beroemdste helden, van wie de legenden gewagen. Later werd hij heros
d.i. halfgod. Zijne twaalf groote werken zijn bekend.
[199] Ageladas—want dit is de gewone schrijfwijze—was een beroemd
beeldhouwer te Argos. Hij was de leermeester van Phidias, Myron van
Eleutharae en Polycletus van Sicyon. Zijn eerste onderricht echter in
de beeldhouwkunst genoot Phidias van Hegias te Athene.
[200] De lezer herinnere zich dat op de bruiloft van Peleus en de
zeegodin Thetis alle Godheden genoodigd waren, behalve Eris, de Godin
van den haat. Om zich te wreken wierp Eris in de bruiloftszaal een
gouden appel met het opschrift „voor de schoonste”; Aphrodite, Hera en
Athene maakten ieder aanspraak op dien prijs. Paris, de zoon van
Priamus, werd tot scheidsrechter benoemd, en deze, verlokt door
Aphrodite’s belofte hem de schoonste vrouw ter wereld als belooning te
geven, kende haar den prijs toe. Deze vrouw was Helena, de gade van
koning Menelaüs.
[201] De hoorn van Amalthea beteekent zooveel als de hoorn des
overvloeds. De reden hiervan is deze: Amalthea is de naam eener geit,
die Zeus op Creta, toen hij door zijne moeder voor Cronos (Saturnus)
verborgen werd zoogde. Tot loon daarvoor werd zij onder de sterren
opgenomen. Zeus ontnam de geit één hoorn en gaf dien aan de dochters
van Melisseus, die Rhea hadden bijgestaan, en vulde dien met alle
mogelijke zegeningen en goede gaven.
Eene andere lezing is, dat Amalthea eene nimf is, die met de melk eener
geit Zeus voedde.
[202] Prometheus, de weldoener der menschheid, ontstal den Goden het
vuur en opende daardoor in menschen eene bron van eindeloos geluk. Tot
straf deed Zeus hem door Bia (de kracht) en Kratos (het geweld) aan
eene rots in den Caucasus nagelen, waar een arend telkens zijne lever,
die steeds weder aangroeide, kwam verslinden. Toch boog Prometheus zijn
trots niet, toch bleef hij in opstand tegen de machtige Goden. V.d.
beteekent Prometheïsch: onbuigzaam, onwrikbaar.
[203] Tot recht verstand van dit hoofdstuk is het niet overbodig,
kortelijk den inhoud van Sophocles’ Antigone mede te deelen. Polynices,
de broeder van Antigone, is, als vijand zijner vaderstad, voor de muren
van Troje gesneuveld. Creon, koning van Thebe, heeft een verbod
uitgevaardigd op straffe des doods, dat het lijk van Polynices
onbegraven ten prooi der honden zal blijven. Antigone waagt het lijk
haars broeders te begraven. Voor Creon gebracht, bekent zij hare daad
en zegt meer eerbied aan de Goden dan aan de menschen verschuldigd te
zijn. Antigone wordt opgesloten in eene onderaardsche grot, waar zij
zich van het leven berooft. Haemon, Creon’s jongste zoon, de verloofde
van Antigone, stoot zich het zwaard door de borst. Op het hooren van
die tijding berooft Eurydice, Creon’s echtgenoote, zich van het leven,
haar echtgenoot vervloekende. Het geheele stuk wordt afgewisseld door
prachtige reizangen.
[204] Elaphebolion is de maand, die loopt van half Maart tot half
April. In die maand werden de Elapheboliën gevierd, d.i. de feesten ter
eere van de hertenjacht. Elaphebolos beteekent: hertendoodend.
[205] Euripides is de derde der beroemde Grieksche treurspeldichters.
