5. Herten- of rheebout wordt als ribstuk behandeld.

6. Haas braden. Om een haas te braden, moet men eene daarvoor

opzettelijk vervaardigde pan hebben, waarin het wild regtuit,

op den buik, met de achterbouten aan weêrszijden uitgespreid, kan

liggen. Bezit men zulk eene hazenpan niet, dan zet men den haas,

nadat hij goed afgehaald en, volgens A, No. 7, gelardeerd is, op een

gewonen braadschotel in den oven. Men strooit er wat zout over, voegt

er boter bij, en braadt hem, gedurende twee uren, gestadig druipende,

in een matig warmen oven, en met niet te veel vuur er onder. Gaandeweg

worden er een paar kopjes melk bij gegoten.--Het bloed maakt den jus

zeer gebonden.

7. Hazenpeper. Hetgeen men van een gebraden haas heeft overgehouden,

wordt aan stukken gesneden en dan gestoofd, met bijvoeging van het

volgende: al den jus dien men van den haas heeft, een lepel azijn,

een goed stuk boter, eenige vooraf gefruite uijen, zout, peper, een

paar nagelen en een spijslepel suiker; even vóór het opdoen giet men

er een glas rooden wijn bij.

Ingeval men verkiest om van een geheelen haas terstond hazenpeper te

maken, moet hij natuurlijk vooraf worden gebraden.

8. Ragout van konijnen. Het wild wordt goed afgehaald, vervolgens in

stukken gesneden en zoo eenige dagen gemarineerd, zie D, No. 6. Dan

wordt het in water met zout afgekookt, geschuimd en daarna te stoven

gezet, met zooveel van de marinade als noodig is, en eene goede

hoeveelheid gefruite uije. De saus moet een half uur voor het opdoen

met wat gebrand meel worden gebonden, en men voegt er dan een weinigje

suiker bij.

9. Kikkerboutjes. Als men ze braden wil, laat men ze een goed kwartier

in het zout staan, wascht ze dan met koud water af, doopt ze in

geklutste eijeren met notemuskaat, wentelt ze in gestooten beschuit

en braadt ze in boter licht bruin, zoodat zij zacht blijven.--Om

er ragout van te maken handele men als volgt: De boutjes worden met

water, azijn en zout in een bak gelegd en met een bezem goed geslagen,

daarna afgewasschen. Vervolgens zet men ze in gesmolten boter op,

met wat chalotten en zout; men dekt den pot toe en laat ze zoo bijna

gaar smoren. Dan wordt er een weinig meel over gestrooid, bouillon,

foelie en eenige citroenschijven er bijgevoegd, en de saus bij het

opdoen met eenige eijerdoijers gebonden.

10. Kalkoen. Als de kalkoen volgens A, No. 6 is opgemaakt, wordt hij

gelardeerd en, desverkiezende, wordt de borst gevuld met de hieronder

volgende farci. Dit geschied zijnde, strooit men er wat zout over,

legt dunne schijfjes spek op de borst, en zet hem met water en een

stuk boter, goed toegedekt, op het vuur, om, in kort nat, gedurende

een paar uren, niet te sterk, maar onafgebroken te koken, tot het

vleesch bijna zacht is geworden. Dan giet men den bouillon er af,

legt een goed stuk boter in de pan, wakkert het vuur wat aan, en

laat den kalkoen zoo verder gaar worden; de kleur mag echter niet

te bruin zijn. Men voegt er zachtjes aan den bouillon weder bij,

en verzuime vooral het bedruipen niet. Bij het opdoen roert men

een paar eijerlepels meel in de pan en maakt het aanzetsel met koud

water los; ook kan men er een spijslepel melk doorroeren. Men legt

citroenschijfjes op den rand van den schotel.

Voor het vullen van de borst gebruikt men de volgende farci: 8 l.,

3 w. gesmolten boter, 3 eijerdoijers, wat foelie en zout, een kopje

geraspte amandelen, 2 kopjes geraspt oudbakken wittebrood, goed week

geroerd in melk, en het geklopte eiwit er luchtig doorgemengd. Als

men geene amandelen neemt, kan men er wat gehakte pieterselie en

citroensap bijvoegen.--Voor een groot aantal gasten vult men doorgaans

den geheelen kalkoen en dan wel met vleeschfarci. Daardoor hakt men

3 o., 7 l. mager kalfsvleesch en even zoo veel goed doorregeld spek

te zamen fijn; men mengt dit met een half kopje gesmolten boter,

3 eijeren (van twee houdt men het wit af, dat tot schuim geslagen,

er het allerlaatst wordt doorgeroerd), 2 ons wittebrood dat een

dag in water is geweekt en zoo droog mogelijk wordt uitgedrukt,

1 1/2 l. morieljes, geprepareerd volgens A, No. 10 en fijngesneden,

4 zwezerikken, volgens A, No. 13, ook aan kleine stukjes gesneden,

zout, notemuskaat en gehakte pieterselie; naar verkiezing kan men

er ansjovis volgens A, No. 15 bijvoegen. Behalve op de hierboven

omschreven wijze van braden, kan men een kalkoen ook à la braise

(zie A, No. 36) gereed maken.

