C. GROENTEN EN GEREGTEN VAN AARDAPPELEN.

1. Algemeene regelen. Wat het bewaren en schoonmaken van groenten

betreft, wordt de jonge huishoudster verwezen naar "de huisvrouw"

van de schrijfster dezer bladen, en zij die op het land wonen, kunnen

alle regelen van groentekweekerij in haar "tuinboek" vinden. Hier

worden alleen wenken gegeven omtrent het koken. De groenten, die toch

als voedingsmiddel eene belangrijke plaats bekleeden, worden dikwijls

bij de toebereiding zeer veronachtzaamd, en dus is het niet overbodig

om daarover het een en ander te zeggen. Dáár, waar men de groenten

over den haard afkookt, moet er op gelet worden, dat de vlam niet te

hoog om den pot slaat, omdat het kooksel dan een onaangenamen smaak

krijgt; en, op een spaaroven kokende, moet men zorgen dat het vuur

steeds gelijkmatig onderhouden worde. Alle wortelgewassen moeten

niet alleen vóór het schoonmaken goed gewasschen worden, maar ook

daarna nog eens worden afgespoeld; rapen en oude aardappelen laat

men zelfs nog nadat zij gesneden en geschild zijn, eene poos in het

water staan. Als men kokend water over het vuur heeft hangen, en de

hoeveelheid groente, die gekookt moet worden, groot is, dan doe men

niet alles te gelijk in den pot, omdat het water daardoor op eenmaal

te koud zou worden, en wachte telkens, vóórdat men er meer bijvoegt,

tot het weder aan de kook is. Op de helft van den kooktijd strooit

men het zout gelijkmatig verdeeld over de groente. Het afkoken moet

vlug en met den pot ongedekt geschieden; zoo mogelijk moet men het

bijgieten van water vermijden, maar, moet het gebeuren, dan zorge men

dat het water kokend zij. Om bij spinazie, raapstelen, enz. de groene

kleur te bewaren, moet men het zout er terstond bijvoegen en den pot

wel gedurende het koken openhouden, maar daarna de groente niet aan

de lucht blootstellen. Ingemaakte groente koke men den vorigen dag af

en zette ze des nachts in koud water, dat men den volgenden ochtend

nog eenige malen ververscht, tot het zout er uitgetrokken is; bij het

stoven doet men er een weinig versch zout in. Alle ingemaakte groenten

moeten met koud water worden overgehangen.--Het binden van sommige

groenten met meel of eijeren, mag eerst op het laatste oogenblik vóór

het opdisschen plaats hebben.--Men moet zeer voorzigtig waken tegen

het aanbranden, maar mogt dit soms gebeuren, dan mag men vooral niet

roeren, doch zoodra men het bemerkt, moet men de groente uit de pan in

eene andere overschudden en alles wat op den bodem vast is gehecht in

de oude pan laten blijven.--In het algemeen moet men bij het koken en

stoven de groenten luchtig behandelen en er niet meer dan hoog noodig

is in roeren, omdat zij dan ligt moesachtig worden, en dus doet men

beter om ze in de pan om te schudden. Hoeveel tijd er vereischt wordt

om verschillende soorten van groenten gaar te krijgen, is moeijelijk

te bepalen, daar dit zoowel van de hoedanigheid en hoeveelheid,

als ook van het vuur afhangt; in sommige recepten is dienaangaande

echter eenige bepaling opgegeven. De tijd voor het koken bestemd,

wordt dan gerekend van af het oogenblik dat het water, waar men de

groente in doet, kookt; voorts wordt verondersteld dat het vuur goed

onderhouden wordt.--Groenten die afgekookt worden kan men vooraf

zóó ver brengen, en ze dan, eer men ze stooft, gerust eenige uren

toegedekt laten staan.--Als men overgeschoten groente wil opwarmen

moet men ze niet op het vuur zetten, maar met de pan in eene grootere,

die met kokend water is gevuld, eenigen tijd laten opstaan.

