1. Algemeene regelen. Voor het welslagen van taarten en allerlei gebak,
is het zeer dienstig, om de bestanddeelen vooraf te verwarmen en ze
te beslaan, of te kneden op eene togtvrije plaats. Alleen voor het
feuilleté en boterdeeg is het niet zoo noodig.--Eijeren en vooral
het wit, dat tot schuim geslagen zal worden, moeten zeer koel worden
gehouden. Hoe men het best een vast schuim verkrijgt, is aangewezen
in A. No. 29.--Het meel moet zoowel als de suiker, na het warmen,
worden doorgezeefd; anders kan men geen fijn deeg bereiden.--De
boter moet, vóór het gebruik, goed worden gewasschen en doorgekneed,
om er alle waterige deelen uit te verwijderen, en, als zij van eene
minder goede hoedanigheid is, moet men haar langzaam smelten en van
het bezinksel afgieten. Om boter tot schuim te roeren, zet men haar
een oogenblik op den wasem van kokend water, waar zij week wordt,
zonder te smelten, en wrijft haar dan met een houten lepel tot er
blazen op komen.--Om te voorkomen dat er soms een bedorven ei in
een baksel mogt geraken, is het goed om de eijeren niet te breken
boven den beslagpot, maar om ieder ei boven een afzonderlijk bord te
openen.--Bij het gebruik van citroenen zorge men, dat alle pitten
er goed worden uitgehaald; zij veroorzaken een bitteren smaak.--De
vorm of pan, die men wil gebruiken, moet vooraf met boter besmeerd
en met gestooten beschuit of gedroogd broodkruim bestrooid worden,
zoodat men, als het deeg gereed is, daarop niet behoeft te wachten;
bij feuilleté behoeft men zulks niet te doen, daar het door zijne
eigene vettigheid van de pan loslaat. Voor het beslaan moet men een
diepen pot en een vlakken houten lepel hebben, en alles dooreenslaan,
behalve het schuim van het eiwit. Het is niet noodig altijd te kloppen;
maar alles goed door elkaâr gemengd zijnde, kan men zich dit werk
verligten, door den pot goed vast te zetten, den lepel met beide
handen te vatten, en zoo, steeds naar denzelfden kant in het rond te
roeren; dit moet echter vlug en onafgebroken geschieden; dan is men
meestal in een kwartier gereed, terwijl zacht roeren niets helpt,
al zet men het ook zeer lang voort. Als men in gebakken, waarin geen
gist voorkomt, het rijzen eenigzins meer wil bevorderen dan door goed
beslaan en het eiwit veroorzaakt wordt, kan men er eene kleinigheid
gepulveriseerd hertshoornzout bijvoegen.--Men moet er vooral op letten
om versche gist te gebruiken, en om er den onaangenamen smaak af te
nemen, zette men haar een nacht van te voren onder water, dat men er
bij het gebruik afgiet; dan mengt men ze aan met laauwe melk en wat
suiker, die de gisting zeer bevordert. Is men bevreesd, dat de gist
die men heeft, niet toereikend is, dan kan men er eenige gekookte,
koud geworden, en door eene zeef gewreven aardappelen onder mengen,
en voor iederen lepel dikke, gewasschen gist, er een lepel franschen
brandewijn bijvoegen. Overigens moet men zich op dit hulpmiddel niet
verlaten als de gist te oud is en hare kracht verloren heeft. Omtrent
het beproeven van gist en de verhouding tusschen natte en drooge,
zie men A. No. 33.--Het beslag waarin men zich van gist bedient,
moet ten minste een kwartier zeer sterk met een houten lepel worden
geslagen; als het een stijf deeg is, legt men het op de taartenplank en
slaat het geducht met den lepel, vouwt het dubbel en slaat het weder,
zoo voortgaande gedurende een kwartier; is men in het bezit van een
baktrog, dan kan men het deeg daarin heen en weder gooijen; zoo als de
bakkers het brood behandelen.--Na het beslaan zette men den pot neder
om te rijzen; hetzij met eenig vuur er onder, toegedekt, op eene warme
plaats, hetzij geheel open op de togt; beide wijzen zijn goed.--Den
warmtegraad voor het bakken beproeft men, door een stuk papier in den
oven te leggen; als het spoedig geel, echter niet zwart wordt, dan is
dit de eerste graad van warmte, en deze past voor feuilleté, boterdeeg
en beslag met gist; wordt het papier slechts langzaam geel, dan is dit
als den tweeden graad te beschouwen, en deze is voor de meeste soorten
van gebak voldoende; eene nog mindere warmte, zijnde de derde graad,
is geschikt voor gebak dat sterk opdroogen moet.--Wanneer men in den
oven van eene kookmachine bakt, dan mag er gedurende den tijd dat
het gebak er in staat, geen koud water in den ketel gegoten worden;
de warmte wordt daardoor gestoord en menigmaal zal dan het baksel
mislukken. Bij de volgende recepten is zooveel mogelijk de baktijd
opgegeven, maar daar dit toch van de warmte afhangt, zal men goed doen
met alles te proberen, voor dat men het uit den oven neemt. Men kan
dit gemakkelijk doen, door een stroohalm of eene breinaald op eenige
plaatsen in het gebak te steken, en als daaraan niets blijft kleven,
kan men rekenen dat het gaar is; het moet dan uit den oven worden
gezet, want, vooral voor gistgebakken, is het zeer verkeerd als
zij er te lang inblijven. Nadat het gebak uit den oven is gehaald,
zet men het ongeveer 10 minuten lang op eene warme plaats, alvorens
het uit den vorm te nemen, en brengt het niet terstond in eene koude
kamer. Men heeft blikken vormen, waarvan de rand en de bodem uit elkaar
genomen kunnen worden, en deze zijn zeer aan te bevelen, omdat men
dan het gebakkene niet behoeft te schudden, iets, waardoor sommige
luchtige koeken ligt neerslaan; ook blijven de opstaande randen veel
mooijer.--De vormen moeten terstond na het gebruik zorgvuldig gereinigd
en op eene drooge plaats verborgen worden.--Gebakken blijven het best
als men ze in glas of porselein met sluitende deksels bewaart; ook
zijn blikken trommels zeer doelmatig, en als men vreest dat kleine
gebakjes week zullen worden, kan men eene doove kool er bij in den
trommel leggen; wel zóó, dat die het gebak niet raakt, maar toch niet
in papier gepakt. Gerezen koeken kan men na eenige dagen in een zeer
heeten oven goed laten doorwarmen, en zij worden dan als versch.--Om
klein gebak, zonder dat het brokkelt, vlug van de bakplaat te kunnen
afnemen, bestrijke men deze, als zij warm is, met een stukje was; mogt
bij ongeluk het gebak op de plaat koud zijn geworden en vastzitten,
dan moet men die even weder warm maken.--Voor botergebakken kan
men zich van boter alléén, of voor de helft met reuzel vermengd,
bedienen; ook is voor sommige zaken raapolie zeer goed te gebruiken,
het zij onvermengd, hetzij met wat reuzel er door. Over het klaren van
boter zie men A No. 17; over het uitbakken van olie A No. 19.--Men
moet de hoeveelheid van welk vet dan ook, niet te schraal nemen,
daar het gebak veel aangenamer van smaak wordt als het er ruim in
ligt, en men het overblijvende vet nog wel eens gebruiken kan, des
noods zelfs voor niet te fijne groenten.--Het vet waarin men bakt,
moet zoo warm zijn, dat een daarin geworpen stukje deeg terstond
boven komt. Hoe spoediger het gebak bruin wordt, des te minder vet
dringt er in, en nog minder is dit het geval, als men een stuk drooge
gember onder in den pot legt. Mogt het vet al te heet zijn, dan moet
men het even van het vuur zetten, vóór dat het deeg er in gedaan
wordt. Gebakken, die nadat zij gevormd zijn, moeten rijzen, zoo als
b. v. Berliner bollen, legt men aan de bovenzijde naar onder gekeerd,
het eerst in de pot; men bedruipt ze met een lepel, en stoot ze van
tijd tot tijd eens onder het vet. Als de bovenzijde bruin genoeg is,
keert men het gebak om, laat het ook op den anderen kant bruinen en
neemt het er uit. Men laat het even uitdruipen op sneden wittebrood
of graauw papier, en bestrooit het, nog warm, met suiker.
2. Feuilleté- of bladerdeeg. Men neemt 5 o. bloem, 5 o. boter,
ongeveer 1 1/2 kopje koud water, een klein glaasje rhum of arak en 1
ei, met het wit.--De boter wordt den vorigen avond met de hand goed
gekneed, zoodat al het vocht er uit is en zij zeer taai is geworden;
dan op een bord, tot eene dunne laag uitgedrukt en in den kelder
gezet. Den volgenden dag kneedt men het meel, met het ei, het water
en den rhum, met de hand even als brooddeeg; het mag niet te stijf
zijn, maar toch ook niet aan de handen blijven hangen. Dan rolt men
het tot een vingerdikte uit, legt de boter er op, slaat den lap deeg
daarover toe, en laat het zoo, op eene koele plaats, een half uur
rustig liggen.--Na verloop van dien tijd rolt men het uit en gebruikt
voor het bestuiven zoo weinig raauw meel als mogelijk is.--Het deeg
moet met een stoffertje worden afgestoft, zoodat er volstrekt geen
meel aan kleven blijft; daarop slaat men het weder digt en laat
het nogmaals een half uur staan, hetgeen men nog tweemalen evenzoo
herhaalt. Vóór dat men het deeg voor de vierde maal uitrolt, snijdt
men er een stuk voor den rand af; men rolt het grootste gedeelte
dun uit, snijdt het rond op de verlangde grootte af, bestuift het
een weinig met meel, slaat het kruisgewijze in vieren dubbeld, ten
einde het gemakkelijk op de bakplaat te kunnen brengen en veegt er
dan het meel weder goed af. Vervolgens bestrijkt men de kanten in
het rond, waarop de rand moet staan (niet de snede) met 1 ei, of des
noods met water, maakt van het afgesneden, ook uitgerolde stuk deeg,
een rand daarop, en steekt er op verscheiden plaatsen met een mes in,
opdat er geen blazen in zouden komen. Als het deeg zoo is behandeld,
moet men het terstond in den oven zetten; anders mislukt het. Men
bakke het bij den eersten warmtegraad, niet langer dan 1/2 uur.--Nog
een goed recept voor feuilleté is het volgende: 3 o., 3 l. boter,
gekneed als hierboven gezegd is; evenveel bloem, 2 lepels arak en
rijkelijk 1/2 kopje koud water. De helft van het meel wordt met het
water en den arak tot deeg gemaakt, daarna de andere helft met de boter
goed gekneed en ieder dezer beide gedeelten afzonderlijk uitgerold;
dan op elkaar gelegd en zoo nog driemaal gerold.
3. Boterdeeg. Op 1 p. bloem neemt men 5 o. boter en hakt dat eerst
goed door elkander, waarna men er twee eijeren met het wit, benevens
een bierglas koud water en wat zout bijvoegt. Dit alles kneedt men met
de hand tot een zacht deeg en rolt het dun uit; slaat den lap weder te
zamen, rolt dien weder uit en herhaalt dit driemalen. Eerst de vierde
maal wordt het deeg voor goed op de vereischte dikte uitgerold. Het
moet bij het rollen wel onder en boven een weinig met raauw meel
worden bestoven, opdat het niet aan rol of plank zoude kleven; maar
toch zoo weinig mogelijk.
4. Engelsch deeg voor taarten en klein gebak. 5 o. bloem, 1 o., 2
1/2 l. gezifte suiker, evenveel gestooten amandelen, 1 eijerdoijer,
9 hardgekookte eijeren, waarvan het geel zeer fijn wordt gehakt, 3 o.,
3 1/2 l. gewasschen boter en zooveel witte wijn (ongeveer 2 glazen),
dat daaruit een goed rolbaar deeg kan worden gemaakt. Hiervan maakt
men een onder- en bovenblad, of eene met traliewerk bedekte taart.
5. Taartenkorst voor den zomer. Des zomers is, bij groote warmte,
het maken van feuilleté zeer moeijelijk, en dan is dit recept voor
taarten- en pasteikorsten zeer aan te bevelen. Op 5 o. bloem, neemt
men 3 o., 7 1/2 l. gewasschen boter, 2 eijeren (van 1 het wit) en 2
lepels franschen brandewijn. Het meel wordt met de boter door elkaâr
gehakt; dan de eijeren met een klein kopje water aangemengd benevens
de brandewijn, er bijgevoegd; men kneedt en rolt het als feuilleté.
6. Roomdeeg. 5 o. bloem, 3 o., 3 l. gewasschen boter, 1 ei, ruim 2
m. room, 2 lepels suiker en 1/2 theelepel zout. Dit wordt behandeld als
feuilleté, maar tusschen het kneden en het rollen moet het een nacht,
of ten minste eenige uren, in den kelder liggen, daar men het deeg
anders niet rollen kan. Wanneer men hiertoe geen tijd heeft, moet men
slechts ruim de helft van de opgegevene hoeveelheid room nemen. Als
het deeg voor pasteiën moet dienen, laat men de suiker er uit.
7. Week deeg. Op 5 o. bloem neemt men 3 o., 3 l. boter, 1 o., 2
1/2 l. gezifte suiker, 2 eijerdoijers en ruim 1/2 kopje franschen
brandewijn of arak. De boter wordt gewasschen en op de wasem van kokend
water week geroerd en dan, met het overige, tot een goed deeg verwerkt,
dat men vóór het rollen een weinig laat rusten. Als men dit deeg voor
vruchttaarten of koeken gebruikt, is 1 ons suiker voldoende.
8. Gerezen gistdeeg. Hiervoor neemt men 5 ons gewarmde bloem, 2 1/2
o. gewasschen boter, 3 eijerdoijers en 1 wit, 3 lepels suiker, 2
1/2 m. laauwe melk, schraal 2 lepels natte of 3 l., 3 w. drooge gist
en 1 theelepel zout. De helft van het meel roert men met de melk en
de helft van de gist, laat het goed rijzen, en werkt er dan al het
overige door. Het deeg wordt dan volgens No. 1. geslagen en gekneed,
uit elkaar gedrukt en nogmaals weggezet om te rijzen. Dit is goed
voor vruchtenkoeken.
9. Bovenkorst voor vruchtenkoeken. Een klein soepbord dikke zure room
wordt met 4 eijerdoijers, 2 lepels suiker en 1/2 lepel kaneel geklopt;
dan roert men het tot schuim geslagen eiwit er door en, als de koek
bijna gaar is, verdeelt men het met een lepel daarover. Als men de
korst niet schuimig verkiest te hebben, moet het wit terstond te
gelijk met alles door den room worden geroerd.
10. Suikerglazuur voor taarten en koeken. 1 o., 2 1/2 l. gezifte
broodsuiker wordt dooreengeroerd met het sap van 1 citroen of een
lepel rhum en evenveel water (men kan in plaats van rhum ook arak
nemen); dan wordt er zachtjes aan het tot schuim geklopte wit van
1 ei bijgevoegd, terwijl men steeds naar dezelfde zijde roert, tot
het mengsel sneeuwwit is geworden. Dit wordt over den koek gestreken,
als hij op den schotel is koud geworden en vervolgens gedroogd, hetzij
in de zon, hetzij in een bekoelden oven, of ook door middel van een
gloeijende aschschop, die men er over heen en weder beweegt. In het
laatste geval ga men echter voorzigtig te werk, opdat het glazuur niet
geel worde. Daarna kan men deze ijsachtige bedekking nog versieren
met strooisuiker of met zeer kleine levende bloemen en blaadjes.