Evenwel hij is de minste onder hen. Zijn vader heette Maesarchus en
zijne moeder Clito, eene groentevrouw; hij zou juist op den dag der
overwinning bij Salamis (480) geboren zijn. De dialoog in zijne stukken
is dikwijls zeer wijsgeerig.—Vooral door Aristophanes wordt hij zeer
bespot. Hij stierf nog vóór Sophocles in 406 v. C. Van zijne stukken
zijn ons de namen van 75 bekend, doch slechts 18 hebben wij er over,
waaronder een satyr-drama en een stuk Rhesus, dat misschien niet van
hem is. Hij zou door honden zijn verscheurd. Archelaüs heeft te
Arethusa een monument voor hem opgericht; eveneens deden de Atheners in
hunne stad.
[206] Cratinus leefde van 520–424 en was de stichter der komedie. Zijne
Pytine, de flesch, waarin hij tegen Aristophanes vooral te velde trekt,
is het meest bekend. Hij is beroemd om zijne vinnigheid en sarcasme.
[207] Choregos is eigenlijk de aanvoerder van een koor, ook hij die de
kosten voor de opvoering van een koor (choregie) draagt.
[208] Pytho is een draak, die het Delphisch orakel bewaakte; hij werd
door Apollo geveld. Volgens de sage, stelde Apollo daarna te Delphi de
Pythische feesten in. Met de Olympische, Isthmische en Nemeïsche spelen
waren zij de beroemdste nationale spelen in Griekenland.
[209] De cothurnus is eigenlijk eene hooge jachtlaars, ook op het
tooneel in het treurspel gebruikt, om grooter te schijnen.
[210] Halicarnassus was een der beroemdste steden van Klein-Azië in
Ionië.
[211] De Lenaeën is een feest ter eere van Dionysus (Bacchus) gevierd;
de naam is afgeleid van het Grieksche lenos, dat wijnpers beteekent.
[212] In de tragedies van Euripides is eene afkeer van de vrouwen
duidelijk merkbaar. Men zegt, dat de treurige ervaring bij zijne beide
vrouwen Melito en Choerile opgedaan den dichter tot die sombere
beschouwing hebben geleid. Vandaar kreeg hij den bijnaam „de
vrouwenhater.”
[213] Philoctetes, zoon van Poeas en Demonassa trok op tegen Ilium.
Wegens eene verpestende wonde aan de voet, ten gevolge van een
slangenbeet, werd hij door de Grieken op het eiland Lemnos
achtergelaten. Hij bezat echter den boog en pijlen van Hercules zonder
welke, zoo had Helenus geprofeteerd, Troje niet kon genomen worden. Na
negen jaren op het eiland te hebben doorgebracht, kwamen Odysseus en
Diomedus of Neoptolemus (volgens Sophocles) om hem naar Ilium te
voeren. Na veel tegenstand gelukte het hun, en door bemiddeling van
Philoctetes werd Ilium genomen.
Sophocles behandelt deze geschiedenis, voor een deel althans, in zijn
„Philoctetes.”
[214] Protagonistes was de persoon die de hoofdrol, denteragonistes
hij, die de tweede rol vervult, terwijl tritagonistes genoemd wordt
degene, die in de derde rol optreedt.
[215] Electra, de dochter van Agamemnon en Clytemnaestra, naar wie een
treurspel van Sophocles geheeten is.
[216] Orestes, die eerst dood gewaand, later door Electra herkend
wordt. Te samen dooden zij hun moeder Clytemnaestra, de moordenares
huns vaders. Ook van Euripides bestaat een treurspel „Electra”
geheeten.
[217] Zie Inleiding pag V. Aiax, woedend om die nederlaag richt eene
vreeselijke slachting aan onder de runderen, meenende dat het Grieken
waren. Daarop stortte hij zich in zijn zwaard.
[218] Soph. Aiax vs. 794 en v.v.
[219] De zon. De volgende verzen vindt men in Sophocles Aiax vs. 823 en
v.v.
[220] Ismene is de zuster van Antigone, die te vreesachtig is om deze
te helpen in haar vromen plicht. Toch wordt zij door Creon ter dood
veroordeeld, doch ontvangt, tegen haar zin, genade.
[221] Dionysus (Bacchus).
[222] Didaskalos beteekent eigenlijk leermeester, ook hij, die een
tooneelstuk laat instudeeren, de koormeester.
Het komt ook wel voor in de beteekenis van: de dichter van het
tooneelstuk.