11. Kalkoen in fricasséesaus. Men maakt den vogel in orde volgens

A, No. 6. Dan zet men hem met een stuk boter en eenige chalotten

te vuur en laat hem toegedekt, langzaam eenigzins kleuren; giet er

vervolgens wat kokende bouillon of water bij, en doet wat geraspte

citroenschil, foelie en dragon in de pan, waarbij men een half uur

later eene goede hoeveelheid champignons volgens A, No. 12 voegt, om

hem zóó, goed gedekt, gaar te smoren. Intusschen maakt men de saus

gereed van krachtigen bouillon, waarin men bloemkool en aspergies,

benevens een zwezerik, gaar, maar vooral niet stuk, kookt. De saus

is in een half uur klaar; men roert er dan de jus van den kalkoen,

waarvan men zooveel mogelijk het vet afschept, door, bindt haar met

2 eijerdoijers, en legt er eenige citroenschijfjes zonder pitten

in. Men legt bij het opdoen brood-, vleesch- of schuimballetjes op

den schotel, en, met sneden van taartenkorstdeeg er bij gepresenteerd,

kan dit geregt in plaats van eene pastei worden gegeven.

12. Kapoenen worden als kalkoenen behandeld; wanneer men ze à la braise

gereed maakt, geeft men ze met oester-, kapper- of champignonsaus

(zie de sausen).

13. Kip met rijst. Men brengt eene kip in orde als voor soep (zie B,

No. 10), doch zet die met wat minder water te vuur, schuimt haar goed

af, voegt er dan een stuk boter en wat foelie bij, en braadt haar

licht bruin. Intusschen heeft men rijst in water droog gaar gekookt

en, als de kip gaar is, en uit de pan genomen, wordt de rijst nog

een oogenblik in den jus opgekookt; zij moet niet stijf zijn, en

men dient dus te zorgen voor eene goede hoeveelheid jus. Men legt,

bij het opdoen, de kip, met de rijst er omheen, op denzelfden schotel.

14. Jonge kuikens worden volgens A, No. 6 opgemaakt, gelardeerd, met

een weinig zout bestrooid en, met goed wat boter, digt naast elkander,

in eene stevig sluitende pan gezet, om anderhalf uur, onder gedurig

omkeeren en bedruipen, in het begin op een zwak vuur, te braden, tot

zij zacht en licht bruin zijn geworden; dan neemt men het deksel van de

pan af. Gedurende het laatste kwartier giet men er telkens een weinig

melk bij en roert den jus bij het opdoen met wat koud water dooreen.

15. Gebakken jonge hanen. Als de vogels goed zijn schoongemaakt, worden

zij, over de lengte, in de helft doorgesneden en zacht gebraden. Dan

neemt men ze uit de pan, fruit meel in de overgebleven boter, voegt

er wat krachtigen bouillon, gehakte champignons, foelie en citroensap

bij, en kookt dit tot eene dikke saus die men met eenige eijerdoijers

bindt. Hiermede vult men de holte van de vogels, zet ze daarna op

een schotel in den oven en bakt ze een kwartier.

16. Jonge duiven worden gevuld met de in No. 10 het eerst opgegeven

farci, maar zonder amandelen en gebraden als kuikens.

17. Fijne fricassée van kuikens, duiven of kapoenen. De kuikens worden

in vierdeparten, de duiven over de lengte in de helft gesneden en de

kapoenen blijven in hun geheel; men zet ze met boter en zout op een

zacht vuur en dekt ze goed toe. Men keert ze na een poosje om, en als

ze een half uur gestaan hebben, voegt men er kokenden bouillon bij,

benevens citroenschijven, foelie en een weinig gestooten beschuit,

waarmede men ze langzaam laat stoven. Gedurende het laatste kwartier

wordt het volgende er bij gedaan: morieljes, volgens A, No. 10,

zwezerik, volgens A, No. 13 geprepareerd, aspersiekoppen, saucijzen,

in gezouten water of bouillon gaar gekookte balletjes, en bij het

opdoen oesters, die niet mogen medekoken, daar zij hierdoor hard

zouden worden. De saus wordt met eenige eijerdoijers gebonden, en

dit geregt kan, met sneden taartenkorstdeeg, eene pastei vervangen.

