G. VISCH EN SCHELPDIEREN.

1. Algemeene regelen. Alle ongezouten visch moet zoo versch mogelijk

worden gegeten, en het is het best als zij op het strand terstond

gedood en gekorven is. Versche visch kan men daaraan kennen, dat de

oogen en de schubben glanzig, en de kieuwen helder rood zijn.--Wanneer

men visschen eenige uren bewaren wil, moet men de kieuwen er uit nemen,

en ze dan in een natten doek, op eene koude plaats, maar volstrekt

niet in het water leggen.--Vóór het gebruik moet de visch goed

worden geschrapt, en de ingewanden er uitgenomen, waarbij men zeer

voorzigtig de gal van de lever moet snijden, zonder dat zij breekt,

want de bittere smaak die daardoor ontstaat, is zelfs met wasschen

niet weg te nemen. Dan worden de visschen zoolang van binnen en van

buiten gewasschen tot het water er helder afkomt, en vervolgens,

als het noodig is, in stukken gesneden.--Als men groote visschen in

hun geheel op tafel wil brengen, moet men ze in den vischketel op

een blikken plaat leggen, waaraan hengsels zijn, om er die te kunnen

uitligten, en zoo de gekookte visch op den schotel te schuiven.--Het

water wordt eerst gekookt, dan gezouten, en vervolgens doet men de

visschen er in, die vlug koken moeten en wel goed gaar, maar toch niet

week mogen worden; men kan de proef nemen met aan de vinnen te trekken,

en als die gemakkelijk loslaten, zijn de visschen gaar; men laat ze

nog eenige minuten, afgenomen, in het water staan, opdat zij des te

beter het zout opnemen. De maat van zout kan men bepalen door met

den vingertop even in het water te voelen: als men zich niet brandt,

dan is er zout genoeg in.--Alle visch, die men niet met het water

op tafel brengt, moet worden opgedaan op een diepen schotel, waarin

een legger met gaten ligt, zoodat zij droog uitlekken kan.--Visch die

koud met olie en azijn gegeten wordt, late men niet in het water koud

worden, maar men neemt ze er uit, tot het nat bekoeld is: dan kan

men ze er weder inleggen en op eene koude plaats zetten tot men ze

gebruikt.--Het bakken van visch moet in eene open pan vlug gebeuren,

en men discht ze warm op.--In de volgende maanden zijn de verschillende

vischsoorten het best: zalm en aal, van Junij tot Augustus; karper, van

September tot April; snoek van Februarij tot April; tongen en tarbot,

gedurende de zomermaanden; schelvisch, van September tot Januarij;

kabeljaauw, van Februarij tot Mei; schol, van April tot Junij; rog,

in Julij en Augustus; paling, van April tot October; baars en bot,

van Mei tot September; elft in Maart en April.

2. Gekookte zalm. De goed gewasschen mooten worden eenvoudig in water

met zout gekookt, of men kookt terstond in het water het volgende mede:

een scheut azijn, wat heele peper, nagelen, een paar laurierbladen

en citroenschil, en, des verkiezende, een weinig rozemarijn. De visch

wordt er in gelegd, geschuimd en gedurende 5 minuten gekookt. Wil men

haar warm eten, dan laat men haar nog een kwartier in het water staan

en presenteert er gewelde boter en gehakte pieterselie bij.--Moet zij

koud worden gebruikt, dan geeft men haar met olie, azijn en gehakte

pieterselie.--Voor zalm neemt men minder zout dan voor andere visschen.

3. Zalm met gele saus. De visch wordt gekookt, opgedaan, en dan

giet men er de volgende saus overheen: Ruim 2 m. witte wijn, half

zoo veel water, een goed stuk boter, 2 citroenschijven, wat foelie

en een theelepeltje vol aardappelmeel worden te zamen gekookt en dan

met eenige eijerdoijers gebonden; ook voegt men er kappers bij.