2. Schorseneren. Men werpt de wortelen, zoodra zij zijn schoongemaakt,

in water, waardoor een weinig meel is geroerd, omdat zij dan blank

blijven. Daarna zet men ze met bouillon en boter te vuur, en laat ze

in kort nat, met bijvoeging van een weinig zout, dat er eerst laat

mag worden in gestrooid, gaar koken. Even vóór het opdoen schudt men

er gestampte beschuit en gestooten foelie doorheen. Men kan ze ook

nog op eene andere manier gereed maken en wel als volgt: zij worden

met kokend water opgezet en met een spijslepel wijnazijn, benevens

wat zout, gaargekookt; dan op een doorslag geschud. Vervolgens laat

men ze stoven met een lepel meel dat in boter gebruind en met bouillon

aangemengd is; men raspt er notemuskaat door en bindt ze bij het opdoen

met een eijerdoijer.--Men mag voor schorseneren nooit een metalen

pan gebruiken, daar zij dan blaauw worden; de tijd voor het koken is

2 of 2 1/2 uur. Zij kunnen worden voorgediend bij kalfsfricandeau,

fricadillen, kalfsgehakt of côteletten en jonge hoenders.

3. Brusselsche spruit- of roosjeskool. Men ontdoet de kool van de

harde bladeren en den stronk, maar zorgt daarbij dat de knopjes

in hun geheel blijven; zij worden daarna in kokend water met zout,

gedurende drie kwartier uurs zacht gekookt en dan voorzigtig met den

schuimspaan op een doorslag gelegd. Dan stooft men ze eenige minuten

met boter en voegt er, indien men ze heeft, wat bouillon bij; men roere

er vooral niet in, en raspe er bij het opdoen notemuskaat over. Een

zeer lekkere schotel is het ook als men er kastanjes door stooft,

die eerst afzonderlijk gekookt, gepeld en niet te fijn gemaakt moeten

worden.--Men geeft dit geregt bij ossentong en wildbraad.

4. Boerenkool. De bladeren worden goed van de stelen afgestroopt en

in ruim water gaargekookt, waarvoor 1 1/2 uur gevorderd wordt; men

giet ze af en als er in het voorjaar eene sterke lucht aan de kool

is, zet men haar daarna nog eenigen tijd in versch water. Dan wordt

zij op een doorslag sterk uitgedrukt en zeer fijn gehakt. Men kan de

kool dan met boter en reuzel stoven en er naar verkiezing aardappelen

doorroeren; ook kan men een stuk pekelspek koken in kort nat en de

gehakte kool daarin te zamen laten stoven.--Hierbij geeft men zeer

goed ham, gerookte rib of worst.

5. Koppen van spruit- of boerenkool. Deze zijn altijd iets fijner

dan de boerenkoolbladeren. Zij worden op dezelfde wijze toebereid.

6. Spinazie. De spinazie worde zoo vlug mogelijk 8 of 10 minuten lang

afgekookt, dan terstond in koud water gezet, op een doorslag goed

uitgedrukt en fijngehakt. Om ze te stoven voegt men er boter bij,

eene dikke snede wittebrood, die in melk geweekt en fijngewreven is,

benevens notemuskaat, die men er ook bij het opdoen overheen raspt. Men

bezet den schotel met smalle reepjes gebakken brood, of belegt den

rand met harde eijeren, die men over de lengte in achtsteparten heeft

gesneden. De tijd van stoven is een half of drie kwart uur. Als men

den volgenden dag ingemaakte snijboonen wil eten, zal men goed doen

met het water, waarin de spinazie is afgekookt te bewaren; de boonen

worden daarin bijzonder spoedig gaar.

7. Postelein wordt met het water, dat erbij het wasschen aan blijft

hangen, opgezet en gaargekookt; dan schept men ze met den schuimspaan

uit het nat en laat ze met boter stoven. Bij het opdoen bindt men de

saus met een eijerdoijer en raspt er notemuskaat overheen.

8. Rapenloof. De jonge hartblaadjes van rapen zijn zeer goed om te

gebruiken; men bereidt ze als boerenkool en laat ze vooral, na het

afkoken, nog wat in versch water uittrekken.

9. Melde moet na het afkoken een uur lang in koud water staan en

wordt verder behandeld als spinazie.