[223] Eigenlijk: de dansplaats; voorts de plaats in den Atheenschen
schouwburg tusschen het tooneel en de amphitheatersgewijze oploopende
zitplaatsen.
[224] Omphale, de dochter van den Lydischen koning Iardanes en gemalin
van Tmolus, verbond zich na den dood van dezen met Heracles of Hercules
en baarde hem een zoon. Eene latere sage is er, dat Heracles door haar
verwijfd is geworden en vrouwelijke handwerken leerde, terwijl Omphale
de wapenen des oorlogs hanteerde. Ongetwijfeld doelt Hamerling hier op
deze laatste legende, ze toepassende op Pericles en Aspasia.
[225] Agonothetes is een insteller van den wedstrijd, ook een opzichter
en rechter daarvan.
[226] Mastigophoros is eigenlijk een zweep of geeseldrager; vandaar een
lager bediende, die met zweep of geesel de orde handhaaft.
[227] Oedipus, de zoon van Laïus, was gesproten uit het geslacht der
Labdaciden, dat aan Labdacus, den vader van Laïus, zijn naam ontleende.
[228] Thespis te Icaria, een Attisch vlek, geboren, wordt de eigenlijke
stichter der tragedie genoemd. Hij had de gewoonte ingevoerd, dat de
reiaanvoerder bij afwisseling het een of ander verhaal uit het goden-
of helden-epos voordroeg. Onwaarschijnlijk echter is het verhaal, dat
Thespis op een wagen een tooneel had ingericht; vanwaar de uitdrukking,
die de schrijver hier gebruikt echter afkomstig is. Horatius bezigt het
eerst de uitdrukking: „kar van Thespis.”
Van Thespis is niet één stuk meer overgebleven.
[229] Behalve hetgeen de schrijver aangaande Protagoras mededeelt, is
het nog vermeldenswaard, dat Protagoras voor een leerling gehouden
wordt van Democritus, wiens atomenleer hij echter niet toegedaan was.
Protagoras, van atheïsme (asebia) beschuldigd, moest Athene verlaten en
zijne geschriften werden openlijk verbrand. Zijne hoofdstelling is: de
mensch is de maat van alles.
Men wil dat hij op zeventigjarigen ouderdom verdronken is.
[230] Hippocrates was de beroemdste arts der Oudheid, omstreeks 460 v.
C. op het eiland Cos geboren, zoon van Heraclides en Phaenarete. Door
zijn vader, arts en priester in het geslacht der Asclepiaden,
onderricht, verliet Hippocrates zijn vaderland, hield zich geruimen
tijd op Thasos en in Tessalië op en, naar men beweert, zou hij in 377
te Larissa gestorven zijn, waar een grafteeken voor hem werd opgericht.
De talrijke geschriften, die onder zijn naam tot ons gekomen zijn, zijn
niet alle echt. Veel moet op rekening gesteld worden van zijne zonen
Thessalus en Draco, zijn schoonzoon Polybus en latere geneesheeren uit
den tijd der Ptolomaeën. Hippocrates was tevens een uitstekend
wiskundige.
[231] Abdera, aan de monding van den Nestus, omstreeks 656 v. C.
gegrondvest, was befaamd om de stompzinnigheid zijner inwoners.
Hippocrates zocht de oorzaak daarvan in hunne verwijfdheid. V.d. dat
„Abderiet” een scheldnaam is, één of beide deze eigenschappen
uitdrukkende.
[232] Eene soort van zeevisch, eigenlijk thunnos geheeten.
[233] Muraena is een schoon gevlekte zeeaal, door de Ouden zeer hoog
gewaardeerd.
[234] Men plengde bij het einde van den hoofdmaaltijd òf aan den goeden
Geest (Daemon) òf aan de Gezondheid (Hugieia).
[235] Men herinnere zich, dat de Grieken vrij ongemanierd beentjes,
schillen enz. op den grond wierpen. Anders is deze uitdrukking moeilijk
te verstaan.