11. Het verwen van suikerglazuur. Als men van het witte glazuur een
gedeelte wil verwen, mag er geen citroensap worden gebruikt, maar men
maakt het met rhum of arak volgens No. 10. De onschadelijke kleuren,
die men kan aanwenden, zijn chocolade, bessen- of frambozensap,
cochenille, violensap en saffraan op brandewijn afgetrokken. Eene
groene kleur kan men krijgen door het eiwit, waarmede het glazuur
geroerd wordt, gedurende een nacht, met 3 l., 8 w. raauwe koffij
in een kopje te laten staan; ook kan men het sap van gekneusde
spinaziebladeren gebruiken. Als men fijne figuren van suiker op een
taart wil leggen, doet men wat van de glazuur in een naauw en lang,
stevig peperhuis, waar men van onderen een zeer klein puntje afknipt,
en met een straaltje dat daaruit te voorschijn komt, teekent men de
verlangde bloemen of krullen op het gebak.
12. Strooisuiker om gebakken te versieren. Men legt 1 o. wit
papaverzaad op een vlakken schotel en kookt 1 o. witte suiker die
goed is geschuimd; nadat die eenigzins bekoeld is, giet men daarvan 1
lepel vol op het zaad, en wrijft er met de vlakke hand zoolang over,
tot zij bijna koud is. Dit herhaalt men tot de suiker op is. Met het
kleuren rigte men zich naar No. 11.
13. Marsepein. 5 o. geraspte amandelen, 5 o. gezifte suiker en een
weinig oranjewater worden in een koperen casserol, op zacht vuur,
zoolang door elkaâr geroerd, tot het deeg niet meer aan de hand kleeft;
harder mag het echter niet worden. Dan legt men het op de met suiker
bestoven taartenplank, rolt het uit en bestuift het, voor zooveel dit
noodig is, met gezifte suiker. Vervolgens maakt men er eene taart van,
of steekt er kleine figuren uit, en laat die in den bekoelden oven
wat opdroogen; het marsepein moet echter zacht en wit blijven. Heeft
men eene taart er van gebakken, dan kan men die met suikerbloemen en
zeer fijne oranjesnippers versieren.
14. Marseillaansche taart. 5 o. bloem, 2 o. suiker, 6 eijeren, en
van 2 het wit, benevens 2 lepels boter, wordt te zamen tot een goed
deeg verwerkt; dan dik uitgerold, in dobbelsteentjes gesneden en in
geklaarde boter licht bruin gebakken. Vervolgens smelt men 8 o.,
7 1/2 l. suiker met wat rozen- of oranjewater, en als zij kookt
en geschuimd is, voegt men er het volgende bij: 1 ons geconfijte
oranjeschillen, aan dobbelsteentjes gesneden, de fijngesnipperde
schil van 1 citroen, 1 o. amandelen, waarvan 1/3 gedeelte bittere,
aan lange reepjes gesneden, 1 1/2 l. gestooten kaneel, 8 w. gestooten
nagelen, 6 w. gestooten cardamom, en eindelijk ook de gebakken stukjes
deeg. Dit alles goed dooreengeroerd zijnde, drukt men het stijf in
een gewarmden, met witte was bestreken vorm, laat het koud worden en
keert het op een schotel om.
15. Engelsche koek. 5 o. boter wordt gesmolten, van het bezinksel
afgegoten, en men laat die daarop weder stollen. Dan wrijft men ze week
op den wasem van kokend water, en roert er gaandeweg 12 eijerdoijers,
6 1/2 l. gesnipperde sucade, 8 w. gestooten kaneel, 4 w. gestooten
nagelen, 5 o. suiker en 5 ons krenten door. Deze massa beslaat men een
half uur lang, tot er goede blazen in komen, en roert er dan luchtig
het tot stijf schuim geklopte eiwit door; daarna 5 o. fijngestampte en
gezifte stijfsel, en een kelk madera of arak. De koek wordt terstond
in den oven gezet en, bij middelmatige warmte, 1 1/2 uur gebakken.--De
stijfsel moet van de zuiverste soort zijn. Men kan, desverkiezende,
de opgegeven kruiderijen vervangen door 1 geraspte notemuskaat.
16. Bruidstaart. Men roert 5 o. boter week en voegt er, al roerende,
gaandeweg en afwisselend, het volgende bij: 5 ons gezifte suiker,
eene geraspte citroenschil en 1 theelepel gestooten foelie, benevens
12 eijerdoijers en 5 o. geraspte amandelen. Dit beslaat men een
half uur lang, en roert er dan 5 o. bloem benevens het geklopte
eiwit door. Hiervan bakt men 4 koeken, bij den tweeden warmtegraad,
donker geel, maar niet bruin. Om de koeken mede te bestrijken, koke
men citroenmoes, naar het volgende recept: 1 o., 2 1/2 l. boter,
laat men smelten, roert er op het vuur evenveel suiker, het sap van
4 citroenen, ééne geraspte citroenschil, en 4 eijerdoijers door, tot
het dik wordt; dan neemt men het spoedig af, blijft nog even roeren,
en besmeert er dan 3 van de koeken mede, waarna men ze alle vier
op elkander legt om koud te worden. Den volgenden dag snijdt men de
kanten glad, bestrijkt den bovensten koek met glazuur volgens No. 10,
en versiert hem verder naar verkiezing.--Om de koeken van gelijke
grootte te krijgen, kan men ze op ronde bladen papier, zoo groot als
de schotel, en die met boter besmeerd zijn, op de bakplaat leggen. Deze
koek moet een paar dagen oud wezen, vóór dat men hem gebruikt.
17. Weener taart. Voor 4 koeken, geheel volgens No. 16 beslagen en
gebakken, neemt men 2 1/2 o. geklaarde boter, 2 1/2 ons gezifte suiker,
2 1/2 o. bloem, 6 1/2 l. gestooten amandelen, de geraspte schil van
1 citroen, en 10 eijeren. Voor het moes, dat men er tusschen spreidt,
goede zure appelen, het sap van 1 citroen, 1 kopje arak, suiker naar
den smaak, een stukje boter en 3 eijerdoijers. De appelen worden
geraspt, en het daaruit geperste sap met de suiker in eene aarden
pan gekookt, tot het eenigzins dik is; dan roert men er voorzigtig
de eijeren, de boter en het citroensap door, neemt de pan af, en giet
er dan arak bij. Men kan ook andere vruchtgelei gebruiken.
18. Gateau de Genève. 12 eijeren worden zeer hard gekookt, de doijers
fijngewreven en dooreengeroerd met 1 o., 2 1/2 lood geraspte amandelen,
5 o. boter wordt schuimig geroerd, en zachtjes aan voegt men er, al
roerende, nog 14 eijeren, waarvan 6 met het wit, 5 o. suiker, eene
geraspte citroenschil, de geroerde amandelen en eindelijk 5 o. bloem
bij. Van dit deeg bakt men 6 koeken, waar men het citroenmoes volgens
No. 16, of andere gelei tusschen legt. Men snijdt den rand gelijk af
en legt er glazuur over.
19. Punchtaart. 5 o. geraspte amandelen, 3 o., 7 1/2 l. gezifte suiker,
2 eijeren, 4 w. kaneel, 1 notemuskaat, eene geraspte citroenschil
en 6 1/2 l. punchsiroop. De eijerdoijers worden met de suiker, de
citroenschil, de kruiderijen en de amandelen, een half uur stevig
geroerd; dan wordt de punch en het geslagen wit van 6 eijeren er
doorgemengd, en men bakt er 3 koeken van, waar men confituren, aan
dunne lagen, tusschen strijkt, die men den volgenden dag gelijk snijdt,
glaceert en met fijne vruchten versiert.
20. Beschuittaart. 3 o., 7 1/2 l. gezifte suiker, 2 1/2 o. gestampte
en gezifte beschuit, 2 o. geraspte amandelen, 15 eijeren, 1 citroen,
1 theelepel gestooten nagelen en 4 w. kaneel.--De eijerdoijers,
de suiker, de amandelen, de kruiderijen en het citroensap worden
een half uur geroerd of geklopt; dan wordt het eiwitschuim en het
laatst de beschuit er doorgeroerd. Men zet het terstond in den oven,
en laat het, bij den tweeden warmtegraad, 5/4 uur bakken. De warmte
moet onder en boven dezelfde zijn, en er mag volstrekt niet aan den
vorm worden gestooten.
21. Opgerolde koek. 2 1/2 o. gezifte suiker wordt met 15 eijerdoijers
een half uur sterk geroerd; dan 2 o. bloem en het geslagen eiwit
er doorgemengd. Hiervan maakt men 2 langwerpige vierkante koeken,
en bakt die op eene plaat bij twee graden warmte, gedurende 20 à
30 minuten. Een van de beide koeken besmeert men met de eene of
andere gelei, met moes, of confituren; de andere wordt er opgelegd,
en alles te zamen als eene rol papier opgerold.--Bij het voordienen
snijdt men er vingerdikke schijven af, en verdeelt die dan weder in
kleinere stukken.
22. Amandeltaart. 15 eijerdoijers worden, met het sap en de schil
van 1 citroen, met 3 o., 7 1/2 l. suiker en 1 theelepel foelie
een poosje geroerd; dan 5 o. zoete en 1 1/2 l. bittere geraspte
amandelen er bijgevoegd, en deze massa, gedurende een halfuur, steeds
naar denzelfden kant, geroerd. Dan mengt men er het tot schuim
geslagen eiwit luchtig door, en daarna 2 opgehoopte spijslepels
gezift aardappelmeel, of, bij gebrek daarvan, evenveel goede gezifte
stijfsel. Men doet het beslag terstond in den vorm, en bakt het volgens
No. 20.--De taart wordt versierd met glazuur, waarop men figuren van
oranjesnippers legt of ingemaakte vruchten.--Het deeg wordt zeer
luchtig, als men er, tegelijk met het aardappelmeel, een weinigje
hersthoornzout doorroert (ongeveer 1 1/2 korrel Ned. gewigt).--Men
kan ook naar het volgende recept een amandeltaart bakken: 3 o.,
3 l. gezifte suiker, 3 o. zoete en 3 l., 3 w. bittere amandelen,
14 eijeren, 3 o., 3 l. geraspt en gezift oudbakken wittebrood en 1
citroen. Alles geroerd, gebakken en versierd volgens de eerste opgave.
23. China'sappeltaart. Men maakt van 2 o. geraspte amandelen, 2 1/2
o. gezifte suiker, 12 eijeren, waarvan het wit tot schuim geklopt
is, 6 1/2 l. bloem en 2 lepels arak, een deeg als voor No. 22, en
bakt daarvan 2 bladen. Het eene wordt bedekt met de onderstaande
vlade, het andere er opgelegd en zoo gebakken.--Voor de vlade neemt
men 6 eijerdoijers en 2 eiwitten, 2 1/2 o. suiker, het sap van 4
china'sappelen en van 1 de schil, benevens het sap van 2 citroenen. Dit
roert men op het vuur dik. De taart wordt geglaceerd met een glazuur,
volgens No. 10, gemaakt van 1 o., 2 1/2 l. gezifte suiker, het sap
van 2 china'sappelen en 1 lepel water.
24. Aardappeltaart. Aardappelen worden met de schil gekookt,
afgetrokken, en, als zij geheel koud zijn, geraspt. Dan weegt men
ze, en neemt van het geraspte 6 o., 2 1/2 l., spreidt het op een
vlakken schotel uit, en zet het tot den volgenden dag op eene luchtige
plaats. Men roert 16 eijerdoijers, 3 o., 7 1/2 lood suiker, het sap
en de schil van 1 citroen en 3 l., 3 w. geraspte bittere amandelen,
gedurende een half uur, zeer sterk, en altijd naar denzelfden kant,
voegt er dan langzamerhand de aardappelen bij, en mengt er eindelijk
het tot schuim geklopte wit van 14 eijeren en 2 goede lepels gezift
aardappelmeel luchtig door. De vorm moet terstond gevuld en in den
oven gezet worden, waarin men het bakt volgens No. 20.--Het is een
bepaald vereischte dat de aardappelen zeer melig zijn.
25. Worteltaart. De wortelen worden in water bijna half gaar gekookt;
als zij koud zijn tot op de pit afgeraspt, en hiervan neemt men 3
o. Dan roert men 14 eijerdoijers, 3 o., 3 lood suiker, het sap van 1
citroen met de geraspte schil en 6 1/2 lood geraspte bittere amandelen,
goed door elkander; voegt er dan de wortelen bij, en roert het een
half uur. Vervolgens mengt men er het schuim van 9 eiwitten door en
2 goede lepels aardappelmeel.--Men bakt de taart volgens No. 20.
26. Zandkoek. Men neemt hiervoor 5 o. boter, 5 o. suiker, 2 1/2
o. bloem, 2 1/2 o. gezift aardappelmeel, 10 of 12 eijeren, naar dat
zij groot zijn, 1 citroen, 4 lepels punch-siroop of 2 lepels arak. De
boter wordt geklaard, afgegoten, en koud geworden zijnde, tot schuim
gewreven en met de suiker goed geklopt. Al roerende, voegt men er dan,
één voor één, de eijerdoijers bij, ook de geraspte citroenschil, en dan
het meel. Als dit alles gedurende een half uur beslagen is, roert men
er de punch, het citroensap en het geklopte schuim van het eiwit door,
doet het terstond in den oven, en bakt het volgens No. 20.--Een weinig
hertshoorn, zie No. 22, bevordert het rijzen.--In het begin mag de
onderwarmte iets sterker dan de bovenwarmte zijn, doch zij moet later
verminderd worden, en op het laatst neemt men het ondervuur geheel weg.
27. Gevulde zandtaart. Men maakt een feuilletédeeg volgens No. 2, van
2 1/2 o. bloem, en rolt het uit; daarna spreidt men er frambozenmoes
op.--Dan roert men 2 o. boter week, voegt er 2 o. suiker en 12
eijerdoijers bij; klopt dit te zamen een kwartier lang, en voegt er
dan het tot schuim geslagen eiwit, 1 o., 3 lood gezifte stijfsel en
wat notemuskaat bij. Hiermede bedekt men alles en bakt het 1/2 uur.
28. Kruidkoek. Deze koek wordt gemaakt en gebakken als No. 26, doch
men roert, tegelijk met de eijerdoijers, de volgende kruiderijen
door de boter: 4 w. kaneel, 4 w. gestooten nagelen, 2 w. cardamom
en eene geraspte citroenschil. Ook kan men er naar verkiezing 1 1/2
l. gesneden sucade en evenveel oranjesnippers bijvoegen. Te gelijk met
het geslagen eiwit, mengt men er wat hertshoornzout door. Zie No. 22.
