D. VLEESCHGEREGTEN.

1. Algemeene regelen. Rund- en schapenvleesch moet, als men het

braden wil, niet te versch geslagt, maar eenige dagen oud zijn; het

is dan malscher. Kalfsvleesch kan minder lang goed blijven. Wil men

het vleesch echter voor soep of farci gebruiken, dan geeft men de

voorkeur aan zeer versch.--Het vleesch moet slechts luchtig worden

afgewasschen en mag volstrekt niet in water blijven staan, omdat er

dan te veel kracht uittrekt.--Alle vleeschsoorten, wild en gevogelte

natuurlijk uitgezonderd, winnen zeer aan malschheid en smakelijkheid,

als men ze onmiddellijk vóór het gebruik klopt. Ten dien einde droogt

men het vleesch na het wasschen af, legt het op een schoon hakbord

en slaat er met een dik, rond, glad klophout aan alle kanten zoo lang

en zoo hard op, tot het op het gevoel eenigzins week is; dit kloppen

moet echter altijd met overleg geschieden, zoodat het vleesch niet

uit het fatsoen raakt.--Gezouten en gerookt vleesch zet men best met

kokend water op; het wordt dan spoediger gaar, dan wanneer men koud

gebruikt, en de kracht blijft er beter in. Wat bij versch vleesch

voor soep moet worden in acht genomen, vindt men onder A, No. 1

vermeld.--De kooktijd hangt af van de zwaarte, die een stuk vleesch

heeft; bij gerookte ham rekent men een kwartier koken voor ieder pond

gewicht.--Gerookt vleesch moet den avond vóór het gebruik in koud

water worden gezet.--Hazen en gevogelte zijn het lekkerst als men ze

in een aarden pan braadt.--Alle gebraad moet gestadig worden bedropen

en mag niet langer te vuur staan dan tot het gaar worden noodig is;

te weinig gebraden is het vleesch zonder geur, en te veel gebraden

is het droog en onsmakelijk.--Moet men zich van ijzeren braadpannen

bedienen, dan is het zeer noodzakelijk om ze iederen keer na het

gebruik te laten uitschuren en ze op eene drooge plaats te bergen; ook

moet men ze telkens, vóór dat het vleesch er wordt ingedaan, met koud

water opzetten en ze, als het warm is, goed omwasschen en uitdroogen,

ten einde zeker te zijn dat het vleesch geen onaangenamen vetachtigen

smaak krijge, dien eene ijzeren pan er zeer ligt aan geeft.--Om den

jus lekker te maken, moet men, als het gebraad uit de pan genomen is,

den jus nog even over een levendig vuur hangen, een kopje water er

bij gieten en met een kleine garde, die men alléén dáárvoor gebruikt,

het aangezette gedeelte uit de pan losroeren; ook is het zeer aan te

bevelen om er dan ten slotte een kopje melk bij te voegen, waardoor

de jus zeer gebonden wordt.--De schotels moeten bij het opdoen worden

warm gemaakt.--Zoodra het vleesch van de tafel wordt genomen is het

zaak om het in eene vliegenkast te zetten, ten einde het voor bederf

te bewaren.

2. Ossenrib. Men kan een ossen-ribstuk naar verkiezing aan het spit,

in den oven, of in een ijzeren spit braden; er behoort een stuk van

den haas in te zijn gestoken. Het stuk wordt in elk geval behandeld

volgens No. 1, dan met zout bestrooid en, indien het aan het spit wordt

gestoken, onder gestadig bedruipen met gesmolten boter en niervet,

gedurende 2 of 3 uren, naarmate het stuk zwaar is, gebraden. In den

oven bereidt men het als volgt: Als het een groot stuk vleesch is,

laat men 5 ons niervet een nacht in water staan, snijdt het dan in

dobbelsteenen en smelt het in eene braadpan. Men legt het vleesch dan

ook in de pan, met een stuk boter en de helft van het gesmolten vet

er boven op; daarop zet men het onbedekt in den heetgestookten oven,

opdat het spoedig toeschroeije, en laat het daarna, onder gestadig

bedruipen, wat zachter braden, zonder het om te keeren; zoo dikwijls

als het noodig is, giet men er een kopje kokend water bij, altijd langs

de kanten van het vleesch. Het niervet maakt het gebraad bijzonder

sappig, en wint zooveel in smaak, dat men het later even goed als

boter in groente kan gebruiken.

Om het vleesch in een ijzeren pot te braden, smelt men eveneens

niervet, en legt er het stuk met een goeden steek boter in met wat vet

bovenop; men laat het aan alle kanten bruin worden en giet er een paar

kopjes kokend water bij, waarop men den pot stevig sluit en er zelfs

eenig gewicht op legt, zoodat de damp niet kan ontsnappen. Zoo laat

men het 2 à 3 uren zacht, maar onafgebroken braden, en keert het op de

helft van dien tijd om. Tusschenbeide moet het vleesch bedropen worden.

3. Rollade. Men neemt hiervoor een ribstuk, waar de beenderen zijn

uitgesneden. Het wordt ingewreven met zout, peper en gestooten

kruidnagelen, dan stijf opgerold en met nat gemaakt bindtouw

vastgebonden; voorts gebraden in den oven, of in een ijzeren pot

(zie No. 2). Boter behoeft er niet te worden bij gedaan.

4. Ossenhaas. Nadat de haas geklopt, van het vel en het vet ontdaan

en met twee rijen spek gelardeerd is, bestrooit men hem met zout

en gestooten kruidnagelen.--Daarop kan men hem rijkelijk met boter

besmeren en aan het spit steken, waar men hem, onder gestadig

bedruipen, gedurende een uur braadt en er, als hij bijna gaar is

een paar kopjes melk overgiet. Men kan den haas ook in den oven

gereed maken en hem daartoe, na dezelfde voorafgaande bereiding

als voor het spit, met boter in eene gesloten aarden pan zetten en,

hem goed bedruipende, ruim een uur niet te hard in den oven laten

braden. Tusschenbeide giet men er een half kopje melk of room bij,

en bij het opdoen roert men een weinig koud water door den jus. Men

legt somtijds den haas een nacht in azijn vóórdat men hem braadt.

5. Ossenhaas als biefstuk. Men klopt den haas, neemt het vet en

het vel er af, wrijft hem in met fijn zout en peper, en legt hem

in eene braadpan, waarin men eene goede hoeveelheid boter heeft

gesmolten. Daarin laat men hem, met de pan open, onder gestadig

bedruipen, op een levendig vuur 10 minuten braden, en doet hem op (de

schotel moet gewarmd zijn). De jus wordt met een weinig koud water

of een lepel melk dooreengeroerd. Wanneer men er champignons in wil

geven, moeten die eerst volgens A, No. 12 worden gereed gemaakt en

dan eenige oogenblikken in den jus smoren.