[236] Paëan is eigenlijk een plechtig, veelstemmig lied ter eere van
Apollo, om hem te smeeken eene ziekte af te wenden; v.d. komt het woord
voor als een bijnaam van den God: redder. Voorts beteekent het in het
algemeen: een zegezang, een loflied.
[237] Symposiarchos of koning van het symposion beteekent ongeveer
president van de tafel; we meenden dat woord het best door
ceremoniemeester over te zetten, daar zijne functiën vrij wel met die
van den titularis in onze dagen overeenkomen. Wij hebben de vrijheid
genomen van dit symposiarchos, naar het Grieksch, een vrouwelijke
symposiarche te vormen, omdat dit van vele andere ons nog het best
voldeed. Voorts houde men in het oog, dat symposion, hoewel eigenlijk
een drinkgelag, de eigenlijke maaltijd werd, waar de gasten door
muziek, dans en allerlei voorstellingen onderhouden werden.
[238] Prutaneion (Prytaneüm) is het openbare gebouw in de vrije
Grieksche steden, waarvan steeds het vuur werd onderhouden ter eere van
Hestia, de Godin van den huiselijken haard; te Athene mochten daarin de
prytanen (zie noot 1 pag. 76), de buitenlandsche gezanten en ook
verdienstelijke burgers spijzigen. Vandaar dat Socrates, gevraagd
zijnde welke straf hij zich waardig keurde, antwoordde: „In het
prytaneüm op staatskosten te worden onderhouden.”
[239] Thrax beteekent eigenlijk Thraciër; de slaaf werd zoo naar zijn
vaderland genoemd.
[240] De Sphinx, een monster met het lichaam van een leeuw en een
vrouwelijk hoofd, verscheen in de nabijheid van Thebe en stortte ieder
in den afgrond, die het raadsel niet kon oplossen: „Welk is het wezen,
dat ’s morgens op vier, ’s middags op twee en ’s avonds op drie voeten
gaat.” Oedipus loste het raadsel op, daar hij meende dat de mensch
bedoeld werd in zijne verschillende levensperioden.
[241] Herkeios beteekent: tot den hof, het huis behoorend; Zeus had,
als beschermer van het huis, in den voorhof zijn altaar; v.d. had hij
den bijnaam Herkeios, beschermgod des huizes.
[242] Hecate is de Godin van het maanlicht, soms ook van de
onderwereld, van verschijningen, spoken en betoovering; vooral op
kruiswegen werd zij vereerd. Zoo werd zij ook in de huizen aangeroepen,
om tooverij en dergelijke zaken af te weren.
[243] Agyieus beteekent beschermer der straten (aguia); Apollo als
beschermgod daarvan had een zuilvormig altaar voor de huisdeur, waarop
reukoffers gebrand werden.
[244] De Pyanepsiën was een feest te Athene ter eere van Apollo, waarop
men een gerecht van peulvruchten of boonen bereidde: de maand waarin
dat feest gevierd werd, heette Pyanepsion, dat is van half October tot
half November.
[245] Tartarus komt bij de oude dichters vooreerst als persoon voor
verbonden met Gaea, de vader van Typhoeüs. Voorts beteekent het: een
donkere afgrond en doorgaans, zooals hier, „de onderwereld”, „het
schimmenrijk”.
[246] Een daricus („Dara”, in ’t Perzisch, = vorst) bedroeg twintig
zilveren drachmen, ongeveer f9,—.
[247] Skoliën (eigenl. schuin, niet volgens de rij) is een lied, dat op
symposia bij beurten door de gasten gezongen werd: een tafellied.
[248] Lycurgus was Sparta’s beroemdste wetgever. Hij leefde ongeveer in
888 v. C. Na vele reizen gedaan en talrijke onderzoekingen in het werk
gesteld te hebben, keerde Lycurgus naar Sparta terug en gaf zijne
wetten in de „Rhetra” vervat.
[249] Krater is een „mengvat”; de Grieken dronken doorgaans met water
vermengden wijn; de verhouding van het water tot den wijn was
gewoonlijk als 3 : 1, soms als 2 : 1, zelden als 3 : 2. Het drinken van
onvermengden wijn achtte men een barbaar en drinker waardig.
