61. Suikerijlof wordt als molsla behandeld.

62. Rhabarber. Van de rhabarberplanten kan men drieërlei geregten

maken: vooreerst zijn de jonge bladeren als spinazie te gebruiken

en worden evenzoo bereid; ten andere kan men van de bladstelen een

moes maken, dat zeer gelijkt op gestoofde kruisbessen, maar veel

lekkerder en zachter is. Men haalt van de stelen het buitenste dunne

schilletje af en snijdt ze aan stukken, waarop men ze, bijna zonder

water fijnkookt en er dan eijerdoijers en suiker doorstooft. Eindelijk

zijn de bloemknoppen, vóór dat de stengel opschiedt, zeer goed om

als bloemkool te koken en met saus te eten.

63. Zuurkool. De kool wordt voorzigtig uit het vat gehaald en, hetgeen

langs den rand soms niet frisch mogt zijn, er afgenomen; dan drukt men

de pekel er stevig uit, en als de kool reeds wat oud is, wascht men

ze af in warm water. Vervolgens wordt zij met weinig water opgezet,

en als zij half gaar is, voegt men er het noodige zout en de boter

bij; ook kan men er dan desverkiezende, aardappelen bij in de pan

leggen, die er later worden doorgeroerd.--In plaats van boter, is

het ook zeer smakelijk om een stukje pekelspek in de zuurkool mede

te koken.--Eene andere goede manier om zuurkool klaar te maken, is,

dat men ze laag om laag, met schijven aardappelen en braadworst in

een schotel laat stoven: zij moet in dien schotel op tafel komen.

64. Ingemaakte andijvie wordt gewasschen, den vorigen avond afgekookt,

daarna een paar malen ververscht en dan gestoofd met boter. Men raspt

er notemuskaat over.

65. Ingemaakte snijboonen worden eerst behandeld als de ingemaakte

andijvie en dan gestoofd met boter of reuzel. Men kan er witte boonen,

die een nacht in water geweekt zijn, of aardappelen doorstoven;

ook worden de witte boonen somtijds afzonderlijk gekookt en bij het

opdoen als een krans op de groene snijboonen gelegd.

66. Ingemaakte heerneboonen worden geheel als ingemaakte snijboonen

behandeld.

67. Ingemaakte raapstelen behandelt men als ingemaakte andijvie,

maar stooft ze ook wel met aardappelen door elkander.

68. Gedroogde heerenboonen. Men wascht de boontjes in warm water en

zet ze met kokend water op, waarmede men ze een half uur laat koken;

dan giet men dit er af en vervangt het door versch kokend water,

waarin zij geheel gaar moeten worden; vóór het laatste half uur moet

het zout er in worden gedaan. Als de boonen gaar zijn, worden zij op

een doorslag geschud en als versche slaboonen gestoofd, of ongestoofd

met zure saus gegeten.

69. Gedroogde snijboonen worden even als gedroogde heerenboonen

afgekookt en vervolgens met reuzel en, al of niet, met bijvoeging

van aardappelen of witte boonen gestoofd. Men legt soms een rook-

of braadworst als krans op den schotel.

70. Gedroogde groene en graauwe erwten worden gewasschen, een nacht

in water geweekt en met hetzelfde water gaar gekookt. Men dient de

groene erwten voor met pieterseliesaus en de graauwe met jus.

71. Witte en bruine boonen behandelt men als gedroogde erwten. Men

gebruikt de witte boonen met pieterselie- of zure saus en de bruine

met jus.

72. Aardappelen. Bij het koken van aardappelen wordt dikwijls te

weinig oplettendheid gebruikt, en toch hangt het smakelijke van dit

geregt evenveel af van de zorg die men er aan besteedt, als van de

soort der aardappelen zelf. Zij moeten terstond bij het schillen in

koud water worden geworpen, gewasschen en in water blijven staan,

tot men ze kookt. Men hangt ze in een ruimen ijzeren pot te vuur, met

zooveel water dat zij goed onderliggen; voor versche aardappelen neemt

men het kokend, voor oude koud, en in ieder geval zorge men voor een

levendig vuur, zoodat zij spoedig gaar zijn. De tijd van koken hangt

af van de soort en van den ouderdom der aardappelen; versche zijn in

20 minuten gaar en oude hebben op het laatst wel drie kwartier uurs

noodig.--Als men nu, door er met eene vork in te prikken, ontdekt

dat zij gaar zijn, giet men de aardappelen zoo droog mogelijk af;

men hangt den pot nog eenige minuten weder over het vuur en schudt

hem dan goed heen en weder om de aardappelen geheel droog te krijgen,

die dan kunnen worden opgedaan en, liefst in een overdekten schotel,

ter tafel gebragt. Wanneer men, b. v. op een souper, aardappelen bij

fijne groenten wil laten rondgaan, dan kan men ze, gekookt zijnde,

in de schaal met gewelde boter overgieten, er noot over raspen, en ze

zoo, goed toegedekt, gedurende een half uur op een komfoor laten staan.

73. Gebakken aardappelen met worst. Men fruit fijn gesneden uije met

meel en boter in de koekepan, kruidt dit met zout en peper, voegt er

wat bouillon of jus bij, en bakt de worst, aan schijven gesneden,

daar even mede op. Men neemt ze er daarop uit en laat dan groote,

aan schijven gesneden en vooraf gekookte aardappelen ook een weinig

daarin bakken, maar zij moeten zacht blijven. Vervolgens besmeert

men een schotel met boter, bestrooit dien met geraspt wittebrood,

en legt de aardappelen en de worst, laag om laag, er in; op de

aardappelen strooit men telkens wat geraspt brood en legt er kleine

stukjes boter op. Men laat het zoo in den oven bruinen en keert den

schotel bij het opdoen op een anderen om.