6. Gemarineerd rundvleesch. Op deze wijze braadt men zeer goed

vleesch dat men bij boterhammen wil presenteren, en waartoe men bij

voorkeur stukken zonder veel vet neemt, b. v. een zoogenaamde boeuf of

muis. Men kookt bierazijn, waarbij men, als hij al te scherp zuur is,

een weinig water giet, even op, met de volgende kruiden, berekend

voor een stuk van 3 p.: 4 middelmatig groote uijen, fijn gesneden,

4 laurierbladen en 8 kruidnagelen. Het wordt kokend op het gewasschen

vleesch gegoten, dat acht dagen in deze marinade blijft staan en

dagelijks wordt omgekeerd. Het moet ruim half onderliggen. Na verloop

van dien tijd neemt men het uit den azijn en lardeert het met spek,

dat in zout, peper en gestooten nagelen is gewenteld. Men maakt goed

vet en boter, bruin in een ijzeren pot, en legt het vleesch daarin,

tot het ook eene goede bruine kleur heeft gekregen; de pot moet

open blijven en het vleesch gedurig heen en weder worden geschoven

en omgekeerd. Dan giet men er kokend water bij, genoeg om het stuk

bijna ter helft te bedekken, en sluit den pot schielijk, opdat de

wasem niet verloren ga; men voegt er dan ook de marinade bij, en laat

het 2 1/2 uur, langzaam maar onafgebroken, smoren; in dien tijd moet

het eenmaal worden gekeerd, maar op het laatst telkens, voorzigtig,

zonder dat men er in prikt, van den bodem worden opgeligt. Is het

noodig, dan giet men er tusschenbeide nog eenig kokend water bij,

en een kopje melk geeft aan den jus een zeer aangenamen smaak. Als

het vleesch uit den pot is genomen, giet men den jus door eene zeef,

laat hem dan nog even weder aan de kook komen, en geeft dien bij of

over het gebraad.--Men kan, des verkiezende, onder het braden ook

een soepbord vol, vooraf gefruite, uijen met jeneverbessen en 2 1/2

ons fijngesneden spek in den pot doen, en ook in plaats van water

een soepbord vol melk gebruiken.

7. Saksisch gebraad. Voor 8 of 10 personen, wanneer men ook nog

ander vleesch op tafel geeft, neemt men 1 pond mager ossenvleesch,

benevens 5 ons goed doorregeld spek, en hakt dit zoo fijn mogelijk; men

vermengt het daarna met 3 geklopte eijeren, 1 1/2 ons gesmolten boter,

wat geraspt wittebrood, eene zeer fijn gehakte uije, notenmuskaat,

gestooten nagelen en zout. Dit alles goed dooreen gekneed zijnde,

geeft men het den vorm van een fricandeau en lardeert het met drie

regels spek, waarop men het in gefruite boter legt en een half uur

laat braden. Dan strooit men er nog wat geraspt wittebrood overheen,

giet er zachtjes aan twee kopjes melk over, en laat het nog een half

uur braden.

8. Gepekelde ossenrollade. Op een groot stuk vleesch, het best eene

lende, waar de beenen uitgenomen zijn, wegende 12 à 14 p. neemt men

5 ons grof zout, 1 1/2 ons bruine suiker, twee lood gestooten nagelen

en een spijslepel vol fijngewreven salpeter. Deze kruiderijen worden

goed door elkander vermengd, en men wrijft er het vleesch aan alle

kanten stevig mede in, dat men vervolgens zeer stijf ineenrolt en met

bindtouw, digt naast elkander er om gewonden, vastbindt. Men legt het

dan in eene houten vloot, waarin het 4 weken moet blijven liggen en

dagelijks gekeerd en begoten worden, met het nat dat er uitdruipt. Als

men het gebruiken wil, zet men het op met een weinig van het vocht

waarin het staat, en verder geheel bedekt met kokend water. Zoo laat

men het, met den pot goed gesloten, 4 uren lang zacht, maar gestadig

koken, en daarna nog een half uur in den bouillon nabroeijen.

Dit vleesch blijft lang goed en is ook koud zeer lekker.

9. Ossenvleesch in bier. Een goed stuk vleesch van b. v. 4. p. wordt

sterk geklopt, met zout bestrooid en in een pot op eenige schijven

spek gelegd, met bijvoeging van twee uijen, een gelen wortel, wat

laurierbladen, dragon of grof kruid. Dan bedekt men het tot over de

helft met half en half water en bier, dat niet te sterk gehopt mag

wezen; men giet er een kopje azijn bij en laat het, goed toegedekt,

3 uren smoren.--Bij het opdoen neemt men het vet van den jus, die

door eene zeef gegoten moet worden.

10. Blank ossenvleesch. Een niet zeer vet ribstuk wordt geklopt,

met water, bijna onderstaande, te vuur gezet, aan de kook gebragt

en afgeschuimd. Dan doet men er 2 pieterseliewortels, een handvol

schorseneren, een gelen wortel, 2 laurierbladen, 2 uijen, grof kruid

en een goed stuk boter bij; daarmede wordt het, goed toegedekt, gaar

gesmoord, waarvoor 3 uren vereischt worden. Gedurende het laatste

uur voegt men er champignons, volgens A No. 12 bereid, en eenig

wittebrood bij. Men laat den jus verkoken tot men zooveel als men

begeert overhoudt.

11. Biefstuk. De lappen biefstuk moeten een paar vingers dik zijn;

zij worden geklopt, met zout en peper bestrooid, dan in bradende boter

in de koekepan gelegd en op een levendig vuur gebraden. Men laat de

stukken stil liggen, tot er aan de bovenzijde eenig bloed uitzijpelt,

dan worden zij, zonder dat men er in steekt, omgekeerd, en weder

zoolang gebraden, tot zich ook aan deze zijde bloed vertoont. Als

men den biefstuk liever iets gaarder heeft, kan men ze nog een paar

minuten in de pan laten liggen, maar niet langer, omdat zij dan droog

en taai wordt.

Men roert een kopje melk door den jus en laat dien nog even doorbraden,

nadat het vleesch uit de pan is genomen. Als men den biefstuk met

uijen wil geven, moet men de gesnipperde uijen een half uur vooruit

in de koekepan met boter langzaam fruiten, terwijl men ze dikwijls

omroert. Zijn zij bruin genoeg geworden, dan schuift men ze terzijde

in de pan, braadt het vleesch in die uijenboter, en strijkt ze er

overheen als het gaar is. Voor 5 ons biefstuk kan men ruim 1 lood

zout en een half theelepeltje peper gebruiken om ze in te wrijven;

echter niet lang vooruit, omdat het vleesch dan taai wordt. Men behoeft

eigenlijk bij het bakken van biefstuk niet altijd boter te gebruiken;

men make slechts de pan goed warm en legge er dan den biefstuk in,

dien men gedurig omkeert en die dan, volgens het oordeel van velen,

nog malscher wordt, dan wanneer men de boter er terstond bijvoegt. Als

men met het vleesch gereed is, maakt men in de warme pan den jus,

van bruine boter met melk.

