14. Kropsalade. Men zie hierover No. 1. De kruiden die men er soms
zeer fijn gehakt doorroert zijn: dragon, pimpernel en bieslook, ook
wel kleine prij, aan stukjes gesneden.--Men roert er ook dikwijls
komkommers door, of geraspt gekookt rookvleesch. De salade kan
heel aardig versierd worden met de blaauwe bloemen van bernagie,
en de oranjebloemen van oostindische kers, die beide kunnen worden
doorgeroerd en gegeten.
15. Fransche salade noemt men iedere soort van groene salade, die
met kleuren is opgemaakt als haringsalade (zie A, No. 39).
16. Bloemensalade. Dit zijn de bloemen van O. I. kers afzonderlijk
als salade gegeven, en luchtig dooreengeroerd met veel olie, wat
minder azijn en een weinigje zout, dat alles vooraf dooreen is gemengd.
17. Bloemkoolsalade. Gekookte en koud geworden bloemkool zet men,
met de bloem naar boven, in een schotel, en begiet ze met eene saus,
geroerd van olie, azijn, harde eijeren, zout en peper.
18. Komkommers. De komkommers worden geschild en fijngeschaafd, of
aan schijfjes gesneden; zij worden doorgaans luchtig dooreengeroerd
met azijn, olie, zout en peper; een weinig gehakte dragon verfijnt
ze zeer.--Soms voegt men er ook harde eijeren bij.
Daar de komkommers door het zout zeer veel nat loslaten, zet men ze
wel eens, een half uur vóór dat men ze gebruikt, met wat zout er
doorgeroerd weg, en giet het uitgetrokken nat bij het prepareren
er af, ten einde de saus niet te verslappen. Men beweert echter,
dat zij door het verlies van hun sap minder ligt te verteren zijn.
19. Boonensalade. Kleine princessenboonen worden met zout gekookt en,
koud geworden, gediend met olie, azijn, zout en peper.
20. Bietensalade. De bieten worden gekookt volgens C, No. 52, aan
schijfjes gesneden en gegeven met olie, azijn, zout en peper.
21. Roodekool salade. Roode kool wordt zeer fijn gesneden en
dooreengeroerd met olie, azijn, zout en peper.
22. Wittekool salade. Wittekool fijn gesneden, geeft men met een
zoetzure saus.
23. Andijvie salade. Goed geele krulandijvie, of bij gebrek daaraan,
gewone andijvie, wordt zeer fijn gesneden en met warme aardappelen,
benevens warme zoetzure saus dooreengeroerd. Des verkiezende ook
met bieten.
24. Veldsalade is eerst dan geschikt voor het gebruik, als het heeft
gevroren; men zie over deze salade No. 1. Men prepareert ze als
kropsalade, met bieten er doorgeroerd, of als andijviesalade volgens
No. 23.
25. Chicoreisalade. De geele scheuten van chicorei worden aan kleine
stukjes gesneden, en met olie, azijn en zout aangemengd.
26. Selderysalade. De selderyknollen worden, in water met zout, gaar,
maar niet te week, gekookt, aan schijven gesneden en koud gegeven
met olie, azijn, zout en peper.
27. Uijensalade. De uijen worden gekookt en warm gegeven, met warme
zoetzure saus.
28. Molsalade. Dit zijn de jonge spruitjes van paardebloemen; men
prepareert ze als kropsalade.