[250] Priëne is eene stad in Ionië, bekend als de geboorteplaats van
Bias, een der zeven wijzen van Griekenland.
[251] Samos was de voornaamste stad van het eiland van dien naam.
[252] Onder de Eleatische school verstaat men die wijsgeerige school,
welke gesticht is door Xenophanes uit Colophon, die zich te Elea, eene
stad in Beneden-Italië, vestigde. Parmenides, Zeno en de hier genoemde
Melissus waren hare beroemdste vertegenwoordigers. Hunne hoofdstelling
was, dat het wezen des heelals één, ondeelbaar en onveranderlijk is;
dat dit alleen bestaat, terwijl de talrijke natuurverschijnselen
slechts voor de gedachte aanwezig zijn.
[253] Ares is de oorlogsgod, de zoon van Zeus en Hera, de Romeinsche
Mars.
[254] Trimetros beteekent uit drie maten bestaande, namelijk uit zes
voeten (= drie dipodieën) in den jambischen (iambus, eene korte syllabe
door eene lange gevolgd), trochaëschen (trochaeüs, eene lange syllabe
door eene korte gevolgd) en anapaestischen rhythmus (anapaestus, twee
korte syllaben door eene lange gevolgd); in de andere verssoorten
bestaat hij uit drie voeten.
Daar de trimetros bij de treurspeldichters zeer geliefd is, staat
„trimeters” hier gelijk met „verzen”.
[255] Themistocles was een der grootste veldheeren en staatslieden van
Athene. Hij was de zoon van Neocles en werd in 514 v. C. te Athene
geboren. Hij was de groote tegenstander van den onkreukbaren Aristides,
wien hij door het schervengerecht uit Athene verdreef. Hij was de
schepper der Atheensche zeemacht; deed de stad, die door de Perzen
verwoest was, herbouwen en versterken; verbond de stad met de haven
door lange muren, tot ook eindelijk hij door hetzelfde schervengerecht
werd verdreven (472) en zelfs van hoogverraad werd beschuldigd. Zijne
laatste levensjaren sleet hij bij den koning der Perzen, Artaxerxes,
die hem rijkelijk beloonde en eerde. Hij stierf in 461 v. C.
[256] Aeäciden zijn nakomelingen van Aeasus, den zoon van Zeus en
Aegina naar welke laatste het eiland (Oenone) geheeten werd, die op
Aegina als halfgod werd vereerd. Tot de beroemdste Aeäciden behoort
Achilles, de zoon van Peleus en Thetis.
[257] Euripos beteekent in het algemeen: zeeëngte, kanaal, in het
bijzonder echter de zeeëngte tusschen Euboeä en het vasteland.
[258] Slagorde.
[259] Catapulten en schorpioenen (scorpio) waren belegeringswerktuigen,
waarmede men steenen, pijlen enz. slingerde. De eerste schoten in
horizontale, de laatste in boogvormige richting.
[260] Dolphinus, in het Grieksch Delphis geheeten, was een
krijgswerktuig van de gedaante van een dolfijn, dat van ijzer of lood
gemaakt, door eene machine opgetrokken en vervolgens op een vijandelijk
schip geslingerd werd.
[261] Deze uitdrukking is woordelijk uit het Grieksch vertaald en komt
overeen met ons „enterhaken”.
[262] Het Grieksche pharthenos beteekent maagd.
[263] De Godin der gezondheid (Hygieia).
[264] Als zoodanig heeft Zeus den bijnaam: Soter.
[265] De uil was aan de Godin Pallas Athene gewijd.
[266] De naam Marathon-strijder (Marathonomachos) was zeer in zwang als
vereerende titel voor den dappere en onversaagde.
[267] Een Grieksch spreekwoord, ongeveer overeenkomende met ons: „als
de kat uit is, vieren de muizen feest,” moedig zijn als er geen gevaar
is, of iets dergelijks.
[268] Orgiastisch beteekent: bezield, bezeten, daar de Orgiën of
feesten ter eere van Dionysus zich door luidruchtigheid en
uitgelatenheid kenmerkten. Vergelijk noot 1 pag. 145.
