verbitterd om den gewelddadigen dood van hunne dochter Iphigenia,
vermoordde den zegevierenden held, toen hij in zijne vaderstad Mycenae
was teruggekeerd. Dit onderwerp wordt in Aeschylus’ „Agamemnon”
behandeld.
[300] Dejanira, de dochter van den Aetolischen koning Oeneus, gade van
Heracles, had het bloed van den veerman Nessus opgevangen, toen deze
terwijl hij haar de rivier Euënus overzette en zich ongepaste vrijheden
met haar veroorloofde, door Heracles met een der in het gif der hydra
gedoopte pijlen was doorschoten.—Nessus gaf haar stervend den raad dit
bloed te bewaren, daar het een onfeilbaar middel was om zich altijd de
liefde van haar man te verzekeren. Toen de held later in liefde
ontbrandde voor de schoone Iole, zendt Dejanira hem een prachtig gewaad
dat zij met het bloed van den stervenden veerman had bestreken. Toen
het kleed warm is geworden kleeft het aan zijn lichaam en brandt hem
tot in het merg; de held richt met uiterste krachtsinspanning een
brandstapel op, legt zich er op, Philoctetes en zijn vader steken dien
aan en de held verbrandt onder de hevigste smarten; als heros werd hij
onder de onsterfelijke Goden opgenomen.
[301] Hippische kunst is de rijkunst. (Hippos = paard).
[302] Hephaestus, zoon van Zeus en Hera, de God des vuurs, komt overeen
met den Romeinschen Vulcanus. De feesten te zijner eere op Lemnos, te
Athene en elders gevierd, heeten: hephaisteia.
[303] Bijnaam van Poseidon; omdat hij met zijn drietand de aarde schudt
heet hij Enosigaios en Seisichthoon, de aardschudder.
[304] De Giganten (reuzen), een reusachtig, wild geslacht werd door de
Goden, vooral met de hulp van Heracles, na vreeselijken strijd,
verdelgd. Hyginus geeft hun getal als vierentwintig op. Bij Hesiodus
komen zij voor als zonen van Gaea (de Aarde) en Ouranos (den hemel.)
[305] Taxiarchos is in de eerste plaats: de aanvoerder van eene
legerafdeeling voetvolk (taxis), de overste, ten tweede bijzonder te
Athene de aanvoerder van die afdeeling voetvolk, die iedere phyle in
het veld moest brengen.
[306] De zoogenaamde Eupatriden, door Theseus, naar men zegt als eerste
stand ingevoerd, men kan ze vergelijken met de Romeinsche Patriciërs.
[307] Athene was na Clisthenus in tien phylen verdeeld; deze phylen
waren wederom in demen, districten, gesplitst.
[308] De Godin der overwinning.
[309] Iris, de dochter van Thaumas en Electra, is, naast Hermes, de
bodin der Godin, vooral van Hera; bij de oudere Grieken ook die van
Zeus. Zij wordt ook geïdentificeerd met den regenboog, dien de Grieken
dan ook Iris noemden.
[310] Wedstrijden: dus kampstrijden met paarden en wagens.
[311] Aegis (Aigis) is eigenlijk een geitenvel; ook het door Hephaestus
vervaardigde schild van Zeus.
[312] De Amazonen waren krijgshaftige vrouwen, die geen mannen onder
zich duldden. Er worden drie Amazonen-volken vermeld; het eerste woonde
aan de kusten van de Zwarte zee, den Caucasus en de rivier Thermodon.
Haar koningin Hippolyte werd door Heracles gedood. Nog worden eene
koningin Penthesilea vermeld, die Priamus hulp bracht tegen de Grieken
en Thalestris, tijdens Alexander den Groote. Ten tweede de Scytische en
ten derde de Afrikaansche Amazonen, met hare koningin Myrina.
