K. OMELETTEN, PANNEKOEKEN EN WENTELSTRUIFJES VAN ALLERLEI SOORT.

1. Algemeene regelen. Men moet voor het bakken van koeken in de

eerste plaats eene goede ijzeren koekepan hebben, die men afzonderlijk

daarvoor houdt en niet gebruikt voor het bakken van uijen, visch of

iets anders. Zij moet altijd terstond na het gebruik met papier worden

uitgeveegd, vóórdat men haar wegzet, en, heeft men haar weder noodig,

dan moet zij even op het vuur gezet, met zout droog uitgeschuurd en

goed afgewreven worden. Het is niet goed om een koekepan te wasschen,

omdat het gebak dan minder gemakkelijk loslaat.--De melk voor het

beslag moet niet koud, maar laauw zijn; ook mag niet al de melk op

eenmaal bij het meel worden gegoten, maar telkens wat, terwijl men in

die tusschenpoozen het beslag sterk met een houten lepel klopt.--Als

men het eiwit afzonderlijk tot schuim slaat, worden de koeken zeer

luchtig, en men kan dan misschien een ei minder gebruiken; maar,

doet men het niet, dan kan men de koeken beter zoo bakken, dat zij

van binnen zacht en uitwendig knapperig zijn; dus moet iedereen dit

naar zijn smaak doen.--Het vuur moet middelmatig wezen.--Boter is het

fijnst om mede te bakken; maar half boter en half reuzel is ook zeer

goed.--Om de koeken bros te hebben, moet men niet te weinig vet in de

pan doen, dit even laten koken en dan tot staan laten komen, zonder

dat het echter bruin wordt; dan neemt men de pan vlug van het vuur,

giet het beslag in de rondte met een lepel er in, en zet haar weder

op. Men stoot er met den lepel in, tot het meel boven op droog is

geworden en van de pan loslaat; men schudt dan ook de pan telkens. Als

men ontdekt, dat de onderzijde bruin genoeg is, keert men de koek om,

laat er langs den kant van de pan nog een stukje boter onder glijden,

en bakt, al schuddende, ook de andere zijde bruin; dit keeren geschiedt

het best met een zoogenaamd blikken koekenmes, dat eenigszins den

vorm van een troffel heeft en zoo breed als eene hand is. De koeken

moeten op een verwarmden schotel uit de pan worden geschoven.

2. Flensjes. Op 5 o. tarwebloem neemt men 8 eijeren, een stuk boter

en een weinig zout, dat men beslaat met 1 1/2 k. melk. Men kan er

naar verkiezing foelie en citroenschil of foelie en kaneel in roeren,

ook bakt men ze wel met krenten.

3. Gevulde Flensjes. Men bakt de flensjes volgens No. 2, bestrijkt ze

dan met vruchtenmoes of ook met rijstenbrij, waarover men suiker en

kaneel strooit; dan rolt men ze op, bestrooit ze met suiker, en zet

ze zoo op tafel.--Zeer lekker is het ook om ze met kalfsvleesch te

vullen; het vleesch wordt daarvoor zeer fijn gehakt en dooreengeroerd

met wat geraspt wittebrood, een goed stuk boter (gesmolten) en melk

of bouillon; men voegt er notemuskaat, foelie en zout bij, en kookt

het onder gestadig roeren, even door. Dan rolt men deze farci in

de koekjes.

4. Kussentjes. Men kan hiervoor het overschot van een ham gebruiken,

dat men zeer fijn hakt en met wat melk door elkaâr roert; dan bakt

men flensjes volgens No. 2, rolt de ham daarin en snijdt ze aan

vingerlange stukken, die men in geklutste eijeren doopt, daarop in

gestooten beschuit wentelt en in een pannetje met kokende reuzel

en boter bakt, tot zij licht bruin zijn. Men legt ze, om wat uit te

druipen, op vloeipapier of op eene snede wittebrood. Mogt de ham wat

hard zijn, dan zet men die den vorigen avond in de melk om te weeken.

