R. SAUSEN.

Warme Sausen.

1. Algemeene regelen. De sausen moeten volstrekt niet als eene bijzaak

worden beschouwd; het is integendeel van belang dat men er werk van

maakt, daar een geregt beter, of minder voldoet, naarmate de saus

goed of mislukt is. Het is niet mogelijk om alle bestanddeelen met

maat en gewigt op te geven; de smaak en de ondervinding doen hier

veel af. Hier volgen eenige algemeene wenken.

Het meel voor lichte jussausen wordt zoo lang in de boter gefruit,

tot het opkomt en geel ziet; voor bruine sausen roert men het met

de boter tot het bruin is geworden. Bouillon of water giet men er

kokend bij. Alle sausen moeten eenigzins gebonden zijn, maar mogen

niet brijachtig en vooral niet klonterig wezen.--Bij het kruiden van

sausen moet men steeds zorgen, dat geen der gebruikte kruiderijen

door haar smaak al te zeer de andere overheerscht, en zout, zuur

of prikkelende ingrediënten, moeten in goede evenredigheid worden

aangewend. Zie over soja A, No. 20, en over het binden met eijeren A,

No. 35. Sausen waarin men boter gebruikt, worden bijzonder zacht als

men er op het laatst eenige stukjes koude boter inroert.

2. Coulis. Dit mengsel kan men in den winter 2-3 weken goed houden,

wanneer men het op eene koele plaats, in eene openstaande pan bewaart

en in dien tijd éénmaal weder opkookt. Men gebruikt het om allerlei

sausen voor vleesch spoedig te kunnen gereedmaken, en het moet zeer

dik zijn, daar men het bij het gebruik verdunt. De jus die men hiervoor

bezigt, moet 2 1/2 l. kalfsvleesch, een klein stuk raauwe ham, 1 uije

of eenige chalotten, 1 selderyknol, 1 pieterseliewortel, 1 gele wortel,

1 laurierblad, 8 nagelen en wat peperkorrels. Het vleesch en alles

wordt fijngesneden en de kruiderijen grof gestampt; dan alles met 1

o., 2 1/2 l. boter te vuur gezet en tusschenbeide omgeroerd. Voor een

witte coulis voegt men er, als het geel geworden is, wat meel bij,

laat dit ook geel worden en giet er dan terstond kokenden bouillon

in. Voor eene bruine coulis wacht men tot alles bruin geworden is,

doet dan het meel er in en blijft roeren tot ook dit is gebruind; dan

voegt men er het volgende bij: bouillon of bruine jus, champignons,

citroenschil, dragon, basilicum en pieterselie, waarmede men het 1/2

uur kookt en dan door eene zeef wrijft.

3. Bruine jussaus. Men fruit boter en doet er dan meel en eene gehakte

uije bij, die men ook bruin laat worden, voorts voegt men er bij:

1 gele wortel, 1/2 pieterseliewortel, dragon, nagelen heele peper

en 1 laurierblad, waarmede men het wat laat smoren, om het daarna

aan te lengen met bruine jus zonder vet. Men laat alles te zamen 1/2

uur koken, wrijft het door eene zeef, brengt het weder aan de kook,

en kruidt het dan naar verkiezing met citroensap, kappers, ansjovis

of champignons (de laatsten geprepareerd volgens A, No. 12).

4. Witte jussaus. Als No. 3,maar zonder nagelen en met licht gebruind

meel.

5. Truffelsaus. Boter en meel worden te zamen gefruit en dan met

bruine jus verdund; dan voegt men er bij: 1 laurierblad, nagelen,

peper, citroensap en schil, benevens 1 glas rhijnwijn. Ten slotte

laat men truffels of morieljes, geprepareerd volgens A, No. 11 en 10,

even in de saus doorkoken, die zeer bruin moet wezen. Een weinig soja

maakt deze saus zeer lekker. Indien men coulis gebruikt, behoeft men

die slechts met bouillon aan te lengen en er dan de truffels in te

koken. Heeft men noch coulis, noch jus, zoodat men zich met bouillon

moet behelpen, dan voege men er een weinig gebrande suiker of eenige

korrels suikerij bij.

6. Oestersaus. De baarden van de oesters laat men met wat citroenschil,

grof gestooten witte peper en 1 laurierblad in krachtigen bouillon

uitkoken en giet dit door eene zeef. Dan fruit men meel geel en

voegt het bij het kooksel, benevens foelie, 1 glas wijn en het

sap van 1 citroen, terwijl men de saus met een paar eijerdoijers

bindt. Vervolgens doet men er de oesters bij, met het nat dat in de

schelpen is, benevens het zout dat er nog noodig is, maar laat de

saus niet meer koken, omdat de oesters daardoor hard zouden worden.