29. Biscuit. De bestanddeelen zijn: 2 1/2 o. gestampte en gezifte
stijfsel, 5 o. gezifte suiker, 20 eijerdoijers en 10 eiwitten, het sap
en de schil van 1 citroen, benevens gepulveriseerd hertshoornzout,
volgens No. 22.--De stijfsel en de suiker moeten een uur voor de
bereiding in een zacht warmen oven gezet worden.--Eerst klopt men het
eiwit tot een zoo stijf schuim, dat het zich snijden laat, maar niet
langer, omdat het dan korrelig zou worden. Dan slaat men met de garde
de doijers, het citroensap, de schil en de suiker er door, en zet het
stevig slaan ten minsten een kwartier lang voort. Vervolgens zet men
den pot op het vuur, of op den wasem van hard kokend water, en slaat
onafgebroken voort, tot de massa laauw warm is; men strooit er dan de
stijfsel in, die er zoo snel mogelijk moet worden doorgeslagen, en dan
ook even vlug het hertshoornzout. Daarna mag het beslag geen oogenblik
blijven staan, maar moet terstond in den besmeerden en bestrooiden
vorm worden gedaan, om volgens No. 26 te worden gebakken. Daar een
gebak zonder boter ligt te spoedig bruin wordt, legge men er gedurende
het eerste half uur een deksel of papier op.
30. Boheemsche biscuit. Op ieder ei neemt men 1 1/2 l. suiker en 1 1/2
l. oudbakken geraspt en gezift wittebrood. De eijerdoijers worden met
de suiker, het sap en de schil van 1 citroen, en wat kaneel, met de
garde, een kwartier lang sterk geslagen; dan het brood er in gestrooid
en het eiwit er luchtig doorgeroerd. De koek wordt in een vorm een uur
gebakken.--Als het brood ouder dan een dag is, kan men wat minder nemen
en eene portie van 8 eijeren gemaakt, is toereikend voor 6 personen.
31. Chocoladekoek. Hiervoor neemt men 14 eijeren, 2 1/2 o. gezifte
suiker, 1 1/2 o. geraspte amandelen, 2 o. geraspte en gezifte
vanillechocolade, 4 w. gestooten kaneel en hertshoornzout, volgens
No. 22. De eijerdoijers en twee eiwitten worden met de suiker,
de amandelen en de chocolade, met een garde gedurende een kwartier
sterk geklopt; dan roert men er het overige geslagen eiwit door,
mengt er vlug het hertshoornzout in, en laat het een uur bakken,
volgens No. 20. Nog een goed recept is het volgende: 20 eijerdoijers,
15 eiwitten, 6 o., 2 1/2 l. suiker, 2 1/2 ons chocolade, 2 1/2
o. gezifte stijfsel, 6 1/2 lood snippers, 4 w. kaneel, een stukje
gestampte vanille en een half kopje brandewijn. Eerst klopt men
de eijerdoijers een kwartier lang met de suiker, de snippers en de
kaneel; dan slaat men er het stijve eiwitschuim, benevens de chocolade,
en eindelijk de stijfsel door. Als alles goed dooreen geslagen is,
giet men er den brandewijn in, en voegt er het hertshoornzout bij. Men
bakt den koek als zandkoek en glaceert hem volgens No. 10.
32. Chocoladebiscuit. Men slaat het wit van 12 eijeren tot een stijf
schuim, roert 15 eijerdoijers met 4 w. kaneel en wat gestampte vanille
door elkaar, en laat dit, onder voortdurend slaan, langzaam in het
schuim loopen. Dan strooit men er 3 o., 7 1/2 l. gezifte suiker en
6 1/2 l. geraspte chocolade in, en daarna 2 o. gestampte en gezifte
stijfsel; nadat deze zich goed met het overige vereenigd heeft,
slaat men niet meer, en bakt de biscuit volgens No. 29.
33. Krentenkoek. 5 o. boter wordt op den wasem van een ketel week
gewreven, en onder stevig roeren, voegt men er 5 ons gezifte suiker,
een geraspte citroenschil, 1 geraspte notemuskaat of een lepeltje
gestooten foelie, benevens, één voor één, 12 eijerdoijers bij. Dit
wordt te zamen gedurende een kwartier beslagen, en dan 1 o., 2 1/2
l. krenten en het eiwitschuim er doorgeroerd, daarna ook zoo spoedig
mogelijk 5 o. gezifte stijfsel en een half glas rhum of arak.
34. Rijsttaart. 3 o., 7 1/2 l. rijst wordt gebroeid, en dan in melk
gaar en dik gekookt, doch zóó, dat de korrels geheel blijven. Dan
roert men er 2 1/2 o. suiker, 2 o. gesmolten boter, 12 eijerdoijers,
1 o., 2 1/2 l. geraspte zoete amandelen en 12 bittere, 4 w. kaneel en
eene geraspte citroenschil door. Eindelijk voegt men er het geklopte
wit van 10 eijeren bij, doet alles in de taartepan, bestrooit het
met beschuit en suiker, en laat het bij den tweeden warmtegraad
5/4 uur bakken. Mogt de rijst soms iets te dun zijn, dan moet er,
vóór dat het eijerschuim er bij wordt gedaan, zooveel als noodig is,
gestooten beschuit door worden geroerd; ook kan men in plaats van
amandelen sultansrozijnen nemen.
35. Amandel knapkoek. Ruim 2 o., 3 l. bloem, 1 o., 2 1/2 lood boter,
evenveel suiker, evenveel zoete geraspte amandelen en 6 bittere,
benevens 2 eijeren. De boter wordt week geroerd, dan langzamerhand de
suiker en de eijeren en de amandelen er bij gevoegd, en dit tezamen
een kwartier beslagen. Vervolgens voegt men het meel er bij, spreidt
het deeg in de koekepan redelijk dun uit, en bakt den koek licht
bruin. Men bestrijkt hem met gelei.
36. Kristalkoek. Men maakt een weekdeeg, volgens No. 7, en rolt dit uit
tot 2 ronde bladen, waarvan het ééne een paar vingers grooter is dan
het andere. 2 1/2 ons suiker smelt men in water, en kookt ze zóó, dat
zij goed vloeibaar blijft, roert daarin 2 1/2 o. gestooten amandelen,
benevens het sap en de schil van 1 citroen, waarna men het water laat
bekoelen. Vervolgens spreidt men dit uit op het grootste deegblad,
altijd een paar vingers in het rond vrij latende; dan legt men het
kleinere blad er over heen, slaat het overstekende onderstuk er,
bij wijze van sluitenden rand, omheen, en laat den koek, niet te
langzaam, gaar bakken. Zoodra hij uit den oven komt, strijkt men
het stijf geklopte wit van 2 eijeren er overheen, men snijdt een
paar citroenen aan dobbelsteentjes en schijven, waarmede men den
koek versiert, en strooit tusschen alles door 6 1/2 lood witte, grof
gestooten kandij. Dan zet men den koek nog even in den oven om het
bovenste gedeelte een weinig te laten opstijven. Alle pitten moeten
zorgvuldig uit de citroenen worden gezocht.
37. Kosterskoek. 5 o. boter, 5 o. bloem, 3 o., 7 1/2 lood suiker, 2 1/2
o. gestooten amandelen, 9 eijeren en vruchtgelei.--De boter wordt week
geroerd, gaandeweg de suiker, de amandelen en één voor één de eijeren
er bijgevoegd; daarop een half uur beslagen. Vervolgens doet men er
het meel bij, en bakt hiervan, op eene plaat, een vingerdikken koek,
dien men, als hij koud geworden is, met suiker bestrooit en hier en
daar met gelei belegt.
38. Karmeliter koek. 11 eijeren en het wit van 9, worden te zamen
tot schuim geklopt, en dan achtereenvolgend er bij gevoegd: 3
o., 7 1/2 l. gezifte suiker, 2 1/2 o. amandelen, met het bruine
schilletje, die in wat rozenwater niet al te fijn zijn gestampt,
3 lepels kirschwasser, eene geraspte citroenschil, 4 w. kaneel en
1 geraspte notemuskaat. Deze massa wordt, gedurende een half uur,
sterk en gelijkmatig geroerd; dan doet men er 2 1/2 o. bloem bij,
en bakt den koek bij den tweeden warmtegraad.
39. Anijskoek. Men neemt hiervoor 10 eijeren, hun gewigt aan gezifte
suiker, half zooveel fijngewreven stijfsel of meel, beiden gezift,
en 5 l. anijszaad, waarvan de steeltjes zooveel mogelijk zijn
afgewreven. De eijerdoijers worden geklopt, en dan gaandeweg de
suiker er, onder stevig roeren, in gestrooid, welk roeren men een
kwartier goed voortzet. Dan voegt men de stijfsel en het anijszaad er
lepelsgewijze bij, en als alles te zamen een half uur lang is geroerd,
wordt het tot schuim geslagen eiwit er luchtig doorgemengd. Men bakt
het in den oven, bij matige warmte met vuur er onder, dat langzamerhand
verminderd moet worden, gedurende drie kwartier uurs.
40. Groote bitterkoek. 5 o. geraspte amandelen en 5 o. suiker worden
gewarmd; dan van het vuur genomen en stevig door elkander gewreven,
met het sap en de schil van 1 citroen en een weinig kaneel. Daarop
roert men er het schuim van 7 eiwitten door, legt het op een blad van
week deeg, volgens No. 7 bereid, en bakt den koek, bij middelmatige
warmte, vijf kwartier, tot hij eene lichtbruine kleur heeft.
41. Noga taart. Men maakt een feuilletédeeg van 5 o. bloem, en neemt
voorts: een p. zoete amandelen, 7 1/2 o. gezifte suiker, 10 eijeren,
de geraspte schil van 1 citroen, 5 l. snippers, 4 w. kaneel, evenveel
gestooten nagelen, en evenveel cardamom.--Het deeg wordt uitgerold,
en men maakt hiervan eenige, twee vingers breede ringen, waarvan
de tweede iets kleiner dan de eerste is; en zoo telkens in grootte
verminderend, tot de laatste zoo groot als een theekopje is. Van de
amandelen haalt men het schilletje af, dat men gemakkelijk doet, door
ze in heet water te leggen; de grootsten snijdt men overlangs in fijne
reepjes, en de overige stampt men met wat eiwit fijn. Deze laatsten
roert men dooreen met de suiker, de kruiderijen, de eijerdoijers
en het tot schuim geklopte wit. Daarop strijkt men dit mengsel op
de ringen, strooit de gesnipperde amandelen er over, en bakt ze op
platen, bij eene behoorlijke warmte, die iets minder kan zijn, als
men verkiest, om voor de ringen in plaats van deeg ouwels te nemen,
welke men uit kleine stukken met eiwit aan elkaar kan plakken. Als
het gebak koud is geworden, stapelt men de ringen, naar volgorde van
grootte, op elkander, en steekt op den bovensten eene bloem.
42. Zwitsersche schuimtaart. Voor de korst neemt men 3 o., 7
1/2 l. bloem, 2 1/2 o. boter, 6 1/2 l. suiker, 1 ei, een halven
kelk brandewijn en half zooveel koud water. Hiervan maakt men een
deeg, dat men na het kneden even laat rusten, om het daarna des te
gemakkelijker te kunnen rollen. Men rolt 2/3 hiervan tot een rond
blad, en bestrijkt den buitensten kring, waarop de rand moet staan
(niet de snede) met eiwit, legt er van het overige deeg een rand om,
en bakt deze korst bij den eersten warmtegraad 3/4 uur. Dan vult men
de taart met kersen, waar men de pitten heeft uitgehaald en die met
de noodige suiker zijn vermengd, en zoo zet men haar in den oven,
tot de kersen zacht geworden zijn. Even vóór dat de taart op tafel
wordt gebragt, bedekt men alles met eene crême fouettée, die volgens
No. 16 van eene halve kan room is geslagen.
43. Zwabische taart. Men maakt eene taart met opstaanden rand,
volgens No. 2, 6 of 7, naar verkiezing; zet deze in de taartenpan
en vult haar met een dik moes van kruisbessen, aalbessen, kersen,
appelen of pruimen, waarover men eene bovenkorst legt, bereid als
volgt: 6 eijerdoijers worden met 1 o., 2 1/2 l. suiker, evenveel
gestooten amandelen en eene geraspte citroenschil of wat foelie,
een kwartier lang stevig geroerd, en dan het geslagen eiwit er bij
gevoegd. Men bakt de taart bij den eersten warmtegraad, en als de
bovenkorst geel is geworden, bedekke men die met papier, teneinde
zij niet te donker van kleur worde.
44. Fransche taart. Men maakt van 1 o., 2 1/2 l. bloem een week deeg,
volgens No. 7, en verdeelt dit in twee niet geheel gelijke deelen,
waarvan men het kleinste in een taartenvorm legt, zóó, dat de rand
opstaat. Dan zet men 2 1/2 ons geraspte amandelen, waaronder ruim 3
l. bittere zijn, met 2 1/2 o. suiker, op een zacht vuur, en laat ze
zoolang doortrekken, tot zij niet meer aan de hand kleven, waarna
men ze, om te bekoelen, op eene schaal legt. Vervolgens roert men
er 3 lood, 3 w. fijngesneden oranjeschil, of, bij gebrek daarvan,
eene geraspte citroenschil, met het geslagen wit van 4 eijeren door,
en legt alles, gelijkgestreken op het deeg, dat tot aan den rand toe
vol moet zijn. Van het overige deeg snijdt men, met het taartenradje,
smalle reepjes, die men in schuine ruiten op de amandelen legt, en
buigt den rand over de einden heen, zoodat die niet gezien worden. De
taart wordt bij den eersten warmtegraad gebakken. Als de inhoud eene
schoone gele kleur heeft gekregen, bedekt men dien met een papier,
en laat de korst verder gaar worden, terwijl men, als de taart gereed
is, in elke ruit wat geconfijte vruchten legt, of, afgewisseld in de
eene ruit vruchten, in de andere crême fouettée volgens N, No. 16.
45. Wellingtonstaart. Van 2 1/2 o. bloem, 1 o., 2 1/2 lood boter,
evenveel geraspte amandelen, evenveel suiker en 2 eijeren, maakt men
een deeg, dat men uitrolt en in den vorm legt. Dan slaat men het wit
van 6 eijeren tot een stijf schuim, roert er 2 ons zoete en 6 stuks
bittere amandelen, fijngehakt, benevens wat suiker door, strijkt dit
over het deeg en bakt het vlug.
46. Mergtaart. Er wordt een deeg gemaakt volgens No. 6. Voorts kookt
men eene halve kan zoeten room, roert dien met 1 o. gestooten beschuit
tot een dikken brij, en laat ze bekoelen. Intusschen stampt men 1 o.,
2 1/2 lood merg, met wat koud water in een vijzel fijn; voegt het,
benevens 1 o., 2 1/2 l. suiker, evenveel geraspte amandelen, 4 eijeren
en wat foelie, bij den room. Hiermede bedekt men het uitgerolde deeg,
dat met opstaanden rand in den vorm is gelegd; maakt er volgens
No. 44 een ruitwerk over, bakt de taart bij den eersten warmtegraad,
en geeft haar warm op tafel.
47. Linzertaart. Men maakt een deeg van 2 1/2 o. geraspte amandelen,
waaronder 3 l. bittere zijn, 2 1/2 o. bloem, evenveel suiker,
2 o. boter, 2 raauwe en 3 hardgekookte, fijngewreven eijerdoijers,
eene geraspte citroenschil en 2 lepels arak of rhum. Dit rolt men uit,
zet er een rand op en bakt het gaar, waarna men het met ingemaakte
vruchten, naar verkiezing, vult.
48. Spiegelkoek. Men bakt eene taart met niet te hoogen rand van een
deeg volgens No. 4 of 7, en maakt wijngelei van eene halve flesch
witten of rooden wijn, dien men warm in de koud geworden korst giet,
en dan stil laat staan om op te stijven.
