U. HET INMAKEN EN DROOGEN VAN VERSCHILLENDE VRUCHTEN EN GEWASSEN.

1. Algemeene regelen. Bij het inmaken van vruchten moet men er

vooral op passen, dat zij zorgvuldig worden afgeveegd, daar dit een

hoofdvereischte is om ze goed te houden.--Men mag ze ook volstrekt

nooit in een pot koken, waarin vroeger vet is geweest, en ook de

houten lepels die men gebruikt, moeten daarvan volkomen zuiver zijn,

zoodat men best zal doen, met de hiervoor benoodigde gereedschappen

afzonderlijk te bewaren, en ze elk jaar, als men inmaakt, voor

den dag te halen. Nieuwe aarden pannen moeten eerst met koud water

opgezet en uitgekookt worden.--Bij het inmaken in het zuur, moet men

er op letten, dat de azijn van eene goede soort is, en als men besten

wijnazijn te kostbaar vindt, doet men nog beter met goeden bierazijn

te nemen dan eene mindere soort van wijnazijn. Voor kwetsen b. v. is

bierazijn zelfs te verkiezen, daar die minder suiker vordert.--De

brandewijn dien men voor het inmaken gebruikt moet echter fransche

zijn.--Gedurende het koken van vruchtensappen of geleiën, mag er

op den haard niets anders worden gekookt, dat damp of eenigen geur

verspreidt, zoo als vleesch of groenten doen; ook mag er in het

vuur niet van boven worden gepookt of geroerd, want, hetzij asch,

hetzij kolenwalm, zou zeer nadeelig werken op het inmaaksel dat men

onderhanden heeft.--Zoodra een kooksel van het vuur is genomen, en

in flesschen of potten is gedaan, moet men die met een schoonen doek

overdekken, opdat er niet soms vliegen of muggen invallen en gisting

doen ontstaan; en, als het koud geworden is, mag het niet worden

uitgesteld om alles met blazen of papier digt te maken, want indien

men de potten ook slechts 2 dagen open liet staan, zou daardoor de

grond worden gelegd voor hun bederf.--Alle ingemaakte vruchten moeten

geheel met het sap bedekt zijn, en op dikkere moezen of geleiën moet

men, als zij in de flesschen of potten geheel koud zijn geworden,

een passend stukje postpapier leggen, dat met brandewijn geheel is

doortrokken.--Men sluit de potten en flesschen met eene varkensblaas,

met schoon graauw papier of met waspapier (zie A, No. 45).--Om eene

blaas goed zuiver te hebben, legt men die eenige uren in brandewijn,

en wrijft haar dan met zemelen af; ook kan men haar een dag in laauw

water zetten, dat men eenige malen ververscht, waarna men de blaas

goed uitwascht en met een doek afdroogt. Zij wordt dan nog vochtig om

de flesch gebonden; en als men haar later, bij het openmaken, niet wil

scheuren, legt men een met warm water bevochtigden doek een oogenblik

om den hals van flesch of pot, om de blaas weder lenig te maken.--Een

beproefd goed middel om alle in suiker ingemaakte vruchten te bewaren,

bestaat daarin, dat men er geconfijte gember bijvoegt. Op ongeveer 5

o. vruchten neemt men een stuk gember van een halven vinger lang, dat

men in kleinere stukjes verdeelt, en met de vruchten in de geklaarde

suiker en later in de flesschen legt.--In een klein huishouden zal

men wèl doen door voor de vruchtensappen halve flesschen, of des noods

groote apothekersflesschen te gebruiken, daar een flesch, die eenmaal

aangebroken is, niet lang goed blijft.--De flesschen moeten vóór

het vullen zeer zuiver gespoeld en van binnen goed gedroogd worden,

liefst in de zon of de opene lucht, en het is altijd voorzigtig, om

voor het laatste spoelen koud geworden, gekookt water te nemen, omdat

daarin stellig geen kleine levende diertjes zijn, die, indien er een

plekje soms niet geheel droog ware, tot het verderf van het ingemaakte

aanleiding zouden kunnen geven. Ook is voor de zuiverheid der flesschen

het zwavelen (zie No. 2) zeer aan te bevelen. Het gekookte vruchtensap

moet een nacht stil blijven staan, vóórdat het in de flesschen wordt

gedaan, omdat men het langzaam van het bezinksel kunne gieten en dit

minder heldere gedeelte afzonderlijk houden. Bij het vullen van eene

flesch moet men drie vingers breed onder den rand blijven; men giet

