L. EIJER-, MELK-, MEEL- EN RIJSTGEREGTEN.

1. Eijeren koken. Het water moet goed koken eer de eijeren er worden

ingelegd. Voor zachte eijeren is het, als zij zeer versch zijn, genoeg

om ze 3 minuten te koken; zijn zij iets ouder, dan 3 1/2 minuut. Voor

harde eijeren rekent men 5 minuten. Als men verscheidene eijeren

koken moet, doet men wel om ze in een netje te binden, waarmede ze

allen tegelijk in en uit den ketel worden gedaan.

2. Saksische zouteijeren. Men kookt de eijeren hard, klopt dan de

schaal rondom stuk, zonder die er af te nemen, en legt ze daarna 24

uren in den pekel, die zoo sterk moet zijn dat zij er op drijven.

Zij worden veel gebruikt bij Beijersch bier.

3. Kievitseijeren worden met koud water opgezet en als het water 2

minuten heeft doorgekookt zijn zij goed.

4. Eijerstruif. Voor ieder ei rekent men 1 lepel melk of water, wat

zout en een klein kluitje boter. Men klopt de eijeren met de melk

en het zout, laat in een aarden pannetje de boter even bruin worden,

giet de eijeren er bij, en roert alles goed over den bodem strijkende,

op het vuur tot het dik wordt. Als de pan is afgenomen, blijft men

nog even roeren en doet de struif op, waarin men, desverkiezende,

als men ze bij vleesch geeft, wat fijngehakte bieslook terstond door

de eijeren kan doen.

5. Spiegeleijeren of kalfsoogen. Men kookt eene handbreedte hoog water

met zout en werpt daarin, één voor één, vlug, de eijeren, zóó, dat

zij elkander niet raken. Zoodra het wit gestold is (hard mag het niet

worden), neemt men ze met den schuimspaan er uit, legt ze op een bord,

snijdt de kanten gelijk en strooit er wat zout over. Men presenteert ze

met geroosterd brood of legt ze op spinazie en zuring. Nog lekkerder

zijn zij, als men ze bakt in de koekepan, die eerst met boter goed

warm moet zijn.--Als men ze als een afzonderlijken schotel wil geven,

giet men zure saus over de warme eijeren en zet ze dan nog eenige

minuten, goed toegedekt, in den heeten oven.

6. Eijeren aan schijfjes. Hardgekookte eijeren worden aan schijfjes

gesneden, met boter en zout gefruit en met gehakte pieterselie

opgedischt.

7. Kampersteur. Hardgekookte eijeren snijdt men in de helft door en

giet er mosterdsaus over.

8. Eijergelei. 1 k. melk, 9 eijeren en van 4 het wit, de schil van 1

citroen, suiker en kaneel, roert men in een diepen schotel dooreen,

zet dien toegedekt op den wasem van kokend water en laat hem staan

tot alles dik geworden is. Koud zijnde, wordt de gelei met suiker

bestrooid en gegeven met ingemaakte vruchten.

9. Hangop. Afgeroomde zure melk zet men in de nabijheid van het

vuur, zoodat de waterige deelen zich afscheiden, zonder dat de

melk hard wordt en laat haar dan, in een linnen sloop opgehangen,

uitdruipen. Vervolgens roert men haar gelijk, met wat versche room,

suiker en kaneel er door; giet ze dan in een diepen schotel, strijkt

ze glad, en bestrooit ze met suiker en kaneel. Zij verdikt zeer door

het staan. Men presenteert er beschuit bij.

10. Rijstebrij. Op 1 o. rijst rekent men 1 k. melk en laat die zeer

langzaam 4 uren koken, met wat zout en eenige stukjes pijpkaneel,

die men er, als de rijst gaar is, uitneemt; er mag niet in geroerd

worden. Men kan dit warm en koud geven, met suiker en kaneel.

11. Rijst met appelen. Men zet de gebroeide rijst met kokend water,

een steek boter, een stukje kaneel en wat zout te vuur, en laat die

langzaam koken. Als zij bijna gaar is, voegt men er appelen bij, die

ook half gaar gekookt zijn, met goed wat suiker, en laat het verder

gaar worden. Men roert er op het laatst een glas witten wijn door en

bestrooit den schotel met suiker.

12. Rijst voor ragout. 2 o. rijst wordt gebroeid en dan in bouillon

gaargekookt, waarna men er 1 glas madera, 1 kopje melk, 2 eijerdoijers

en wat geraspte kaas doorroert. Men legt haar als rand om den ragout.

13. Gewone rijst. Men zet die op met driemaal hare hoeveelheid

aan water.

14. Melksoep met aardappelmeel. Men kookt de melk, roert er dan wat

aangemengd aardappelmeel in, benevens een weinig zout, wat suiker,

gestooten foelie en stukken pijpkaneel, die er later uit worden

genomen. Men laat alles onder gestadig roeren goed doorkoken.

15. Saffraansoep. Voor elk ei, dat men klutst, neemt men zooveel meel

als het wil aannemen, maakt het met eene vork zeer fijn, en laat het

met een weinig zout en wat tot poeder gewreven saffraan, in kokende

melk, onder gestadig roeren, gaar worden.

16. Rijstsoep. De rijst wordt met koud water opgezet, en als dit tot

koken toe heet is geworden, giet men het er af. Men laat de helft

van de melk koken, doet de rijst er in met wat kaneel en foelie,

en laat haar langzaam zacht worden; dan eerst voegt men de overige

melk, met suiker en zout er bij, en laat de soep nog een weinig

doorkoken. Op het laatst kan men om te binden er nog een weinig

aardappelmeel doorroeren. Voor iedere persoon rekent men op 4 1/2

m. melk en 3 1/2 l. rijst.

17. Soep van paarlgarst. De gort wordt eerst in water, met een stukje

boter dik, maar gaar gekookt. Dan giet men de melk er bij, doet er wat

zout in en laat het te zamen koken. Men bindt het met aardappelmeel.

Dit kookt men ook zeer goed met karnemelk en de maat is die van No. 16.

18. Heele gort kookt men naar verkiezing met water of karnemelk,

volgens No. 17, maar iets langer, met viermaal hare hoeveelheid

aan water.

Keukenboek · 第 29 / 64 题