10. Zuring wordt evenals postelein gesmolten met het water dat er bij

het wasschen blijft aanhangen; als zij gaar is giet men het overtollige

nat er af, en stooft ze met boter en notemuskaat. Men kan haar bij

het opdoen binden met een eijerdoijer en ze op tweederlei wijzen

voordienen; hetzij met sneedjes gebakken brood in den schotel, onder

de zuring; hetzij met gebakken eijeren (zoogenaamde kalfsoogen),

die men er boven op legt. Zuring is in een half uur gereed. Men

presenteert ze tegelijk met spinazie.

11. Aspersies. Men snijdt de koppen van de aspersies ter lengte van

een halven vinger en breekt er vervolgens nog twee of drie even lange

stukjes af, zoo lang men het gemakkelijk doen kan en de aspersies

niet taai zijn; de onderste stukjes schilt men dun af. Dan kookt men

de aspersies en voegt er gedurende het laatste kwartier de koppen

bij, die men afzonderlijk heeft gehouden. Als zij gaar zijn, giet

men er het water goed af en stooft ze met boter en wat zout, zeer

voorzigtig schuddende, opdat zij niet fijn worden; men bindt het nat

met eijerdoijers en raspt er notemuskaat bij het opdoen overheen. Den

rand van den schotel belegt men met doijers van hard gekookte eijeren.

12. Sleep-aspersies. De aspersies worden in bosjes gebonden en in

water, met zout, ruim gekookt, tot zij gaar zijn; maar niet te hard,

omdat de kopjes anders geheel verkoken. Als zij gaar zijn, worden de

bosjes op een ronden schotel gelegd, met de koppen naar het midden,

en dan de draden, waarmede zij gebonden zijn, doorgeknipt, zoodat men

ze netjes kan uitspreiden. Over het midden wordt notemuskaat geraspt

en men presenteert er gewelde boter en harde eijerdoijers bij. Deze

groente geeft men bij kalfsvleesch of wit gebraad.

13. Aspersies met wortelen. Men neemt evenveel aspersies als wortelen,

laat de laatsten een kwartier lang afzonderlijk koken, doet dan beiden

bij elkander en handelt verder als in No. 11 gezegd is.

14. Hop. De zeer jonge spruiten van hop worden in kleine bosjes

bijeengebonden, in water met zout gaargekookt, dan op een doorslag

gelegd en opgedaan. Men knipt de draden door, neemt ze weg en strooit

gestampte beschuit en notemuskaat over de hop, die men met eijersaus

voordient.

15. Raapstelen. Van jonge raapstelen stroopt men het blad af, en de

stelen, aan stukjes gesneden zijnde, worden gaargekookt, dan op een

doorslag geschud en zoo sterk mogelijk uitgedrukt. Mogten zij reeds

wat ouder zijn, dan zet men ze na het afkoken nog eenigen tijd in koud

water. Vervolgens worden zij gestoofd met boter in meel fijngemaakt

en wat melk; men raspt er bij het opdoen notemuskaat over.

16. Meirapen. De rapen worden aan smalle reepjes gesneden en gaar

gekookt; men laat ze daarna goed uitdruipen en stooft ze met een weinig

melk, met boter in meel gekneed en zout. Men raspt er notemuskaat

overheen. Als het loof nog zeer jong is, zijn de hartblaadjes mede

zeer goed om bij de rapen te gebruiken.

17. Julienne. Gesnipperde meirapen, jonge worteltjes, seldery en

gehakte uijen fruit men met boter in eene casserol, dan voegt men

er doperwten, bloemkool en kropsalade bij (de beide laatsten vooraf

gekookt), en giet er dan bouillon van 6 ons kalfsvleesch over,

waarmede men het anderhalf uur laat koken. Men legt bij het opdoen

een bal kalfsgehakt midden op den schotel.

18. Doperwten. De erwten worden ruim in water gekookt, dan afgegoten,

en bij het opdoen schudt men er een weinig zout door. Sommigen

verkiezen er gehakte pieterselie door en een weinig suiker. Men dient

er gewelde boter bij, en kan er dan een schaaltje met pieterselie

bij laten rondgaan.

Eene andere manier om erwten te koken is door damp. Men bedient zich

hiertoe van eene blikken bus, waarin een tweede bus hangt, die half

zoo hoog is als de buitenste, en waarvan de bodem met zeer fijne

gaatjes is doorgeslagen. In de binnenste bus legt men de erwten,

en de onderste ruimte vult men met warm water, waarna men ze, goed

gesloten, koken laat, tot zij gaar zijn.

