HET BEWAREN VAN ALLERLEI VOORRAAD VOOR KEUKEN EN KELDER.

Versch vleesch blijft in den winter het langste goed als men het op

eene luchtige plaats ophangt; des zomers in den kelder op de steenen

gelegd en, kan het zijn, in brandnetels gewikkeld.

Gerookte hammen en worsten omwoelt men met zeer droog stroo, naait

ze in linnen zakken en hangt ze, op eene koele, luchtige plaats op.

Patrijzen kan men verscheiden weken onbedorven bewaren, als men ze,

zoodra zij geschoten zijn, ongeplukt, diep in den haver steekt.

Aardappelen. Het al te sterke kiemen ontneemt den smaak aan de

aardappelen, en dus is het goed om ze in het voorjaar van tijd tot

tijd te verleggen.

Winter wortelen. De wortelen die men het langste wil bewaren moet men

onder aardappelen leggen, en men zal ze dan in het voorjaar nog frisch

en sappig vinden; ook blijven zij zeer goed als men er vlasstoppels

tusschen legt.

Koolrapen worden bewaard door ze, laag om laag, met zand op te

stapelen.

Roode en witte kool. Men graaft een kuil in den grond, waarin men

de koolen het onderste boven naast elkander plaatst, dan bedekt men

ze met aard, zóó, dat de stronk er even boven uitsteekt: Zoo kan men

ze, door de vorst heen, tot het voorjaar bewaren. In de stad wonende,

doet men best met ze, zoolang het niet vriest, op een zolder te leggen

en ze bij invallende vorst, in den kelder te bergen.

Rapen worden het best in den grond gekuild bewaard; ook blijven zij

buiten onder eene dikke stroobedekking goed.

Uijen moeten, zonder dat er iets van het loof wordt afgesneden,

op eene luchtige plaats worden uitgespreid om te droogen. Begint

het te vriezen, dan moeten zij op een hoop worden geschoven en men

kan ze rustig laten liggen. De ondervinding heeft geleerd dat zij,

op zulk eene wijze bewaard, tot April of Mei goed blijven.

Aspersies. Als men niet zooveel aspersiebedden heeft dat men op één

dag genoeg voor een maal kan steken, dan blijven de gestoken aspergies

zeer goed als men ze, op eene beschaduwde plaats, onder de aarde legt;

ook kan men ze twee of drie dagen in den kelder in koud water goed

houden, mits het water éénmaal ververscht worde.

Appelen en peren blijven het best als men ze op een droogen dag plukt;

zij mogen niet afgeschud worden, omdat zij door het vallen plekken

krijgen, die zeer ligt tot verrotting overgaan.--Als men een droogen,

luchtigen kelder heeft, kan men ze terstond op latten, met den steel

naar onderen, digt naast elkander leggen; anders is het geraden om ze

op eene ruime plaats eenige weken te laten uitdampen. Men moet vooral

niet verzuimen om ze na te zien, en iedere vrucht die aangestoken is

oogenblikkelijk weg te nemen.

Versche pruimen, die men lang bewaren wil, moet men op een zonnigen

dag, met handschoenen aan de handen, plukken en ze in een nieuwen

steenen pot leggen, waarin nog nooit water is geweest. Men bindt

er eene drooge blaas overheen en legt een platten steen, die een

geruimen tijd in de zon heeft gestaan, op den pot, dien men daarna

rondom en bovenop geheel met droog zand bedekt. Men moet natuurlijk

zeer gave pruimen nemen, die niet in het minste beschadigd zijn;

zij blijven dan tot ver in het najaar goed, maar daar zij, als de

pot éénmaal geopend is, spoedig gebruikt moeten worden, is het goed

om eenige kleine potten te vullen, in de plaats van één grooten.

Druiven blijven zeer goed, als men den afgesneden steel met lak digt

maakt en de trossen dan over gespannen draden, op eene tochtige plaats,

ophangt, zonder dat zij elkander aanraken.

Eijeren moet men in een pot of vat leggen en er dun kalkwater over

gieten, zóó dat zij geheel onderliggen. Men zet ze ergens waar het

niet vriest en dan blijven zij den geheelen winter goed, vooral

om te bakken, want voor het koken is er dit bezwaar aan verbonden,

dat op het laatst door de werking van de kalk, de schaal bros wordt

en dus in kokend water zeer ligt springt. Men kan ook de eijeren met

olie of talk bestrijken om ze te bewaren. In allen geval moet men er

zeker van wezen, dat de eijeren zeer versch zijn.

Meel bewaart men het best in een zak opgehangen, of in een openstaand

vat, waarin men tusschenbeide, met een stokje, tot op den bodem,

luchtgaten steekt.

Keukenboek · 第 9 / 64 题