12. Gesmoorde biefstuk. De biefstuk wordt geklopt, met zout en peper

ingewreven, in meel gerold en dan in eene naauwe pan opgezet in

kokende boter of goed niervet, waarmede hij een uur, goed toegedekt,

langzaam moet smoren. Dan wordt er zooveel kokend water bijgegoten,

dat het vleesch half onderligt, en de pan stijf gesloten, zoodat de

damp er inblijft, en op deze wijze laat men het nog een uur smoren.

13. Rundergehakt met mosterdsaus. Men neemt 5 ons mager ossenvleesch,

hakt het fijn en zoekt er goed al de vellen uit; dan hakt men 1 1/2 ons

niervet insgelijks fijn, mengt het door elkander met zout en peper, en

maakt er één of meer ballen van. Men maakt daarop eene stukje boter in

eene pan kokend heet, legt de ballen daarin, en laat ze onder gestadig

heen en weder schuiven bruin worden; men keert ze vervolgens om en laat

ook de andere zijde bruinen. Bij het opdoen giet men er eene saus over,

gemaakt van een lepel mosterd, een lepel melk en wat bouillon of water,

dat men door den jus roert, waar het vleesch is uitgenomen.

14. Fijn rundergehakt. Men neemt evenveel rund- als varkensvleesch,

dat men zoo fijn mogelijk hakt, en voor 5 ons vleesch voegt men er 1

1/2 ons boter, 2 eijeren, het wit tot schuim geklopt, en een paar in

melk geweekte sneden wittebrood bij, waarvan de korst is afgesneden,

met wat zout, peper, notemuskaat en foelie. Dit kneedt men dooreen,

maakt er ballen van, en zet het in een schotel, met boter, in den

oven gedurende 1 1/2 uur te braden.--Naar verkiezing kan men er eenige

fijngehakte gefruite chalotten doorkneden en eenige citroenschijven,

vooral zonder pitten, in den schotel leggen, om een aangenamen smaak

aan de saus te geven.

15. Klapribben. De ribben worden met niet te veel water en zout

opgezet, gekookt en geschuimd; dan voegt men er wat fijngesneden uijen

bij, benevens peper, nagelen en eenige laurierbladen, later ook een

paar citroenschijven. Zoo laat men ze stoven tot de saus gebonden is,

wat men nog kan bevorderen door er een weinig gestooten beschuit door

te roeren.

16. Spaansche fricco. Men neemt een ossenhaas, die goed geklopt

wordt en in dobbelsteenen gesneden; hierover strooit men fijn zout

en cayennepeper. Gekookte aardappelen worden aan dikke schijven

gesnedenen goed warm gehouden, gesnipperde uijen worden in boter

gaargesmoord (niet gebraden). Men rekent twee deelen aardappelen tegen

een deel vleesch en van de uijen de helft van het vleesch. Dit alles

wordt in een goed sluitenden pot laag om laag gelegd, met stukjes

boter onder in en tusschenbeiden, en op een zacht vuur gezet. Als

het begint te braden, roert men het voorzigtig om en wakkert het

vuur wat aan. Intusschen mengt men eenig aardappelmeel, stijfsel,

of parelsago met 8 maatjes rooden wijn en, als men bij het roeren

ziet dat het vleesch eene graauwe kleur heeft aangenomen, giet men

er dit over; daarmede laat men het goed doorkoken en doet het op.--In

plaats van ossenhaas kan men ook biefstuk, of half en half mager rund-

en varkensvleesch voor dit geregt gebruiken, soms legt men ook een

laurierblad tusschen de lagen en strooit er wat gestooten nagelen

op; ook neemt men wel melk in plaats van rooden wijn.--Men kan het

desverkiezende in een vorm, au bain marie koken en geven het in dien

vorm op tafel.

17. Ossentong in bruinen ragout. De tong moet zoo versch mogelijk

zijn en, geklopt zijnde, met water en zout in eene niet te grooten

pan worden opgehangen, om drie uren lang goed te koken. Of zij

gaar is kan men daaraan zien, dat het vel dan gemakkelijk loslaat;

men trekt er dit geheel af, terwijl men het been er uitneemt en als

zich achter aan de tong een stuk sponsachtig vleesch bevindt, snijdt

men ook dit er af.--Nu kan men de tong in haar geheel laten en den

navolgenden ragout er om heen op den schotel leggen, of men kan haar,

desverkiezende, aan schijven snijden, zoodat zij een gedeelte van den

ragout uitmaakt, waarmede zij dan ook nog even, b. v. een kwartier,

door moet stoven.--Voor den ragout laat men twee lamspootjes gedurende

twee uren koken, in het nat waar de tong in gekookt is; dan voegt

men er 2 zwezerikken bij, en wat thijm in een doekje gebonden; na

verloop van nog een uur legt men 3 ons kalfsgehakt, fijn gekruid en

tot kleine balletjes gemaakt, benevens één ons ragout-saucijsjes er

bij, en laat het nog een goed half uur te zamen koken. Daarop voegt

men er een half ons morieljes bij, geprepareerd volgens A No. 10; men

ontleedt de lamspootjes, snijdt de zwezerik, bindt de saus met in boter

bruin gebrand meel, en kruidt ze met zout, peper en een weinig nagelen.

18. Ossentong met eijersaus. De tong wordt gekookt volgens No. 17 en

gediend met zure eijersaus en geraspte mierikswortel, afzonderlijk

er bij gepresenteerd.

19. Ossentong met pikante saus. De tong wordt gekookt volgens No. 17

en dan gespleten, in eene linker- en regter helft. Vervolgens stooft

men haar, met eene goede hoeveelheid gefruite uijen, in het nat waarin

zij gekookt is; kruidt haar met zout, peper en nagelen, giet er even

vóór het opdoen een bierglas rooden wijn bij en bindt de saus met

een stuk boter, dat men in meel heeft fijngemaakt.

20. Fricassée van ossentong. De tong wordt eerst gekookt volgens No. 17

en aan stukken gesneden. Dan fruit men eene groote fijngesneden uije,

met 2 spijslepels meel in rijkelijk boter bruin, giet het tongennat

dat men tot de gewenschte hoeveelheid heeft laten verkoken, er bij;

met eenige citroenschijven zonder pitten, wat peper en gestampte

foelie, benevens een half glas witten wijn. Als dit alles kookt,

schudt men de gesneden tong er in en laat die nog een kwartier zachtjes

medekoken. Men kan er ook kleine gehaktballetjes bijvoegen, doch die

moeten afzonderlijk in water met zout, of in wat tongennat gekookt

zijn, omdat zij in de gebonden saus te stijf zouden worden. Naar

verkiezing kan men er morieltjes, geprepareerd volgens A No. 10,

of champignons volgens A No. 12 in koken.

21. Gebraden ossentong. De tong, gekookt volgens No. 17, wordt

gespleten en ingewreven met fijngehakte chalotten en dragon, gestooten

nagelen, notemuskaat en zout, dat men alles eerst goed door elkaâr

mengt; vervolgens met een geklutst ei bestreken en met beschuit

bestrooid. Dan in boter gebraden.