19. Jonge wortelen. De wortelen moeten twee uren vóór dat ze op

tafel komen, met zeer weinig water en wat zout worden opgezet en

zacht koken. Anderhalf uur later voegt men er boter bij en, als de

wortelen zelf niet zoet zijn, ook een weinig suiker; de pieterselie

wordt er even vóór het opdoen doorgeschud.

20. Suikerpeulen. Men zet de peulen met zeer weinig kokend water op,

laat ze daarmede zachtjes koken en doet er, als zij zacht worden,

wat zout, boter en suiker bij, waarmede men ze nog een half uur laat

doorstoven. In twee uren zijn zij gereed.

21. Tuin- of groote boonen, ook wel roomsche of boerenboonen genoemd,

moeten in kokend water worden opgezet, en daarin ongedekt koken, tot

zij zinken; dan zijn zij gaar. Vervolgens schudt men ze op een doorslag

en giet er eene kan koud water over (zijn de boonen reeds wat oud, dan

laat men ze eenigen tijd in koud water staan), waarna men ze stooft

met boter en wat melk, desverkiezende ook met gehakte pieterselie,

of boonenkruid. De boonen zijn fijner van smaak als men de steeltjes

waarmede zij aan den schil zijn vastgegroeid er afneemt. Men kan ook

spek uitbraden en de vooruit afgekookte boonen in dat spekvet stoven;

zij worden dan met de dobbelsteentjes spek, dooreengemengd, opgedaan.

22. Koolrapen. De rapen worden aan reepjes gesnipperd, alle harde

stukjes er goed uitgesneden, en dan kookt men ze ruim af; zoo lang

het groen zeer jong is, kan men de hartblaadjes fijn gesneden

ook afzonderlijk afkoken. Men stooft daarna alles te zamen, met

bijvoeging van zout, boter, melk en notemuskaat, benevens een weinig

suiker. Somtijds stooft men de blaadjes afzonderlijk en legt ze

bij het opdoen als een krans op de rapen. Men kan de rapen ook zeer

goed stoven met reuzel en met aardappelen door elkander; de laatsten

worden, als men de rapen te stoven zet, onder in de pan gelegd. Als

de rapen reeds oud zijn, is het goed dat zij den avond vóór dat men

ze gebruiken wil, worden schoongemaakt en een nacht in water blijven

staan. Zij moeten anderhalf uur koken en één uur stoven.

23. Gevulde rapen. De rapen worden afgeschild, zoodat zij niet hoekig

zijn, maar een goeden ronden vorm behouden; dan snijdt men er eene

schijf glad af en holt elke raap zooveel mogelijk uit. Men zet ze

daarop, met de afgesneden schijven gedurende een nacht in het water

om uit te trekken en kookt ze den volgenden dag in water met zout

zeer ruim af. Vervolgens vult men ze met kalfsgehakt, dat niet te

stijf mag zijn, bindt de afgesneden schijven, als deksels, met eene

draad er op, en zet ze naast elkander in eene platte pan te stoven,

met boter of kalfsbouillon, onder gestadig bedruipen. Bij het opdoen

snijdt men de draden los, roert een weinig witten wijn, wat foelie en

eenige citroenschijven door het nat, dat men met een paar eijerdoijers

bindt en over de rapen giet.

24. Bloemkool. Als de bloemkool is schoongemaakt moet zij, zoo geen

nacht, dan ten minsten eenige uren lang in het water staan. Dan wordt

zij in kokend water met zout opgezet en gaar gekookt, doch langzaam,

om het beschadigen van de bloem te voorkomen; daarom moet zij ook

zeer voorzigtig met een schuimspaan op het doorslag worden gelegd,

om uit te druipen. Men dekt ze toe, en legt ze bij het opdoen zóó,

dat de bloem regtop staat, waarna men er de saus overgiet.--Men

verkiest de kool ook wel met boter of jus gestoofd te gebruiken,

in ieder geval raspt men er eene goede hoeveelheid notemuskaat over.