[269] Mitra is in het algemeen een band, een hoofdband, die door de
Grieksche vrouwen gedragen werd; voorts een tulband, die door de
verwijfde Aziaten gedragen werd.
[270] Thales een der zeven Wijzen van Griekenland, leefde ongeveer 640
v. C. Hij zou het eerst eene zonsverduistering voorspeld hebben. Hij
verkondigde de leer, dat de stof eeuwig bezield en altijd in beweging
is.
[271] Herodotus „de vader der geschiedenis”, was te Halicarnassus in
Carië omstreeks 484 v. C. geboren. Hij maakte talrijke reizen. Zijne
ervaringen teekende hij op in negen boeken, die ieder naar eene der
Muzen zijn genoemd. Hij munt uit door eenvoud en liefelijkheid van
stijl. Herodotus stierf omstreeks 408 v. C., wellicht te Thurië, in
Beneden Italië.
[272] Vergelijk noot 1 pag. 32. Zeven plaatsen betwisten elkander de
eer Homerus te hebben voortgebracht. Te weten: Smyrna, Rhodos,
Colophon, Salamis, Chios, Argos, Athene.
[273] Hebe, de dochter van Zeus en Hera, de Godin der jeugd, dikwijls
als gemalin van Heracles voorkomende, was de schenkster der goden op
den Olympus.
[274] Cybele, ook Cybebe geheeten, was eene Phrygische Godin, de
personificatie van het weelderige leven der natuur. Zij wordt ook
geheeten: „de groote moeder der Goden” en dikwijls met Rhea
geïdentificeerd. Hare begeleiders waren de dolle Corybanten, haar
lieveling de jongeling Attis.
[275] De Sirenen waren zeemonsters, die door verleidelijke liederen de
voorbijvarenden tot zich lokten en hen dan doodden. Zij worden wel
voorgesteld als vrouwen met vogelklauwen en vleugels.
[276] Triton is de zoon van Poseidon en Amphitrite; vandaar in het
algemeen een zeegod. Zijn attribuut is de mosselschelp, waarop hij
blaast.
[277] Proteus was een zeegod, die de robben Poseidon weidde. Als zijn
verblijfplaats wordt het eiland Pharos, ook wel Karpathos, gemeld. Hij
had de gave zich in allerlei gedaanten te kunnen veranderen.
[278] Beschermgoden, geleigeesten, (genius.)
[279] De Pontus bijgenaamd Euxinus, de gastvrije, is de Zwarte zee,
vroeger om hare talrijke stormen Pentus Axinus, de onherbergzame,
geheeten.
[280] Psyche beteekent „ziel”. De fabel, juister de allegorie, waarop
hier door den schrijver gedoeld wordt, komt voor bij Apuleins, een
wijsgeerig schrijver die te Madaura in Numidië geboren was en lang te
Rome verkeerde (in de tweede eeuw na C.). De inhoud daarvan was de
volgende: Psyche eene koningsdochter was de schoonste van drie zusters,
zoodat zij zelfs voor Aphrodite werd gehouden. Deze, hierover
vertoornd, gelastte Eros een sterveling op haar te doen verlieven. Doch
deze werd zelf op haar verliefd. De vader raadpleegde Apollo
daaromtrent. Deze gaf de godspraak, dat men Psyche alleen op een berg
moest achterlaten, want dat zij de gade van een monster moest worden.
Dit geschiedde. Daar ontmoette zij telkens Eros in een paleis, dat voor
haar was verrezen. Nieuwsgierig haren beminde meer van nabij te zien,
naderde Psyche hem, ondanks zijn vroegere waarschuwing. Bij ongeluk
liet zij een droppel heete olie op zijn schouder vallen. Eros, die
sliep, ontwaakte en ontvlood haar. Troosteloos doolde Psyche overal
rond, totdat zij eindelijk bij Aphrodite kwam, die haar als slavin hard
behandelde. Nochtans steunde Eros haar in haren arbeid, zooals op haar
tocht naar Persephone, in het schimmenrijk, waar zij levenloos door den
benauwden damp ter neder stortte. Eros riep haar door aanraking zijner
pijl in het leven terug. Eindelijk werd Aphrodite verzoend. Psyche
ontving van Zeus de onsterfelijkheid en werd voor altijd met den
geliefde vereenigd. Zij baarde hem eene dochter Hedone, (Voluptas,
Cupido), het Genot. In deze allegorie wordt de onschuld, de val, de
boete geschilderd en de redding der ziel door de kracht der liefde.