49. Feuilleté met citroenvlade. Van 3 o., 7 1/2 l. bloem wordt een
feuilletédeeg gemaakt, dat men tot eene korst uitrolt, met een niet
te lagen rand belegt en vlug gaar bakt. Dan bereidt men de volgende
vlade, die er, even vóór dat de taart op tafel gebragt wordt, moet
ingegoten worden. Men doet 10 eijerdoijers in een bierglas, perst
het sap van 4 citroenen in een glas, dat even groot is, uit, en vult
dit aan met witten wijn, tot men eene gelijke hoeveelheid heeft als
er van de eijeren is. Dan wordt dit beide dooreengeroerd met 2 1/2
o. suiker, de geraspte schil van 2 citroenen, het geklopte eiwit en
ruim 1 1/2 l. opgeloste gélatine, op het vuur gezet en onafgebroken
sterk geslagen, tot het zeer stijf is. Men neemt het dan af en zet
het slaan voort, tot de vlade bekoeld is.
50. Aardbeziëntaart met vanillevlade. Men bakt eene korst van feuilleté
en vult die, als de taart op tafel moet komen, met de volgende vlade:
eene halve kan room wordt met 1/3 staaf Aga-aga of een halven lepel
stijfsel en 8 eijerdoijers, door elkaar geroerd; dan voegt men er
1 1/2 o. suiker en wat gestooten vanille bij, en slaat het op het
vuur, tot het aan het koken toe is. Men neemt het van het vuur, slaat
er het geklopte eiwit door, en blijft slaan tot het niet meer warm
is. Ondertusschen worden aardbeziën gewasschen, en nadat zij op eene
haarzeef goed zijn uitgedropen, met 1/2 o. suiker bestrooid. Men roert
deze door de vlade, op het oogenblik dat de korst er mede wordt gevuld.
51. Kruisbessentaart. Men maakt een roomdeeg volgens No. 6, rolt
daarvan eene niet te dunne onderkorst met staanden rand en bestrooit
den bodem dik met gestampte beschuit; 7 1/2 o. onrijpe kruisbessen,
die men van de stelen en kroontjes goed heeft gezuiverd, worden met
koud water opgezet en tot aan de kook gebragt, waardoor zij veel van
haar scherpste zuur verliezen; dan laat men ze op eene zeef uitlekken
en, ingeval zij nog al groot zijn, moet men ze midden doorsnijden en,
met de ronde zijde naar boven, in de korst leggen, waarna men ze met 5
o. suiker en wat kaneel bestrooit. De taart wordt in een vorm, of op
eene plaat, bij den eersten warmtegraad, vijf kwartier gebakken. Men
kan, des verkiezende, de bessen ook tot moes koken, dit in de korst
scheppen, en het ruitsgewijze met reepjes deeg beleggen. Als men
rijpe kruisbessen uitperst, is er minder suiker noodig. Voor deze
en alle taarten, waarin de vruchten terstond in moeten mede bakken,
is het best om geen afzonderlijken rand op het onderblad te zetten,
maar dit zooveel grooter te nemen, dat men er dien van het overstekende
stuk kan aanknijpen.
52. Druiventaart. Van week deeg, volgens No. 7, maakt men naar
verkiezing, eene open taartenkorst, of men rolt er ook een bovendekblad
voor. Men legt de korst in den taartenvorm en bestrooit den bodem dik
met gestooten beschuit, waarop men zeer zoete witte druiven, digt
naast elkander legt en die met suiker bedekt; zoo zet men de taart
in den oven, en laat haar, bij den eersten warmtegraad, ongeveer vijf
kwartier bakken. Van druiven en suiker moet men evenveel gewigt nemen.
53. Aalbessentaart. Men maakt het deeg voor de korst volgens No. 6
of 7; neemt voor het vullen 7 1/2 o. aalbessen, 5 ons suiker en wat
gestampte beschuit. Men handelt voorts geheel volgens No. 51.
54. Taart van bessen- of frambozenmoes. De korst wordt gemaakt volgens
No. 2, 6 of 7, en behandeld volgens No. 51. Men spreidt het moes op
de gaar gebakken korst uit, en bedekt het met het tot schuim geslagen
wit van 8 eijeren, waardoor men 1 o., 2 1/2 l. suiker en wat gestampte
vanille roert. Dit wordt glad gestreken en in den zacht warmen oven
gezet, om op te droogen.
55. Kersentaart. De korst wordt volgens No. 6 gemaakt, de grootste
helft daarvan tot een onderblad met rand uitgerold en van het overige
reepjes voor een ruitwerk bovenop gesneden. Men bestrooit den bodem met
gestampte beschuit, ontdoet een soepbord vol kersen van de pitten, en
roert die met 2 1/2 o. suiker en wat kaneel door elkaar, waarna men ze
in de korst legt, zonder het sap dat er uit is geloopen; dan schikt men
er de ruiten over, en bakt de taart, bij den eersten warmtegraad. Het
uitgeloopen kersensap wordt met nog wat suiker stroopig gekookt en
als alles gereed is, met een theelepeltje voorzigtig tusschen de
ruitjes ingegoten. Indien men morellen in plaats van kersen gebruikt,
moet men 3 o., 7 1/2 lood suiker nemen. Men kan zulk eene taart ook
met eene bovenkorst bakken, in plaats van de overgelegde reepjes;
hiertoe voegt men bij het uitgedropen sap zooveel zuren room, tot dit
te zamen ruim 2 m. bedraagt, slaat dit goed dooreen met 5 eijerdoijers,
wat suiker en kaneel, giet het over de kersen, als de taart bijna
gaar is, en laat het te zamen verder bakken.
56. Confituurtaart. Voor eene korst met opgelegden rand maakt men
een deeg volgens No. 4 van 2 1/2 o. bloem, 1 o., 2 1/2 lood suiker,
evenveel gestooten amandelen, 1 eijerdoijer, 4 hardgekookte eijeren,
ruim 1 1/2 o. boter en 1 glas witten wijn; men bakt die vlug gaar. Dan
vult men ze met confituren naar verkiezing (bijzonder lekker is
abrikozenmoes) en glaceert de taart volgens No. 10.
57. Tourte d'amour. Van 7 1/2 o. bloem maakt men een deeg volgens
No. 6 of 7, en rolt dit uit tot 3 koeken, die men met boter besmeert,
met suiker en kaneel bestrooit, en licht bruin bakt. Als zij koud
geworden zijn, bedekt men den eersten koek met dik gekookte wijnvlade,
den tweeden met bessen- of frambozengelei, en legt ze alle drie op
elkander. Eerst den volgenden dag snijdt men de kanten gelijk, en legt
er een glazuur over van suiker met citroensap of geraspte chocolade,
dat men later, naar verkiezing, met sucade versiert.
58. Citroentaart. Van een deeg volgens No. 2 of 7 wordt eene open
taart gebakken; dan wordt zij met suiker bestrooid en citroenschijven,
vooral zonder pitten, digt naast elkaar daarop gelegd, die men weder
met suiker bedekt. Hierop legt men eene laag dunne biscuit en overgiet
alles met een mengsel van eene halve kan dikken room, 4 eijeren,
en suiker naar den smaak, dat met de garde goed is geslagen. Men
zet de taart daarna nog zoo lang in den oven, tot de bovenkorst dik
is geworden.
59. Citroenkoek. Men maakt een feuilleté van 3 1/2 ons bloem. Voorts
schilt men 4 citroenen dik af, kookt de schil in water zacht, snijdt
die in lange reepjes, kookt 2 opgehoopte lepels suiker, met 1 lepel
rhijnwijn of water, tot eene dikke stroop, en laat de schillen daarin
zoolang koken, tot de suiker zich er aanzet. Vervolgens perst men de
citroenen uit, en roert die stevig door elkander met 2 1/2 o. geraspte
amandelen, evenveel suiker en 4 eijeren; dan voegt men er ook de
gecandaliseerde citroenschillen bij, strijkt alles op het deeg en
bakt het vlug.
60. Rijst-citroentaart. Volgens No. 2 of 5 maakt men een deeg,
waarvan men een onderblad uitrolt; men bevochtigt den buitensten
kring met water, zet er den rand op vast, bakt deze korst, en laat
haar koud worden, om haar daarna met het volgende te vullen: 2 1/2
o. rijst wordt een nacht onder water gezet om uit te dijen, dan met
hetzelfde water, zonder roeren, week gekookt en, om uit te lekken, op
eene zeef geschud. Het sap van 4 citroenen wordt met de geraspte schil
van één, door 2 1/2 ons suiker geroerd, en dan de rijst er met eene
saladevork voorzigtig doorgemengd. De schillen der overige citroenen
worden gecandaliseerd volgens No. 59, en, als de korst gevuld is,
er over gestrooid. Dit recept is voor eene groote taart berekend.
61. Citroen-appeltaart. 12 of 14 geraspte Borsdorfer appelen,
8 eijerdoijers, 8 lepels gesmolten boter, 6 lepels suiker, het sap
van 2 citroenen en van 1 de schil, wordt door elkaar geroerd; dan
voegt men er het geslagen eiwit bij, en vult daarmede eene korst van
feuilleté, waarvan de bodem met gestampte beschuit is bestrooid. Men
bakt deze taart bij den eersten warmtegraad en legge er bij tijds
een dik papier overheen, opdat zij niet te bruin worde.
62. China'sappeltaart. Men neemt 2 1/2 o. suiker, 2 o. geraspte
amandelen, 12 eijeren, 6 1/2 l. bloem en 2 lepels arak. Deze
bestanddeelen worden geroerd als voor eene amandeltaart, en daarvan
2 koeken gebakken. Dan worden 6 eijerdoijers, 2 eiwitten, het sap van
4 china'sappelen en van 1 de geraspte schil, het sap van 2 citroenen
en 1 o., 2 1/2 l. suiker, op het vuur met de garde geslagen tot het
dik is. Men legt deze vlade op een van de koeken, bedekt die met
den tweeden, slaat den ondersten als rand om en glaceert de taart
met het volgende: het sap van 2 china'sappelen wordt met 1 o.,
2 1/2 l. suiker en 1 lepel water gedurende een kwartier geroerd,
en dan glad over den bovensten koek gestreken.
63. Appeltaart. Eene appeltaart kan men op verschillende wijzen gereed
maken. Men kan voor de korst een deeg bereiden naar verkiezing volgens
No. 2, 3, 5, 6, of 7. Men kan ze maken met een dekblad, met geruit
belegsel van reepjes deeg, of met eene bovenkorst, volgens No. 9,
die men over den inhoud giet als de taart bijna gaar is. De bodem
van de taart moet altijd met gestooten beschuit bestrooid worden, en
men bakt die met het vulsel, ongeveer vijf kwartier, bij den eersten
warmtegraad.--Voor het vullen kan men zich naar de volgende recepten
rigten: de uitgeboorde appelen worden aan fijne schijfjes gesneden,
dan met 6 1/2 lood gesnipperde amandelen, 2 citroenen, vooral zonder
de pitten, insgelijks aan schijfjes gesneden, de noodige suiker en
kaneel, laagsgewijze in de korst gelegd.--Of: de appelschijven worden
met 1 o., 2 1/2 l. suiker, evenveel krenten, geraspte citroenschil
en kaneel aan lagen in de korst gelegd. Of: de appelen worden in hun
geheel geschild; midden doorgesneden, van de klokhuizen ontdaan, en
dan op de ronde zijde met een scherp mes een weinig gekorven. Dit moet
alles vlug geschieden, zoodat zij geen tijd hebben om bruin te worden,
en dan weekt men ze in een mengsel van 1 kopje witten wijn, het sap
van 1 citroen, wat gestooten amandelen en goed wat suiker. Men legt
eindelijk de halve appelen, met de ronde zijde naar boven gekeerd,
op het deeg.--Of: men snijdt de appelen in achtsteparten en kookt ze
gaar, maar niet te week, met witten wijn, citroenschillen, suiker en
pijpkaneel. Als zij koud geworden zijn, schikt men ze netjes in de
korst. Het nat laat men tot eene dikke stroop verkoken en giet het,
bij het op tafel brengen, over de appelen.--Men kan ook een goeden
appelkoek zonder korst bakken, en wel op de volgende wijze. De
appelen worden uitgeboord en met wat boter, goed toegedekt, op een
zacht vuur half gaar gesmoord, dan met krenten, suiker, kaneel,
sucade en een stukje boter volgestopt en, in den vorm, regtop naast
elkander gezet. Vervolgens roert men 6 eijerdoijers, 1 o., 2 1/2 lood
suiker, evenveel geraspte amandelen en een half theelepeltje gestooten
foelie, gedurende een kwartier stevig dooreen, mengt er het geslagen
eiwit door, verdeelt het over de appelen en bakt alles ongeveer vijf
kwartier.--Voor eene eenvoudige appeltaart maakt men een deeg van
5 o. bloem, 2 1/2 o. boter, 2 lepels suiker, 1 ei en 1 kopje koud
water, dat men tot 2 ongelijke bladen uitrolt. Op het grootste legt
men appelschijven, bestrooit die met suiker en kaneel of anijszaad,
bedekt ze met het kleinste deegblad, en slaat den rand er om digt. In
het bovenste deeg maakt men een paar sneden voor het uitdampen.
64. Versche pruimentaart. Men maakt van deeg, volgens No. 7, met
bijvoeging van een paar lepels suiker, eene korst met vasten rand, en
bestrooit den bodem met beschuit. Versche pruimen zet men op eene zeef,
zoo lang in kokend water, tot de schil er met een mes gemakkelijk kan
worden afgetrokken (als zij al te week worden gaat het moeijelijk). Dan
snijdt men de pit er uit, rolt iedere pruim eenigzins op en wentelt ze
zoo in suiker, waarna men ze in kringen, langs den rand te beginnen,
in de korst legt en ze met kaneel bestrooit. Het uitgedropen sap
laat men met wat suiker nog een weinig verdikken, en giet het bij
het opdragen van de taart, over de vruchten. Men bakt de taart vijf
kwartier bij den eersten warmtegraad.
65. Taart van gedroogde pruimen. Men maakt een deeg volgens No. 7.--5
o. gedroogde pruimen, van de beste soort, worden in warm water
gebroeid en dan, in kort nat, zeer langzaam zoo lang gekookt, tot
men er de pitten gemakkelijk uit kan drukken. Dan worden de vruchten
in hun eigen nat, met een halve fl. witten wijn, 2 o. suiker, het
sap en de schil van 1 citroen, in een aarden potje, goed toegedekt,
zachtjes gaar gekookt; gedurende het laatste kwartier voegt men er 1
o., 2 1/2 l. krenten bij, en laat alles tot een dik moes verkoken,
dat men, als het koud geworden is, op het deeg smeert, en daarmede
vijf kwartier bij den eersten warmtegraad laat bakken.
66. Gerezen hoek met pruimen. Men bakt een luchtig deeg van 5 o. meel,
2 o. boter, ruim 1 m. melk, ruim 3 l. versche gist, 2 eijeren, 1 goede
lepel suiker en een weinig zout. Dit laat men rijzen, rolt het dan dun
uit en legt het op eene besmeerde plaat. Men bestrijkt het daarna met
boter, strooit er suiker en kaneel overheen, en legt versche pruimen,
waar de pitten zijn uitgedaan en die met een weinig boter vooraf
gewarmd zijn, digt naast elkaâr opengebogen en met de binnenzijde
naar boven gekeerd, daarop. Men bestrooit ze met suiker en kaneel,
en ook legt men er kleine stukjes boter op. Zoo zet men den koek op
eene warme plaats tot hij goed is gerezen, en bakt hem dan zoo vlug
mogelijk, gaar, opdat het deeg niet te zeer uitdrooge. Men kan er
eene bovenkorst volgens No. 9 over gieten, vóór dat hij geheel gaar is.