5. Flensjestaart. Men bakt de flensjes volgens No. 2 en legt ze op

den schotel met rietperenmoes, appelmoes of bessenvla tusschen ieder

koekje gestreken. Men gebruikt ze koud en snijdt ze als een taart.

6. Doubletten. 4 eijerdoijers, een opgehoopten lepel aardappelmeel,

1 m. melk en een weinig water beslaat men te zamen, voegt er wat

zout, wat gestampte foelie of geraspte citroenschil bij, en roert

er op het oogenblik voor dat men gaat bakken, het stijf geklopte

eiwit door. Het vuur moet gelijkmatig zacht zijn. Men laat een

weinig boter in de koekepan warm worden, giet het beslag er in

en legt er een warm gemaakt blikken deksel op. Men bakt den koek,

zonder den pan te schudden, ongeveer 10 minuten en slechts op ééne

zijde, tot hij van onderen licht bruin en van boven droog geworden

is. Dan bestrijkt men hem met vruchtenmoes of gelei, slaat hem

dubbeld en schuift hem op een langwerpigen schotel. Men bestrooit

hem met kaneel en suiker. Desverkiezende, kan men hem hiermede

ook inwendig bestrooijen en er dan wijn-, rhum- of vruchtensaus bij

geven. Zooveel gepulveriseerd zout van hertshoorn, als men op de punt

van een mes nemen kan, door het eiwitschuim gemengd, bevorderd zeer

het rijzen.--Men neemt ook wel de dubbele opgegeven hoeveelheid van

alles en bakt er twee doubletten van, die men dan niet dubbel slaat,

maar met de ongebakken zijden op elkander legt en het sap van 2

citroenen en rijkelijk suiker er tusschen.

7. Omelette. 8 eijeren, 1 opgehoopte lepel bloem, ruim 2 m. warme

melk en een weinig foelie en zout worden beslagen en in de met boter

gewarmde pan op zacht vuur gebakken, terwijl men er met den lepel

of een mes gedurig in steekt, tot de omelette onder bruin, en boven

droog geworden is; zij wordt niet omgekeerd, maar met de weeke zijde

naar boven, op een schotel geschoven. Men kan er alleen suiker over

strooijen of er vruchtengelei over spreiden.

8. Omelette aux fines herbes wordt beslagen volgens No. 7.; maar

men roert door het beslag wat zeer fijn gehakte pieterselie, dragon

en bieslook.

9. Ham omelette beslaat men volgens No. 7, met fijngehakte gekookte

ham door het beslag geroerd.

10. Schuimomelette. 3 1/2 l. bloem, 6 eijerdoijers, ruim 2 m. melk

voor 1/3 deel met warm water vermengd en wat zout, beslaat men lang

kloppende, en bakt het volgens No. 7. Zoodra de omelette bovenop

droog wordt, spreidt men het zeer stijf geslagen eiwit er over, legt

er een warm gemaakt deksel op en laat het zóó opstijven, waarna men

er suiker over strooit.

11. Omelette soufflée. 4 lepels gezifte suiker, 4 eijerdoijers en

een halve geraspte citroenschil worden gedurende 10 minuten sterk

door elkaâr geroerd, dan het zeer stijfgeklopte eiwit er luchtig

doorgemengd en alles in een met boter besmeerden schotel of op eene

blikken besmeerde plaat, in eene vrij warmen oven, hoogstens een

kwartier gebakken. Dan in denzelfden schotel, of met de plaat op

eene schaal terstond op tafel gebragt, zonder dat er togt bij komt,

daar het gebak daardoor neêrslaat.

12. Spekomelette. Op ieder ei neemt men een grooten lepel melk,

benevens eenige korrels zout en klopt dit goed dooreen; dunne schijfjes

spek bakt men even in de pan, en giet er de eijermelk overheen. Men

steekt er in tot de koek goed droog is en schuift hem dan op een

schotel. Naar verkiezing roert men door de eijeren ook de kruiden

volgens No. 8.

13. Eijer-pannekoeken. 6 eijerdoijers, 6 lepels meel en bijna 7

m. melk worden met een weinig zout er in, beslagen; even vóór het

bakken roert men het geklopte eiwit er door.