[313] Eene vaas of kruik, met nauwen hals en twee ooren, meestal van
aardewerk vervaardigd, soms van glas, naar beneden spits toeloopend;
doorgaans werd zij voor wijn gebruikt, doch ook voor honig, olie enz.
[314] Onder „musische” kunst verstonden de Grieken niet uitsluitend de
toonkunst maar alles wat fijne, kunstige of wetenschappelijke vorming
betreft.
[315] Aeschylus, zie Deel I noot 1 pag. 111 en noot 2 pag. 94.
[316] Het Grieksche spreekwoord „Uilen naar Athene zenden”, komt vrij
wel met onze uitdrukking overeen: „Water in de zee dragen”.
[317] De maan.
[318] Cronides beteekent Cronus’ zoon d.i. Zeus (Jupiter), ook wel
Cronion geheeten. Zie Deel I, noot 1 pag. 63.
[319] Bedoeld worden hier de Lydische koning Candaulus, de zoon van
Myrsus en de hoveling Gyges, de zoon van Dascyles. In kleuren en geuren
kan men dat verhaal lezen bij Herodotus 1, 8–13; het geheugen van
Pericles schijnt op dit punt vrij slecht te zijn geweest, daar de
gunsteling geenszins uit liefde voor de vrouw den koning doodde.
Integendeel: de vrouw van Candaulus liet Gyges roepen en zeide: „Ik
geef u de keus òf door Candaulus te dooden mij en het rijk te bezitten,
òf zelf te sterven, opdat gij later niet weder dingen moogt zien, die
onvoegzaam zijn.” Gyges kiest het eerste, door den uitersten nood
gedwongen en verkrijgt alzoo de echtgenoote van Candaulus en de
heerschappij.
[320] De Thesmophoriën is een feest, uitsluitend door vrouwen gevierd,
ter eere van Demeter (Ceres), als stichtster van het maatschappelijk en
burgerlijk leven. Het woord Thesmophoros beteekent: wetten en
instellingen gevend; met den naam de beide Thesmophoren worden dan ook
Demeter en hare dochter Persephone (Proserpina) aangeduid.
[321] De sesamus is een Oostersch peulgewas, uit welks vrucht olie
geperst wordt; het zaad wordt als rijst gebruikt. Het gerecht daarvan
op de boven beschreven wijze bereid, heet in het Grieksch sesamee of
sesamis.
[322] Cappadocië is een landschap in het Oosten van Klein-Azië,
tusschen de rivieren de Halys en de Euphraat gelegen.
[323] Eene roode verfstof: drakenbloed, vermiljoen, in het Grieksch
cinnabaris of cinnabari geheeten.
[324] Van Ephesischen oorsprong of uit de Chersonesus Taurica is de
vereering van Artemis (Diana) te Brauron in Attica, werwaarts Iphigenia
de zuster van Orestes haar beeld zou gebracht hebben. Als zoodanig heet
Artemis Brauronia of Tauropolos; dit laatste verklaart men „op een
stier rijdend” (taurus = stier) of de woeste.
[325] Adonis, een schoon jongeling, naar de Grieksche sage, door een
everzwijn gedood, was door Aphrodite (Venus) vurig bemind. Op haar
verzoek stond Zeus toe, dat Adonis een derde deel van het jaar bij haar
mocht verwijlen, het tweede deel bij Persephone in de onderwereld en
over het derde zou hij vrije beschikking hebben. Ter zijner eere werden
in Juli of in het laatste van de lente de Adonis-feesten vooral door
vrouwen gevierd; het feest was tweeledig: eerst een treurfeest, waarin
zijn dood beweend, dan een vreugdefeest, waarbij zijn terugkeer tot
Aphrodite gevierd werd. In het Oosten werd het meer zinnebeeldig
opgevat.
[326] Arcadië is een landschap in het midden van de Peloponnesus
(Moréa) gelegen.
[327] De Peloponnesus.
[328] De landengte tusschen Hellas en de Peloponnesus, ook die van
Corinthe geheeten. In het algemeen iedere landengte.