dan een theelepeltje arak of brandewijn op het nat en sluit den hals

met eene nieuwe kurk, die niet geheel het sap mag raken, en bij wijde

inmaakflesschen legt men een rond geknipt stukje wit papier onder de

kurk als men die op de flesch zet (dit papier moet zooveel grooter dan

de kurk zijn, dat het daar langs uit de flesch steekt); men plooit het

boven over de kurk te zamen en bindt eene blaas over alles heen. Naauwe

flesschen, die met eene gewone kurk gesloten worden, bezorgt men

met lak of harpuis, nadat de kurk glad is afgesneden.--Op vruchten,

die in keulsche potten in azijn zijn ingemaakt, kan men een passend

stukje lei, met een klein steentje er op leggen, niet zoo zwaar dat het

drukking veroorzaakt, maar enkel voldoende om het ingemaakte behoorlijk

onder te houden.--Voor augurken en komkommers is het bijzonder goed,

als men er een linnen zakje, gevuld met mosterdzaad, bovenop in den

pot legt, zoo groot, dat de geheele oppervlakte ter dikte van een

halven vinger bedekt is.--Het geeft eene huisvrouw later veel gemak,

als zij bij het inmaken iederen pot of iedere flesch voorziet van eene

etiquette, waarop de inhoud is vermeld, benevens het jaartal van de

bereiding.--Wat nu de bergplaats voor verschillende ingemaakte zaken

betreft, kan men vruchtsappen, zoo als bessennat, frambozenazijn

en dergelijken, zeer goed in den kelder bewaren, mits de flesschen

regtop en op planken staan (niet op steen). Voor iets anders is dit

echter in den winter geene geschikte bergplaats; men moet het ergens

nederzetten, waar het droog, luchtig en koel, maar buiten de vorst

staat; slechts in den warmsten zomertijd mag men zijne toevlugt tot

den kelder, nemen.--Alles moet tusschenbeiden, b. v. om de zes weken,

worden nagezien. Bevindt men dan, dat in suiker ingemaakte vruchten

er niet goed meer uitzien, zoo kookt men een weinig azijn met suiker,

schuimt dit, en laat er de vruchten even in doorkoken; ontbreekt het

echter niet aan sap, dan is het voldoende om ze, met bijvoeging van wat

brandewijn en suiker, doorwarm te maken, hetgeen men het gemakkelijkst

doet, door de flesschen of potten open, in een pot met water, op het

vuur te zetten en kokend heet te laten worden. Indien de azijn niet van

de beste is geweest, kan het, vooral bij augurken, zeer ligt gebeuren

dat men bij het nazien de oppervlakte met kaam overdekt terugvindt. In

dat geval moet de pot geheel geledigd en goed schoongemaakt worden;

de augurken spoelt men in koud geworden, gekookt water af, den azijn

kookt men op en schuimt ze, terwijl men er zooveel verschen azijn als

noodig is bijvoegt. De augurken worden bij gedeelten eenige minuten

daarin gelegd, en moeten daarna, op een schotel uitgespreid, koud

worden. Vervolgens doet men ze weder in den pot met azijn bedekt. Als

de azijn slechts is verschaald, zonder dat de augurken bedorven

zijn, neemt men verschen azijn, legt de afgewasschen augurken er in,

benevens de op eene zeef afgespoelde kruiderijen, en als nu de azijn

zeer heet is geworden, neemt men alles er uit, legt het in den pot,

laat den azijn doorkoken, en giet hem, koud geworden, over de augurken.

2. Het zwavelen van inmaakflesschen. Voor het behoud van alle met

suiker ingemaakte vruchten vooral, is het zwavelen een zeer goede

maatregel, en men handelt daarbij als volgt: De flesschen worden

eerst zuiver gespoeld en dan ook van binnen gedroogd. Men smelt

vervolgens wat zwavel en doopt daarin eene reep linnen, die spoedig

hard en droog wordt. Hiervan knipt men een klein stukje af, dat men

aan een eind ijzerdraad, van een omgebogen haakje voorzien, bevestigt;

dit steekt men aan, en laat het brandend in de flesch zakken, waarvan

men den hals, naarmate die wijd is, met eene kurk of een schoteltje

bedekt. Na verloop van een kwartier haalt men den draad er uit, vult

terstond de flesch met vruchten, en bindt haar digt. De zwavel laat

volstrekt geen reuk of smaak achter.