7. Bruine ansjovissaus. Bruine coulis wordt genoegzaam met jus

verdund; dan met 1 o., 2 1/2 l. gehakte ansjovis en citroensap even

opgekookt. Of men fruit chalotten en meel in boter bruin en voegt er

bij: jus of bouillon, dragon, gestooten nagelen, citroenschil en sap,

of een weinig azijn. Dit laat men koken met kappers, morieljes en

gehakte ansjovis.

8. Witte ansjovissaus. Men kookt bouillon met citroenschil, grof

gestooten witte peper en nagelen, benevens een paar laurierbladen. Dan

fruit men chalotten en meel in boter, roert dit er door en giet alles

door eene zeef. Nu brengt men de saus op nieuw aan de kook en kruidt

ze met ansjovis, geprepareerd volgens A, No. 15, met citroensap,

1 glas witten wijn en wat gestooten foelie. Men bindt haar eindelijk

met 2 eijerdoijers en een stukje boter.--Wanneer men ongeprepareerde

gehakte ansjovis gebruikt, kan men er eenige bezuinigen door de graten,

die er zijn uitgenomen, in den bouillon mede te koken.

9. Haringsaus. Een goed in water en melk uitgetrokken haring wordt

fijn gehakt. Eenige gehakte chalotten fruit men met 2 lepels meel

en roert er zooveel bouillon door, als voor de dikte van de saus

gevorderd wordt. Dan laat men haar koken met wat peper, nagelen,

2 laurierbladen, 3 citroenschijven of een scheutje azijn, en bindt

haar met 2 eijerdoijers en een kluitje boter. Ook kan men er gehakte

dragon, pieterselie en bieslook, benevens een lepel mosterd bijvoegen.

10. Kappersaus. Men handele volgens No. 8, maar gebruike, in plaats van

ansjovis, een kopje vol kappers, met het nat waarin zij zijn ingemaakt.

11. Bruine champignonsaus. Bruine coulis met jus aangelengd, citroen

of azijn er ingedaan en de champignons daarin gaar gekookt.

12. Witte champignonsaus. Volgens No. 8, maar in plaats van ansjovis

worden de champignons in de saus gaargekookt.

13. Morieljesaus. Als de morieljes volgens A, No. 10 geprepareerd

zijn, smoort men ze in boter zacht, voegt er dan licht gefruit

meel bij, benevens jus of bouillon, foelie, citroenschil en zeer

weinig citroensap of azijn. Men laat de saus koken met wat gehakte

pieterselie en bindt haar met een paar eijerdoijers. Men geeft dit

bij kalfsvleesch.

14. Olijfsaus. Men schilt de olijven van de pit, met een dun mes,

zoodanig af, dat zij van zelf weder zamenrollen. Men roert gebrand

meel, jus of bouillon, citroensap en schil, foelie, gesnipperde

augurken, heele peper, nagelen en eenige chalotten door elkander,

laat dit alles te zamen koken, en wrijft het door eene zeef. Dan

worden de olijven, met eenige kappers, er even in opgekookt.

15. Saus van versche augurken. De augurken worden geschild, van de

zaadhuizen ontdaan en in dobbelsteenen gesneden. Dan kookt men ze

zacht in bouillon met azijn, chalotten, gebrand meel, zout en een

laurierblad. Deze saus geeft men bij kalfs- en schapenvleesch.

16. Zoetzure saus. Deze saus presenteert men bij artisjokken of

versche champignons. Men roert 3 eijerdoijers en een theelepel bloem

zeer gelijk met water, of, desverkiezende, half witten wijn; dan voegt

men er een goed stuk boter, wat gestooten foelie, een weinig suiker,

eenige druppels citroensap of azijn bij, en laat alles, roerende,

op het vuur dik worden.

17. Garnalensaus. Men geeft deze saus bij tongen of tarbot. 1/2 lepel

bloem wordt met boter geel gefruit; dan gekookt met ruim 2 m. bouillon,

wat foelie en citroensap. Als het kookt, roert men er 2 o., 1 1/2

l. boter, benevens eene goede hoeveelheid gepelde garnalen door,

neemt de pan van het vuur en bindt de saus met 3 eijerdoijers. De

garnalen mogen zoo min als oesters medekoken, daar zij dan hard worden.