4. Gebraden zalm. Men laat boter smelten, en doet daarin fijn gehakte

pieterselie; chalotten, kappers en dragon, met wat peper en een weinig

citroensap. Dit zet men te vuur, en als het warm geworden is, legt men

de zalm er in, om er 2 uren, onder gestadig omkeeren, zonder braden

in te blijven liggen. Vervolgens maakt men boter in de koekepan warm

en braadt de visch daarin 10 minuten, terwijl men die aan alle zijden,

door middel van eene penneveêr, met de marinade bestrijkt.--Voor saus

neemt men de overige marinade met een paar glazen witten wijn, eenige

lepels bouillon en wat citroensap, opgekookt en met een eijerdoijer

gebonden.

5. Gemarineerde zalm. Dunne mooten zalm, ter dikte van een duim, legt

men een uur in het zout. Dan worden zij afgedroogd, met Genua-olie

bestreken en, het best op een rooster, vlug gaar gebraden. Men legt ze

daarna in een aarden pot, en giet er de volgende saus, die eerst koud

moet worden, overheen: 1 k. azijn, 1 1/2 l. zout, 2 citroenschijven,

2 laurierbladen, dragon en een weinig witte peper.--Men bindt den

pot goed digt en kan de visch zoo bewaren.

6. Gekookte paling. Men giet wat azijn over de aan mooten gesneden

paling, en legt ze dan in kokend water, waarin men een scheut azijn,

wat zout, laurierbladen, citroenschijven, chalotten, heele peper,

nagelen en een klein stukje boter heeft gedaan. Na verloop van

hoogstens een kwartier neemt men ze er uit en geeft ze warm op tafel,

met boter en mosterd of met eene saus van mierikswortel (zie de

sausen). De maat van zout is als voor zalm. Men kan de paling ook

koud gebruiken, maar dan neemt men, om ze te koken, half water en

half azijn; overigens dezelfde kruiderijen. De schotel wordt dan

versierd met hardgekookte eijeren, augurken, bieten en citroen,

alles aan schijfjes gesneden, benevens kappers en pieterselie. Er

wordt remouladesaus (zie de sausen) bij gepresenteerd, of olie,

azijn en mosterd.

7. Gestoofde paling. De mooten worden een uur, met zout bestrooid,

weggezet, dan afgespoeld en in een schotel gelegd, met eenige kopjes

bouillon, eenige citroenschijfjes, wat gestooten foelie en beschuit;

vervolgens toegedekt, en een uur lang, zacht gaar gesmoord.

8. Gebakken paling. Men laat de mooten een nacht, met zout bestrooid,

staan, zet ze uit te druipen en wentelt ze in gestampte beschuit,

waarna men ze met boter in de koekepan bakt.

9. Opgerolde paling. Men snijdt de mooten niet te klein, neemt er de

graat uit, legt ze open en strooit er wat zout op. Dan maakt men een

vulsel van 4 of 5 hardgekookte eijeren, pieterselie, chalotten, thym en

mariolein (alles gehakt), notemuskaat en zout. Dit goed dooreengeroerd

zijnde, besmeert men de binnenzijde van de moot daarmede, rolt haar op,

en bindt er een draad omheen.--Men smelt boter in eene braadpan, zet de

rollen daar regtop in, en braadt ze aan alle kanten lichtbruin. Wil men

ze koken, dan geschiedt dit alleen in gezouten water, en men bindt de

mooten in een doek. Men kan dit geregt, naar verkiezing, warm of koud

op tafel geven; in het laatste geval snijdt men de mooten aan schijven,

en dient ze met remouladesaus of sauce à la diable (zie de sausen).