22. Ossentong aan schijven. De gekookte en afgehaalde tong wordt aan

schijven van een vinger dik gesneden. Men klutst een ei met twee of

drie spijslepels water, fijn zout en notemuskaat; daarin doopt men

de schijven tong, wentelt ze daarop in geraspt wittebrood en bakt ze

met boter in de koekepan.

23. Charles X. Een goed sappig stuk rundvleesch, dat goed geklopt

is, wordt rijkelijk met spek belegd of doorstoken en dan met half

water, half azijn, benevens veel kruiderijen, uijen en boter te vuur

gezet, om half kokend, half bradend, gaar te worden. Men laat het

vleesch een nacht staan, snijdt het dan in schijven, bestrijkt het

met geklutste eijerdoijers, en wentelt ze daarna in een mengsel van

gehakte chalotten, met peper, zout en geraspt wittebrood. Vervolgens

worden zij in boter als côtelettes gebraden.

24. Croquettes. Van de overblijfsels van allerlei vleesch kan men

croquettes maken; zelfs is het lekker om rund- of kalfsvleesch met ham

door elkander te gebruiken. Men hakt daarvoor het vleesch zeer fijn

en laat wat meel in boter fruiten, waarbij men eenige lepels bouillon

of jus voegt, en waar men een paar met water geklutste eijeren op

het vuur voorzigtig doorroert. Als deze saus goed dik is geworden,

doet men het vleesch er in, benevens fijngehakte pieterselie en in

boter gesmoorde chalotten, met zout naar den smaak. Dan roert men

het op het vuur nog zoolang, tot er geen nat meer op zigtbaar is en

alles tot een dik deeg is geworden, dat men op een schotel uitgespreid

bekoelen laat, en waarvan men dan kleine rolletjes, als een kippenei,

vormt. Men rolt die daarop ieder afzonderlijk in geraspt wittebrood,

vervolgens in geklutste eijeren, eindelijk nogmaals in wittebrood

en bakt ze in de pan in boter of reuzel.--Een zeer fijn recept is

enkel gehakt kalfsvleesch en dit tot pap gekookt, met zout, meel,

melk en veel notemuskaat, overigens behandeld als hierboven gezegd

is, maar in gestampte beschuit, in plaats van brood gerold.-- Bij het

opdoen stapelt men de croquetten op, als een pyramide en zet op den

top een bouquet gebakken pieterselie; of men legt ze naast elkaâr op

den schotel, met de pieterselie langs den rand. De pieterselie moet

om mooi groen te blijven en toch knapperig te zijn, na het wasschen,

tusschen een doek zoo droog mogelijk worden uitgedrukt en dan in eens

in de kokende boter geworpen; het is lang genoeg als men ze daarin

ééne minuut laat blijven, en dan worde zij er met den schuimspaan

uitgeschept. Men laat haar, op graauw papier uitgespreid, een oogenblik

liggen, opdat er zoo min mogelijk boter aan blijve hangen, en garneert

dan den schotel met de takjes, die men reeds bij het wasschen van de

dikke stelen ontdaan heeft.

25. Runderrolletjes. Men snijdt ossenlappen aan lange repen, die men

dan nog eens goed met het klophout slaat, bestrooit ze, niet al te

dik, met een mengsel van fijn zout, gestooten nagelen en foelie, of,

in plaats van deze kruiderijen, met eenige gestooten jeneverbessen,

en legt daarover dunne reepjes spek. Dan rolt men de repen op en

bindt ze met een draad vast. Men maakt boter bruin en laat de met

meel bestrooide rollen, digt naast elkaar en goed toegedekt, daarin 10

minuten smoren, 5 minuten op iedere zijde. Vervolgens giet men langs de

kanten, maar vooral niet over de rollen heen, zooveel kokend water in

de pan, tot het vleesch ruim half bedekt is; men sluit de pan en legt

een gewigt op het deksel, en zoo laat men het, zonder die te openen,

nog een uur op matig vuur smoren. Bij het opdoen knipt men de draden

van de rollen af.

26. Bouilli. Als men het soepvleesch niet al te zeer uitkookt,

kan men het op verscheidene wijzen na de soep voordienen. In de

eerste plaats kan men het eenvoudig geven met eijersaus en geraspte

mierikswortel. Men kan het ook aan schijven snijden, die men bestrooit

met zout, notemuskaat en gestampte beschuit en dan, in het geschepte

vet van de soep, met bijvoeging van een paar gesneden uijen en een

enkel laurierblad, in den goed gestookten oven bruin laat worden.--Men

kan schijven ook eerst een nacht in azijn leggen, dan in geklutste

eijeren, met zout en notemuskaat, en daarna in gestooten beschuit

wentelen, om ze voorts luchtig in boter op te bakken.--Ook gestoofd kan

men het gebruiken: het wordt dan in stukjes gesneden; en men fruit meel

en uije in boter goed bruin; dit lengt men aan met soepvet en kruidt

het met wat nagelen, een enkel laurierblad (hiervan niet te veel),

zout en peper. Ten slotte voegt men er een paar lepels melk bij en laat

in deze dikke saus het vleesch een half uur op een zacht vuur stoven.

27. Haché. Men neemt hiervoor gewoonlijk het laatst overgebleven

gedeelte van een stuk gebraad en snijdt dit in kleine stukjes, die

men te stoven zet met den jus dien men nog heeft, of met boter, met

vooraf gefruite uije, zout, nagelen, peper, en een klein scheutje

azijn, de saus moet eerst geheel gereed zijn en het vleesch er maar

een oogenblik in blijven, terwijl men even vóór het opdoen er een

weinig aardappelmeel bijvoegt, om te binden.

28. Rissole. Men kookt een stukje rundvleesch, met water en zout

in kort nat gaar en hakt het dan zeer fijn. In den bouillon, kookt

men rijst, die in water gebroeid is, zeer gaar en dik. Dan maakt

men boter bruin en roert die met het vleesch en de rijst, benevens

notemuskaat, gestooten nagelen en het noodige zout door elkander,

en laat het zoo nog eens goed doorstoven. Op 7 1/2 ons vleesch rekent

men 1 1/2 ons rijst.

29. Ossenlappen. De ossenlapjes worden goed geklopt, in meel gewenteld,

en dan in de koekepan met boter bruin gebraden; vervolgens gestoofd

met zout, nagelen en gehakte chalotten of gefruite uijen.

30. Ossenhaas in gelei. Men legt den haas, met twee kalfspooten,

benevens wat uijen, kruidnagelen, foelie en laurierbladen gedurende

eenige dagen in azijn, bedekt hem met graauw papier en keert hem

dagelijks. Dan giet men het nat door eene zeef en braadt den haas,

met de pooten, daarin; als deze laatsten half gaar zijn, worden zij

er uitgenomen en men laat het vleesch verder braden, doch niet al te

sterk. Als dit gereed is, neemt men het vleesch uit het nat, voegt er

eenig water bij en legt er de pooten weder in: die lang en langzaam

geheel gaar moeten koken. Men neemt ze er dan uit, laat het nat koud

worden en schept er zorgvuldig al het vet af, waarop men het weder

warm maakt en over den haas giet, die in een vorm of diepen schotel

moet liggen. Koud geworden zijnde, wordt de vorm omgekeerd en men

kan den schotel garneren met citroenschijfjes.