18. Saksische vischsaus. Men fruit meel in boter, voegt er wat

fijngehakte chalotten, een weinig vischwater, wat witten wijn, een

weinig azijn, citroenschijven, goed wat mosterd en, naar verkiezing,

een weinig suiker bij. Dit alles laat men langzaam doorkoken en roert

er dan rijkelijk boter door.

19. Gewelde boter. Het water wordt aan de kook gemaakt en dan boter

er doorgeroerd, tot de saus dik genoeg is.

20. Mosterdsaus. Men welt boter volgens No. 19, roert er dan eene

goede hoeveelheid mosterd door en bindt de saus met eijerdoijers.

21. Zuringsaus. Een stuk boter, ter grootte van een ei, wordt met een

opgehoopte lepel meel gefruit; dan voegt men er eene handvol goed

afgestroopte en kleingesneden zuringbladeren bij, en roert die tot

zij fijn zijn. Vervolgens giet men er, onder gestadig roeren, zooveel

bouillon bij, als voor de vereischte dikte noodig is, benevens zout,

notemuskaat of foelie, en als het kookt, nog evenveel boter. Men

bindt de saus eindelijk met 2 eijerdoijers.

22. Mieriksaus. De mierikswortelen worden geraspt. Coulis wordt met

wat azijn, foelie, zout en boter gekookt en dan de geraspte mierik

er doorgeroerd, die niet mede mag koken. De saus moet zeer dik zijn;

men geeft haar bij bouilli of gekookte ossentong.

23. Pieterseliesaus. Gehakte pieterselie en tarwemeel worden, in

gelijke hoeveelheid, met laauw water geroerd en gekookt; dan roert

men er een goed stuk boter en allerlaatst het zout door.

24. Dragonsaus bereidt men van fijngehakte dragon, even als de

pieterseliesaus; men voegt er dan een paar druppels citroensap bij

en bindt ze met een paar eijerdoijers.

25. Kastanjesaus, om bij gerookte rib te presenteren, bereidt men

als volgt: De gekookte kastanjes worden gepeld en dan in eene pan

met wat gebrande suiker een oogenblik gebraden. Men maakt er dan saus

bij volgens No. 3, maar zonder kappers, ansjovis en champignons.

26. Roode wijnsaus met rozijnen. 2 lepels meel worden met een steek

boter gefruit en dan met kokend vleeschnat of water aangelengd. Dan

voegt men er 6 1/2 l. rozijnen, 1 kopje rooden wijn, wat azijn of

citroensap en schil, foelie, gestooten nagelen, zout en een weinig

suiker bij. Als men jus heeft om er in te doen, wint de smaak en de

kleur van de saus daar zeer door. Men laat eene gekookte ossentong

of schijven rolpens hierin stoven, tot de rozijnen zacht zijn.

27. Saus bij kalfskop. Men laat eenige chalotten of een paar uijen in

boter fruiten met 2 lepels meel; voegt er bruine jus bij, en lengt

het met het nat van den kop aan. Dan moet de saus met 2 gele- en

pieterseliewortels, 1 laurierblad, wat cayennepeper en citroensap, een

half uur koken, waarna men haar door eene zeef wrijft en met bijvoeging

van eenige citroenschijven, een stuk boter, wat azijn, suiker en zout

nogmaals koken laat. Bij het opdoen roert men er een glas madera of

witten wijn in; ook wel, des verkiezende, een weinig soja.

28. Uijesaus. Fijngehakte uijen of chalotten worden met boter en meel

gefruit, dan met water en een weinig azijn aangelengd; men roert er

eene genoegzame hoeveelheid boter door en laat alles koken. Sommigen

voegen er mosterd bij en nog anderen fruiten de uijen met het meel,

en wrijven dit, als het tot de begeerde dikte met water of bouillon

is aangelengd, door eene zeef, waarna de saus weder aan de kook wordt

gebragt met citroenschijven, foelie en zout, en eindelijk gebonden

met boter en een paar eijerdoijers.--Men roert ook door de saus,

volgens de eerste dezer opgaven, wel eens gebakken spek aan kleine

dobbelsteentjes gesneden.

29. Bloemkoolsaus. Men maakt een stuk boter in meel fijn, en roert

het, met zooveel meel als het aanneemt, door laauwe melk; dit zet

men te vuur en, als het kookt, voegt men er nog een stuk boter, wat

notemuskaat en zout bij, en bindt de saus ten slotte met een paar

eijerdoijers. Deze saus moet zeer dik zijn.--Men kan in plaats van

melk ook bouillon nemen.