[281] Halcyonen of Alcyonen zijn ijsvogels.
[282] Halcyonische dagen zijn eigenlijk de zeven dagen vóór en na den
kortsten dag, gedurende welke de ijsvogel zijn nest bouwt, daar de zee
dan vrij van stormen is. Daaruit is de Grieksche spreekwijze ontstaan,
beteekenende: kalme, diepe rust.
[283] Heroïne beteekent eigenlijk heldin, het vrouwelijke van heros;
voorts iedere voortreffelijke der stervelingen, eene halfgodin.
[284] Dido of Elissa nam Aeneas, die op zijn tocht van Troje naar
Italië door een vreeselijken storm geteisterd was, gastvrij op in het
door haar gestichte Cartago.
[285] Zie noot 2 pag. 259.
[286] Thyrsus is de staf der Bacchanten, die met klimop en
wijngaardloof omwonden was en uitliep in eene pijnboomnaald.
[287] Metalen bekkens.
[288] Eene pauk, eene tamboerijn, vooral bij de feesten ter eere van
Cybele in gebruik.
[289] Antaeüs was een reus, die zoodra hij zijne moeder, de aarde,
aanraakte, nieuwe kracht kreeg. Hercules doodde hem door hem boven den
grond te houden en zoo dood te drukken.
[290] De Nereïden zijn dochters van Nereus, een zeegod en Doris; zij
waren vijftig in getal.
[291] Asclepius (Aesculapius), de zoon van Apollo en de nimf Coronis,
de vader der beroemde geneesheeren Podalirius en Machaon, werd als de
God der genees- en heelkunde vereerd.
[292] In de Grieksche mythen wordt van een geweldigen zondvloed gewag
gemaakt, waaraan alleen de vrome Deucalion en Pyrrha ontkwamen; hun
zoon Hellen werd de stamvader der Grieken (Hellenen).
[293] Phrynichus van Athene was een leerling van Thespis, een der
eerste Grieksche treurspeldichters. In 511 v. C. behaalde hij voor het
eerst den prijs in een tragischen wedstrijd; nog eenmaal in 476. Op
hoogen ouderdom overleed hij wellicht aan het hof van Hiëro te
Syracuse. Hij voerde vrouwenmaskers in en koorliederen, die nog al
schoon schijnen geweest te zijn. Zijne stukken zijn alle verloren
gegaan; de Ouden noemen vooral zijn „Phoenische vrouwen” en de
„Verovering van Milete,” dat in 493 werd opgevoerd. Deze voorstelling
schijnt zoo roerend geweest te zijn, dat het volk in tranen uitbarstte
(zie Herod. VI. 21); daarom werd Phrynichus tot een zware geldboete
veroordeeld, misschien ook omdat hij den Atheners scherp verweten had,
dat zij hunne dochterstad niet hadden bijgestaan. Deze Phrynichus worde
niet verward met een gelijknamigen blijspeldichter, die tijdens
Aristophanes leefde.
[294] „De dageraad,” steeds door Homerus de „rozenvingerige” geheeten.
[295] Goddelijke, onsterfelijke.
[296] Orpheus, een beroemd Thracisch zanger, had zijn zetel op de
Rhodope, in het Haemus-gebergte. Zelfs de steenen roerde hij door zijn
betooverend lied. Zijne gemalin heette Eurydice; beiden zijn door de
zangen van oudere en nieuwere dichters vermaard.
[297] Maenas beteekent: razend, dol; de Maenaden, de razenden, de
Bacchanten.
[298] Op deze peplos waren de beroemdste heldenfeiten uit mythe en
historie voorgesteld.