67. Blaauwbessentaart. Men maakt eene korst met vasten staanden rand,
volgens No. 66, bestrooit die met gestooten beschuit en behandelt deze
taart geheel als No. 66. Er worden gewarmde blaauwbessen ingelegd,
die men met suiker en kaneel bestrooit.
68. Hamburger koek. Men neemt 1 p., 6 1/2 l. bloem, 5 o. krenten, 2
1/2 o. boter, 9 eijeren, 1 o., 6 1/2 l. suiker, 6 1/2 l. snippers,
eene geraspte citroenschil en 6 1/2 l. met wat melk geroerde
gist.--De boter wordt tot schuim gewreven; dan de suiker en de
eijeren er doorgeroerd, en vervolgens het overige. Alles wordt in een
goed besmeerden taartenvorm gedaan, en met een mengsel van gehakte
amandelen, suiker en kaneel bestrooit. Men laat den koek rijzen en
bakt hem bij middelmatige warmte.
69. Boterkoek. Men neemt 1 p. bloem, evenveel goed uitgewasschen boter,
8 l. gist, 6 1/2 l. gesnipperde sucade, 2 kleine theelepeltjes zout,
2 eijeren, 1/2 k. laauwe melk, en hakt dit met een breed mes vlug
door elkander, want het is bij dit recept eene hoofdzaak, dat het
deeg zoo weinig mogelijk bewerkt en gekneed worde. Men spreidt het
met de vlakke hand op eene eenigszins warme bakplaat, ter dikte
van een vinger uit, waarbij men de hand met niet te veel raauw
meel mag bestuiven; dan bedekt men het met een gewarmden doek,
en zet het ongeveer anderhalf uur op eene warme plaats, tot het
behoorlijk is gerezen. Dit zoo zijnde, bestrooit men den koek met
een mengsel van 3 o., 4 l. grof gestooten broodsuiker; 6 1/2 l. grof
gestooten amandelen en 2 w. kaneel; legt 1 o., 2 1/2 l. boter, aan
kleine stukjes verdeeld, over alles heen, en bakt den koek bij goede
warmte een kwartier of twintig minuten. Hij mag slechts donkergeel,
niet bruin worden, en ook volstrekt niet in den oven uitdroogen,
maar hij moet inwendig zacht blijven. Bij het uitnemen uit den oven,
besprenkelt men hem, nog op de plaat, met een half kopje rozenwater,
of, indien men dien smaak niet aangenaam vindt, met witten wijn. Dit
recept is voor een grooten koek. Men snijdt hem, bij het voordienen,
in langwerpig vierkante stukjes.
70. Norderneijer koek. Men maakt een deeg van 1 p. bloem, 1/2 k. melk,
2 theelepeltjes zout, en 3 l., 3 w. met wat melk en suiker aangeroerde
gist, en doorwerkt dit tweemalen gedurende het rijzen. Dan voegt
men er 2 1/2 o. gesmolten boter, nog 5 l. aangeroerde gist en 2 1/2
o. gewarmde krenten bij, kneedt het luchtig even door elkaâr en spreidt
het uit volgens No. 69. Men besmeert den koek, strooit er 2 1/2 o. grof
gestooten suiker en 4 w. kaneel over, en begiet dit met een weinig
gesmolten boter. Hij wordt in een heeten oven 14 minuten gebakken. Men
kan dit recept naar verkiezing veranderen, door gestooten foelie of
geraspte citroenschillen in het deeg te mengen, of de krenten door
sultana rozijnen te vervangen.--Dit recept is voor een grooten koek.
71. Saksische spekkoek. Van 3 o., 7 1/2 l. bloem, 1 o., 2 1/2
l. gesmolten boter, ruim 1 1/4 melk, 3 l., 3 w. suiker, evenveel
gist, 2 eijerdoijers en een half theelepeltje zout, maakt men een
deeg, eerst met een mes, en daarna met de hand; men klopt het stevig
volgens No. 1, en laat het rijzen. Dan drukt men het met een houten
lepel in de koekepan, maakt er een rand aan, en laat den koek nog
eens rijzen. Daarna bestrooit men hem met 1 o., 2 1/2 l. spek, dat
aan kleine dobbelsteentjes gesneden is, en wat komijn. Men bakt hem
bij goede warmte ongeveer drie kwartier.
72. Gekloofde koek. Men neemt 7 1/2 o. bloem, 2 1/2 o. boter, 2 1/2
o. rozijnen zonder pitten, 1 o., 2 1/2 l. suiker, ruim 3 m. melk, 1/2
o. gist, 1 1/2 theelepel zout, en kruiderijen naar verkiezing. Hiervan
bereidt men een deeg, volgens No. 71, laat het 1 1/2 uur zacht
rijzen, en rolt het daarna uit, tot eene lange smalle reep, van
een paar vingers dikte. Deze reep drukt men met de taartenrol zóó,
dat er in het midden, over de lengte, eene gleuf ontstaat, die men
vult met 6 l. suiker, ruim 3 l. gesnipperde amandelen en 3 l. sucade;
desverkiezende ook nog met 2 o. krenten, maar dan laat men de rozijnen
uit het deeg weg. Nu slaat men den reep dubbeld, zoodat de beide
zijkanten juist op elkander liggen, en legt den koek als eene halve
maan gebogen, op de plaat, met den digtgeslagen kant naar buiten,
waarin men eenige insnijdingen maakt. Men laat hem goed rijzen,
bestrijkt hem dan met de geklutste eijeren, en bakt hem bij eene
matige warmte gedurende één uur.
73. Kaaskoek. Men maakt een deeg als voor No. 70, maar zonder
krenten en rozijnen, dat men, op eene plaat, dun uitrolt en rijzen
laat. Voorts neemt men een soepbord vol afgeroomde, zuur geworden
melk, die bij het vuur heeft gestaan om dik te worden (dat wat men
in Gelderland ruting noemt), roert die zeer gelijk, maar niet al te
dun met verschen room, voegt er een kopje gesmolten boter, 2 eijeren,
benevens suiker en kaneel, naar den smaak, bij, desverkiezende ook 2
1/2 ons krenten. Dit mengsel verwarmt men een weinig, en smeert het
op den koek, dien men daarna vlug gaar bakt; hij moet volstrekt niet
uitdroogen, maar zacht blijven en versch gebruikt worden.
74. Silezisch brood. Van 1 p., 8 o. bloem, 1/2 k. melk, 8 eijerdoijers,
6 l., 6 w. gist en wat zout, maakt men een deeg, dat men op eene
warme plaats laat rijzen; dan werkt men er 1/2 kan gesmolten boter,
2 1/2 o. rozijnen zonder pitten, 2 o. suiker, 1 o., 2 1/2 l. gehakte
amandelen, nog 3 l., 3 w. gist en wat geraspte citroenschil door,
beslaat het stevig tot er blazen in komen, en laat het nogmaals
rijzen. Vervolgens vormt men het tot een langwerpig brood, kerft
dat op de bovenzijde met schuine sneden, bestrijkt het rijkelijk met
gesmolten boter, en bakt het, bij den eersten warmtegraad, een half
uur of drie kwartier.
75. Duitsche Wecke. Men neemt 5 kop bloem, 6 o., 2 1/2 l. boter,
5 o. rozijnen, 2 1/2 o. krenten, 2 1/2 o. suiker, ruim 6 l. drooge
gist, ruim 6 l. gehakte zoete amandelen, en half zooveel bittere,
ruim 3 l. snippers, 1 w. kaneel, 1 w. foelie, 1 geraspte citroenschil,
3 eijerdoijers en wat zout, benevens zooveel melk als noodig is, om
hiervan een goed stevig deeg te maken. De gist wordt met wat melk,
1 lepel suiker en 1 lepel rhum gemengd, en de rozijnen, een poosje
vóór het kneden, met rhum besprenkeld. Als men het meel met de melk
en de gist door elkaar heeft geroerd, werkt men het goed door met het
overige, behalve de rozijnen en de krenten, die men er het laatst
doorkneedt. Men legt het deeg daarna op eene warme plaats, en als
het gerezen is, maakt men er 2 langwerpige brooden van, en laat
die langzaam nog eens rijzen. Dan legt men ze op besmeerd papier
op eene blikken plaat, laat ze goed gaar bakken en bestrijkt ze,
terstond nadat zij uit den oven komen, met gesmolten boter, waarover
men kaneel en suiker strooit.
76. Slakkenhuizen. 5 1/2 o. bloem, 4 eijeren (van 2 het wit),
4 l. drooge of 2 1/2 lepel natte gist, 1 o., 3 l. suiker, 2 1/2
o. gewasschen boter, 1 o., 2 1/2 l. krenten, evenveel sultana
rozijnen en 2 m. melk. De eijeren worden geklutst, de melk en de
met wat suiker en melk aangemengde gist er bij gegoten, waarna men
de helft van het meel daarmede beslaat. Men laat dit een half uur
rijzen, roert er dan nog zooveel meel door, dat men het deeg kan
rollen, kneedt de boter er door, en gebruikt het overige meel voor
het bestuiven; vervolgens rolt men het dun uit. Dan snijdt men het,
met het taartenradje, aan reepen van ruim 2 vingers breed, strooit
daarop suiker, kaneel, krenten en rozijnen, en rolt de reepen als
slakkenhuizen op, die men naast elkaar in de besmeerde taartenpan zet,
maar niet al te digt bij elkander, zóó, dat er eenige tusschenruimte
blijft voor het rijzen. Als de rolletjes soms ongelijk zijn, dan zet
men de grootsten in het midden. Men laat ze goed rijzen en bakt ze
1 uur, bij den eersten warmtegraad. Desverkiezende kan men ook nog
gesnipperde amandelen op de deegreepen strooijen.
77. Elberfelder kransen. 1 p. bloem, 3 o., 7 1/2 l. boter, 2 1/2 ons
suiker, 5 eijeren, 8 w. gestooten kaneel, 1 1/2 m. melk, 3 o., 7 1/2
l. krenten of 2 kopjes gelei en 6 1/2 lood versche gist. De helft van
het meel wordt met de melk, de eijeren en de gist beslagen; men laat
het rijzen, en neemt dan de helft van de suiker, benevens zooveel meel
er bij, dat het een kneedbaar deeg wordt, terwijl men er het overige
meel en de boter zachtjes aan bijvoegt. Daarop wordt het niet al
te dun uitgerold, de kaneel, de overige suiker, benevens de krenten
er op gestrooid, of de gelei er over gestreken, en dan rolt men het
voorzigtig op, de beide einden tot elkander leggend, zoodat het een
krans vormt, dien men op eene plaat legt, rijzen laat, daarna met boter
besmeert, en drie kwartier bij den eersten warmtegraad laat bakken.
78. Dikke koek. 1 p. meel, 3 o., 7 1/2 l. boter, 2 1/2 o. rozijnen, 1
o., 2 1/2 l. suiker, 8 of 9 eijeren, 6 m. melk, 5 l. gist en een goede
theelepel foelie. De boter wordt tot schuim gewreven, dan zachtjes aan
de eijeren, de suiker, de kruiderijen, als ook de melk en het meel,
bij afwisseling er door geroerd; het laatst de aangemengde gist en
de rozijnen. Nu wordt alles te zamen sterk beslagen, en nadat het in
den vorm goed is gerezen, met gesmolten boter bedropen, met kaneel
en grof gestooten suiker bestrooid, en in een goed gestookten oven
bijna 1 uur gebakken.
79. Rodonkoek. 5 o. meel, 3 o., 7 1/2 l. gesmolten boter, 2 1/2
o. suiker, 15 eijeren, 1 geraspte citroenschil, een stuk sucade en
3 l., 3 w. gist. Voor dit recept moeten zelfs de eijeren in laauw
water worden gewarmd. De boter wordt met de suiker, de citroenschil
en een halven theelepel zout geroerd; dan voegt men er beurtelings
1 lepel meel en 1 ei bij, tot alles gebruikt is, en mengt het laatst
de aangeroerde gist er door. Vervolgens beslaat men het tot er overal
blazen in komen, laat het in den taartenvorm 1 1/2 uur goed toegedekt
staan, om te rijzen, en bakt het bij middelmatige warmte 1 uur. Men kan
in deze opgave eenige veranderingen brengen, door er, naar verkiezing,
1 o., 2 1/2 l. gestooten amandelen of evenveel rozijnen of krenten
in te doen en b. v. de sucade door foelie of kaneel te vervangen.
80. Krentenkoek. 1 p. bloem, 4 o. krenten, 2 o. boter, 1/2 kan melk, 6
l. gist, een kopje suiker, 2 eijeren, wat zout en foelie of kaneel. De
melk, eijeren, suiker, boter, krenten en kruiderijen, worden met de
helft van het meel en de helft van de gist beslagen, men laat dit
rijzen, voegt er het overige bij, en beslaat het weder. Dan zet men
het in den vorm nog anderhalf uur te rijzen, besmeert den koek met
verdunde eijeren, en laat hem, in den goed gestookten oven, ongeveer
1 uur bakken.
81. Rolkoek. Men neemt 6 o., 2 1/2 bloem, 3 o., 7 1/2 l. boter,
1 1/2 o. suiker, 3 eijeren, 5 l. gist, 1 1/2 m. melk en 1 theelepel
zout. Dit alles roert men door elkander, maakt daarvan, eerst met een
mes, daarna met de hand, een deeg, dat men goed slaat, volgens No. 1,
en rijzen laat. Dit rolt men uit tot een langen reep, van ongeveer
een vierde el breed, dien men met 2 1/2 ons krenten, 1 o., 2 1/2
l. suiker, 4 l. sucade en 8 w. kaneel bestrooit, en dan in de breedte
los oprolt. Het eene einde van deze rol zet men in het midden van den
vorm, en slingert zoo rond, tot men aan het andere eind is gekomen,
met eenige ruimte tusschen de kringen, voor het rijzen. Men zet den
koek op eene warme plaats tot hij goedgerezen is, en bakt hem bij
goede warmte bijna één uur.
82. Gewone potkoek. 1 p. bloem, 1 o., 2 1/2 l. boter (des verkiezende
voor de helft reuzel of uitgebakken raapolie), 1 o., 2 1/2 l. rozijnen
of gesnipperde peren, 2 eijeren, 4 1/2 m. melk, 2 1/2 l. gist,
een paar geraspte koud geworden aardappelen, 1 lepeltje zout en
wat foelie. Dit alles wordt goed beslagen, en in een ijzeren pot,
om langzaam te rijzen, 3 uren, toegedekt weggezet. Dan bakt men den
koek op het vuur zachtjes aan gaar; als de bovenkant opgedroogd is,
wordt hij omgekeerd, en op die zijde gebakken. Indien men er geene
aardappelen in doet, moet men op 1/2 k. melk rekenen, en als men het
beslag een dag vooraf kan maken en den nacht over in den kelder laat
rijzen, zal de koek er des te beter om zijn.
Kleine gebakjes.
