32. Kappertjes kool kan men als roode- of als witte kool behandelen.

33. Witte kool. De kool wordt in stukken gesneden, in kokend water,

ongedekt, zoo schielijk mogelijk afgekookt en dan op een doorslag

geschept. Dan zet men ze te stoven met zout, reuzel en aardappelen

onder in de pan, die er later worden doorgeroerd, of, desverkiezende

zonder aardappelen en met boter; in allen geval strooit men er

eenige gestampte nagelen tusschen.--Witte kool kan ook, nadat zij is

afgekookt, bij half gaar pekelvleesch worden gevoegd en als men haar

dan daarbij, tegelijk met kleine aardappelen, verder gaar laat koken,

is dit een smakelijk geregt.

34. Jagerkool. De witte kool wordt als roode gesneden en afgekookt;

men braadt spek uit en bindt die saus met wat meel, kruidt ze goed met

peper en voegt er wat azijn bij. Dan zet men aardappelen met weinig

water en wat zout te koken, en als zij goed aan de kook zijn, legt men

de kool er boven op, aan de kanten iets hooger dan in het midden, met

het noodige zout er op gestrooid; midden in giet men dan de speksaus

en laat alles goed toegedekt koken, tot men denkt dat de aardappelen

geheel gaar zijn. Als men bij het nazien ontdekt dat alles wel gaar

is, maar dat er nog te rijkelijk nat op is gebleven, laat men de pan

op een levendig vuur, open staan, om te verdampen. Dan wordt de kool

met de aardappelen dooreengeroerd en met versche braadworst opgedischt.

35. Gevulde kool. Men neemt groote bladeren van witte kool, snijdt er

de zwaarste ribben uit en kookt ze af; dan legt men op een schoonen

doek de bladeren in het rond, vrij dik op elkander; daarop kalfs-,

varkens-, of rundergehakt en weder wat koolbladeren, zoo, om en

om voortgaande, tot men het fatsoen van eene groote kool heeft

verkregen. Daarop bindt men den doek om alles heen digt en zet de

kool in bouillon, of bij gebrek daarvan in water met zout, zoodat

zij onderstaat, gedurende 2 uren te koken. Bij het opdoen neemt

men haar voorzigtig uit den doek en zet haar op den schotel met de

saus er over gegoten, die men op de volgende wijze gereedmaakt: Men

brandt wat meel en boter in de koekepan en roert dit in het nat, waar

men de kool heeft uitgenomen, voegt er wat notemuskaat of foelie en

een paar citroenschijven bij en bindt ten slotte de saus met eenige

eijerdoijers.

36. Gestoofde selderij. De knollen worden goed gewasschen, dan in

schijven gesneden en afgekookt, daarna stooft men ze in bouillon,

met zout, boter en notemuskaat, en om er eene schoone kleur aan te

geven, roert men ten slotte wat gebruind meel door de saus. Zij zijn

in 1 1/2 uur goed.

37. Gevulde selderij. Men rigte zich hierbij naar het recept van

gevulde rapen (zie No. 23).

38. Gestoofde uijen. De uijen moeten worden geschild, maar niet

gesneden en half gaar gekookt, zoodat men er het overtollige nat

kan afgieten. Vervolgens worden zij te stoven gezet (liefst in eene

aarden pan) met bouillon, boter, zout, foelie en gestooten beschuit;

naar verkiezing kan men er ook citroensap bijvoegen. Zij zijn in vijf

kwartiers gereed en worden zeer goed gepresenteerd bij rolpens.

39. Gefarceerde uijen. Uijen van de allergrootste soort schilt men

en snijdt er eene schijf af, die er als zij gevuld zijn, weder op

gebonden kan worden; zij worden half gaar gekookt en moeten goed

afdruipen. Men holt dan de uijen voorzigtig uit en vult ze met fijn

geprepareerd gehakt, waarna men ze toebindt. Zij worden vervolgens

even in gefruite boter gesmoord, en na verloop van 5 minuten, voegt

men daarbij bouillon, wat zout, peper, nagelen, een stukje foelie,

een paar laurierbladen en citroenschijven, benevens gestooten beschuit,

waarmede men ze te stoven zet, tot de farci gaar is, waarvoor omstreeks

een uur vereischt wordt. Dan worden de draden doorgesneden en de

uijen in de saus opgedaan.

40. Prei. Om prei te stoven handele men even als bij gestoofde uijen is

opgegeven (zie No. 38). Men kan ze ook gekookt geven, met rundvleesch

en aardappelen door elkander. Het vleesch moet in dobbelsteenen worden

gesneden en in kort nat 3 uren koken; gedurende het laatste uur voegt

men de prei, met de aardappelen en het noodige zout, er bij.

41. Prei met saus. De prei wordt in kleine stukken gesneden en, goed

gewasschen zijnde, in water met zout gaar gekookt en afgegoten. Dan

opgedaan met de volgende saus er over gegoten: Voor eene portie van

5 personen neemt men 2 eijerdoijers, een goed stuk boter, een lepel

meel, even zooveel melk, wat notemuskaat en zout; men klopt dit alles

door elkander tot het fijn en gelijk is en lengt het vervolgens aan

met vijf maatjes water; men voegt er voor den smaak eenige druppels

azijn bij, en roert het op het vuur tot het dik is. Het mag niet koken.

42. Prei met zuring. Men stooft de zuring volgens No. 10; de prei

wordt gekookt en afgegoten, en daarna laat men beide groenten te zamen

nog wat doorstoven. Indien men de zuring met eijerdoijers wil binden,

mag dit eerst op het laatste oogenblik, vóór het opdoen, geschieden.