31. Rolpens bakken. De rolpens wordt gesneden aan schijven van een

vinger dik en, als men ze zeer fijn wil klaar maken, wentelt men ze

eerst in geklutste eijeren en daarop in gestooten beschuit. Vervolgens

bakt men ze in de koekepan met boter of reuzel tegelijk met schijven

van ongeschilde zure appelen, die men bij het opdoen op stapeltjes

tusschen het vleesch zet.

Men kan ook, in plaats dat men de rolpens in eijeren wentelt, bij

iedere schijf in de pan een lepel pannekoekbeslag voegen en ze daarin,

op beide zijden, bakken. Sommigen verkiezen de rolpens gestoofd te

eten, eenvoudig met boter of reuzel en wat water.

32. Versche runderworst. Daar bij het braden de darm zeer ligt barst,

is het best om de worst gedurende een kwartier in een pot met kokend

heet water te leggen (koken mag het echter niet) zoodat zij door en

door warm wordt. Dan bruint men boter in de pan en giet die over de

worst op een goed gewarmden schotel.

33. Het koken van pekelvleesch. Als het vleesch eenvoudig met zout is

gepekeld, moet het, na gedurende een nacht in koud water uitgetrokken

te zijn, ook met koud water bedekt worden overgehangen, en 3 uren

langzaam koken. Voor het bijgieten mag evenwel het water niet koud

zijn. Heeft het echter in een zamengestelden pekel gelegen, dan moet

men het na het uittrekken met kokend water ophangen en ook zorgen dat

het volstrekt niet van de kookt raakt en dat het niet langer kookt

dan noodig is; anders wordt het flaauw van smaak.

34. Gerookt vleesch. Dit wordt een nacht in het water gezet en den

volgenden dag goed afgeboend; dan, met kokend water bedekt, te vuur

gezet en 3 of 4 uren, langzaam gekookt. Als het gaar is, laat men het,

goed toegedekt, nog een halfuur in het nat staan broeijen, waardoor

het zeer aan zachtheid wint.

35. Gerookte ossentong. De tong wordt even als rookvleesch geweekt en

gaar gekookt; het vel wordt er afgetrokken, en men snijdt haar, koud

geworden aan schijfjes, die men met pieterselie gegarneerd kan dienen.

36. Kalfsrib. Men kan eene kalfsrib naar verkiezing aan het spit, in

den oven, of in een ijzeren pot braden. In ieder geval moet zij eerst

goed worden afgewasschen, met een schoonen doek worden afgedroogd en

daarna met fijn zout ingewreven. Aan het spit braadt men haar, onder

gestadig bedruipen met gesmolten boter, niet te sterk, gedurende 2

uren, de saus wordt gemaakt, zooals hieronder, voor een rib in den

oven gezegd wordt.--Voor den oven laat men rijkelijk boter in eene

braadpan smelten en voegt er eenige sneden spek bij, waarop men dan

het vleesch legt, met de ronde zijde naar boven; het moet in een,

eerst goed heet en later wat matiger gestookten oven, onder gestadig

bedruipen en zonder omgekeerd te worden, gedurende 2 uren braden,

als het een groot stuk is, terwijl men een kleiner stuk, naar mate van

het verschil, ook spoediger uit den oven moet nemen. Om te voorkomen

dat de jus te bruin of branderig wordt, legt men van tijd tot tijd een

stukje boter in de pan en giet er een kopje kokend water van ter zijde

in. Een kwartier vóór het opdoen voegt men een paar kopjes melk bij

den jus, en roert, nadat het gebraad er uitgenomen is het aanzetsel

uit de pan met wat koud water los, waarmede men het nog een oogenblik

laat doorkoken.--Verkiest men de rib in een ijzeren pot te braden,

dan legt men haar daarin, even als bij het braden in den oven gezegd

is. Men laat het vleesch, dat men, zonder er in te prikken, dikwijls

heen en weder moet schuiven, met den pot open, aan alle kanten licht

bruin braden; dan worden er een paar kopjes kokend water bijgegoten

en de pan toegedekt, waarop men, het tusschenbeide begietende, verder

handelt alsof het in den oven stond.

37. Nierenhaché. De gebraden nieren worden met het vet fijngehakt, dan

dooreengemengd met gefruite uijen, zout, notemuskaat, een lepel melk

en een halven lepel mosterd; hiermede laat men ze nog eens doorstoven,

en dient ze voor met geroosterd brood.

38. Croquettes van kalfsnieren. De nieren worden met een zwezerik

of een stukje vleesch fijngehakt, en dooreengeroerd met geraspte

citroenschil en notemuskaat. Voorts laat men een stukje boter in de

pan smelten, doet er een weinig gehakte uijen in daarop wat gestooten

beschuit en als dit alles onder gestadig roeren gebruind is, voegt

men er gelei van kalfsvleesch bij, benevens het sap van een citroen,

en laat het tot eene dikke ragoutsaus verkoken. Als zij wat is bekoeld,

roert men er een paar eijeren, het noodige zout en het gehakte vleesch

door; men vormt er langwerpige rolletjes van, die men in gestooten

beschuit wentelt en dan in boter bakt.

39. Croquettes van zwezerik. De zwezerik wordt bereid volgens A

No. 13 en vervolgens behandeld als voor de nierencroquettes is gezegd,

behalve dat men er meer eijeren in gebruikt en geen citroensap, maar

melk; geen beschuit, maar geraspt wittebrood. Ook laat men de stijf

gekookte massa eenige uren staan, vóórdat men er rolletjes van maakt,

die dan in beschuit gewenteld en in boter gebakken worden.

40. Gesmoorde kalfskarbonaden. De karbonaden moeten goed geklopt en

dan in een, met boter dik besmeerden schotel gelegd worden, bestrooid

met zout, notemuskaat en gestooten beschuit, waarop men nog stukjes

boter en citroenschijfjes legt, terwijl men er voor 1 1/2 pond

vleesch 3 maatjes water (desverkiezende voor de helft witten wijn)

bijvoegt.--Daarop wordt de schotel goed toegedekt en een vochtigen

doek om den rand gelegd; zoo laat men de karbonaden gaar smoren.

41. Gevulde kalfsborst. Men neemt de beenderen uit de borst en vult

haar met de volgende farci: 6 1/2 lood gesmolten boter, 3 eijerdoijers,

notemuskaat of citroenschillen, zout, 3 1/2 ons geraspt wittebrood,

het tot schuim geklopt eiwit en een weinig gehakte pieterselie. Dan

naait men de opening digt, wrijft het vleesch in met zout, en zet

het met tamelijk veel boter in den niet al te warmen oven, om het,

onder gedurig bedruipen, twee uren te laten braden, terwijl men er

gaandeweg eenige kopjes melk bij giet. Bij het opdoen verzuime men

niet om de draden door te knippen. De saus wordt dan ook met koud

water dooreengeroerd.

