M. GELEIEN EN IJS.

1. Algemeene regelen. Als middelen om gelei op te stijven, bedient

men zich van kalfspooten, hertshoorn, vischlijm, gélatine en van

de zeer kortelings ingevoerde Aga-aga. Ziehier eenige woorden over

de aanwending van deze verschillende zaken: Door het gebruik van

vischlijm verkrijgt men de fijnste, klaarste gelei, maar ook tevens de

kostbaarste; goede vischlijm moet, als men ze tegen het licht houdt,

een paarlmoerachtige kleur hebben. Men knipt ze vóór het gebruik in

kleine stukjes, zet ze in een zeer klein aarden potje, water of wijn,

naar dat het noodig is, bedekt, een nacht te trekken; den volgenden

morgen zet men het op een klein stukje vuur of eene warme plaat

en laat de lijm zachtjes koken, tot zij is opgelost, dat doorgaans

in een kwartier het geval is. Dan wordt zij door een neteldoeksch

lapje gegoten en volgens de recepten gebruikt.--Kalfspooten zijn veel

goedkooper en men bereidt de gelei daaruit als volgt: De pooten worden

goed afgeschroeid en met hunne lederachtige huid zeer zuiver geboend

en gewasschen, waarop men ze, om blank uit te trekken, eenige uren in

laauw water legt. Vervolgens worden zij in eene aarden pan, met koud

water, te vuur gezet; als het kookt worden zij geschuimd, afgegoten en

met versch water bedekt, op een vlug vuur gebragt. Men laat de pooten,

tusschenbeide roerende, 4 uren langzaam, maar onafgebroken, koken,

tot de beenderen er uitvallen; dan neemt men die er uit, spoelt ze af,

en giet het water, dat men hiervoor gebruikt, nog bij het nat, dat,

als het vet er is afgeschept, door eene fijne haarzeef in een schotel

wordt gegoten en tot den volgenden dag moet blijven staan. Vóór het

gebruik moet het vetachtige vlies dat er opkomt en ook het bezinksel,

voor zooverre het niet helder is, er worden afgenomen. Het nat van 6

of 8 kalfspooten kan men tot ruim 1/2 k. laten verkoken.--Gelei van

hertshoorn moet zeer versch worden gebruikt, terstond nadat zij gekookt

is; van 5 o. kan men gewoonlijk 2 1/2 m. gelei verkrijgen. Men wascht

het eenige malen, zet het met een paar k. koud water, in een aarden

pot, te vuur, en laat het 3 à 4 uren langzaam koken, zonder er in te

roeren, daar het dan troebel wordt. Dan laat men een paar druppels op

een koud bord vallen, om te onderzoeken of de gelei stijf wordt, en

als men dit voldoende acht, wordt het kooksel in eene fijne haarzeef

of op een dubbelden linnen doek gegoten, waar men het zonder drukken

laat uitdruipen.--Gélatine kan altijd in plaats van vischlijm worden

gebruikt; men vindt ze rood en wit; de eerste neemt men gewoonlijk voor

wijn- of andere gekleurde gelei. Hoe doorschijnender de stukjes zijn,

des te beter is de kwaliteit. De verhouding is 1 1/2 l. gélatine tegen

1 l. vischlijm. Men knipt ze aan kleine stukjes, smelt ze met water of

wijn even als vischlijm, en maakt ze den dag vóór dat men ze gebruiken

wil gereed; dit is vooral des zomers noodig, ten einde te zien of het

kooksel stijf genoeg wordt om in de gelei te doen.--Een nieuw ingevoerd

bindmiddel is de Aga-aga, uit eene japansche mossoort bereid. Het wordt

verkocht aan lange, smalle staafjes, die zeer licht en poreus zijn en

eene geelachtige witte kleur hebben. Het wordt als vischlijm behandeld,

maar enkel met wijn, daar het zich in water niet oplost.--Nog is bij

het maken van allerlei gelei op te merken, dat de vorm zeer schoon

en bij het gebruik van binnen met beste olie, b. v. amandelolie,

moet bestreken zijn. Als de inhoud goed stijf en koud is, maar

toch aan den vorm kleeft, moet men een in heet water gedoopten en

uitgewrongen doek eenige minuten om den vorm heenleggen, of dien

(maar slechts een oogenblik) over den wasem van kokend water houden.