83. Maarschalktaartjes. Men maakt een feuilletédeeg, rolt dit ter
dikte van een stroohalm uit, en steekt er met een glas of kopje ronde
plaatjes af, waarop men wat van het volgende mengsel uitspreidt:
1 ons geraspte amandelen, 1 o., 2 1/2 l. suiker en het tot schuim
geslagen wit van 2 eijeren. Men bakt de taartjes geel, bij den
eersten warmtegraad.
84. Vruchttaartjes. Men steekt uit feuilletédeeg plaatjes volgens
No. 83, besmeert de randen (niet de snede) met geklutste eijeren,
en zet er randjes op. Men legt er vruchten in, die men, naar haren
aard, met suiker en kaneel bestrooit, en bakt ze vlug gaar. Indien
men zeer sappige vruchten, zoo als aalbessen of frambozen, neemt, dan
moet men wat gestooten beschuit op den bodem strooijen; gebruikt men
ingemaakte vruchten of gelei, dan worden de taartjes ledig gebakken,
en daarna gevuld.
85. Kweetaartjes. Deeg, volgens No. 2 of 7, wordt in kleine vormpjes
gelegd. Kweeën kookt men, met de schil zeer zacht en evenveel zure
appelen worden, ook met de schil, in heete asch gebraden; dan trekt
men van beiden de schillen af, ontdoet ze van klokhuizen, en roert
het vleesch dooreen met suiker, citroensap en schil. Hiermede vult
men de taartjes; men slaat geschuimd eiwit, met suiker en vanille,
strijkt er dit overheen, en bestrooit het met gehakte amandelen,
waardoor suiker is gemengd. Zij kunnen eene goede hitte verdragen.
86. Couverts met confituren. Een deeg, volgens No. 2 of 7, wordt
zeer dun uitgerold en met het taartenradje aan ruiten gesneden, van
ongeveer 15 duim in het vierkant groot. Deze ruiten besmeert men in
het midden, ook in vierkanten vorm, niet te dik, met confituren, legt
de vier punten tot elkander te zamen, drukt ze een weinig vast, en
bestrijkt ze met verdunde eijerdoijers, waardoor suiker is geklutst;
men zorge echter dat niets daarvan op de snede van het deeg komt,
daar dit het rijzen zou beletten. De taartjes worden bij den eersten
warmtegraad gebakken, en bij het opdoen legt men eene ingemaakte
kers of rozenbottel op het midden, bij wijze van zegel. Men kan zulke
couverts ook vullen met geraspte amandelen, die men dooreenroert met
suiker, eijerdoijers, citroensap en schil, benevens het wit van de
helft der eijeren die men gebruikt. Bijzonder lekker zijn zij ook, als
men in elk lapje deeg een uitgeboorden appel zet, die eenige uren in
arak of rhum met suiker heeft liggen weeken, en waarvan de ingeboorde
opening is gevuld met krenten, suiker, kaneel en citroenschil.
87. Appelplaatjes. Het deeg volgens No. 2 of 7 wordt dun uitgerold,
dan goed besmeerd met dik appelmoes, en met een tweede blad deeg
bedekt; daarna steekt men er met een glas rondjes uit, die men met
ei bestrijkt, met suiker en gehakte amandelen bestrooit en in een
heeten oven bakt.
88. Stuiters. 1 o., 2 1/2 lood boter, 2 eijeren (van 1 het wit)
en 6 1/2 lood suiker, worden door elkaar geroerd, verder beslagen
met een half kopje rhum of brandewijn en 2 ons bloem. Hiervan vormt
men kleine balletjes, die men op eene met was bestreken plaat zet,
met gestooten kandij bestrooit, en bij matige warmte bakt.
89. Gerezen noten. 1 o., 2 1/2 l. gewasschen boter, 5 eijerdoijers ruim
3 l. suiker, wat citroenschil, 1 kopje dikke zure room, 2 1/2 lood
aangeroerde gist en 3 o., 6 l. bloem, wordt beslagen, en men maakt
er ballen van, als eene okkernoot, die men op eene met was bestreken
plaat zet en laat rijzen. Dan legt men op iedere noot eene rozijn,
eene ingemaakte kers of rozenbottel, bestrijkt ze aan alle zijden
met het geslagen eiwit, bestrooit ze met grof gestooten suiker,
en bakt ze in den heeten oven 10 minuten.
90. Milaneesche boterhammen. 1 o., 2 1/2 l. boter, 2 o. suiker, 2
1/2 o. bloem, 1 lepel dikke zure room of brandewijn en 1 ei, wordt
tot een deeg gemaakt, dat men uitrolt, aan schuine ruiten snijdt,
met geklutste eijeren besmeert en vlug bakt.
91. Zwitsersch chocoladebrood. Men slaat het wit van 3 eijeren tot
een stijf schuim, roert daardoor 2 o. suiker, 6 1/2 lood gestooten
amandelen en 1/2 o. geraspte chocolade. Dit smeert men op ouwels,
snijdt het aan reepen en bakt het in een zacht warmen oven.
92. Kweebeuling. De vruchten worden in water gaar gekookt, dan door
eene zeef gewreven, en dit moes wordt vermengd met evenveel suiker;
men zet het op het vuur om te verdampen, tot het stijf is; dan roert
men er geraspte amandelen, snippers, kaneel en gestooten nagelen
door, stopt het in goed schoongemaakte schapendarmen, en bindt die
tot kleine worstjes digt.
93. Speculatie. 5 o. bloem, 5 o. suiker, 2 1/2 o. boter, 3 eijeren,
2 w. kaneel en eene halve geraspte citroenschil worden tot een deeg
gekneed, dat men gedurende een nacht, of ten minsten eenige uren laat
rusten. Dan werkt men er, zoo vlug mogelijk, een weinig hertshoornzout
door (zie No. 22), en rolt het uit ter dikte van den rug van een
mes. Hieruit steekt men met een vorm de gewenschte figuren, die
men op eene gewaste blikken plaat bij middelmatige warmte bakt. Een
ander goed recept is dit: 3 o., 7 1/2 l. bloem, 2 o. suiker, 1 o.,
2 1/2 lood boter, 1 ei, 2 lepels zure room of arak, 2 w. kaneel en
hertshoornzout als hierboven.--Bij gebrek aan vormpjes om de koekjes
uit te steken, kan men allerlei figuren van dun karton knippen,
die op het deeg leggen en dat er langs afsnijden.
94. Anijsbeschuitjes. Men bakt een goed aantal beschuitjes uit 1 o.,
8 l. half bloem, half stijfsel, evenveel suiker, 6 eijeren en 1 lepel
uitgezocht anijszaad. Het is bij dit gebak zeer noodzakelijk dat meel
en stijfsel beiden worden doorgezift; ook dat er volstrekt niets van
de eijerdoijers door het wit raakt, omdat het schuim zeer stijf moet
wezen. De beschuitjes worden grooter en luchtiger als men een weinig
hertshoornzout door het beslag doet (de in No. 22 opgegeven hoeveelheid
op 5 o. meel). Deze aanmerkingen gelden ook voor de drie volgende
recepten. Met de hierboven genoemde bestanddeelen handele men als
volgt: Het eiwit wordt tot schuim geklopt, de eijerdoijers geklutst
en langzaam in het schuim gegoten, terwijl men onophoudelijk blijft
slaan; zoo slaat men er ook de met het anijszaad vermengde suiker, bij
een lepel vol te gelijk, door; daarna op dezelfde wijze het meel en
de stijfsel, en eindelijk het hertshoornzout. Men legt dit in kleine
hoeveelheden bij elkander, op eene met was bestreken plaat; of men
besmeert er de geheele plaat mede, om het, als het uit den oven komt,
in stukken te snijden. Het wordt bij den tweeden warmtegraad gebakken.
95. Frankforter tabletten. 2 1/2 o. half bloem, half stijfsel, evenveel
suiker, 4 eijeren, 1/2 geraspte notemuskaat en zooveel gestooten
nagelen als op de punt van een mes wordt genomen. De geheele eijeren
worden met de suiker en de kruiderijen een kwartier lang beslagen, dan
het meel er doorgeklopt en de massa op eene gewaste plaat gestreken,
met stukjes sucade of snippers er op gelegd. Men bakt het bij den
tweeden warmtegraad en snijdt het aan stukjes, als het uit den
oven komt.
96. Suikerplaatjes. 2 1/2 o. stijfsel, 2 1/2 o. suiker, 4 eijeren,
eene halve citroenschil of een half lepeltje foelie. Eerst roert men
de eijerdoijers met de suiker en kruiderijen een kwartier dooreen,
dan het stijf geklopte wit, en eindelijk, zoo vlug mogelijk, de
stijfsel. Men bakt het volgens No. 94.
97. Chocoladeplaatjes. 2 o. gezifte suiker, 1 o., 2 1/2 lood geraspte
en gezifte chocolade, 6 1/2 lood bloem en het wit van 4 eijeren. Het
laatste wordt tot schuim geslagen, vlug met het overige dooreengemengd,
en aan kleine plaatjes gebakken, volgens No. 94.
98. Kaneelsterren. 5 o. suiker, 5 o. amandelen, met het bruine
schilletje geraspt, het wit van 6 eijeren, 8 w. kaneel en eene fijn
gesneden citroenschil. Men roert het geslagen eiwit met suiker en
kruiderijen, gedurende een kwartier onafgebroken door elkander,
en houdt daarvan een gedeelte afzonderlijk, terwijl men door het
overige de amandelen roert. Dit deeg rolt men op de met meel bestoven
taartenplank dun uit, en steekt er met een blikken vorm sterren van,
die men daarna met het afgehouden eiwit besmeert en, op eene gewaste
plank, langzaam bakt. Men kan ook een deeg maken van 5 o. bloem,
3 o., 3 lood boter, 6 1/2 l. suiker, 2 eijeren, 8 w. kaneel en
hertshoornzout, volgens No. 22. Het wordt goed doorwerkt, dun
uitgerold, en men bestrijkt de uitgestoken sterren met geklutste
eijeren, drukt ze in grof gestooten suiker, en bakt ze bij goede
warmte op de plaat.
99. Kaneelkrakelingen. 3 o., 7 1/2 l. bloem, 2 1/2 o. suiker, 1 o.,
2 1/2 l. gesmolten boter, 3 eijeren, 8 w. kaneel, hertshoornzout,
volgens No. 22, of in plaats daarvan, zooveel gezuiverde potasch,
als op de punt van een mes kan liggen. Dit wordt alles tot een deeg
gemaakt, de daaruit gevormde krakelingen met verdunde eijerdoijers
bestreken, en in een niet te warmen oven gebakken.
100. Pyramiden. 3 o., 7 1/2 l. bloem, 2 1/2 o. suiker, 2 o. boter,
1 theelepel kaneel, 8 gestooten nagelen, eene halve geraspte
citroenschil, 5 eijerdoijers en 2 eiwitten, worden tot een glad deeg
gemaakt, dun uitgerold en in driekantige stukken gesneden, welke
men met confituren besmeert. Voorts buigt men de drie punten, hoog
opstaande, tot elkander, en zet ze op eene met meel bestoven plaat,
om te bakken.
101. Weener duimpjes. 2 1/2 o. bloem, 2 1/2 o. suiker, 3 eijeren,
4 w. kaneel, 3 w. gestooten nagelen, 1 1/2 w. cardamom, 1/2 geraspte
citroenschil en 3 stuks zeer fijn gehakte, ingemaakte okkernoten. Alles
wordt een kwartier lang goed beslagen, behalve het meel; dan slaat
men ook dit, lepelsgewijze, er door. Van dit beslag neemt men telkens
een theelepel vol, wentelt dit in suiker en maakt er langwerpige
rolletjes van, die men bij zachte warmte op de gewaste plaat bakt.
102. Italiaansche koekjes. 2 1/2 o. bloem, 2 1/2 o. suiker, 2 1/2 ons
boter, 6 eijeren, van 3 het wit en 1 lepel oranjewater. Dit beslaat
men volgens No. 101, en bakt er, op de plaat, kleine koekjes van.
103. Hertshorens. 5 o. bloem, 2 1/2 o. suiker, 2 1/2 o. geraspte
amandelen, ruim een half kopje room, evenveel gesmolten boter en 4
eijeren, maakt men tot een deeg, rolt het uit, snijdt er langwerpig
ronde reepen van, die men ombuigt, aan de einden met het taartenradje
in takken verdeelt en bakt.
104. Bassumer koeken. 3 o., 3 l. bloem, 1 o., 8 l. boter, 1 o., 1
1/2 l. suiker, 1 ei, en, naar verkiezing, wat citroenschil, foelie,
of een paar gestooten nagelen, en een weinig kaneel. Men maakt hiervan
een beslag, waar het meel het laatst wordt ingedaan, vormt er kleine
balletjes van, bestrooit die met grof gestooten suiker en kaneel,
zet ze op de gewaste plaat en bakt ze bij den tweeden warmtegraad.
105. Citroenbogen. 8 1/2 o. bloem, evenveel suiker, 5 eijeren,
1 citroen, 1 lepeltje gestooten foelie, en 6 1/2 l. amandelen. De
eijeren, suiker, foelie, citroensap en schil worden stevig door elkaar
geroerd, en dan ook het meel er doorheen gekneed. Vervolgens strijkt
men het deeg, iets dikker dan de rug van een mes, op een blikken, met
boter besmeerde plaat, bestrooit het met de gesnipperde amandelen,
waardoor wat suiker en kaneel is geroerd. Het wordt langzaam licht
bruin gebakken, en, als men de plaat uit den oven neemt, snijdt men
het aan reepen van goed twee vingers breed, die men weder dwars,
ter lengte van een palm, doorsnijdt, neemt deze stukken van de plaat
en hangt ze schielijk, eer zij koud zijn, over een ronden stok;
men buigt de einden naar beneden en laat ze zóó hard worden.
106. Gebrande amandelen. 5 o. amandelen worden niet geschild,
maar gewasschen en droog afgeveegd. 5 o. suiker smelt men in water
en kookt die in een ijzeren pot; als zij wat gekookt heeft, steekt
men er eene vork in, blaast daar tegen, en wanneer de suiker daar in
blazen afvliegt, is zij goed. De amandelen worden er dan ingeschud,
en men roert ze onafgebroken met een ijzeren lepel, tot zij al de
suiker hebben opgenomen. Dan neemt men den pot af, strooit er 4
w. kaneel in, en roert tot alles koud geworden is; daarna zet men
het weder te vuur, en roert tot de amandelen glimmen, waarop men ze
in een vlakken schotel schudt en ze van elkander plukt.
107. Kruidamandelen. 3 o., 7 1/2 l. amandelen worden, met het
schilletje, geraspt, en met 8 eiwitten, 3 o., 7 1/2 l. suiker, 4
w. nagelen, 4 w. kaneel en wat geraspte citroenschillen, op zacht
vuur zóólang geroerd, tot de massa, als men ze aanraakt, niet meer
kleeft; dan laat men haar bekoelen, vormt er kleine amandelen van en
bakt die bij zachte warmte.
108. Pepermunt. Men kookt suiker als voor gebrande amandelen, roert er
eenige druppels pepermuntolie door, giet dit in een stevig peperhuis,
waar men het puntje afknipt, en laat het daar door in druppels,
op eene gewarmde, met was bestreken plaat vallen en opdroogen.