10. Paling in saus. De mooten worden eenige uren in zout gezet en weder

afgespoeld. Voor 2. p. paling neemt men 1 lepel meel, dat men fruit

in 6 1/2 l. boter; hierbij voegt men bouillon, citroenschijven zonder

schil, 1 laurierblad en wat madera of witten wijn. Hierin kookt men den

paling gaar, doet ze op een gewarmden schotel, en roert dan morieljes,

kappers of champignons door de saus, die men met eijerdoijers bindt en

over de visch giet. Men legt een rand van feuilletédeeg op den schotel.

11. Gemarineerde paling. Men snijdt den paling aan mooten, wascht

ze goed, en zet ze gedurende een nacht, met zout bestrooid, in den

kelder. Den volgenden dag schikke men de mooten regtop en niet te

los, aan lagen, in een keulschen pot, tusschen de lagen legt men

spaansche peper, zonder de pitten; peperkorrels, laurierbladen,

foelie en dragon. Men vulle den pot met kouden azijn, en late hem,

au bain marie, koken tot de paling gaar is; men zette er onder het

koken een passend schoteltje op en make den pot later, als hij koud

is, met eene blaas digt.

12. Blaauwe karper. Alle visschen die men blaauw wil koken, mogen

niet worden geschrapt, maar slechts uitgehaald, wat men voorzigtig

moet doen en ze daarbij zoo weinig mogelijk aanraken, opdat de

lijmigheid van de schubben, waardoor de blaauwe kleur ontstaat,

er niet afgewreven worde. Men doet best den visch op een natgemaakt

hakbord te leggen, terwijl men hem schoonmaakt en snijdt. De karper

wordt opengespleten en elke helft in 3 stukken gesneden; men spoelt

ze af, legt ze op een vlakken schotel, giet er heeten azijn over,

en laat ze toegedekt, zonder er aan te komen, een halfuur liggen;

dan worden zij blaauw. Men hangt water over, met zout, een uije,

eenige laurierbladen, peperkorrels en nagelen; werpt, als het hard

kookt, den visch met den azijn er in, en laat dien er 6 minuten,

goed toegedekt, in blijven. Dan neemt men den ketel af, al kookt de

visch ook niet, en geeft ze warm op tafel, met boter en pieterselie

of met mierikswortel.--Voor karpers is veel zout noodig.

13. Karper met wijnsaus. De visch wordt geschrapt, uitgehaald, gesneden

en gewasschen; men vangt het bloed op in een weinig azijn. Daarna legt

men de stukken in eene kasserol met zout, gesneden uije, grofgestooten

peper en nagelen, citroenschijven en een enkel laurierblad aan

stukjes geplukt, terwijl men er wat dun wit bier of water bijgiet,

benevens zooveel rooden wijn, dat de visch bedekt is. Men neemt er

zooveel mogelijk het schuim af, voegt er een goed stuk boter en een

weinig gestooten beschuit bij en laat alles zacht koken. Even vóór het

opdoen, roert men het bloed en, desverkiezende, een weinigje suiker

door de saus; men legt den visch op een schotel en giet de saus door

eene zeef er over.

14. Gemarineerde karper. De visch wordt gereinigd, in stukken gesneden

en met zout ingewreven, waarmede men hem eenigen tijd laat staan,

waarna hij met Genuaolie bestreken en op den rooster langzaam gaar

gebraden wordt. Daarna laat men hem koud worden, kookt azijn met

citroenschil, chalotten, heele peper, nagelen, foelie, wat zout en

eenige laurierbladen, en giet de saus, als die ook koud is, er over.

15. Gekookte baars. Bij het uithalen van de baars laat men de lever

en de hom er in blijven. Men kookt de visch omstreeks 10 minuten in

gezouten water, met bosjes pieterselie en eenige pieterseliewortels

erbij. De visch komt op tafel in een diepen schotel, met het water

waarin hij gekookt is en met de pieterselie en wortels er tusschen. Men

presenteert er dunne boterhammetjes met zoet roggebrood bij.

