19. Sago kookt men volgens No. 17.

20. Boekweitengort. Op 1 kop gort neemt men 4 1/2 m. karnemelk. Zoodra

de melk warm wordt, begint men te roeren en houdt dit vol tot zij

gaar is, waartoe 1/2 uur wordt vereischt.

21. Havergort. Op 1 o. gort neemt men 1 k. zoete melk, maakt die eerst

aan de kook, doet dan de gort er in en laat ze onder gestadig roeren

gaar koken.

22. Karnemelk met meel. Op 1 k. karnemelk neemt men 1/2 o. tarwemeel,

dat men raauw, met de melk zeer gelijk mengt; vervolgens hangt men

die over en laat haar, onder gestadig roeren, gaar koken. Sommigen

verkiezen de melk dikker te hebben en nemen dan meer meel.

23. Karnemelk met zuring en krenten. De melk wordt gekookt volgens

No. 22 en de krenten er terstond ingedaan, maar de zuring moet

afzonderlijk gesmolten en zeer fijngeroerd worden, waarna men ze goed

mede laat doorkoken.

24. Karnemelk met appelen en anijs. De appelen worden met het gekneusde

anijszaad gaargekookt; dan giet men de volgens No. 22 met meel gemengde

karnemelk er op en laat alles, onder gedurig roeren, gaar worden.

25. Duitsche broodsoep. 4 o. gekruimeld wittebrood wordt met een goed

stuk boter in koud water opgezet en een kwartier gekookt; dan door

eene zeef gewreven en weder aan de kook gebragt. Daarna worden er 4

eijerdoijers, wat notemuskaat en de noodige laauwe melk doorgeroerd,

tot de soep de gewenschte dikte heeft.

26. Eijersoep. Neemt tarwemeel en eijerdoijers, in zulke verhouding

dooreengeroerd, dat het een droog deeg wordt, roert er dan wat zout

en notemuskaat in en lengt het aan met bruin gefruite boter. Daarna

verdunt men het mengsel met wijn en water, waarbij citroensap, suiker

en kaneel is gevoegd en laat het te zamen, onder gestadig roeren,

voorzigtig koken.

27. Kunstroom. In 4 k. melk die men tot aan het koken brengt, zonder

ze echter te laten koken, roert men een bierglas koude karnemelk en 2

eijerdoijers. Dan zet men het op eene warme plaats om dik te worden,

en dient het koud als room.

28. Duitsche nudels. Dit zijn eigenlijk zeer smalle reepjes,

ter breedte van een stroohalm, die men snijdt uit het volgende

deeg. Op 4 eijeren neemt men 8 lepels melk en zooveel bloem als de

melk kan opnemen. Dit wordt tot een glad, vast deeg gekneed en hoe

langer men het bewerkt des te fijner worden de nudels. Het wordt

daarna, aan verscheidene stukken, tot de dikte van een blad papier

uitgerold en op een stok te droogen gehangen; vervolgens strooit men

op ieder stuk een weinig droog meel, rolt het luchtig op, en snijdt

er de gezegde smalle reepjes van, die men weder losrolt en ook laat

droogen. Droog zijnde, worden zij in kokend water met zout gelegd,

waarin zij ongeveer in een half uur gaar zijn; men schept ze dan

op een doorslag en zij worden in Duitschland op verschillende wijze

gebruikt. Zij worden b. v. in melk met boter en zout gekookt, dan met

gestampte in boter gefruite beschuit bestrooid, en zoo bij appelmoes,

pruimen of iets dergelijks gepresenteerd. Zeer smakelijk is een geregt

dat men er van gereed maakt met het overschot van een ham. De nudels

worden daarvoor gesneden op de grootte van eene speelkaart, en men

belegt daarmede den bodem en de wanden van een met boter besmeerden

schotel; de ham wordt fijngehakt, met wat peper en notemuskaat er

door, en dan, aan lagen met nudelblaadjes, in den bekleeden schotel

gelegd. Eindelijk klopt men eenige eijeren met melk door elkaâr en

giet dit over alles heen. Het moet in een heeten oven 1 uur bakken

en op eene schaal worden omgekeerd.

Keukenboek · 第 30 / 64 题