109. Baisers. Het wit van 8 eijeren wordt tot een zoo stijf schuim
geslagen, dat men het snijden kan en dan, onder voortdurend kloppen,
5 o. fijngezifte suiker en wat gestampte vanille er in gestrooid. Dit
zet men, telkens bij de hoeveelheid van een theelepel vol, naast
elkander op de gewaste plaat, strooit er suiker over, en laat het
langzaam, bij den derden warmtegraad bakken. Ook kan men de suiker
koken, als voor gebrande amandelen en die, als zij bekoeld is, met
de vanille door het eiwitschuim slaan; indien de massa soms niet
dik genoeg wordt, voegt men er nog suiker bij. Volgens deze laatste
manier behandeld, worden de baisers vaster. Wanneer men ze met room
wil vullen, ga men te werk als volgt: Men vormt de baisers tusschen
twee lepels als eijeren, bestrooit ze met suiker, en zet ze op de
plaat, in den oven, om zeer langzaam op te droogen. Als zij geheel
droog en geelachtig van kleur zijn, neemt men ze van de plaat af en
aan de platte onderzijde schept men er, met een lepel, het inwendige
uit. De helft van de baisers vult men met dikken zoeten room, die met
suiker en vanille, tot schuim geslagen is, legt van de andere helft
er één op iedere gevulde en drukt ze luchtig op elkander.
110. Baisers met gelei. 6 eiwitten worden tot stijf schuim geklopt,
6 lepels suiker en wat geraspte citroenschil door elkaar geroerd,
en dan, in den vorm van langwerpig doorgesneden halve eijeren, in
een zacht warmen oven gezet, niet op eene plaat, maar op een met
papier belegd plankje, omdat de baisers aan den onderkant niet mogen
bakken. Men bestrooit ze met suiker, en als zij gekleurd worden,
neemt men ze er uit, en legt ze met de onderzijden tegen elkander,
met de gelei er tusschen.
111. Amandelkoekjes. 5 o. geraspte amandelen worden met 7 1/2
o. suiker, de schil van 1 citroen en het stijf geslagen wit van 4
eijeren goed dooreengeroerd, dan telkens bij een lepel vol op eene
warm gemaakte, gewaste plaat gezet, en bij zachte warmte gebakken. Men
kan ze ook op ouwels bakken en, des noods, op papier, dat men, als zij
uit den oven komen, aan de onderzijde met een nat penseel bestrijkt,
zoodat het loslaat en er afgetrokken kan worden.
112. Bitterkoekjes bakt men volgens No. 111, maar men neemt voor
1/3 bittere amandelen, die niet geraspt, maar gesnipperd worden,
terwijl men tegen 5 o. daarvan bijna 9 ons suiker rekent.
113. Turons. 5 o. geraspte amandelen, 7 1/2 o. suiker, 1 geraspte
citroenschil, 2 l. kaneel, 1/2 l. gestooten nagelen en 1 geraspte
notemuskaat, worden met het wit van 12 eijeren door elkander gemengd,
door een en ander, met een houten lepel, heen en weder te stooten en
te wrijven, zonder het echter te roeren. De koekjes worden volgens
No. 111 gebakken.
114. Oranjenoten. 3 eijeren klutst men een kwartier met 2 1/2 ons
suiker, voegt er dan 5 l. oranjeschil en evenveel snippers, beide
fijngesneden, en 2 1/2 o. bloem bij, en roert het tot alles goed met
elkander is vereenigd. Hiervan rolt men kleine balletjes, die op de
plaat bij matige warmte worden gebakken. Het deeg wordt luchtiger
door wat hertshoornzout (zie No. 22).
115. Kruidnoten. Men neemt 2 1/2 o. bloem, evenveel suiker, 2 eijeren,
6 1/2 l. grofgestooten amandelen, 4 l. sucade, 5 l. geconfijte
oranjeschil, 2 w. nagelen, 2 w. notemuskaat, en beslaat en bakt het
volgens No. 114.
116. Pepernoten. 5 o. suiker wordt met 10 eijerdoijers een kwartier
geroerd, 3 geraspte notenmuskaten, kaneel naar den smaak, en 5 o. bloem
er bijgevoegd, dit alles tot kleine balletjes gerold, en die langzaam
gebakken.--Men kan ook zeer goede pepernoten bakken naar het volgende
recept, dat niet zoo kostbaar is: 6 o. bloem, 3 o. stroop, 1 o., 2 1/2
l. suiker, 6 l. reuzel met 6 l. boter, door elkaar gesmolten, 1 ei,
2 l. gezuiverde, in water of melk opgeloste potasch, 1/2 l. gestooten
nagelen en 2 w. cardamom. Dit alles wordt goed door elkaar gewerkt,
en dan laat men het gedurende acht dagen staan, daarna rolt men er
balletjes van en bakt die, op de met boter besmeerde plaat, gedurende
een kwartier bij matige warmte.
117. Bazelsche honigkoek. De bestanddeelen zijn: 1/2 k. honig,
die ten minsten een jaar oud moet wezen, 1 p., 3 o., 7 1/2 l. meel,
7 o. suiker, ruim 2 o. amandelen met het bruine schilletje, evenveel
oranjeschillen, evenveel snippers en de schil van 2 citroenen, alles
grof gesneden, 5 l. kaneel, 8 w. nagelen, 2 theelepeltjes foelie, ruim
3 l. gezuiverde potasch en een glas kirschwasser.--De honig wordt met
de suiker op het vuur gezet, en, als het opkomt, worden de gesneden
amandelen er eene goede poos in gebakken. Dan neemt men het af, voegt
de overige kruiderijen er bij, en roert er, als het wat bekoeld is,
de potasch door; daarna het kirschwasser, en eindelijk het meel. Men
rolt het deeg, terwijl het nog warm is, ter dikte van een Ned. duim
uit, snijdt het in langwerpig vierkante stukken, legt die digt naast
elkander, op eene met meel bestoven bakplaat, en laat ze zoo den
nacht over liggen.--De koeken worden bij zachte warmte gebakken,
b. v. bij den graad die een bakkersoven heeft, nadat het brood er
uit is genomen; zij worden warm doorgesneden, en als zij koud zijn,
breekt men de stukken van elkander.--Men kookt de geklaarde suiker, tot
zij zich tot een draad laat trekken, en bestrijkt de koeken daarmede.
118. Bazeler lekkerli. 5 o. honig laat men op het vuur smelten, roert
er dan 5 ons suiker en 5 o. gesnipperde amandelen door, vervolgens 5
o. bloem, 6 1/2 l. snippers en de fijngesneden schil van 1 citroen,
eene halve notemuskaat, wat gestooten nagelen en een halven kelk
arak of rhum.--Men kneedt hiervan een deeg, dat men goed doorwerkt,
en vier of zelfs acht dagen, toegedekt, laat rusten. Dan rolt men het
tot een halve vingerdikte uit, legt het op eene gewaste plaat, bakt
het in een zeer warmen oven, en snijdt het, nog warm, in langwerpig
vierkante stukjes.
119. Neurenberger koek. Men neemt hiervoor 5 o. bloem, 5 o. suiker, 5
o. gesnipperde amandelen, 8 eijeren, 6 1/2 l. geconfijte oranjeschil,
evenveel snippers, beide kleingesneden, 8 w. kaneel, 2 w. nagelen,
evenveel cardamom en 1 1/2 l. gezuiverde, in een weinig melk of
rozenwater opgeloste potasch.--De eijeren worden sterk geklutst,
en met de suiker en de kruiderijen een kwartier geroerd; dan voegt
men er langzamerhand het meel met de potasch bij, en het laatst de
amandelen.--Men moet vooraf ouwels, zoo groot als eene speelkaart,
hebben geknipt, waarop men het deeg uitspreidt, en zoo laat men het
op eene plaat bij gematigde warmte bakken.
120. Hijlikmaker. 1 p., 2 1/2 o. bloem, 6 o., 2 1/2 l. bruine suiker,
3 ons, 7 1/2 lood bruine honig, 6 1/2 lood oranjeschil en even veel
sucade, 4 w. kaneel, 1 notemuskaat, en ruim 3 lood gezuiverde, in
water opgeloste potasch.--Het deeg wordt gemaakt volgens No. 117;
dan laat men het een nacht over liggen, rolt het uit, bakt het op
eene plaat, en snijdt het warm in stukken.
121. Moppen. 5 o. meel, 5 o. suiker, 4 eijeren, 2 w. nagelen, 1 1/2
l. gezuiverde, in melk opgeloste potasch. Dit wordt tot een deeg
gemaakt en goed doorgewerkt, waarna men er balletjes van rolt, die
men op de plaat bakt en waarop men een halven amandel of een stukje
sucade zet.
122. Bentheimer moppen. 1 p., 2 1/2 o. meel, 7 1/2 o. basterd suiker,
2 1/2 o. boter, ruim 4 1/2 m. melk; 3 spijslepels vol gemalen komijn
of een ander kruid, naar verkiezing, en 1 1/2 l. potasch.--De boter,
suiker, melk en komijn worden aan de kook gemaakt, te bekoelen gezet,
en dan roert men er de potasch door. Vervolgens kneedt men dit alles
met het meel tot een goed deeg en vormt er een bal van, dien men in
vingerdikke schijven snijdt; deze schijven rolt men wat uit, steekt
er met een blikken vorm ronde plaatjes af en bakt ze met pepernoten.
123. Roomkoekjes. 2 1/2 o. bloem, 2 o. boter, 1 ei, 6 1/2 l. suiker
en ruim 3 lepels dikken zuren room, maakt men tot een deeg, dat men
uitrolt, en waaruit men, met een glas, kleine koekjes steekt, die men
met lichtgefruite boter bestrijkt, met suiker en kaneel bestrooit en
op eene plaat, in den oven bakt.
124. Roomkransjes. 3 o., 7 1/2 l. boter wordt met 5 o. bloem door
elkaar gehakt en dan met 10 lepels dikken zuren room, vlug, tot een
luchtig deeg gekneed. Men breekt er stukjes af, en maakt daar, met
de hand rolletjes van, ongeveer eene kwart el lang, waarvan men de
beide einden tot elkander buigt en vastdrukt; deze kransjes worden
met geklutste eijeren of een weinig gesmolten boter bestreken, en
met suiker en kaneel bestrooid, en bij goede warmte vlug gebakken.
125. Theekoekjes. 5 o. meel, 1 o. boter, ruim 3 lood suiker, 4 eijeren,
8 w. kaneel, 4 w. geconfijte en gestooten oranjebloesem en wat zout,
bewerkt men tot een lijvig deeg, en rolt het tot de dikte van een
stroohalm uit. Daarop steekt men er met een wijd bierglas plaatjes uit,
neemt dan met een kleiner glas een schijfje uit het midden daarvan weg,
zoodat men ringen van eene vingerbreedte overhoudt.--Deze legt men in
eene pan met kokend water te vuur, giet er, als het weder begint op
te koken, wat koud bij, neemt de pan af, en laat de kransjes er zoo
lang in liggen, tot zij drijven, dan legt men ze, met den schuimspaan
op een uitgespreiden doek. Zoodra zij afgedroogd zijn, worden zij op
de met meel bestoven plaat gelegd, met geklutste eijeren bestreken
en in een matig gestookten oven zoolang gebakken, tot zij van buiten
licht bruin en van binnen geheel hol zijn geworden.
126. Kleine beschuitjes. 1 p., 3 o., 7 1/2 l. bloem, 2 1/2 o. suiker,
2 o. boter, of voor de helft reuzel, ruim 1/2 k. melk, 6 1/2 lood gist,
3 eijeren, wat nagelen en foelie. Men beslaat, alles, behalve de boter
en de suiker, en laat het, toegedekt, een uur rijzen; dan roert men
ook deze beide zaken er door, kneedt het en gooit het luchtig in een
baktrog of eene vloot heen en weder volgens No 1.--Vervolgens breekt
men er kleine stukjes af, van omstreeks 5 of 6 lood zwaar, vormt die
op de bakplank rond of glad, en zet ze op eene met boter bestreken
plaat in eene warme kamer om nog eens te rijzen. Daarna schuift men ze
in den matig warmen oven, en laat ze bijna een kwartier bakken en op
de plaat koud worden. Dan worden zij voorzigtig, met een scherp mes,
al zagend doorgesneden in een onder- en bovenhelft, zonder dat zij in
het minst mogen worden platgeknepen, en, met de gesneden zijde naar
bovengekeerd, worden zij nogmaals in den oven gezet om lichtbruin te
bakken. Als men de beschuitjes zeer bros wil hebben en lang versch
houden, dan moet men deze, als zij doorgesneden, gebakken en koud
geworden zijn, nog even in den oven opwarmen.
127. Amandelkransjes. 4 o. bloem, 2 1/2 o. boter, ruim 3 l. gist,
2 1/2 m. melk en 1 eijerdoijer. Men hakt de boter door het meel,
roert het overige te zamen, en kneedt dan alles tot een week deeg, dat
echter niet aan de handen mag blijven hangen. Hiervan neemt men kleine
stukjes, die men met de hand tot rolletjes maakt, daarop tot kransjes
ombuigt en met geslagen eiwit bestrijkt. Vervolgens drukt men ze in
een mengsel van 1 o. gehakte amandelen, suiker en kaneel, en zet ze,
niet al te digt naast elkander, op eene plaat; en nadat zij langzaam,
maar goed gerezen zijn, bakt men ze bij ruim den tweeden warmtegraad.
128. Eijerkransjes. 5 o., 6 l. bloem, evenveel boter, 1 o., 2 1/2
lood suiker, de doijers van 6 zeer hardgekookte eijeren en een half
kopje arak of rhum.--De eijerdoijers worden fijngewreven en dan met
het overige tot een deeg gekneed, waarvan men volgens No. 124 kransjes
vormt, die men met geklutste eijeren of gesmolten boter bestrijkt en
in een mengsel van 1 o., 2 1/2 l. suiker en wat kaneel plat drukt. Men
bakt ze bij groote warmte.
129. Spritsen. 3 o., 6 l. bloem, evenveel boter, 2 o., 3 l. suiker, 5
eijerdoijers, het sap en de schil van 1 citroen en 4 w. kaneel. Eerst
wordt de boter zacht gewreven, dan goed dooreengemengd met suiker,
eijerdoijers en kruiderijen, en eindelijk ook met het meel. Men vult
eene spuit met dit beslag en drukt het daardoor, in den vorm van eene
S, op de bakplaat. De spritsen moeten een kwartier in een zeer heeten
oven bakken, maar mogen niet bruin worden.
130. Soezen. 5 o. water, 2 o. meel, 2 1/2 o. boter en 8 eijeren. Men
laat de boter met het water koken, strooit er dan meel in, en roert het
op het vuur, tot het van de pan loslaat; als het eenigzins verslagen,
maar toch nog warm is, slaat men er voorzigtig de eijeren door, met
een weinig foelie, of geraspte citroenschil.--Dan neemt men telkens een
lepel vol, en legt dit, met behoorlijke tusschenruimten, op de met meel
bestoven bakplaat; zet die, zonder ze een oogenblik te laten staan,
in een heetgestookten oven, en laat de balletjes hoog geel bakken. Zij
zijn spoedig klaar en men bestrooit ze met suiker. Als men ze vullen
wil, maakt men, terstond als de soezen uit den oven komen, een kleine
opening in de bovenzijde, en giet er een half theelepeltje suiker in,
die met citroensap dik is geroerd; ook kan men er vruchten-marmelade in
doen. Bij het scheppen van de soezen moet de lepel dien men gebruikt,
telkens in koud water worden gestoken. Men kan soezen ook in kleine
vormpjes bakken, die dan met wat boter bestreken moeten zijn, of op
dezelfde wijze in de poffertjespan.