18. Fricassée in rijst, als pastei. Men kookt een pond gebroeide rijst,

in melk en wat zout, zeer stijf, en doet die op, in een diepen schotel,

in den vorm van een pudding, maar met eene holte in het midden,

die men vult met kuikenfricassée volgens No. 17, zonder saus. Als

dit gedaan is, sluit men de opening met rijst, giet wat saus over

het geheel, en laat dit in den oven, tusschenbeide bedropen, licht

bruin worden. Bij de overige saus voegt men wat citroensap of wijn,

bindt ze met eijerdoijers en presenteert ze bij de pastei.

19. Bruine ragout van kuikens of duiven wordt gemaakt als ragout voor

ossentong (D, No. 17).

20. Hoenders à la daube. Lardeert het gevogelte met spek, dat in

foelie en zout is gewenteld; kookt het tegelijk met een kalfspoot in

2 derden water en 1 derde rhijnwijn, waarin wat heele peper, foelie,

eenige laurierbladen en schijfjes citroen worden gelegd; ook giet men

er een weinig azijn bij voor den smaak. Bedekt de borst van het hoen

met eenige schijven spek, laat het gaar koken, doet het in een vorm

en dient het koud. Op deze wijze kan men allerlei gevogelte bereiden.

21. Gebraden eenden. De eenden worden met zout ingewreven, met een

goede hoeveelheid boter op het vuur gezet en ongeveer 2 uren gebraden,

tot zij zacht en lichtbruin van kleur zijn; het bedruipen mag niet

worden verzuimd. De saus wordt gemaakt zoo als in No. 10 voor de

kalkoenen is opgegeven. Als men de eenden vullen wil, hakt men het

hart, de maag, en de lever fijn en vermengt dit haksel met een goed

stuk boter, 2 eijeren, 2 ons in water geweekt en goed uitgedrukt

wittebrood, notemuskaat en zout.--Volgens Engelsche manier vult men

ze met uije.

22. Eenden met rooden wijn. De eend wordt met boter en eenige

fijngesneden uijen licht bruin gebraden; dan giet men er wat

kokend water bij, benevens geraspte citroenschillen, nagelen,

cardamom en zout; later voegt men er wat gebrand meel en bruinen

bouillon bij, en tegen het opdoen een groot glas rooden wijn en

eenige citroenschijven. Om het geregt nog fijner te maken, kan men

er truffels in koken.

23. Eenden op fransche manier. De lever wordt met een stukje spek

en wat chalotten fijngehakt, een in water geweekt en goed uitgedrukt

stukje wittebrood, 2 eijeren, wat zout en notemuskaat er bijgevoegd

en dit alles goed dooreengeroerd. Met deze farci vult men de eend

en naait de opening digt. Vervolgens legt men boter of spek in de

pot, daarop een handvol pieterselie, 3 of 4 geheele uijen en eenige

schorseneren of gele wortelen. Hierop laat men de eend gaar braden,

roert dan wat gebrand meel, wat water en een weinig azijn in de saus,

voegt er naar verkiezing ook een stukje suiker bij, en laat alles te

zamen nog eenige minuten smoren.

24. Gesmoorde eenden in bruine saus. Voor eene eend neemt men 5

m. water, een stuk boter ter grootte van een ei, 6 chalotten en het

noodige zout, waarin men den vogel, goed toegedekt, langzaam gaar

laat smoren. Dan roert men een spijslepel gefruit meel, een glas

rooden wijn, 6 gestooten nagelen en een weinig suiker door de saus,

en laat alles nog een oogenblik op het vuur staan.

25. Salmis des Bernardins. Eendvogels worden gebraden en warm aan

stukken gesneden. Dan legt men ze in een schotel met den jus, benevens

het sap van een citroen; de geraspte schil, 2 lepels rooden wijn,

1 lepel Genuaolie, wat peper, zout en notemuskaat. Zet het zoo in

den oven, die niet te warm mag zijn, of legt er een papier over en

doet er wat vuur onder; het moet tusschenbeiden omgeroerd worden en

langzaam een uur stoven.

26. Gebraden gans. Als men de gans volgens A, No. 6 in orde heeft

gebragt, vult men haar met in vierdeparten gesneden appelen,

waardoor men wat krenten of rozijnen roert; ook wordt zij somtijds

gevuld met gekookte kastanjes (zie A, No. 14). Men naait daarop de

opening digt en laat de gans in de braadpan met water en zout, goed

toegedekt, bijna gaar worden; dan braadt men haar verder in de opene

pan, bedruipt haar dikwijls en vult de jus van tijd tot tijd met wat

kokend water aan. Bij het opdoen trekt men de draden er uit en maakt

de saus zooals bij den kalkoen in No. 10 is gezegd.