14. Bessenkoek. 4 eijeren en 3 lepels meel beslaat men met

ongeveer 2 1/2 m. melk, en doet er een weinig zout in, benevens wat

kaneel. Hiervan bakt men, met boter, een koek, en legt op het nog

vloeibare beslag eene dikke laag rijpe aalbessen, die men daarna met

1 o., 2 1/2 l. gestooten beschuit bedekt. De koek aan de eene zijde

bruin zijnde, wordt omgekeerd; ook op den bovenkant goed gebakken en

op den schotel dik met suiker bestrooid.

15. Appelkoek. 2 soepborden vol gesnipperde appelen worden met

suiker, citroenschillen en wat witten wijn langzaam week gekookt,

zoodat er geen vocht meer op blijft. Dan beslaat men 6 eijerdoijers

met twee lepels aardappelmeel, ruim 2 m. melk, wat zout en kaneel

en het geklopte eiwit. Hiervan bakt men 2 koeken, op eene zijde;

als de laatste gaar is, spreidt men de appelen er over en bedekt ze

met den ongebakken kant van den eersten koek, waarna men ze op beide

zijden nog eens laat nabakken en dan met suiker bestrooid opdoet.

16. Beschuitkoek met appelen. 12 groote zure appelen worden in 1

o., 2 1/2 l. boter, op zacht vuur gaar gesmoord. Dan giet men op 12

gestooten beschuiten zooveel melk dat zij daarin goed kunnen weeken,

roert er vervolgens 6 eijeren, 1 o., 2 1/2 l. krenten, twee lepels

suiker en wat citroenschil of kaneel door; daarna de appelen met

2 lepels rhum en eindelijk het geklopte eiwit. De koek moet op een

zacht vuur gebakken worden.

17. Wittebroodskoek met appelen. Sneden wittebrood worden in melk

met een paar eijeren geklutst, geweekt, en in boter luchtig gebakken,

zoodat zij inwendig zacht blijven. Dan neemt men de pan van het vuur,

bestrijkt het brood met appelmoes, waarin krenten zijn gekookt,

en bedekt dan alles met het deeg, dat in No. 15 opgegeven is. Men

bestrooit den koek vóór het omkeeren met beschuit en laat hem op

beide zijden knapperig bakken.

18. Pruimenkoek. Men maakt een beslag volgens No. 10 of 14, en doet

1/3 daarvan in de met boter gewarmde pan, waarop men de pruimen,

zonder steenen, opengespleten naast elkander legt en dan bedekt met

het overige beslag.--Als het meel wat opgedroogd is, dekt men de pan

toe, tot men de koek moet omkeeren. Hij wordt met suiker en kaneel

bestrooid en warm op tafel gebragt. Even zoo kan men koeken met kersen,

morellen of boschbessen bakken.

19. Soufflets. 2 lepels bloem roert men in 4 1/2 m. melk, en klopt het

goed met 4 eijerdoijers, wat citroenschil en zout; dan wordt er 1 o., 2

1/2 lood gestampte bitterkoekjes en het geklopte eiwit bijgevoegd. Men

bakt dit deeg met boter op eene zijde langzaam, volgens No. 6, belegt

het dan hier en daar met een stukje vruchtengelei, slaat het dubbeld

en bestrooit het met suiker.

20. Anijskoek. 6 1/2 lood geraspt wittebrood, evenveel gestooten

beschuit, 1 opgehoopten lepel bloem, 1 lepel anijszaad, wat zout en 3

eijerdoijers beslaat men met 4 1/2 m. melk, en roert het afzonderlijk

geklopte wit er door. Men bakt hiervan in rijkelijk boter en reuzel

een koek, op beide zijden bruin en bestrooit dien met suiker.

21. Rijstpannekoeken. 2 1/2 o. gebroeide rijst kookt men met een stukje

boter, wat zout, kaneel en citroenschil en 1 o., 2 1/2 l. rozijnen,

die er iets later worden bijgevoegd, in melk goed gaar, maar dik. Als

zij wat bekoeld is, roert men er 2 of 3 lepels suiker, wat gestooten

beschuit, 4 eijerdoijers en het geklopte wit door, en bakt daarvan

op zacht vuur een grooten of eenige kleine koeken. Als men in de pan

en, vóór het omkeeren, op den koek wat gestooten beschuit strooit,

krijgt het gebak een beter aanzien. Het wordt met suiker bestrooid

op tafel gebragt.