2. Het kleuren en versieren van gelei. Somtijds verkiest men eene gelei

geheel te kleuren, of wil men op een wit geregt gekleurde versierselen

aanbrengen. Men kan zich daarvoor van het volgende bedienen: voor

rood gebruikt men bessensap of nat van bieten; ook lost men wel wat

cochenille in een weinig water op; voor geel trekt men wat saffraan

af, en voor bruin kan men gesmolten chocolade nemen. Men voegt van

de begeerde kleur zooveel als noodig is bij de gelei, vóór dat zij

gefiltreerd wordt, en wanneer het voor opgelegde versiersels is, neemt

men daarvan wat afzonderlijk om te kleuren. Dit gedeelte giet men op

een vlakken, met koud water afgespoelden porseleinen schotel, zoodat

het eene dunne laag is, die men koud laat worden. Hieruit snijdt men

later figuren, waarmede men eene andere gekleurde gelei wil beleggen.

3. Zure gelei voor vleesch en visch. 5, volgens No. 1 gereinigde en

geschuimde kalfspooten, 2 p. mager, maar niet bloedig rundvleesch en

een stuk kalfsvleesch zet men, met water bedekt en met wat zout, op

een vlug vuur en past op het schuimen. (In plaats van kalfsvleesch kan

men ook raauwe ham, aan dobbelsteenen gesneden, nemen, of afval van

gevogelte, mits geene koppen, waardoor de gelei troebel wordt.) Men

voegt er bij 2 theelepels witte peperkorrels, evenveel gestooten

nagelen, 10 chalotten of twee groote uijen, 4 laurierbladen, 1 gele

wortel, wat pieterseliewortels, 1 kleine knol seldery, de schil

van 1 citroen en 5 m. goeden wijnazijn. De wortelen neemt men er na

verloop van een uur uit, laat het vleesch gaar worden en de pooten nog

zoolang nakoken, tot zij uit elkaâr vallen; het nat moet dan tot op 1

1/2 k. zijn verkookt. Men giet het door eene zeef in eene porseleinen

terrine, neemt den volgenden dag het vet en het bezinksel weg, zet de

gelei weder op het vuur met 1/2 fl. rhijnwijn en het sap van 1 citroen,

proevende of er nog zuur of zout moet worden bijgevoegd. Nu wordt

het kooksel op de volgende wijze geklaard: Vóór dat de gelei kookt,

klopt men een paar pollepels vol daarvan met het wit van 4 eijeren

en de stukgeslagen eijerschalen door elkander, giet dit in de pan, en

mengt het alles, telkens opscheppende en roerende, goed dooreen. Men

laat het even opkoken, vermindert dan het vuur en laat de gelei een

kwartier langzaam trekken, waarna men met eenige druppels op een koud

bord de gewone proef neemt: is zij nog te slap, dan laat men haar nog

wat verdampen; wordt zij daarentegen te taai bevonden, dan kan men

er water, wijn of azijn bij gieten. Heeft zij de verlangde stijfheid

bekomen, dan hangt men den filtreerzak (die van dik flanel is gemaakt,

met een paar lussen er aan, waardoor men een stok kan schuiven) op

eene warme plaats op; schept daarin een paar lepels van de gelei,

en houdt het overige warm, dat men er gaandeweg bijvoegt, tot alles

is doorgelekt op eene daaronder staande schaal. De twee eerste lepels

vocht die er doorloopen, zijn doorgaans troebel en dat moet men nog

eens voorzigtig in den zak gieten. Bij gebrek aan een flanellen zak

kan men een servet uitspannen en de gelei er op scheppen, maar dit is

niet zoo goed, omdat zij daarop spoedig koud wordt en dan niet meer

doorlekt.--Nu giet men een weinig van het gefiltreerde in een vorm,

en als het stijf is geworden, legt men er figuren op, waarvoor men

citroenschijfjes, bieten en harde eijeren, aan schijven gesneden,

ingemaakte augurken, kappers en pieterselieblaadjes kan gebruiken. Dit

alles bedekt men weder met wat gelei, en als die koud is, legt men het

vleesch of den visch er op en giet er de rest over, zoodat het geheel

onder ligt, waarna men het op eene koude plaats zet om op te stijven.

4. Bereiding van vleesch voor gelei. Alle vleesch dat bestemd is om

in gelei te worden opgedischt, wascht men goed, terwijl men er al het

vet afsnijdt. Vogels kan men, behalve eene gans, wel larderen, maar

dan worden de uitstekende spekreepjes glad afgesneden, zoodat het spek

geheel in het vleesch is. Eene gans en een kalkoen ontdoet men van de

beenderen, volgens A, No. 6. Dan wordt het in een wit kokenden pot

te vuur gezet, met half water, half azijn, of ook soms maar met 1/3

azijn en het noodige zout; men schuimt het zorgvuldig, voegt er dan

alles bij wat in No. 3 is opgegeven, en laat het in kort nat langzaam

gaar worden. Als het gaar is, neemt men het uit de pan, en snijdt het

als het koud geworden is, aan nette stukken; men kan het ook in zijn

geheel laten, maar dan heeft men meer gelei noodig. Het nat giet men

bij de gelei volgens No. 3 en handelt voorts geheel naar dat recept.