42. Gestoofde kalfsborst. De borst wordt goed geklopt, gewasschen,

met een doek afgedroogd, met zout ingewreven, met wat meel bestrooid en

in kokend heete boter langzaam aan beide zijden licht bruin gebakken,

terwijl de pot goed toegedekt moet zijn. Dan giet men er, langs de

kanten van den pot, zooveel kokend water bij, dat het vleesch ter

helft bedekt is en legt er een fijn gesneden pieterseliewortel, eene

handvol schorseneren of naar verkiezing, wat champignons bij. Men

laat de borst 3 uren langzaam stoven, en doet een kwartier vóór het

opdisschen wat foelie en eenige citroenschijfjes in den jus; ook voegt

men er, als men die wat dik wil hebben, gestampte beschuit bij, roert

er op het laatste oogenblik een paar eijerdoijers en wat koud water

door en belegt den rand van den schotel met vleesch- of meelballetjes

(zie hoofdstuk: balletjes.)

43. Gesmoord kalfsvleesch. Een kalfsbout of borst wordt met koud

water opgezet, en als het aan het koken toe is, afgegoten en eenige

minuten in koud water gelegd. Dan legt men het vleesch in een pot,

met een stuk boter, wat laurierbladen, citroenschijven en geraspte

citroenschil, benevens het noodige zout; men giet er water en witten

wijn, en zet het, goed toegedekt, op een niet te sterk vuur. Als het

nat te vroeg verkookt is, moet men het met wat kokend water aanvullen,

maar het toch altijd kort houden en het vleesch door schudden en

schuiven voor aanbranden bewaren. Men bedruipt het dikwijls met de

saus.--Eene andere wijze om kalfsvleesch te smoren is de volgende. Als

het vleesch gewasschen is, droogt men het niet af, maar legt het, met

zout bestrooid, in een pot, waarin gesmolten boter met fijngesneden

versche jeneverbessen (18 stuks op 1 pond vleesch) is bruin gemaakt,

zonder andere kruiderijen dan eenige citroenschijven. De pot moet goed

worden toegedekt en het vleesch mag slechts éénmaal worden omgekeerd,

doch men moet het dikwijls opligten, ten einde het aanzetten te

voorkomen.

44. Kalfsrollade. Men neemt lardeerspek, eenige uijen of chalotten,

dragon, pieterselie en citroenschillen, en hakt dit alles zeer fijn

door elkander, dan voegt men er zout, gestooten nagelen, geraspt

wittebrood en eenige eijeren bij, benevens een paar lepels melk. Met

deze farci bestrijkt men de binnenzijde van het stuk vleesch, dat

men vervolgens oprolt en met bindtouw stevig vastbindt. Men zet het

met goed wat boter op het vuur en laat het aan alle zijden bruin

worden, waarna men er 3 maatjes kokend water langs de kanten bijgiet,

hetgeen men wat later nog eens herhaalt; men legt een gelen wortel en

2 laurierbladen in de saus waarmede het vleesch dikwijls moet worden

bedropen en zoo laat men het geheel gaar worden. Bij het opdoen roert

men de saus af met wat koud water en een kopje melk; giet haar door

eene zeef, en laat ze desverkiezende, nog even met een paar lepels

kappers opkoken.

45. Kalfsfricandeau. De fricandeau wordt gewasschen, afgedroogd,

geklopt, gelardeerd, met zout ingewreven, met wat meel ligt bestrooid

en in kokende boter gelegd (naar verkiezing met een uije en een

pieterseliewortel er bij), om, goed toegedekt, gedurende een half uur

zacht te braden. Dan giet men van ter zijde 3 maatjes kokend water

in de pan, die goed gesloten moet zijn, en herhaalt dit na verloop

van een half uur nog eens. Men moet het vleesch dikwijls bedruipen,

en als het gaar en schoon van kleur is geworden, neemt men het uit

de saus, die moet worden doorgestoofd. Het is zeer smakelijk als men

er truffels in kookt.

46. Kalfsfricassée. Men snijdt het vleesch aan kleine dobbelsteenen,

wascht het, brengt het, met koud water opgezet, tot aan de kook,

schudt het dan in koud water en droogt het af. Dan legt men het met het

noodige zout in eene pan, waarin rijkelijk boter is warm gemaakt, en

laat het daarin, goed toegedekt, een kwartier smoren, maar niet bruin

worden; het moet in dien tijd eenmaal worden omgeroerd. Vervolgens

giet men er zooveel kokend water bij als men voor de saus begeert te

hebben; men voegt er stukjes pieterseliewortel en, naar verkiezing

champignons bij, en laat zoo het vleesch gaar, maar niet stuk

koken. Een kwartier vóór het opdoen voegt men er het volgende bij:

gesneden zwezerik, halfgaar gekookte aspersies, kleine saucijsjes,

eenige citroenschijfjes, wat foelie en in boter gebruind geraspt

wittebrood of gestooten beschuit. Bij het opdoen bindt men de saus

met een ei.--Deze bijvoegsels kan men naar zijn smaak veranderen en

er allerlei halfgaar gekookte groente voor nemen, zoo als bloemkool,

schorseneren, seldery of gefruite uijen, insgelijks de kruiderijen;

daar men even zoo goed gestooten nagelen, notemuskaat en fijngesneden

ingemaakte augurken kan gebruiken, als het hierboven genoemde. Bij

het gebruik van bloemkool, kookt men die het best afzonderlijk geheel

gaar en zet ze, met de bloem naar boven, midden op den schotel,

met de fricassée er om heen, of legt ze als rand om het vleesch.

47. Kalfsfricadellen. Men maakt eene farci van geraspt wittebrood

met eijeren, gehakte pieterselie, uije en melk, waarbij men naar

verkiezing kruiderijen voegt, dit rolt men in kalfslapjes, welke men

met een draad vastbindt en langzaam laat braden. Bij het opdoen knipt

men de draden er af.

48. Kalfshersens. De hersens worden goed gewasschen, de dunne velletjes

er afgetrokken, en dan kookt men ze in water met eenige uijen, nagelen

en wat peper, zout en azijn. Dan bruint men meel in de koekepan, roert

daardoor wat van het nat, waarin de hersens gekookt zijn, legt ze er

dan bij, met eenige citroenschijfjes en wat rooden wijn, laat dit even

te zamen doorbraden, en bindt dan de saus met een paar eijerdoijers.