[329] De Styx is eene ijskoude, vergiftigde bron in Arcadië, ook eene
rivier in de onderwereld.
[330] Sinis, volgens anderen Sinnis, bond de reizigers, die hij in
zijne macht kreeg, aan samengebogen boomen en liet hen zoo van een
scheuren. Hij werd door Theseus gedood.
[331] De „Zeven Vorsten”, die op verzoek van Polynices, den zoon van
Oedipus tegen Thebe optrokken om hem, die door zijn broeder Eteocles
verdreven was, weder op den troon te plaatsen waren: Adrastus,
Amphiaraüs, Hippomedon, Capaneus, Parthenopaeüs en Tydeus; Polynices
wordt als zevende genoemd. Aeschylus heeft die stof dichterlijk
behandeld.
[332] Bij Homerus alzoo genoemd.
[333] De Atriden d.i. zonen van Atreus, waren Agamemnon, koning van
Mycenae en Menelaüs van Sparta.
[334] In het eerste boek der Ilias wordt de toorn van Achilles
beschreven; Agamemnon heeft hem zijne schoone slavin Briseïs ontvoerd,
omdat hij zijne eigene, Chryseïs, op last van Apollo, bij monde van den
priester Calchas overgebracht, aan haar vader Chryses heeft moeten
teruggeven. Daarom is Achilles vertoornd en kan noch door gebeden noch
door geloften er toe gebracht worden, om weder aan den strijd, waaraan
hij zich onttrokken heeft, deel te nemen. Alleen de dood van zijn
boezemvriend Patroclus, door Hector geveld, ontvlamt hem weder tot den
strijd.
[335] „Pan”.
[336] Het Grieksche pelagos beteekent: „zee”.
[337] Cora (in het Grieksch Kora) beteekent: meisje.
[338] De syrinx is eigenlijk iedere pijp, de pijpfluit, die uit
verscheidene naast elkander vereenigde en trapsgewijze afnemende
pijpen, ongelijk van dikte en lengte, bestaat: de herders- of
Pans-fluit.
[339] Het dooden der Stymphalische vogels was een der twaalf werken,
Heracles (Hercules) door zijn broeder Eurystheus opgelegd. Door Hera
met waanzin geslagen had Heracles zijne drie kinderen, bij Megara,
dochter van den Thebaanschen koning Creon verwekt, gedood, en moest, op
last van den Delphischen God, als boete volbrengen wat Eurystheus hem
zou opleggen. Het meer, waarom die vogels met koperen vleugels, bek en
klauwen, zwierven heette Stymphalis; Stymphalos is de naam van een berg
in Arcadië. De vogels zelve worden Stymphaliden genoemd.
[340] Atalante was de dochter van Iasus en Clymene en werd op den berg
Parthenius te vondeling gelegd. Zij nam deel aan den Argonautentocht en
de jacht op het Calydonische zwijn. Later werd zij aan hare ouders
teruggegeven.
[341] Krekels. In het Latijn heet een krekel cicada, wellicht ware het
meer consequent geweest, zoo de schrijver tettix, het Grieksche woord
daarvoor, gebezigd had.
[342] Apollo weidde de runderen van Admetus, koning van Pherae in
Thessalië.
[343] Volgens de mythe een zoon van Hermes en eene Nimf.
[344] Eene stad in Boeötië in Midden-Griekenland (Hellas), ten westen
van het meer Copaïs.
[345] Een plaatsje in Arcadië; in Boeötië lag ook een Orchomenus, N. W.
van het meer Copaïs.
[346] Lang haar te hebben gold bij de Grieken voor een sieraad, zelfs
als een bewijs van welvaren en werd voor een teeken van trotschheid en
overmoed gehouden. Vandaar, dat het Grieksche werkwoord, dat „lang haar
hebben” (komân) beteekent, gelijkluidend is met onze uitdrukking:
trotsch, pedant zijn.