74. Aardappelen met appelen en varkenskarbonaden. Men zet de karbonaden

ter helft met water bedekt en met wat zout, op een zacht vuur, dekt

de pan en laat ze een goed uur koken; dan legt men kleine aardappelen

onder in de pan, strooit er zout over en legt het vleesch er boven op,

dat men vervolgens weder bedekt met aan vierdeparten gesneden zure

appelen; dan giet men er een kopje water bij en laat alles te zamen

gaar smoren. Bij het opdoen legt men het vleesch midden op den schotel,

de appelen er over heen en de aardappelen rondom langs den rand.

75. Aardappeltaart met ham. Van een ham, die niet oogelijk meer is

om op tafel te zetten, kan men een zeer smakelijk geregt bereiden

op de volgende wijze: De afgesneden stukken worden fijn gehakt,

gekookte aardappelen tot moes gewreven, en dit, dooreengeroerd,

in een vorm of schotel gelegd, dien men met boter besmeerd en met

gestampte beschuit bestrooid heeft; telkens legt men er wat boter of

kleine stukjes versch spek tusschen, en men kan er naar verkiezing

ook gehakte uije bijvoegen. Zoo zet men het drie kwartier lang in

een heeten oven. Als de vorm is omgekeerd, giet men de volgende saus

over de taart: Op eene portie voor 4 personen neemt men 4 eijeren,

goed geklopt en aangemengd met melk, zout en notemuskaat.

76. Gestoofde aardappelen. Men kan spek uitbakken en in dat nat of in

rundervet de aardappelen stoven, met gesneden uijen, peper, zout en een

paar laurierbladen. Bij het opdoen giet men er een scheut azijn door.

77. Gebakken aardappelen. Om groente of vleesch netjes op te doen,

legt men er dikwijls gebakken aardappelen omheen op den schotel;

b. v. bij lamsbout of biefstuk is dit zeer gebruikelijk. Men zoekt

daarvoor kleine aardappelen uit, kookt ze met water en zout half gaar

en giet ze zeer droog af. Dan bruint men boter in eene vlakke pan en

legt de aardappelen daarin, naast elkander; men laat in de toegedekte

pan eerst de onderste helft lichtbruin worden en keert ze vervolgens

om, zoodat de andere helft onder komt te liggen. Hiervoor gebruike

men echter geene vork, omdat de aardappelen gaaf op tafel moeten

komen. Het vuur mag niet te heet zijn.

78. Geroerde aardappelen. De aardappelen worden gaar gekookt, fijn

gemaakt, door eene zeef gewreven en dan door elkaâr geroerd met melk,

boter, zout, peper en notemuskaat; men bestrooit ze bovenop met

gestooten beschuit en laat ze in den oven bruinen.--Als men ze uit

den schotel wil opdoen moet hij met boter besmeerd en met beschuit

bestrooid zijn.

79. Aardappelen met appelen. De aardappelen worden zeer gaar gekookt,

fijn gestampt en dan door elkaâr geroerd met tot moes gekookte zure

appelen en een goede hoeveelheid boter. Men kan, als de massa te

stijf is, er een weinig kokend water bijgieten, en ingeval de appelen

bijzonder zuur zijn, moet er wat suiker worden bijgevoegd. Er wordt

gestooten beschuit over den schotel gestrooid en dan laat men het

in den oven bruinen.--Men kan in dit geregt ook peren in plaats van

appelen gebruiken.

80. Aardappelballetjes. De aardappelen worden met het noodige zout

gaar gekookt, droog afgegoten en zeer fijn gewreven; dan klopt men

eenige eijeren met boter, melk en notemuskaat, en roert dit door de

aardappelen, waarvan men balletjes maakt, die men in gestooten beschuit

wentelt en daarna in de koekepan met boter bakt. Men presenteert ze

bij salade.

81. Aardappelbollen. Men legt een soepbord vol fijngemaakte gekookte

aardappelen op eene taartenplank, doet er 4 eijeren, met het wit,

4 lepels melk, 4 lepels gesmolten boter en een theelepeltje zout

bij, benevens wat tarwemeel. Dit alles kneedt men door elkander, en

voegt er zóólang meel bij, tot het een goed, rekbaar deeg is, waarin,

als men het doorsnijdt, zich geene gaatjes vertoonen. Hiervan maakt

men bollen als groote aardappelen, die men ongeveer tien minuten in

water met zout laat koken en dan afgegoten, in de koekepan met boter

bruin bakt. In den slagttijd, kan men de bollen in rollennat koken

en daarna met reuzel bakken.

82. Aardappelen in de schil. Men kan de aardappelen, die goed

afgeboend en gewasschen moeten zijn, met zout in water koken, dan

droog afgieten en ze in eene toegedekte terrine op tafel brengen;

de schil laat er zich dan gemakkelijk aftrekken, en men eet ze met

koude boter. Echter kan men ze, desverkiezende, ook braden; men

zet ze dan, met zout bestrooid, in een ijzeren pot droog te vuur en

sluit het deksel stevig, zoodat de wasem niet kan ontsnappen; zoo

moeten zij braden tot zij geheel gaar zijn en een ligt korstje hebben

gekregen. Men neemt hiervoor kleine aardappelen, zoogenaamde poters.

Keukenboek · 第 15 / 64 题