16. Blaauwe snoek. Men bindt de uitgehaalde visschen met den staart aan

den kop, zonder ze veel aan te raken, maakt ze blaauw volgens No. 12,

en kookt ze iets langer dan karper. Men doet ze op met pieterselie op

den rand van den schotel, en geeft er saus van mierikswortel bij. De

lever wordt er bij gekookt.

17. Snoek op saksische manier. De visch wordt geschrapt, schoongemaakt,

in stukken gesneden, in gezouten water gaargekookt en gediend met wit

en geel van harde eijeren, benevens gehakte pieterselie, die netjes

op een schaaltje worden geschikt, en met gebruinde boter.

18. Gestoofde snoek wordt in orde gebragt volgens No. 17, dan 5

minuten gekookt en in een schotel gelegd met de volgende saus erover,

om 1/4 uur zacht te stoven: kappers met witten wijn, wat vischwater,

citroensap en schil, een goed stuk boter en een weinig geraspt

wittebrood, te zamen gekookt, vóór dat het over den visch wordt

gegoten. Vóór het opdoen, wordt de saus met een eijerdoijer gebonden.

19. Gelardeerde snoek. Men neemt hiervoor een grooten snoek, reinigt

hem en trekt het vel er af; dan lardeert men den rug, strooit er wat

zout over en bakt hem in rijkelijk boter, onder gestadig bedruipen,

gedurende 1 1/2 uur in den oven. Vervolgens strooit men wat geraspt en

gezeefd brood over den visch, voegt er gaandeweg 2 kopjes melk bij,

en giet er, even vóór het opdoen, wat gebruinde boter over. De saus

wordt, even als jus, met wat water door elkaâr geroerd.

20. Snoek met eijersaus. De snoek wordt rond gebonden en met half

azijn, half koud water, wat uijen, pieterseliewortel, 2 laurierbladen,

heele peper en het noodige zout, in eene niet te groote pan op het

vuur gezet en gekookt. Gaar zijnde, wordt hij op een gewarmden

schotel gelegd, met de volgende saus er over: 10 eijerdoijers,

geklutst met ruim 6 m. goeden bouillon, en dooreengeroerd met een

lepel meel die in gesmolten boter is fijn gemaakt; dit alles roert

men tot het kookt, voegt er dan champignons volgens A, No. 12 bij,

benevens wat citroensap.

21. Gefarceerde snoek. Anderhalf p. visch, half snoek, half paling,

wordt gaar gekookt. Men zoekt er goed de graten uit, hakt de visch

fijn en roert ze dooreen met 6 gestooten beschuiten, 2 eijerdoijers,

1 1/2 kommetje gesmolten boter en, naar verkiezing, wat gehakte uije

of het sap van een halven citroen. Vervolgens laat men het 1 1/2 uur

stoven en geeft er kapper- of citroensaus bij.

22. Aal wordt aan vingerlange mooten gesneden; deze mooten regtop in

een schoteltje gezet en gestoofd met boter, citroensap en gestooten

beschuit.

23. Lamprei marineert men als karper (zie No. 14). Op andere wijze

wordt zij zelden gebruikt.

24. Elft kookt men in gezouten water en eet ze met pieterseliesaus;

men kan ze marineren als paling (zie No. 11).

25. Garnalen moeten levend met koud water en zout worden overgehangen

en gaarkoken; dan roert men er in met een gloeijenden pook om ze rood

te maken.

26. Tong moet fijn gekorven worden, in water met zout gekookt en met

pieterselie- of eijersaus gegeten.

27. Schelvisch moet fijn gekorven en rond gebonden worden, in water met

zout gekookt; men geeft er mosterdsaus bij. De lever wordt afzonderlijk

in eene sauskom met vischwater opgedaan en gepresenteerd op sneedjes

geroosterd brood gesmeerd, met boter, mosterd, peper en zout er over.

28. Tarbot wordt aan mooten van een paar vingers dik gesneden; voorts

gekookt en gebruikt als schelvisch.

Keukenboek · 第 22 / 64 题