5. Zalm in gelei. Men kookt in een aarden pot water met witte peper,

citroenschijven, uijen, foelie, wat zout en 2 à 3 laurierbladen een

goede poos, zoodat de kruiderijen uittrekken, giet er den azijn bij,

en legt er dan de mooten zalm, die een uur te voren wat gezouten

moeten worden, in, om ze gaar te laten koken. Voorts koke men van 3

kalfspooten eene gelei volgens No. 3 en handele als daar gezegd is.

6. Paling in gelei. Voor een vorm van middelmatige grootte neemt men

2 dikke palingen, aan mooten gesneden en gekookt als de zalm, maar

in half water, half azijn. Gelei en behandeling volgens No. 3. Men

legt pieterselie op den rand van den schotel.

7. Haas in gelei. De rug en het vleesch van de achterpooten van een

haas worden gewasschen en dan in water met goed wat azijn, niet te

ruim gekookt en geschuimd; dan voegt men er een aan schijven gesneden

citroen, 8 chalotten, 2 theelepels heele peper en evenveel nagelen

bij, en laat het vleesch daarmede gaar koken en koud worden. Men

giet het nat door eene zeef bij de gelei, die volgens No. 3 van 4

kalfspooten is gekookt. Tegelijkertijd maakt men eene farci als volgt:

Een kalfslever wordt fijngehakt en door elkaâr geroerd met: 1 o.,

2 1/2 l. spek, 2 1/2 o. mager varkens- of ander vleesch, dat men ook

hakt, 1 kopje gestooten beschuit of geraspt wittebrood, 2 hardgekookte,

fijngewreven eijerdoijers, 1 kopje gesmolten boter, benevens zout en

nagelen naar den smaak. Dit alles wordt, in een besmeerden schotel, in

den oven gaar gebakken, en, als het koud is, in dunne lange schijfjes

gesneden, zoo ook het hazenvleesch. Voorts handele men volgens No. 3,

en legt dit, laag om laag, in den geleivorm, met wat gelei tusschen

iedere laag in. Des winters kan men dit, in den opstaanden vorm,

op eene koude plaats, 10 dagen bewaren; dan op den schotel omkeeren

en versieren volgens No. 2. Men kan er sauce à la diable bij geven.

8. Kalfsvleesch à la Küstelberg. Men neemt net gesneden stukjes

kalfsvleesch, legt die niet te stijf in een keulschen pot, met

citroenschijven en wat nagelen er tusschen. Als de pot gevuld is,

strooit men er het noodige zout over, giet hem verder vol met een

mengsel van 2/3 bruinen bierazijn en 1/3 water en bindt er een blaas

ruim over. Daarop kookt men het 3 uren au bain marie. Er moeten

stukken met beenderen bij zijn.

9. Gevulde kapoen in gelei met saus. Men maakt eene gelei van

4 kalfspooten, volgens No. 3; neemt de beenderen uit den kapoen

volgens A. No. 6, en vult hem met de volgende farci: de lever met

2 1/2 o. kalfsvleesch, 3/4 o. spek fijngehakt; 1 1/2 o. geraspt

wittebrood met 3/4 o. gesmolten boter, op het vuur dooreengeroerd,

2 eijerdoijers, wat melk, zout, foelie, citroenschil en sap, benevens

het geslagen eiwit. Dit alles goed door elkaâr gekneed zijnde, vult

men den vogel daarmede, naait hem digt, slaat hem in een schoonen

uitgebroeiden doek, en laat hem, in de gelei, goed toegedekt, 2 1/2 uur

langzaam koken. Na verloop van dien tijd neemt men hem er uit, laat

hem, op een vlakken schotel, 1 uur bekoelen, en legt er een plankje,

met eenig gewigt bezwaard, op, om hem wat te drukken. Als de gelei

gereed is, giet men een weinig daarvan in den vorm, legt den kapoen,

met de borst naar onderen, er op, en vult den vorm verder. Wanneer

men hem den volgenden dag op den schotel heeft omgekeerd, giet men de

volgende saus er rondom: 1 pollepel room of 4 hardgekookte eijerdoijers

roert men met 2 theelepels mosterd en wat suiker door elkaâr; dan

voegt men er na elkander 4 spijslepels azijn, evenveel Genuaolie, wat

fijngehakte dragon, peper, zout en hetgeen men van de gelei nog over

heeft, bij. Dit alles wordt stevig geroerd en op den schotel gegoten.

10. Kuikens in gelei. De vogels worden opgemaakt volgens A, No. 6,

met zout ingewreven en in eene aarden pan, toegedekt, in gefruite

boter gaar gesmoord; overigens handelt men volgens No. 3.

Keukenboek · 第 31 / 64 题