49. Engelsche ragout van kalfskop. Een versche, goed afgeschroeide

en in water uitgetrokken kalfskop wordt met twee ossenverhemelten

in water met zout opgezet, goed afgeschuimd en verder gedurende 2

1/2 uur, met chalotten, nagelen, heele peper en laurierbladeren,

gaargekookt. Daarna wordt het vleesch van de beenderen afgenomen

en in stukjes gesneden; 2 1/2 ons zwezerik, bereid volgens A,

No. 13, even zooveel gebraden saucijzen, in gezouten water gekookte

vleeschballetjes en, zoo mogelijk, de helft van een gebraden haas,

worden er bijgevoegd. Men maakt meel in boter bruin en lengt dit

aan met goeden runderbouillon, waarin pieterseliewortels gekookt

zijn geweest; hierin legt men nu al het vleesch, benevens morieljes,

champignons, kappers, citroenschijven, fijne peper, gestooten nagelen,

zooveel cayennepeper als men tusschen duim en vinger houden kan, en

eene kwart flesch madera.--Dit recept is voor een groot gezelschap

berekend, en voorgediend met schijven van fijn taartenkorstdeeg,

kan men dezen ragout in de plaats van eene pastei geven.

50. Zwezerik. De zwezerikken worden met koud water opgezet, dat men,

als het warm geworden is, twee malen ververscht, waardoor zij zeer

blank blijven. Dan legt men ze in koud water, lardeert ze, kruidt

ze met zout en notemuskaat en braadt ze in boter.--Of, zij worden

afgekookt, in schijven gesneden, in eijeren, notemuskaat en gestooten

beschuit gewenteld en in boter gebakken; men laat er ten slotte eenige

citroendruppels op vallen.

51. Gekookte kalfskop met saus. Men zet den kop eenige uren in

water om uit te trekken, neemt de bovenlip, de ooren en de oogen

weg, breekt de onderkaak er af, om de tong er te kunnen uitnemen,

omdat deze, afzonderlijk gekookt, beter gaar wordt; wascht den kop,

splijt hem en bindt hem vast weder te zamen. Dan zet men hem, geheel

onder water, met zout te vuur, schuimt hem en laat hem gaar koken,

met heele peper en nagelen, dragon, thijm, mariolein en pieterselie,

uijen en laurierbladen. Als de kop gaar is, kan men hem, tot den

tijd van opdoen, in het nat laten staan. Als men hem op den schotel

legt, neemt men het touw er af, legt hem open, met de gespleten tong

aan weerszijden en in boter gebakken wittebrood op de hersens. Men

gebruikt hem met zoet-zure of met uije-wijnsaus.

52. Gebakken kalfskop. Als de kop volgens No. 51 gekookt is, snijdt

men het vleesch aan schijven, legt die in een met boter besmeerden

schotel, strooit er wat zout tusschen en giet er het volgende over: 3

maatjes melk, 4 eijerdoijers, notemuskaat en, desverkiezende, geraspte

parmesaansche of zwitsersche kaas. Men laat het in den oven bakken.

53. Hoofdkaas van kalfskop. De kop en het hart van een kalf worden

een paar uren in het water gezet om uit te trekken, en dan, ter helft

bedekt met water en zout, overgehangen en goed geschuimd. Dan voegt

men een paar theelepels heele peper, even zooveel gestooten nagelen,

2 laurierbladen, 3 of 4 middelmatig groote uijen en zooveel azijn er

bij, dat het water een zuurachtigen smaak heeft. Zoo laat men den kop,

op een niet te sterk vuur, geheel gaar koken, doet de beenderen er

uit en giet het nat door eene zeef. Koud zijnde, wordt het vleesch aan

dunne repen gesneden, het sap van een citroen en een goed deel van het,

zuiver van het bezinksel afgegoten, nat er bijgevoegd, en dit te zamen

een half uur gekookt. Het kooksel moet, als het bekoeld is, zoo stijf

zijn dat men er dunne sneden kan afsnijden, maar al te vast mag het

niet wezen. Als men bij den kop en het hart ook een kalfspoot kookt,

kan men al het nat gebruiken, en de massa wordt daardoor natuurlijk

grooter.--Nu spoelt men aarden of porseleinen vormen goed met koud

water om, schept het mengsel er in, en bewaart het op eene koele

plaats, tot men het wil gebruiken; men steekt dan de kanten los en

keert den vorm op een schotel om. Indien men soms genoodzaakt is om

deze hoofdkaas in een ijzeren pot te koken, dan moet men, om er geen

ijzersmaak aan te krijgen, den azijn en de citroen slechts gedurende

de laatste 5 of 10 minuten laten medekoken.

54. Kalfscôtelettes. In elke côtelette moet een rib zijn, die echter

niet te lang mag uitsteken. Het vleesch wordt langzaam geklopt;

dan wrijft men het in met wat zout en peper, doopt het in geklutste

eijeren met notemuskaat, wentelt het in gestooten beschuit of geraspt

wittebrood, en legt het in de pan met kokende boter. Zoo laat men de

côtelettes onbedekt gaar braden en keert ze slechts éénmaal om, maar

bedruipt ze telkens. Men kan ze dan opdoen; maar ook, desverkiezende,

ze nog eens in een aarden schotel leggen en met bijvoeging van een

paar koppen bouillon en eenige citroenschijven, gedurende een goed

kwartier, toegedekt in een zeer warmen oven zetten.

55. Zwitsersche kalfsfarci. 4 Deelen mager kalfsvleesch hakt men

zeer fijn, met één deel spek, en op 1 pond van dit haksel neemt men

4 eijeren, 4 lepels gestooten beschuit, geweekt in 4 lepels melk

of witten wijn, wat zout en notemuskaat. Dit alles kneedt men goed

door elkander, legt den daarvan gevormden bal in gebruinde boter,

bestrooit hem met gestooten beschuit en braadt hem in een heeten oven

met vuur er onder.

56. Gebakken kalfspooten. De pooten moeten goed geboend en geschroeid

zijn, en worden dan gaar gekookt in water en azijn, met zout,

heele peper, nagelen, citroensap en bouquet garni. Wil men ze niet

terstond gebruiken, dan kan men ze in dit nat veilig eenige dagen

laten staan. Men ontdoet ze dan van de beenderen, wentelt ze in

geklutste eijeren en daarna in geraspt wittebrood, om ze eindelijk

in boter te bakken. Voor de saus fruit men uijen met wat meel in de

pan, en lengt dit aan met een gedeelte van het nat, waarin de pooten

zijn gekookt; men voegt er een lepel azijn, een glas rooden wijn,

wat mosterd en gesneden augurken of kappers bij, laat dit alles een

uur koken, en giet het bij het opdoen over het gebakken vleesch.

