20. Boekweitengort. Op 1 kop gort neemt men 4 1/2 m. karnemelk. Zoodra
de melk warm wordt, begint men te roeren en houdt dit vol tot zij
gaar is, waartoe 1/2 uur wordt vereischt.
21. Havergort. Op 1 o. gort neemt men 1 k. zoete melk, maakt die eerst
aan de kook, doet dan de gort er in en laat ze onder gestadig roeren
gaar koken.
22. Karnemelk met meel. Op 1 k. karnemelk neemt men 1/2 o. tarwemeel,
dat men raauw, met de melk zeer gelijk mengt; vervolgens hangt men
die over en laat haar, onder gestadig roeren, gaar koken. Sommigen
verkiezen de melk dikker te hebben en nemen dan meer meel.
23. Karnemelk met zuring en krenten. De melk wordt gekookt volgens
No. 22 en de krenten er terstond ingedaan, maar de zuring moet
afzonderlijk gesmolten en zeer fijngeroerd worden, waarna men ze goed
mede laat doorkoken.
24. Karnemelk met appelen en anijs. De appelen worden met het gekneusde
anijszaad gaargekookt; dan giet men de volgens No. 22 met meel gemengde
karnemelk er op en laat alles, onder gedurig roeren, gaar worden.
25. Duitsche broodsoep. 4 o. gekruimeld wittebrood wordt met een goed
stuk boter in koud water opgezet en een kwartier gekookt; dan door
eene zeef gewreven en weder aan de kook gebragt. Daarna worden er 4
eijerdoijers, wat notemuskaat en de noodige laauwe melk doorgeroerd,
tot de soep de gewenschte dikte heeft.
26. Eijersoep. Neemt tarwemeel en eijerdoijers, in zulke verhouding
dooreengeroerd, dat het een droog deeg wordt, roert er dan wat zout
en notemuskaat in en lengt het aan met bruin gefruite boter. Daarna
verdunt men het mengsel met wijn en water, waarbij citroensap, suiker
en kaneel is gevoegd en laat het te zamen, onder gestadig roeren,
voorzigtig koken.
27. Kunstroom. In 4 k. melk die men tot aan het koken brengt, zonder
ze echter te laten koken, roert men een bierglas koude karnemelk en 2
eijerdoijers. Dan zet men het op eene warme plaats om dik te worden,
en dient het koud als room.
28. Duitsche nudels. Dit zijn eigenlijk zeer smalle reepjes,
ter breedte van een stroohalm, die men snijdt uit het volgende
deeg. Op 4 eijeren neemt men 8 lepels melk en zooveel bloem als de
melk kan opnemen. Dit wordt tot een glad, vast deeg gekneed en hoe
langer men het bewerkt des te fijner worden de nudels. Het wordt
daarna, aan verscheidene stukken, tot de dikte van een blad papier
uitgerold en op een stok te droogen gehangen; vervolgens strooit men
op ieder stuk een weinig droog meel, rolt het luchtig op, en snijdt
er de gezegde smalle reepjes van, die men weder losrolt en ook laat
droogen. Droog zijnde, worden zij in kokend water met zout gelegd,
waarin zij ongeveer in een half uur gaar zijn; men schept ze dan
op een doorslag en zij worden in Duitschland op verschillende wijze
gebruikt. Zij worden b. v. in melk met boter en zout gekookt, dan met
gestampte in boter gefruite beschuit bestrooid, en zoo bij appelmoes,
pruimen of iets dergelijks gepresenteerd. Zeer smakelijk is een geregt
dat men er van gereed maakt met het overschot van een ham. De nudels
worden daarvoor gesneden op de grootte van eene speelkaart, en men
belegt daarmede den bodem en de wanden van een met boter besmeerden
schotel; de ham wordt fijngehakt, met wat peper en notemuskaat er
door, en dan, aan lagen met nudelblaadjes, in den bekleeden schotel
gelegd. Eindelijk klopt men eenige eijeren met melk door elkaâr en
giet dit over alles heen. Het moet in een heeten oven 1 uur bakken
en op eene schaal worden omgekeerd.