22. Gerezen pannekoeken. 5 o. gewarmd tarwemeel wordt beslagen met 7

m. warme melk, 6 1/2 l. gesmolten boter, 4 eijeren, ruim 3 l. gist

en wat zout. Dan zet men het een paar uur op eene warme plaats om

te rijzen en bakt er koeken van. Men kan er naar verkiezing stukjes

spek, komijnde kaas of rozijnen in leggen en doet dit, zoodra het

beslag in de pan is gedaan. Om de koeken luchtiger te hebben, neemt

men ook wel voor de helft gruttenmeel.--Verkiest men er koekjes van

te bakken om bij de koffij te presenteren, dan bakt men ze in een

kleine pan, en zeer lekker is het dan om er garnalen of een schijfje

koud kalfsgehakt in te leggen; ook appelen aan schijven gesneden,

krenten of rozijnen. Voor de drie laatstgenoemde soorten doet men 1

lepel suiker en wat kaneel of foelie in het beslag.

23. Pannekoeken van boekweitenmeel. Op ieder glad afgestreken kopje

meel neemt men datzelfde kopje vol warm water en een goeden lepel

melk, 8 w. gist en wat zout; men kan er ook krenten bijvoegen. Dit

beslaat men stevig en laat het rijzen.

24. Aardappelkoeken. 10 of 12 groote aardappelen worden raauw

geraspt, dan 1 uur onder koud water gezet en vervolgens in een doek

uitgewrongen. Daarna beslaat men het geraspte met 2 3/4 m. melk,

1 o., 2 1/2 l. wittebrood, dat benevens 3 beschuiten in de warme

melk is geweekt en fijngeroerd, 4 eijeren, 3 1/2 l. gist en wat

zout. Het beslag moet vooral niet te dun zijn en zoolang rijzen

tot de hoeveelheid verdubbeld is. Men bakt de koeken met boter en

reuzel. Het water waarin de geraspte aardappelen hebben gestaan, moet

men laten bezinken en zal dan zeer goed aardappelmeel onder in den

pot vinden.--Bij gebrek aan gist kan men deze koeken ook zonder dat

bestanddeel bakken, en dan is het recept als volgt: 1 kop geraspte

aardappelen, onder water gezet, maar niet uitgewrongen, slechts

uitgedropen op een vergiet en dan beslagen met 2 afgestreken lepels

meel, 6 eijeren en 3 lepels melk, benevens wat zout. Op welke wijze

men de koeken bakt, er moet, tot zij worden omgekeerd, een deksel op

de pan gelegd.

25. Wentelbeschuit. Men neemt 1 1/2 k. melk, roert daardoor 6 geklutste

eijeren, 3 lepels suiker en wat foelie of citroenschil; hierin weekt

men 18 keukenbeschuiten, waar de melk goed moet intrekken, zonder

dat zij echter breken en die dan in de koekepan met boter worden

gebakken.--Men legt slechts zooveel beschuiten te gelijk in de melk

als men in de pan tegelijk kan bakken. Zij kunnen met suiker worden

bestrooid of ook met roode of witte wijnsaus worden gediend.

26. Arme ridders. Hiervoor neemt men sneden wittebrood, zonder korst,

aan reepjes gesneden, geweekt als de beschuiten volgens No. 25; dan

in geklutste eijeren gedoopt, in de pan met boter gebakken, bij het

opdoen overgoten met een glas rhijnwijn en met suiker bestrooid.

27. Karthuizer bollen. Dit zijn zeer kleine kadetjes, waar men de korst

afraspt, die men dan weekt volgens No. 25, met gestooten beschuit

bestrooit en in ruim boter bakt. Men presenteert er gelei bij, en

geeft ze met wijn of vruchtenmoes.

Keukenboek · 第 28 / 64 题