131. Zwaanshalzen. Er wordt een deeg gemaakt als voor soezen, doch
slechts met 6 eijeren; hiervan maakt men rolletjes van een vinger
lang en dik, die men als eene S buigt, in grofgestooten amandelen,
suiker en kaneel wentelt, en bij sterke hitte op de plaat bakt.
132. Oubli. 5 o. bloem, 5 o. suiker, 2 1/2 o. boter, 9 eijeren, 1
l. kaneel en wat geraspte citroenschil, worden beslagen op den dag vóór
dien waarop men bakken wil. Men neemt van het deeg telkens een klein
stukje van omstreeks 2 l. gewigt, en drukt dit in het oubli-ijzer,
dat met boter besmeerd is, plat, bakt het op een goed kolenvuur,
eenige minuten aan beide zijden en rolt het terstond uit het ijzer,
om een dun stokje.--Een recept om oubli van eene dunnere soort te
bakken, is het volgende: 5 ons bloem, 2 1/2 o. suiker, 1 o., 2 1/2
l. boter, 1/2 k. melk en bijna half zooveel water, (te zamen gewarmd),
1 ei, 1 l. kaneel, 1 theelepel foelie of, naar verkiezing, 1 lepel
uitgezocht anijszaad. Nog fijner recept voor hetzelfde baksel is:
2 1/2 o. bloem, 1 o., 2 1/2 l. suiker, de gesnipperde schil van eene
halve citroen, 1 l. kaneel, een weinig nagelen, op de punt van een
mes; 5 lood gesmolten boter, 2 lepels rozenwater, 1 ei en rhijnwijn
tot een dun vloeibaar beslag gemaakt.
133. Wafelen. 4 o., 6 l. bloem, 2 o., 3 l. boter (desverkiezende
voor 1/3 gedeelte reuzel), 8 eijeren, 1/2 k. melk en 5 l. gist. Dit
alles beslaat men te zamen en laat het vier uren rijzen, en op het
oogenblik als men gaat bakken, roert men er een bierglas koud water
doorheen. Men moet onder het bakken wat gesmolten boter en een kwastje
bij zich hebben, om het wafelijzer telkens te besmeeren. Het ijzer
wordt op beide zijden boven het vuur gehouden, en de wafelen worden,
nog warm zijnde, met een weinig gesmolten boter bedropen, en met suiker
en kaneel bestrooid. Des verkiezende, kan men in het beslag, vóór
dat het te rijzen wordt gezet, een halven kelk arak of rhum gieten.
134. Poffertjes. 5 o. bloem, 2 o. krenten, 1 o., 2 1/2 l. boter,
8 eijerdoijers, eene halve geraspte citroenschil, 1/2 l. kaneel of
wat foelie, 2 lepels suiker, 2 1/2 m. melk, 3 l., 3 w. drooge, of 2
lepels natte gist en wat zout, worden te zamen beslagen en dan het
geklopte wit van 6 eijeren er doorgeroerd, waarna het beslag anderhalf
uur moet rijzen. Men kan desverkiezende een gedeelte van de melk door
rozenwater vervangen. Bij het bakken legt men een klein stukje boter
in ieder kuiltje van de poffertjespan en schept het half vol beslag,
de poffertjes moeten, als zij aan de onderzijde lichtbruin zijn,
worden omgekeerd; zij worden, warm zijnde, met suiker bestrooid.--Een
goedkooper recept is het volgende: 7 o. bloem, bijna 7 m. melk, 6 1/2
l. gist, 2 lepels suiker, wat citroenschil of foelie, 5 eijeren en wat
zout; het wit van de eijeren wordt te gelijk met alles beslagen.--Het
is ook zeer smakelijk om appelen in de poffertjes te bakken, en
men maakt dan het volgende beslag: 5 o. bloem, 2 1/2 m. melk, 6 1/2
l. boter, 6 eijeren (van 3 het wit), 5 l. gist, 6 1/2 l. krenten, een
soepbord vol gesnipperde zure appelen, een weinig zout, het sap van
1 citroen en de halve schil geraspt, of wat kaneel, benevens suiker
naar den smaak. De appelen worden met een weinig boter op het vuur
warm geroerd, zonder dat zij week worden; dan voegt men de krenten
en kruiderijen, met de suiker er bij, en roert dit alles door het
overige, als dat goed gerezen is, en als men begint te bakken.
135. Boterbiesjes. 5 kopjes bloem, 2 kopjes boter en 1 kopje basterd
suiker, worden goed door elkaar gemengd en platte koekjes op de plaat
er van gebakken.
136. Suikerkoekjes. 2 1/2 o. boter wascht men uit, en roert ze dan
op den wasem van een ketel dik; daarop voegt men er 8 eijerdoijers,
2 1/2 o. bloem, 2 1/2 o. suiker en een geraspte citroenschil bij en
bakt het in vormpjes.
137. Hernhuttertjes. 2 1/2 o. bloem, evenveel gesmolten boter, 6
l. suiker, 1 o., 2 1/2 l. krenten, 2 l. amandelpas, wordt beslagen
en in vormpjes gebakken, met minder onder- dan bovenwarmte. Het is
in een kwartier gaar.
138. Pompadours. 1 o., 2 1/2 l. gemalen rijst, kookt men in eene flesch
melk gaar, en, als het koud geworden is, voegt men er bij: 3 l. zoete
en 1 l. bittere gestooten amandelen, 6 eijerdoijers, 2 goede lepels
suiker, 1 citroenschil, 1 o., 2 1/2 l. boter, en eindelijk het beslagen
eiwit. Men klopt alles goed dooreen en bakt het in kleine vormpjes.
139. Vanille krakelingen. 2 1/2 o. boter, 4 eijeren, 3 1/2 o. meel
en een klein stukje vanille maakt men tot een deeg; men vormt er
krakelingen van, die men met suiker bestrooit en op de met boter
besmeerde plaat bakt.
140. Gemberkoekjes. 2 1/2 o. bloem, 1 o., 2 1/2 l. suiker, evenveel
boter, evenveel stroop en wat gemberpoeder, kneedt men te zamen,
rolt het uit, maakt er koekjes van en bakt die 5 minuten op eene plaat.
141. Saucijzenbroodjes. 2 kop bloem, 1/2 o. boter, 2 eijeren, 7
l. gist en 1/2 kop melk wordt tot een deeg gekneed en uitgerold. Dit
is eene geschikte hoeveelheid om 30 saucijzen, wegende ieder 3 l.,
in te bakken.
142. Moscovisch gebak. 2 1/2 o. suiker wordt goed dooreengeroerd met 12
eijerdoijers, wat kaneel en notemuskaat; het wit van de eijeren wordt
zeer stijf geslagen en er dan langzaam bij ingeroerd. Vervolgens werkt
men het dooreen met 2 1/2 o. bloem, dat met 2 o. boter door elkaar
is gehakt, en reeds vermengd met 2 1/2 o. krenten, 2 1/2 o. snippers
en 1 o., 2 1/2 l. sucade. Men bakt het in besmeerde vormpjes, in een
niet al te warm gestookten oven.
143. Rommelkantjes. 7 1/2 o. bloem, 7 eijeren, 4 lepels broodsuiker,
3 geraspte citroenschillen, 2 1/2 o. amandelpas en 5 l. gist beslaat
men met 2 o. boter en de noodige melk tot het een niet te dik beslag
is. Men laat het rijzen en bakt het dan in vormpjes.
144. Spoedig en lekker. 5 eijerdoijers, 5 kopjes koud water, 5 kopjes
meel en 4 kopjes gesmolten boter, beslaat men te zamen en roert er
dan het stijfgeslagen eiwit door. Men vult de vormpjes half en bakt
de koekjes schielijk.
Boter- en oliegebakken.
145. Berliner bollen. Men neemt 2 1/4 m. melk, 1 o., 2 1/2 l. boter,
6 eijerdoijers en 1 wit, 5 l. gist, 5 l. suiker, benevens zooveel bloem
als noodig is om er een luchtig deeg van te maken, dat men slaat tot
het niet meer aan den lepel kleeft. Dan legt men het op eene met meel
bestoven bakplaat, om te rijzen, en daarna rolt men het ter dikte
van een vinger uit; men legt er de eene of andere vruchtengelei op,
bedekt die weder met een lap deeg en steekt er dan schijven uit. De
plaats waar het onder en bovenblad van zulk een bol elkander raken,
besmeert men met geklutste eijeren, zet ze dan op papier, dat met wat
meel bestoven is, om nog eens langzaam te rijzen. Men maakt boter
gereed, volgens A. No. 17, en laat daar 3 of 4 bollen te gelijk in
glijden (zie No. 1). Zij worden, nog warm zijnde, met een mengsel
van suiker en kaneel bestrooid.
146. Boterspritsen. 1 o. boter laat men in 2 o. water koken, strooit
er dan 2 o. bloem in, en roert het op het vuur tot het van de pan
loslaat. Dan neemt men het af, en roert door de warme massa 1 ei,
1 lepel suiker en een halve geraspte citroenschil; men laat het
bekoelen en voegt er dan nog 4 eijeren bij. Het wordt alles te zamen
sterk geklopt, met eene spuit in kokende boter gespoten, geel gebakken
en met suiker en kaneel bestrooid.
147. Sneeuwballen. 2 1/2 o. bloem, 6 1/2 l. boter, 2 1/4 m. water en 9
eijeren. Men behandelt het water, het meel en de boter volgens No. 146,
roert in het bekoelde beslag de eijeren, en klopt het ter deeg. Dan
neemt men tusschen twee lepels zooveel er van als men kan houden,
en legt deze ballen in kokende boter als No. 145. Men bestrooit ze
warm met suiker en kaneel. Het bevordert de luchtigheid van het gebak,
als men de eijeren vooraf in laauw water eenigzins warmt.
148. Boterkransjes. Ruim 4 1/2 ons bloem, 6 1/2 l. boter, evenveel
gestooten amandelen, waaronder eenige bittere zijn, 1 1/2 m. melk, 5
eijerdoijers, 1 eiwit, 2 lepels rozenwater, 1 lepel suiker, wat nagelen
en cardamom, benevens 3 l., 3 w. gist. Dit wordt tot deeg gemaakt,
dat men sterk slaat, en waarvan men volgens No. 124 kransjes rolt,
die aan de buitenzijde hier en daar worden ingekorven en op eene met
meel bestoven plank gelegd, om te rijzen. Men bakt ze als Berliner
bollen en begint met die welke men het eerst gemaakt heeft. Zij worden
warm met suiker en kaneel bestrooid.
149. Vlechten. 5 o. meel, 6 1/2 l. boter, 5 l. suiker, 2 1/2 m. melk,
3 eijeren, wat nagelen, kaneel en cardamom. Hiervan kneedt men een
deeg en rolt het uit tot lange reepen, van een paar vingers breed;
deze reepen snijdt men, overlangs, in drie gelijke deelen, zoodat
zij aan het boveneinde nog even zamenhangen, en dan vlecht men ze
luchtig door elkaâr. Men bakt ze in boter.
150. Botergebladerte. Men klopt 3 eijeren met wat suiker en foelie,
roert er zooveel meel door dat het een rolbaar deeg wordt, en
snijdt er, nadat het dun uitgerold is, met het taartenradje allerlei
bladfiguren uit. Men bakt die in boter of reuzel, bestrooit ze bij
het uitnemen met suiker en kaneel, besprenkelt ze daarop goed met
rozenwater, en bestrooit ze nog eens.
151. Oliekoeken. 1 p. bloem, 4 o. rozijnen, 2 o. boter, 8 lood gist,
7 1/2 m. melk, 4 eijeren en 2 theelepeltjes zout. Dit wordt te zamen
goed beslagen en te rijzen gezet.--Men kookt 1 k. goede raapolie, en
bakt deze uit volgens A No. 19.--Als het deeg behoorlijk gerezen is,
neemt men daarvan een schepje met een ijzeren lepel, die vooraf in de
kokende olie is gekookt, legt dit in den oliepot, met zooveel anderen
als er plaats in kunnen vinden, stoot ze tusschenbeiden naar onderen,
keert ze om, en neemt die, welke eene mooije kleur hebben aangenomen,
er uit, om ze, nog warm, met suiker te bestrooijen.
152. Griesmeelschijven. Men laat 1 k. melk koken, roert er 2 goede
kopjes griesmeel, benevens 1 lepel suiker, wat geraspte citroenschil,
kaneel, foelie en zout door; al roerende laat men het nog even
koken, voegt er dan voorzigtig 2 eijerdoijers bij, en spreidt het,
ter dikte van een vinger, op platte schotels uit, die met wat meel
zijn bestoven. Als het koud geworden is, snijdt men het in langwerpig
vierkante stukken, bestuift die aan alle zijden met wat meel, doopt
ze in met suiker geklutste eijeren, en bestrooit ze met gestooten
beschuit. Dan worden zij in boter gebakken. Men kan dit ook van koude
rijstebrij maken.
153. Gebakken broodjes. Kleine broodjes worden in de helft doorgesneden
en dan goed doorweekt in melk, met eijeren, suiker, kaneel en
foelie. Men doopt ze daarna in een beslag volgens A, No. 26, 27 of
28, bakt ze in boter, en bestrooit ze warm met suiker en kaneel. Men
geeft ze warm op tafel en presenteert er schuim- of vruchtensaus bij.
154. Gevuld wittebrood. Van een groot wittebrood neemt men de korst
af, snijdt het midden door en holt het uit, waarna men het wat in
melk legt om te weeken. Vervolgens wordt het gevuld met appelmoes,
waarin citroensap, suiker, kaneel en wijn is gekookt, benevens eenige
eijerdoijers, wat gesnipperde amandelen en een weinig broodkruim,
om het zeer dik te maken. Als de beide helften van het brood gevuld
zijn, voegt men ze weder te zamen, en bestrijkt de snede met geklutste
eijeren, om die digt te kleven. Verder doopt men het brood in een
beslag, volgens A, No. 26, 27 of 28, en bakt het in boter licht
bruin. Men dient het met schuimsaus, en als men het met ingemaakte
rozenbottels versiert, is het een aardige schotel.
155. Appelbeignets. Groote, zachte en sapperige appelen worden
rondgeschild, uitgeboord en in vingerdikke schijven gesneden. Dan
legt men ze in arak met suiker om te doortrekken, doopt ze in een
beslag volgens A, No. 26, en bakt ze in boter. Zij worden, warm,
in een mengsel van suiker en kaneel gewenteld.
156. Amandelrolletjes. Men maakt een pannekoeken beslag van 1
o. bloem, 2 eijeren, 1 1/2 m. dikken zuren room, evenveel warm water,
wat foelie, of citroenschil en zout. Hiervan bakt men pannekoeken,
en als de onderzijde goed is, schuift men den koek, zonder dien om te
keeren, op een vlakken schotel, snijdt hem aan vingerbreede reepen,
besmeert die met een mengsel van gestooten amandelen, suiker en
witten wijn, te zamen op het vuur geroerd, en rolt ze op. De einden
moeten met geklutste eijeren worden vastgekleefd en de rolletjes in
boter gebakken.