E. WILDBRAAD EN GEVOGELTE.

1. Over wildbraad in het algemeen. Wildbraad moet, zoo als reeds

in D, No. 1 gezegd is, slechts luchtig afgewasschen en, bloedige,

aangeschoten stukken uitgezonderd, niet in het water worden gezet. De

huid moet er goed worden afgehaald; daarna moet het volgens A, No. 7

gelardeerd en op een matig vuur, met ruim boter en spek, worden

gebraden. Wanneer men er gaande weg melk bijgiet, maakt dit èn het

gebraad, èn de saus bijzonder lekker. Van alle wildsoorten is de kop

het minste gedeelte en met den hals geschikt voor ragout; de tong is

echter zeer goed om afzonderlijk gereed te maken, daarop volgen de

borst, de schouders en de bouten; de rug is het fijnste stuk om te

braden. Een haas blijft des winters, in het vel, in de lucht hangend,

8 dagen zeer goed en, des verkiezende, kan men hem daarna, afgehaald,

nog een paar dagen in azijn bewaren. Het vleesch van rheeën en herten

kan men op de volgende manier nog langer goed houden. Men bestrooit

de stukken met zout, maakt er met een puntig mes schuine steken in,

en steekt daarin stukjes spek, die in zout en gestooten nagelen zijn

gewenteld, benevens chalotten. Hierop laat men het vleesch in eene

braadpan spoedig aan alle kanten toeschroeijen. Als het geheel koud

is geworden, pakt men de stukken vast naast elkander in een vaatje,

met eenige uijen, wat heele peper, versche jeneverbessen en een, aan

schijven gesneden, citroen. Men bedekt het geheel met gekookten en

koud geworden bierazijn, en giet er een paar vingers dik, gesmolten

vet over. Als men er een stuk uit gebruikt, moet het vat weder worden

toegesmolten. In deze marinade blijft het zeer lang goed en wordt

het lekker van smaak.

2. Gemarineerd wildbraad gesmoord. Men legt het stuk in een pot met wat

van de marinade en kruiden waarin het, volgens No. 1, gelegen heeft

en een stuk boter. Zoo laat men het, goed toegedekt, gaar smoren,

en roert, even vóór het opdoen, wat melk en gebruind meel in de saus.

3. Ragout van herten- of rheevleesch. Het vleesch wordt in stukken

gesneden, die men in spek en boter even kleuren laat; dan giet men

kokend water in den pot, doet er zout bij, dekt hem schielijk toe, en

schuimt het vleesch eenige minuten later af. Daarop voegt men er het

volgende bij: gebruind meel, geraspte citroenschil, peper, nagelen,

eenige laurierbladen, gesneden uijen, wat augurken en azijn. Even

vóór het opdoen giet men er een glas rooden wijn in, en verzacht de

scherpte van den azijn door een weinig suiker.

4. Ribstuk van een hert of eene rhee. Men kan het versch braden of

eenige dagen in marinade leggen; zie D, No. 6. Daaruit genomen wordt

het gelardeerd, nadat het vel er zuiver is afgehaald, en met spek en

boter, gedurende 2 of 2 1/2 uren, naarmate het groot is, onder gestadig

bedruipen, gebraden. In het eerste uur giet men er tusschenbeide een

kopje kokend water bij, maar later gebruikt men daarvoor melk. Bij

het opdoen roert men de jus met wat koud water dooreen.

Keukenboek · 第 19 / 64 题