43. Prei met brood. De prei wordt afgekookt en goed uitgedrukt;

dan legt men ze in een schoteltje, om en om, aan laagjes, met

gesmeerde sneedjes brood om te stoven. Men strooit er zout, peper en

notemuskaat tusschen en gestampte beschuit er overheen. Dit is een

van die huiselijke geregten, die op tafel worden gebragt in denzelfden

schotel, waarin zij zijn gestoofd.

44. Andijvie. De gele bladeren worden aan stukken gesneden, goed

gewasschen, ruim afgekookt en goed uitgedrukt. Dan zet men ze te

stoven met boter, of jus, zout en notemuskaat. Men presenteert er

citroen bij, en kan deze groente geven bij alle fijne vleeschsoorten.

45. Kropsalade. De salade wordt goed gewasschen ruim afgekookt, daarna,

als zij niet zeer jong meer is, een uur lang in koud water gezet,

droog uitgedrukt en fijn gehakt. Men kan ze vervolgens stoven met

boter, zout en een weinig melk; men kan er ook zuring doorstoven, of

ze ook aan kropjes voordienen. Hiertoe plukt men de buitenste bladen

van de krop af en laat de hartjes in hun geheel afkoken. Men maakt

dan de binnenste bladeren een weinig los, legt in ieder kropje een

balletje kalfsgehakt, en zet ze vervolgens in een schoteltje langzaam

te stoven, met bijvoeging van jus, boter, zout en notemuskaat; ook

strooit men er gestampte beschuit over. Naar verkiezing brengt men

ze in denzelfden schotel op tafel, of doet ze op.

46. Komkommers. Men neemt gave komkommers, schilt ze, snijdt ze aan

niet al te kleine stukken, neemt het zaad er uit, en laat ze dan gaar

worden in water met zout, dat men aan de kook heeft gemaakt. Dan legt

men ze op een vergiet, bruint wat meel met boter, roert er een weinig

melk en wat noot door en laat hierin de komkommers nog een kwartier

stoven.--Ook kan men ze stoven in bouillon met bijvoeging van wat

boter, foelie, en gestooten beschuit, die in de koekepan gefruit is.

47. Champignons. Als de champignons volgens A, No. 12 zijn schoon

gemaakt, zet men ze, in een aarden pot, met wat bouillon, boter en

notemuskaat op het vuur, en laat ze, goed toegedekt, een half uur

langzaam koken. Dan brengt men ze aan het stoven met een gestooten

beschuit, wat citroensap en een weinig aardappelmeel er doorgeroerd,

men bindt de saus later met een eijerdoijer. Bij wit vleesch en

gevogelte te geven.

48. Gebraden champignons. Uit de goed gewasschen champignons wordt de

stengel genomen, en in de opening die daardoor ontstaat, wordt een

kluitje boter met wat peper en zout gestoken; men braadt ze daarop

eenige minuten lang in boter.

49. Winterwortelen. Deze worden niet geschrapt, maar dun geschild en

aan reepjes gesneden; men fruit eenige uijen in de koekepan, roert daar

een lepeltje meel door en het noodige zout, voegt het bij de wortelen

en giet er een weinig kokend water op. Zoo laat men ze goed gaar koken,

en schudt er bij het opdoen boter en gehakte pieterselie door.

50. Winterwortelen met appelen. De gesnipperde wortelen zet men

met een weinig kokend water te vuur, laat ze half gaar worden, en

voegt er dan zout en reuzel bij, benevens eenige zure appelen, waar

de klokhuizen goed uitgesneden zijn, en een weinig suiker. Daarmede

laat men de wortelen geheel gaar stoven. Tegen 5 of 6 deelen wortelen

neemt men 1 deel appelen.

51. Hutspot. De wortelen worden aan stukken gesneden en met weinig

kokend water half gaar gekookt; dan doet men er fijn gesneden uijen,

aardappelen, boter, of reuzel en zout bij en laat alles, door elkaâr

geroerd, een uur stoven.

52. Bieten. De bieten moeten worden afgeboend en de bladeren er

afgesneden, zonder den wortel zelven te kwetsen. Men hangt ze met

koud water op en laat ze 1 1/2 uur goed koken; dan giet men ze, met

het kokende nat er bij, in een pot, dien men goed sluit en waarin

zij verder moeten gaar broeijen; men laat ze er geheel koud in worden.

53. Bieten met uijen. De bieten gekookt zijnde, zoo als in No. 52 is

gezegd, worden aan stukken gesneden; groote uijen worden insgelijks aan

schijven gesneden, en men legt beiden, laag om laag, in een schoteltje,

met bijvoeging van zout, peper, boter en wat azijn, zoo laat men het

stoven en brengt het in denzelfden schotel op tafel.

54. Uijen met aardappelen. De uijen worden gesneden en afgekookt;

als zij afgegoten zijn, zet men ze te stoven, met aardappelen, reuzel

of boter, peper, zout en azijn.

55. Ingemaakte groote boonen. Zij worden den avond vóór dat men ze

gebruiken wil, in water gezet, en dit moet men 's ochtends nog een

paar malen ververschen. Men kookt ze dan af in water en melk; zij

worden voorts gestoofd als versche boonen en zijn daarvan als zij

gereed zijn, naauwelijks te onderscheiden.

56. Gele herfstrapen. Zij worden gesnipperd, afgekookt en dan

langzaam gestoofd met boter, zout, wat melk en een weinig suiker;

bij het opdoen raspt men er notemuskaat over.

57. Lange fransche rapen. De rapen worden geschild en aan stukken

gesneden; men behoeft ze niet af te koken, maar zij kunnen met een

weinig water te vuur worden gezet. Als zij half gaar zijn, voegt men

er aardappelen bij en stooft alles te zamen met boter en wat melk. Bij

het opdoen raspt men er notemuskaat over.

Keukenboek · 第 13 / 64 题