte vool vast aan hun hoed en

drilden koortsig langs de huizen. Mariëtte volgde. Ze drilden, dicht

bij mekaar gedrongen. Vere, grooter en breeder dan Francine, leidde den

gang. Francine hing aan haar arm. De blijde lentezon viel van de daken,

plaste op de grijze steenen, flikkerde tegen de ruiten. Leven roerde

allentwege en de zon gloorde daar te midden, wipte langs loopende

menschen heen, vlekte kleurig op trams en rijtuigen en wagens uiteen,

of rustte, als een groote vlinder met onrustige vlerken, op een vlak

verlaten plein.

Op een plein, achter de St. Bonifaciuskerk, vonden ze een

bloemenwinkel. Ze hadden niet gesproken onderwege. Ontspannen jubelde

Francine:

--Dàar! dàar!

Vooruit liep ze binnen. Ze zag niet om naar de oude juffrouw, die met

een stroopgezicht naar haar toe kwam suikerlachen. Ze bestelde zonder

mate. Vroege lelies waren uitgestald bij bundels, krokuskelken dicht

bijeen, zeldzame tulpen, violen van Parma en geurende tubereuzen. Ze

kocht alles op en stapelde de bloemen in Mariëtte's armen op hoopen. Ze

belaadde Vere met violen. Gedurig blonken tranen door hare wimpers,

die ze wegvingerde ongemerkt. Dan betaalde ze en weer waren alle drie

op weg. Francine wilde van geen huurrijtuig weten. Ze hoorde hare

harde hielen slaan op de steenen en 't schokte weldadig door haar

lijf op. Ze trippelde in de zon. De zon stoof uit in de lucht, waar

ontelbare lichtkorrels dooreenwemelden, en zij omdeed alles met eene

verkwikkende warmte die traagzaam en doordringend was. Francine meende

dat hare gedachten als klare vaantjes in de zon wapperden en dat hare

smart heel klein uitvloeide onder het groote groote licht. Ze vermeed

de schaduwzijden der straat om gansch in de klaterende zonplassen

te plonsen, en ze keek tusschenbeide om naar Mariëtte, zich gauw

eens deugd doende aan 't schaterend gedoe der bloemen, die, gelijk

een gewichtig belang, sterk de zon naar voren droegen. Ze waren een

gewichtig belang in het overige bedrijf der stad.

Als Francine op de Regentielaan kwam, kon ze niet meer zoo hard

loopen. Ze hing zwaar aan Vere's arm en hare rokken sleepten. Ze

werd zeer angstig en stond daar nu te hijgen vóor de groote poort

van het hoogstille huis. Het docht haar dat het een vreemde woonste

was; ze herkende niet goed meer den platten drempelarduin en de twee

zwart marmeren bollen die, van weerskanten de poort, den muur voor

wielen-aanstoot bevrijdden. Ook de elektrische bel rinkelde zonderling

daarbinnen ....

Bij de deur van het salon liet ze hare bloemen vallen, hare armen

zegen omlaag en ze stond te staren naar Ko, den ouden knecht, die

in zijn nieuw rouwpak vóor haar, tegen het gedempte vensterlicht,

opsomberde. Onwillekeurig vroeg ze:

--Zijt gij het, Ko?

Seffens trad, uit de nevenkamer, mijnheer du Bessy. Hij liep met

open armen naar Francine en Vere, omhelsde ze en kon niet spreken eer

hij drie-viermaal een dikken snik met geweld had neergezwolgen. Toen

hakkelde hij:

--Och, kinderen, wat doet ge hier?

Vere vouwde haar vool zijlings op en bracht insgelijks Francine's

vool alover hare schouders. Vere was uitermate bleek.

--Fran wilde bloemen brengen, zeide ze.

--O ja, weende Francine, o ja, Oomken, als het u belieft, laat me

bij moederken gaan!

Mijnheer du Bessy schudde zijn hoofd. Hij zag er wel oud uit, mijnheer

du Bessy; maar, gelijk altijd, waren zijn blinkende haren, schoon

zwart geverfd, geleid in een wit-rechte streep tot op zijn hoog-witte

halsboordje van achter, en zijn snor en kinnebaardje zwart-glansden

onverbeterlijk. Hij zag er zeer oud uit. Rimpelige zakjes bultten

onder zijn oogen en zijn voorhoofd lag gebroken menigmaal. Boven zijn

hagelwit dasje en zijn zwarten rok was zijn aangezicht bijna geel. Hij

schudde zijn hoofd en sloot radeloos Francine in zijne armen. Hij

blikte benauwd naar Vere, alsof hij zeggen wou: Wat moeten we nu doen,

lieve hemel! Hij vroeg:

--Waar is Ernest?

Hij keerde zich om naar de kleine nevenkamer en vroeg het nog:

--Simon, waar is Ernest?

Uit de nevenkamer trad nu de stille Simon Peter te voorschijn. Zijn

groote gestalte steeg boven het bleeke tapijt en groeide ontzaglijk

tegen de klaarte die daarnaast volop aan het zonnen was. Hij groette

stil. Hij deed zoo stil over zijn gansch wezen en hij was gelijk

een die blijft in kiesche verwachting. Hij merkte mijnheer du Bessy's

wanhoop, maar wist geen raad. Ernest was in de groote kamer met pastoor

Doening, zei hij. Hij sprak bijna fluisterend. Hij nam Francine bij

de hand, nadat hij de gevallen bloemen had opgeraapt. Hij leidde

Francine uit het schemerige salon en Vere volgde met Oomken.

In het kleine nevenplaatsje leefde fraai en kwistig de Meizon. Simon

had het venster wijdopen gezet, dat uitzicht gaf op den tuin. De

tuin was lichtgroen en prevelde. Kleine windjes voeren langs het

jonge getwijg en vogeltjes tjirrelden door elkander. De Lente asemde

binnen. Bijen kwamen tot in het raam wiegen, gonsden langs de ruiten

op en schoten weg, de vrije ruimte door.

--Rust hier een beetje, juffrouw Francine, zei Simon.

Het ivoren aapje: Een roman van Brusselsch leven · 第 1 / 35 段