27. Ganzenragout. Men kan op verschillende wijze ganzenragout gereed

maken, maar in elk geval wordt de vogel in stukken gesneden, met water

en zout te vuur gezet en goed geschuimd. Vervolgens kan men in de

eerste plaats handelen alsof men hazenpeper maakte (zie No. 7.) Men

kan ook op de volgende manier te werk gaan: Als het vleesch, met

bijvoeging van een stukje spek, in kort nat is gaar gekookt, neemt

men het er uit, giet het nat door eene zeef, en kookt er dan aan

vierdeparten gesneden peren, met gestooten nagelen, peper en wat

suiker in, terwijl men het met azijn vermengde ganzenbloed gebruikt

om de saus te verdikken. Als de peren eenige malen goed omgeschud

en gaar zijn, doet men ze op denzelfden schotel als het vleesch op,

met brood balletjes er omheen gelegd.--Indien men van eene gans

witte ragout wil maken, gebruikt men daarin eenige gesneden uijen,

een paar laurierbladen, citroenschijven en peper; in plaats van het

bloed, neemt men dan wat licht gefruit meel om de saus te verdikken,

en bindt die ten slotte met het doijer van een ei en wat notemuskaat.

28. Faisanten en patrijzen worden volgens A, No. 6 opgemaakt,

gelardeerd of met sneden spek belegd, met wat zout bestrooid,

en onder gestadig bedruipen; gedurende anderhalf uur, in den oven

gebraden. Tusschenbeiden giet men er wat melk bij.

29. Omwonden patrijzen. Als de patrijzen gelardeerd zijn, strooit

men er een weinig zout over, legt nog eene snede spek op de borst

en bindt er twee wijngaardbladeren omheen. Dan worden de vogels in

kokende boter gelegd, waarin zij goed toegedekt, niet te sterk moeten

braden, terwijl men er langzamerhand wat water bij giet. Na verloop

van anderhalf uur voegt men er, bij een spijslepel te gelijk, melk

bij en ook nog wat boter benevens eenig doorgezeefd broodkruim, dat in

boter is gebruind. Het spek en de bladeren, die er worden afgenomen,

dient men met, of bij de vogels voor.

30. Koude patrijzen met saus. De koude patrijzen worden in vieren

gesneden; netjes op een schotel geschikt en de volgende saus er over

gegoten: 3 of 4 lepels Genuaolie, 3 lepels gelei van kalfspooten, 2

lepels dragonazijn, zeer fijn gehakte chalotten en dragon wat peper

en zout, worden te zamengeroerd, tot het eene dikke, gelijke saus

is geworden.

31. Hout- en watersnippen. Zij worden volgens A, No. 6 opgemaakt, dan

gelardeerd of met schijfjes spek bedekt, met koude boter opgezet en

vervolgens, toegedekt, anderhalf uur gebraden. Te gelijk roostert men

dunne sneedjes wittebrood, en legt in de braadpan een daarvan onder

iedere snip. Ook neemt men wel eens de ingewanden uit den vogel, hakt

die met wat boter fijn en smeert ze met geroosterde sneedjes brood,

die men afzonderlijk in den oven laat braden, om ze bij het opdoen

onder de snippen te leggen.

32. Lijsters. Men maakt de lijsters op volgens A, No. 6, en, als zij

goed gewasschen zijn, legt men ze digt naast elkander in eene braadpan;

men rekent voor 12 stuks 2 ons boter, giet daarbij een kopje water,

strooit wat zout over de vogels, en braadt ze, toegedekt, gaar en

bruin; zij moeten éénmaal worden omgekeerd.

33. Leeuwerikken. Veelal maakt men ze gereed als lijsters; men kan er

echter ook gekneusde jeneverbessen bijvoegen en ze opdoen met geraspt

wittebrood, in boter gebruind.

34. Vinken worden met wat zout, boter, een weinig water en gekneusde

jeneverbessen, onder vlijtig bedruipen, goed toegedekt, langzaam

gebraden.

35. Salmis van snippen, patrijzen en lijsters. Men legt eenige sneden

raauwe ham in een pot, het wild daarop en voegt er bij: eenige gele

wortelen, eenige gesneden chalotten of uijen, citroenschijven en boter,

waarmede men de vogels, goed toegedekt, kleuren laat; vervolgens

giet men er den bouillon bij en laat ze gaar braden. Dan snijdt men

ze in nette kleine stukken, en wat men niet goed snijden kan, stampt

men met de lever, het hart en de ham in een vijzel, om het daarna,

met den jus, door eene zeef te wrijven. Bij deze saus voegt men nog

eenige gehakte chalotten, benevens wat peper, en laat het vleesch er

nog even in stoven.

Keukenboek · 第 20 / 64 题