3. Om suiker voor confituren te klaren. Voor het inmaken van vruchten

moet men altijd de beste witte suiker gebruiken, en dan nog moet men

die, vóór het gebruik, in eene koperen, of bij gebrek daaraan, in eene

verglaasde pan, met water koken en afschuimen. Als men de suiker daarna

nog dikker wil laten koken, moet dit op een zacht vuur geschieden en

dan niet in eene verglaasde pan, daar de glazuur er zou afspringen. Als

men 5 o. suiker zuiveren wil, zet men die met 1/4 k. water op; maar

heeft men meer gewigt, b. v. verscheidene ponden, dan is per pond de

helft van het genoemde water toereikend. Zie voorts A, No. 25.

4. Om het versuikeren van ingemaakte vruchten te voorkomen. Het

versuikeren van ingemaakte vruchten ontstaat daardoor, dat de suiker

bij het inmaken te veel verdampt was, of dat de vruchten te droog

waren. Voor het eerste geval kan men zich wachten, en als men vruchten

moet gebruiken, die uit haren aard niet sappig zijn, kan men het kwaad

voorkomen, door bij de suiker, nadat de vruchten er zijn uitgenomen

en zij zelve genoegzaam is verkookt, een stukje aluin te voegen,

ter grootte van eene erwt, dat in een lepel water is opgelost.

5. Macédoine van vruchten. Als men verschillende soorten van

vruchten, naar mate het saizoen die oplevert, wil inmaken, legge

men die gaandeweg in eene wijde flesch of terrine, waarover eene

blaas gebonden kan worden, in franschen brandewijn, en voege er

telkens met iedere 5 o. vruchten, evenveel suiker bij, terwijl men

den brandewijn ook langzamerhand vermeerdert. Aalbessen, aardbeziën

en frambozen worden gewasschen, en men laat ze goed uitlekken;

andere vruchten worden schoon afgeveegd; van kruisbessen moet men de

kroontjes afplukken en van kersen den steel kort afsnijden; perziken,

pruimen en abrikozen snijdt men in de helft of in vierdeparten, en van

meloen neemt men natuurlijk alleen het eetbare gedeelte, in stukjes

gesneden. De terrine moet op eene koele plaats staan, en telkens als

men er eene nieuwe soort van vruchten bijvoegt, worden de vorigen

voorzigtig door elkander geroerd. Als men alles heeft verzameld,

wordt het in verscheidene flesschen gedaan en bezorgd volgens den

regel in No. 1 opgegeven.

6. Abrikozen in brandewijn. De abrikozen moeten niet al te rijp zijn,

zacht worden afgeschuijerd en afgeveegd, waarna men ze beprikt met een

stalen breinaald. Dan rekent men voor 5 o. vruchten 3 1/2 o. suiker,

vult daarmede confituurflesschen of een keulschen pot, giet die verder

vol met brandewijn, en bindt er een papier over. Men zet ze met hooi

er tusschen en rondom gepakt, in een ketel met water, hangt ze over

en laat ze 1/2 uur zachtjes koken, waarna men ze met eene blaas sluit.

7. Perziken en Reine Claudes. Op 5 o. vruchten 3 o., 7 1/2

l. suiker. Nadat de suiker geklaard is, legt men de afgeveegde

vruchten, die rijp, maar niet al te rijp moeten zijn, er in; neemt

dan terstond de pan van het vuur, schudt de suikerstroop wat over de

vruchten heen, en zet ze zoo weg. Na verloop van 48 uren zet men alles

weder te vuur, laat de vruchten even zachtjes medekoken, en neemt ze er

dan uit, terwijl men de suiker nog wat tot stroop laat verdikken. Nadat

zij bekoeld is, doet men haar met de vruchten in eene flesch en giet

er brandewijn op, tot zij onderliggen. Men sluit de flesschen goed,

en als de vruchten zinken, kan men ze gebruiken. Op deze wijze kan

men ook abrikozen inmaken.

