76. Gepekeld varkensvleesch wordt behandeld als No. 33.

77. Varkensrolletjes. Goed doorwassen varkensvleesch wordt fijngehakt

en gemengd met zout, notemuskaat en citroenschil of gehakte chalotten,

eenige eijeren, wat geraspt brood en een weinig melk. Hiervan maakt men

rolletjes, die met gestooten beschuit bestrooid en in boter gebakken

worden. Men legt ze b. v. om den rand van een schotel kool.

78. Biefstuk van ham. Van eene raauwe ham snijdt men schijven ter

dikte van een vinger, legt ze gedurende een nacht in melk, en klopt

ze op beide kanten goed met de scherpe zijde van een niet al te zeer

geslepen mes. Daarop doopt men ze in geklutste eijeren met wat peper,

wentelt ze in geraspt brood of gestooten beschuit en braadt ze met

boter, in eene open pan, op een zeer zacht vuur, tot zij licht bruin

van kleur zijn. Men moet ze dikwijls omkeeren; maar op een levendig

vuur wordt deze soort van biefstuk hard en onaangenaam om te eten.

79. Papegaaitongen. Gekookt pekelvleesch wordt aan repen gesneden,

deze in geklutste eijeren met gestooten nagelen gedoopt, dan in meel

gewenteld en in boter gebraden.

80. Braadworst met appelen. Men snijdt 6 fijne zoete appelen in

achtsteparten, en laat ze, met suiker en kaneel bestrooid, eenige uren

staan; men zet tegelijk wat gewasschen krenten in eenig laauw water,

op eene warme plaat, om uit te dijen. Dan maakt men een goed stuk

boter in de pan warm; legt er 3 ons braadworst in, de appelen rondom,

en de krenten benevens een weinig geraspte citroenschil er bovenop;

zoo laat men het, toegedekt, langzaam braden. Als de stukjes appel

aan de onderzijde zacht zijn geworden, keert men die om en neemt ze,

naarmate zij gaar zijn, uit de pan, zonder dat zij breken. Als de

worst gaar is, giet men een glas rhijnwijn in de saus, doet het te

zamen op, en garneert den schotel met de appelen op den rand.

81. Metworst. Als het vleesch waarmede de worst is gestopt fijngehakt

is, legt men haar in de pan met gesmolten boter en braadt haar langzaam

gaar; zij moet slechts eenmaal worden omgekeerd. Is daarentegen het

vleesch aan dobbelsteentjes gesneden, dan zet men de worst met wat

water in eene gesloten pan gedurende een uur te koken, neemt daarop,

om het overgeblevene wat te laten verdampen, het deksel van de pan

af, legt er een stuk boter in, en laat zoo de worst op beide zijden

licht bruin braden, zonder dat zij hard wordt. Men kan ook ook een

stuk boter in de pan laten smelten, de worst daarin braden en er

vervolgens bier bij gieten, dat niet bitter mag zijn, om haar daarin

verder zacht te laten worden.

82. Om rookworst te koken. Zoolang de worst nog versch gerookt is,

zal het voldoende blijken te zijn, haar met warm water af te wasschen

eer men haar kookt; maar als zij reeds wat is uitgedroogd, moet men

haar twee dagen vóór het gebruik wasschen en op eene koude plaats

onder water laten staan.

Keukenboek · 第 18 / 64 题