[347] Hellanodiken beteekent eigenlijk Hellenen-rechters; vandaar de
kamprechters bij de Olympische spelen.
[348] Rhapsode beteekent eigenlijk hij, die zangen samenvoegt; vooral
worden onder rhapsoden zij verstaan, die de liederen van Homerus,
Hesiodes en andere (vooral Epische) dichters tot een geheel vereenigden
en van plaats tot plaats trokken, om die voor te dragen. Vandaar worden
de verschillende boeken der Ilias en Odyssee rhapsodiën genaamd.
[349] Panormus was eene belangrijke stad op Sicilië, het tegenwoordige
Palermo.
[350] Leontini eveneens eene stad op Sicilië, van Atheenschen oorsprong
(370 v. C.)
[351] Er waren drie steden van dien naam: Magnesia, een oud-Grieksche
stad in Klein-Azië aan den voet van den Sipylus, Magnesia, aan den
Maeander, ongeveer twaalf mijlen zuidelijker, en Magnesia, hoofdstad
van een gelijknamig kustland van Thessalië aan de Pagasaeïsche baai
(Golf van Volo). Dit laatste Magnesia zal hier wel bedoeld worden.
[352] Larissa was de hoofdstad van Pelasgiotis, een landschap in
Thessalië; het wordt ook als de hoofdstad van geheel Thessalië
beschouwd.
[353] Bewoners der steden Demetria, Lechaeum, Phlius en Cenchrae, in de
Peloponnesus.
[354] Alle Grieken.
[355] De Lapithen was een woeste volksstam in Thessalië, nabij den
Peneüs. Als stamvader van hen gold Lapithes, de zoon van Apollo en
Stilbe, gelijk Centaurus voor dien der Centauren. Na aanhoudenden
strijd met de Centauren dolven ten laatste de Lapithen het onderspit.
[356] Stadion is eigenlijk eene lengte van 600 Grieksche voeten,
ongeveer 188 Nederlandsche el; veertig stadiën komt dus ongeveer met
een geographische mijl overeen. Voorts beteekent het de lengte van de
renbaan te Olympia en in het algemeen: de renbaan.
[357] Hippodromos is de plaats, waar de paarden om het hardst liepen,
de renbaan: zie deel II, noot 1 pag. 8.
[358] Horkios beteekent: tot den eed behoorend; een bijnaam van Zeus
als handhaver en beschermer van den eed.
[359] Zie Deel I, noot 1 pag. 204.
[360] Zie Deel I, noot 1 pag. 63.
[361] Mystes is het Grieksche woord voor hem, die ingewijd is in de
mysteriën. Het woord „musterion” zelf beteekent geheim. De hier
verkondigde leer schijnt van een godsdienstig-staatkundigen aard
geweest te zijn. Degenen, die den hoogsten graad in die mysteriën
hadden verworven, heetten epopten, opzieners.
[362] Ithaca tegenwoordig „Teaki”, eiland in de Ionische zee.
[363] Hiërophantes is hij die de heilige offerplechtigheden onderwijst
en bijzonder hij die in de Eleusinische mysteriën de profanen in de
geheimenissen inwijdt; de opperpriester. Vergelijk Herodotus VII, 153.
[364] Basilissa is het vrouwelijk van basileus, dus koningin, vooral
echter in de beteekenis van: de echtgenoote van den Archon Basileus.
[365] Mystagogos beteekent in het Grieksch eigenlijk hij, die de
oningewijden binnenleidt; wij zouden zeggen: „de voorbereider”.
Vergelijk Cic. Verr. 4. 59.
[366] Echidna beteekent: adder; ook de slang Echidna, de moeder der
Gorgonen; zie de volgende noot.
[367] Chimaera beteekent: geit; voorts een fabelachtig monster van
voren leeuw, in het midden geit, van achteren draak, voortgebracht,
naar Hesiodus, door Typhaön en Echidna; het wordt ook voorgesteld met
de drie koppen der genoemde dieren. De Chimaera werd door Bellerophon
gedood.