30. Aspersiesaus. Men neemt 3 eijerdoijers, of 2 eijeren met het wit;

1 vollen theelepel meel, zeer gelijk geroerd met 2 lepels melk en

ruim 2 m. van het aspersiewater, dan voegt men er zout, foelie of

notemuskaat en een goed stuk boter bij, benevens een weinig azijn voor

den smaak. De saus wordt op een levendig vuur, onder gestadig slaan

met de garde, tot aan de kook gebragt en dan vlug afgenomen. Indien

men er geene eijeren in wil gebruiken, neemt men wat gestooten beschuit

om de saus dik te maken en laat het meel weg.

31. Eijersaus. Men klopt 3 eijerdoijers of 2 eijeren met het wit

en een theelepel meel met ruim 2 m. koud water en een weinig azijn;

dan voegt men er een goed stuk boter, wat zout en notemuskaat bij en

roert de saus op het vuur dik.

32. Speksaus. Spek wordt aan dobbelsteentjes gesneden en zacht

gebakken; vervolgens met 3 eijerdoijers, 1 lepel meel, 5 lepels azijn,

wat water en zout door elkaâr geroerd en, onder gestadig roeren,

dik gekookt. Deze saus laat men koud worden en geeft haar over salade.

33. Citroensaus. Deze saus is zeer smakelijk over kalfsgehakt. Men

neemt daarvoor de jus van het gehakt, waarin men een weinig meel

roert en waar men wat citroensap en foelie bijvoegt; eindelijk bindt

men het met eijerdoijers.

34. Pikante saus. Men fruit boter en meel en lengt dit aan met

bouillon; men voegt er 1 laurierblad, wat thym en spaansche peper

bij, waarmede men het een kwartier kookt en dan door eene zeef

giet. Vervolgens doet men er het sap van 1 citroen en een scheutje

azijn in, bindt de saus met een paar eijerdoijers, en roert er

allerlaatst wat geraspte mierikswortel door.

35. Poivadre. Men wrijft 3 hard gekookte eijerdoijers zoo fijn mogelijk

en roert ze gelijk, met 2 raauwe eijerdoijers en 2 ons gesmolten

boter; dan voegt men er het sap van 1 citroen, wat zout en peper bij,

zet het te vuur en giet er, al roerende, zooveel bouillon als noodig

is, door. Als de saus aan de kook is, doet men er notemuskaat en wat

cayennepeper in en neemt ze af.

36. Kerrysaus. Men fruit gehakte uijen, boter en meel donker bruin en

strooit er dan kerry in (de helft der hoeveelheid van het meel). Dit

lengt men aan met jus, perst er 1 citroen in uit, legt er thym,

moriolein en laurierbladen in, laat het koken en giet het door

eene zeef.

37. Bourgogne saus. Men fruit chalotten met boter, doet er zooveel

coulis bij als men saus verkiest te maken, en zet dit te vuur met

bouquet garni en gestooten kruidnagelen. Als het kookt, giet men er

bourgognewijn in en neemt het terstond af.

38. Bruine saus met wijn. Men geeft deze saus over hazenpeper of

ossentong en neemt daarvoor de jus van het vleesch, waardoor men

fijngehakte uijen, wat citroensap, een lepel azijn, een weinig suiker,

wat zout en peper roert; men legt er thym en een paar laurierbladen,

in een doekje gebonden, bij en laat alles koken. Bij het opdoen maakt

men een stuk boter in meel fijn, bindt daarmede de saus, en giet er

een bierglas rooden wijn in.

39. Sauce aux fines herbes. Verschillende kruiden, als: pieterselie,

dragon, thym, mariolein, basilicum, bieslook, pimpernel en zuring,

worden zeer fijn gehakt; dan behandeld volgens No. 23.

Koude sausen.

40. Sauce à la diable. 4 hardgekookte, fijn gewreven eijerdoijers,

6 lepels rooden wijn, 4 lepels genuaolie, 2 theelepels mosterd, het

sap van 2 goede citroenen, wat peper, zout, gehakte chalotten en een

weinigje suiker, worden zoo lang door elkaâr geroerd, tot de olie niet

meer bovendrijft. Men kan in plaats van citroensap ook wel azijn nemen.