57. Kalfslever. Men kan de lever op verscheiden wijzen gereed maken. In

de eerste plaats stooft men ze als volgt: Zij wordt goed gewasschen;

dan trekt men het vel er af en steekt er met een puntig mes in, om

door de openingen kleine stukjes spek, die in zout, peper en gestooten

nagelen gewenteld zijn, in de lever te drukken. Dan laat men een goed

stuk boter bruinen en de lever daarin even smoren, zoodat er kleur

aan komt; men bedekt haar daarop ter helft met kokend water, voegt

er een half soepbord gehakte uije, een paar laurierbladen, wat zout,

gestooten nagelen en nog een stuk boter bij; laat ze zoo stoven,

en doet er, even voor het opdoen, een lepel azijn, een glas rooden

wijn en een weinig suiker in.--Men kan de lever ook braden. Nadat

zij volgens het hierboven gegeven recept is gelardeerd, legt men

haar, met kruiderijen bestrooid, in een stuk kalfsnet, dat men er

om toeslaat. Men laat eenige fijngesneden uijen in 1 1/2 ons boter

fruiten, en legt de lever daarin, voegt er iets later twee koppen

bouillon, half zooveel rooden wijn en nog wat zout bij, waarmede de

lever langzaam gaar moet braden. Bij het opdoen neemt men het net weg;

men lengt de saus aan met wat bouillon en wat melk, en giet die over

de lever. Zeer lekker is zij ook op de volgende wijze: Men hakt haar

fijn en zoekt er goed alle aderen en vellen uit, waarop men ze door

eene zeef wrijft; vervolgens roert men er 1 1/2 ons fijngehakt spek,

1 1/2 lood krenten, 6 eijerdoijers, 6 lepels gestooten beschuit, wat

gestooten nagelen en allerlaatst het tot schuim geklopte eiwit luchtig

door. Nu laat men in de pan boter smelten, legt daarin een kalfsnet

en het gehakt daarop, waarover het net wordt toegeslagen. Men dekt het

toe, braadt het langzaam aan beide kanten, en giet er, bij het opdoen,

de volgende saus over: Eene fijngehakte uije met een lepel meel in

boter bruin gefruit, aangelengd met bouillon, gekruid met notemuskaat,

gestooten nagelen, citroenschijven en een weinig suiker, en met een

glas rooden wijn er bij even doorgekookt. Om van lever ragout te maken

snijdt men ze aan stukken, en smoort ze gaar in boter, met gefruite

uijen of chalotten, thym, dragon en gehakte pieterselie, waarbij

men iets later geraspt wittebrood, notemuskaat, gestooten nagelen,

bouillon en wijn voegt. Men kan ook de lever aan schijven snijden,

die men in meel wentelt en in spekvet of boter, met eenige versche

jeneverbessen, bakt; of wel, men wentelt ze in geklutste eijeren, met

notemuskaat en zout, daarna in gestooten beschuit, en bakt ze in boter.

58. Nierenbrood. Men kookt kalfs- of varkensnieren, hakt die fijn

dooreen, met haar gewigt aan lardeerspek, met pieterselie en chalotten;

voegt er dan 4 eijerdoijers, van één ei het wit, gesmolten boter,

foelie, notemuskaat, zout en een gestampte beschuit bij, en mengt het

alles tot een gelijk deeg. Dan snijdt men van oudbakken wittebrood

sneden van goed een vinger dik, ontdoet die van de korst en snijdt ze

in reepjes, die men even weekt in melk, met een paar eijeren geklutst,

doch niet zoolang dat zij breken.--Hierop smeert men het deeg zoo

dik als het brood zelf is; men legt de stukjes in een braadschotel

met wat gesmolten boter, bestrooit ze met gestooten beschuit, legt

nog een klein stukje boter op ieder reepje, en zet ze zoo gedurende

1 1/2 uur in een niet al te warm gestookten oven.

59. Om koud gebraad te gebruiken. Indien men een stuk koud, aangesneden

vleesch niet op tafel wil geven, snijdt men het aan schijven, die men

in een diepen, toegedekten schotel legt en, met den jus begoten, boven

den wasem van een ketel kokend water of in een heeten oven zet. Het

vleesch moet steeds met den jus bedropen worden, en heeft, naarmate

de oven gestookt is, een half of een geheel uur noodig om door en door

warm te worden. Men kan het dan voor versch vleesch laten doorgaan. Als

men koud vleesch voor ragout wil gebruiken, moet de saus van gefruit

meel met uije en boter, jus, een weinig water en azijn, met de begeerde

kruiderijen en gesnipperde augurken,eerst geheel worden gereed gemaakt,

en het aan dobbelsteenen gesneden vleesch er enkel goed warm in worden.

60. Schapenbout of ruggestuk in marinade. Het vet en de huid worden van

het vleesch afgenomen, dat goed geklopt en in eene vloot gelegd wordt,

met eene goede hoeveelheid chalotten of kleine uijen, nagelen, heele

peper en bouquet garni, benevens, eene flesch azijn. Indien men eene

flesch rooden wijn heeft, die troebel is, of eenigzins verschaald,

kan men er die bijgieten, ten einde eene wildkleur aan het vleesch

te geven. In deze marinade laat men het stuk acht dagen liggen, keert

het iederen ochtend om, en begiet het er driemaal daags mede. Daarop

wordt de bout gelardeerd en in de braadpan gelegd, waarin men spek en

boter heeft warm gemaakt, om op beide zijden geel te braden. Dan giet

men er langzamerhand de marinade bij, maar als de azijn zeer scherp

is, verzacht men dien met een weinig kokend water, en onder gestadig

bedruipen laat men het vleesch gaar worden, waartoe ruim 2 1/2 uur

wordt vereischt. Gedurende het laatste half uur giet men er twee kopjes

melk in, laat de pan open, en giet bij het opdoen de saus door eene

zeef. Men legt gebakken aardappelen rondom het vleesch op den schotel.

61. Schapenbout à la royale. Men kerft de bout tot op het been, met

slechts een paar vingers breed ruimte tusschen de kerven; daarin

strooit men zout, peper, gestooten nagelen en gehakte uijen; men

bindt het vleesch weder toe en braadt het.

62. Schapenbout op gewone wijze. Men bestrooit het vleesch met wat

zout, legt het in kokende boter en spek, laat het daarin eene lichte

kleur krijgen, en giet er dan 3 deelen kokend water tegen één deel

azijn over. Daarbij voegt men chalotten, laurierbladen, nagelen,

peper, dragon en een bord vol gesnipperde, versche augurken. De bout

wordt onder gedurig bedruipen, maar in eene gesloten pan, gedurende

drie uren gebraden. Als men geen azijn gebruikt, kan men op het laatst

een paar kopjes melk in de saus gieten, maar anders roert men er een

lepel mosterd door, en dient dit geregt met uijesaus.

63. Lamsgebraad als rheevleesch. Het ruggestuk van een jong lam wordt

van het vel ontdaan, en dan aan alle zijden goed ingewreven met het

volgende, dat zeer fijn gehakt en goed door elkaar gemengd moet zijn:

chalotten, dragon, mariolein, rozemarijn, 2 à 3 laurierbladen, thijm,

peper, nagelen, zout en 4 à 5 gekneusde jeneverbessen. Men giet er

vervolgens half azijn en half rooden wijn op, en laat het 4 dagen

daarin staan, het dagelijks omkeerende en dikwijls bedruipende. Dan

wordt het gelardeerd en gebraden; gedurende het eerste uur giet men

tusschenbeiden een half kopje kokend water in de pan, maar later doet

men er melk bij, en laat het op een gematigden oven gaar worden.

Keukenboek · 第 16 / 64 题