[368] Hier wordt natuurlijk niet de gevaarlijke klip Scylla bedoeld in
de straat van Messina, maar een persoonlijk wezen. Scylla, eene dochter
van Phorcys, die door Circe in een monster werd veranderd, welks
onderlijf uit bassende honden bestond.
[369] De affodil of slaaplelie werd door de Ouden asphodelus, soms
asphodilus geheeten. Het is een soort van lelieachtig gewas met
knolvormigen wortel, die door de Ouden genuttigd werd. De smaak is
bitter en scherp; de wortel saprijk.
[370] Stinkende, verpestende.
[371] De Cerberus, die volgens eene andere mythe honderd koppen had;
hij bewaakte den Hades; hij werd door Heracles bedwongen. Hij was
voortgebracht door Typhon en Echidna.
[372] Persephone (Proserpina), de dochter van Demeter, werd door Hades
(Pluto) geschaakt. De helft van het jaar bracht zij bij Hades, haar
echtgenoot, door, de andere helft op den Olympus. Zij wordt beschouwd
als de koningin van het schimmenrijk. Zij wordt ook Kora geheeten.
[373] De naam Cocytus, in het Grieksch Kokutos geheeten, wordt afgeleid
van een werkwoord, Kôkuô, dat jammeren, klagen, huilen beteekent.
[374] Dit woord bestaat uit het Grieksche pur, vuur en phlegô,
brandende vuurstroom.
[375] Het zal niet overbodig zijn de personen, die Hamerling hier
telkens bedoelt, aan te wijzen, omdat zonder die te kennen deze passage
onbegrijpelijk is. Hier doelt Hamerling op Ixion, koning der Lapithen,
die omdat hij Hera had willen onteeren in de onderwereld op een eeuwig
ronddraaiend rad werd gebonden.
[376] Tantalus, koning in Phyrgië, vader van Pelops en Niobe, stond in
hoogen gunst bij de Goden; doch hij verklapte de geheimen, die hij aan
hunne tafel vernam en werd tot straf door Zeus in de Tartarus geworpen,
waar stroomend water en heerlijke vruchtboomen hem omringden, doch
telkens wanneer hij, door dorst en honger gekweld, de handen er naar
uitstrekte, weken zij buiten zijn bereik.
[377] Hier heeft de schrijver Sisyphus op het oog, deze was de zoon van
Aeölus, een doortrapte schelm, die van het Geranea-gebergte rotsblokken
op de reizigers neerwierp en zich met den buit verrijkte. Zelfs verried
hij de geheimen der Goden. Ook voor die misdaden werd hij tot gemelde
straf in de onderwereld veroordeeld.
[378] De Danaïden, dochters van Danaüs, die gedwongen met de zonen van
Aegyptus huwden. Negen en veertig van de vijftig dochters vermoorden in
den huwelijksnacht hare mannen, op aansporing van haar vader. Alleen
Hypermnestra spaarde haar gemaal Lynkeus. Daarom werden zij tot
bovengenoemde eeuwige straf veroordeeld.
[379] Tityus, zoon van Zeus en Elara, dochter van Orchomenus of van
Gaea had Leto (Latona) willen onteeren; vandaar zijne straf.
[380] De woonplaats der gelukzaligen in het schimmenrijk: de Elyseesche
velden.
[381] Zie Deel I noot 2 pag. 259.
[382] Paphia, de Paphische d.i. Aphrodite, die te Paphos, eene stad op
Cyprus, bijzonder werd vereerd.
[383] Demeter en hare dochter Persephone. Zie noot 1 pag. 171.
[384] Dit zijn nagenoeg dezelfde woorden, die de oudsten des volks, op
Ilium’s muren gezeten, tot elkander spraken, toen zij de schoone Helena
zagen. Zij komen voor in de Ilias, Boek III, vers 156–159, en luiden,
volgens Vosmaer’s vertolking, aldus:
„Niemand verbaas ’t voorwaar, dat ter wille van zulk eene vrouwe
Grieken en Troiers ’t leed zich troosten van alle die rampspoen.