41. Remoulade saus. 2 geraspte groote uijen, 3 hardgekookte en

fijngewreven eijerdoijers, 8 theelepels mosterd, 4 spijslepels

Genuaolie, 1 lepel suiker, ruim 2 m. azijn, peper en zout naar den

smaak, benevens, naar verkiezing, 4 gehakte ansjovis, worden goed door

elkaâr geroerd; dan door eene zeef gewreven, waarna men er kappers

bijvoegt. Men geeft deze saus bij koud vleesch of kouden visch.

42. Mayonnaise. Men neemt 3 hardgekookte eijerdoijers en een raauw

doijer, roert die met 2 theelepels mosterd, 2 theelepels suiker, 1

theelepel vol geraspte chalotten, wat zout en peper, benevens het sap

van 1 citroen, zoolang en zoo fijn tot het er als boter uitziet; dan

giet men er, droppelsgewijze en steeds roerende, ruim 1/2 m. Genuaolie

bij en, als die er goed is doorgemengd, zachtjes een kopje heldere

jus of bouillon, en zoo veel azijn als men voor de verdunning noodig

acht. De saus moet echter lijvig zijn.--Men kan den smaak veranderen

door er zeer fijn gehakte dragon en pieterselie door te roeren of

ansjovis, bereid volgens A, No. 15.

43. Haringsaus. Een goed uitgetrokken haring wordt van de graten

ontdaan, dan met 3 hardgekookte eijerdoijers en eenige uijen zeer

fijn gehakt en met peper, olie en azijn tot eene saus geroerd, om

over koud vleesch te gebruiken.

44. Kruidenmosterd. Sterke azijn wordt gekookt met gesneden uijen,

knoflook, dragon, laurierbladen, heele peper, nagelen en zout; dan

door eene zeef gegoten, en, als het koud geworden is, met gemalen

mosterdzaad dooreengeroerd. Men kan deze mosterdsaus in goedgekurkte

flesschen lang bewaren.

45. Mieriksaus. Men roert 2 versche eijerdoijers, met azijn, olie,

suiker, zout en peper een tijd lang goed door elkander en vermengt het

dan met geraspte mierikswortel. Deze saus past bij gekookten visch,

vooral bij karper.

46. Rammenassaus. De rammenas wordt geschild en geraspt en dan met

zout, olie en azijn tot saus, bij bouilli, geroerd.

47. Zout voor pekelvleesch. Geraspte zure appelen, mosterd, Genuaolie,

azijn, suiker en een weinig zout worden goed dooreengeroerd.

48. Kruidenboter. Men neemt fijngehakte pieterselie, chalotten en

kervel, te zamen een spijslepel vol, en vermengt dit met 1 o., 2

1/2 l. gesmolten boter, het sap van een citroen, wat zout, peper en

notemuskaat. Deze saus geeft men voornamelijk bij biefstuk.

49. Goede saladesaus. 3 hardgekookte eijeren en één raauw doijer

worden zoo fijn mogelijk gewreven met 1/2 lepel azijn, dan voegt men

er, onder gestadig roeren, 1 theelepel mosterd, wat witte peper, 2

fijngehakte chalotten, 2 theelepels gehakte dragon, een weinig zout,

4 lepels olie en een lepel rooden wijn bij. Eindelijk lengt men de

saus aan met zooveel azijn als men voor den smaak noodig oordeelt,

en roert zoolang tot de olie niet meer bovenkomt.

Wijn-, melk-, en vruchtensausen.

50. Witte wijnsaus. Men roert een theelepel meel en 5 eijerdoijers,

met 4 1/2 maat witten wijn, en voegt er dan 3 goede lepels suiker,

wat citroenschil en eenige stukken pijpkaneel bij, terwijl men dit

alles, onder gestadig roeren, tot aan de kook laat komen; dan giet men

de saus in de sauskom over, en blijft het roeren nog even voortzetten.

51. Witte schuimsaus. 2 groote eijeren, sterk geklopt, ruim 2

m. witten wijn, 1 theelepel meel, 2 goede spijslepels suiker, eenige

citroenschijfjes en wat pijpkaneel, worden te zamen, op een levendig

vuur, met eene garde sterk geslagen, tot het schuim opvliegt (het

mag niet koken); dan wordt het overgegoten en nog eene minuut lang

geklopt, om het schiften te voorkomen. Men kan er na het overgieten

een glas rhum doorroeren.

52. Koude punchsaus. Wordt als No. 51 gemaakt, behalve het eiwit, dat

er niet in wordt gedaan; men roert de saus op het vuur dik, en giet

er, als hij koud is, 1 glas arak in.--Deze saus is voor koude puddings.

Keukenboek · 第 41 / 64 题