25. Artisjokken moeten digt aan den steel afgesneden en de harde

bladeren weggenomen worden; voorts worden zij zorgvuldig gewasschen

en eenigen tijd in koud water gelegd. Men kookt ze gedurende 2 of 3

uren in water met zout, neemt dan het dradige gedeelte van het hart

af en presenteert ze met zoet-zure saus. (Zie hoofdstuk sausen.)

26. Maïs, als groente. Om maïs als groente te gebruiken, moet men

het plukken als de korrels wel reeds goed gevormd, maar toch nog wit

en zacht zijn. Men ontdoet ze van de bladeren en het zijdeachtige

omkleedsel, waarna men ze in water met zout gaar kookt en zoo, warm,

met gewelde boter presenteert. Soms worden de kolven, na het afkoken,

in de lengte doorgesneden en met boter op den rooster gebraden.

27. Heerenboonen, ook wel princessen-, salade- of aspersieboonen

genoemd, worden goed afgehaald, tweemaal van onder naar boven

en tweemaal omgekeerd; vervolgens gebroken, gewasschen en dan in

kokend water opgezet en gaar gekookt, terwijl op de helft van den

kooktijd het zout er eerst mag worden bijgevoegd. Men schudt ze op

een doorslag en stooft ze daarna met boter en pieterselie en bindt ze

met een weinigje meel. Ook kan men ze warm uit het water opdisschen

en geven er eijersaus bij. De boonen moeten anderhalf uur koken en

een half uur stoven.

28. Snijboonen. De boonen worden viermaal afgehaald, gewasschen en

fijn gesneden. Men kookt ze niet af, maar zet ze met bijna geen water

op het vuur; als ze half gaar zijn, voegt men er de boter en het zout

bij, benevens een weinig suiker, en laat ze langzaam doorstoven. Er

zijn 2 à 3 uren noodig om ze goed te bereiden.

29. Harlekijn. De napluk van snijboonen, die reeds eenigzins te hard

zijn geworden om te stoven, kunnen zeer goed gebruikt worden op de

volgende wijze: Een stuk pekelspek of ham, mits het niet gerookt,

maar gedroogd zij, wordt half gaar gekookt, en dan voegt men er de

gesneden snijboonen, half zooveel gesnipperde gele wortelen en witte

boonen bij; men laat het weder doorkoken en iets later doet men er

goed geschilde, in vierdeparten gesneden peren, gesnipperde appelen,

benevens aardappelen en het noodige zout bij. Men kookt het gedurende

2 1/2 uur en, bij gebrek aan appelen, giet men een scheutje azijn

bij de groenten.

30. Savoyekool. Als de kool van de buitenste bladeren is ontdaan,

snijdt men de krop door midden en, als de stronken er uitgenomen

zijn, in stukken, die men wascht en dan in water met zout, ruim en

schielijk laat koken. De kool moet dan op een doorslag uitdruipen,

en wordt vervolgens met bouillon, of boter en notemuskaat gestoofd;

wat melk of room maakt haar bijzonder malsch.

Men kan van savoyekool ook een zeer lekkeren schotel maken op

de volgende wijze: Een eendvogel, met schijven spek, of een bal

kalfsgehakt, worde gebraden, dan legt men dit vleesch in een schotel

(waarmede het op tafel moet komen) met de afgekookte kool aan vierde-

of achtsteparten gesneden en voegt nog een paar kopjes water bij de

jus, terwijl men zout tusschen, en gestooten beschuit over de kool

strooit. De schotel wordt toegedekt, maar tusschenbeide moet men de

kool bedruipen en alles zoo, gedurende ruim 1 1/2 uur, op een zacht

vuur laten smoren.

31. Roode kool. De buitenste bladeren en de grootste stronken worden

weggenomen en voorts de kool zeer fijn gesneden. Men zet haar op

met zeer weinig water, op een zacht vuur, en als zij half gaar is,

voegt men er het zout en de boter bij, benevens eenige gestooten

kruidnagelen en het een of ander om er een rinschen smaak aan te

geven. Hiertoe kan men zich bedienen van een scheut azijn, van een

paar gesnipperde zure appelen, of een een glas rood bessennat, naar

verkiezing; men moet er dan ook een weinig suiker in doen. De kool

mag niet geroerd, maar moet geschud worden en is in ruim 2 uren gereed.

Keukenboek · 第 12 / 64 题