8. Mirabellen in cognac. Voor 1 p. vruchten 7 1/2 o. suiker. De

mirabellen moeten niet te rijp zijn en worden in kokend water geschud,

waarin men ze eenige oogenblikken laat blijven, tot zij daarin

bovenkomen; zij mogen echter niet koken of barsten, en dan legt men ze

op een doorslag. De suiker wordt geklaard en nog heet in eene schaal

gegoten; men legt de uitgelekte pruimen er terstond in, om er 48 uren

in te blijven. Na verloop van dien tijd neemt men ze er uit en legt

ze in eene flesch; de suiker laat men stroopig koken en vermengt haar

dan met zooveel cognac als noodig is om de vruchten te bedekken.

9. Kweeën in cognac. De kweeën worden geschild, in achtsteparten

gesneden, van de klokhuizen gezuiverd en in koud water

geworpen. Intusschen maakt men water aan de kook, schudt daar de kweeën

in, en laat ze mede koken, tot men ze gemakkelijk kan doorsteken; week

worden mogen zij echter niet. Dan worden zij er met een schuimspaan

uitgenomen en op een doorslag gelegd; als zij goed zijn uitgelekt,

steekt men op ieder stuk een snippertje citroenschil en een stukje

pijpkaneel. Eerst dan worden de vruchten gewogen, en op 5 o. neemt men

3 o., 7 1/2 l. suiker, die men klaart, dan met wat van het kweeënwater

stroopig kookt, en heet op de vruchten giet. Na 48 uren legt men de

kweeën in flesschen, laat de suiker nog wat verdikken, giet er cognac

bij en bedekt de vruchten daarmede.

10. Morellen in brandewijn. De morellen worden afgeveegd, de stelen er

uitgetrokken en met de helft van hun gewigt aan suiker, laagsgewijze in

de flesschen gedaan, terwijl men er ook tusschenbeiden wat pijpkaneel

en nagelen inlegt; daarop vult men de flesch met brandewijn en zet

haar gesloten weg. Als de suiker is gesmolten, zijn de vruchten

goed. Op deze wijze kan men ook kersen inmaken, maar men gebruikt

dan iets minder suiker.

11. Rijpe abrikozen in suiker. De abrikozen worden goed afgeveegd,

door midden gebroken en van de pitten ontdaan, waarna men ze, met

de open zijde naar boven, aan lagen, met hun gewigt aan suiker er

tusschen gestrooid, in een porseleinen kom legt, en hierin laat men

ze den volgenden dag, op zacht vuur, goed heet, maar volstrekt niet

week worden. Dan laat men ze uitdruipen, en legt ze vervolgens met

de gekraakte, geschilde pitten in eene inmaakflesch; het nat wordt

nog wat verdikt en koud op de vruchten gegoten. Na verloop van 8

dagen maakt men de flesschen weder open en kookt het nat nog eens

op. Hierbij is zeer het gebruik van gember (zie No. 1) aan te bevelen.

12. Abrikozen marmelade. Rijpe abrikozen worden even in kokend

water opgekookt; dan trekt men de schil er af, breekt ze door,

om er de pitten uit te halen en weegt ze. Men neemt hetzelfde

gewigt aan suiker, die men klaart, en waarin men de abrikozen, met

gesnipperde citroenschillen, naar den smaak en in goede verhouding

met de hoeveelheid vruchten, tot een dik moes laat koken dat men met

een zuiveren houten lepel roert. Het vuur moet zeer zacht zijn, en

als men na verloop van 8 of 14 dagen ziet, dat op de marmelade zich

eenig vocht heeft afgescheiden, moet zij nog eens worden opgekookt.

13. Perziken in suiker behandelt men volgens No. 11; maar als men de

suiker tot stroop kookt, voegt men er, voor 5 o., een halven kelk

citroensap bij en giet het kokend op de vruchten. Na verloop van

4 dagen wordt het nog eens opgekookt, en als de perziken week zijn

geworden, er koud op gegoten, anders weder kokend.

14. Appel marmelade. Men neemt op 1 p. appelen, 5 o. suiker en

1 citroen. Borsdorfer appelen zijn hiervoor het best. Zij worden

geschild, van de klokhuizen ontdaan en dan eerst gewogen; daarop legt

men ze met het citroensap en de halve geraspte schil, benevens een

weinigje saffraan, in een doekje gebonden, in de geklaarde suiker

en kookt ze schielijk zeer week. Men neemt er dan de saffraan uit,

roert de appelen met een houten lepel fijn, en laat ze langzaam tot

een dik moes verkoken.

Keukenboek · 第 47 / 64 题