Machtig in schoonheid schijnt als dat der godinnen ’t aanschijn.”
[385] In het Grieksch: Simaitha.
[386] Niet historisch; Aspasia heeft Pericles een zoon, eveneens
Pericles geheeten, geschonken.
[387] Het Grieksche „aigialos” beteekent: „strand”; van dit woord is
bovengenoemd adjectief gevormd.
[388] Polyphemus, de zoon van Poseidon en de nimf Thoösa, koesterde,
volgens eene Siciliaansche legende, een onbeantwoorde liefde voor
Galateä, de dochter van Neurens en Doris, daar deze de voorkeur gaf aan
Acis den zoon van Faunus en Symaethis. Uit ijverzucht verpletterde
Polyphemus hem waarop Acis door Galateä in een vloed of bron werd
veranderd. (Fzons Acilius).
De schrijfwijze Galatheä verdient afkeuring, omdat het Grieksch luidt:
Galateia.
[389] Acanthus bij ons „berenklauw” geheeten is eene plant, die deels
als bijenkruid, deels om zijn fraaie, kronkelende bladstengels als rand
om de tuinbedden geplant en op zuilen, vaatwerk en in borduursel
nagebootst werd.
[390] Er bestaat werkelijk een verhaal, dat Callimachus door het zien
eener bloemenmand, als hierboven is beschreven, op de gedachte kwam het
zoogenaamd Corinthische kapiteel te ontwerpen. Dit kapiteel bestond uit
acht van buiten aangebrachte en acht binnen in geplaatste
acanthusbladeren en bloemstengels, onder eene afgeronde dekplaat. Later
werd deze zuil tot geheele kolonnaden gebruikt.
[391] Potidaeä, eene kolonie der Corinthiërs, lag op het schiereiland
Chalcidice; in 432 v. C. viel zij van Athene af, doch werd na eene
nederlaag, haar door de Atheners, onder Callias, den zoon van
Calliades, toegebracht, te land en ter zee ingesloten. Na een tweejarig
beleg gaf het zich op vrij gunstige voorwaarden over.
[392] De Heliasten waren de rechters in de Heliaeä, d.i. de hoogste
rechtbank te Athene, uit gezworenen samengesteld.
[393] Barathon beteekent afgrond, vooral de afgrond te Athene, achter
de Acropolis gelegen, waarin de ter dood veroordeelden geworpen werden.
[394] Eene rivier in Thracië, thans Karasoe of Stroema geheeten.
[395] Alleenheerschappij.
[396] Bewoners van Corcyra (Kerkura); het noordelijkste der Ionische
eilanden, ten westen van Epirus, omstreeks 700 v. C. door Corinthiërs
bevolkt; thans Korfu geheeten.
[397] Narcissus was, volgens eene vooral te Thespiae in Boeötië
inheemsche legende, een schoon jongeling, de zoon van den riviergod
Cephissus en de nimf Liriope, door allen bemind. Vooral de nimf Echo
werd smoorlijk op hem verliefd; uit heimwee naar hem verkwijnde zij,
zoodat alleen de stem van haar overbleef. Uit straf daarvoor werd
Narcissus door hartstochtelijke liefde voor zijn eigen beeld verteerd,
dat hij in eene bron aanschouwde. Eene andere overlevering is dat hij
zich zelven doodde. Op die plaats ontsproot de Narcissus, de
doodsbloem, het symbool der vergankelijkheid en des doods, den
Ondergoden gewijd.
[398] Iliad. Boek X. vs. 470–515.
[399] De dronkenschap, roes.
[400] Zie Deel I noot 1 pag. 182.
[401] De verleiding, begoocheling.
[402] De overmoed, uitgelatenheid.
[403] Lenaeüm (Leenaion) is de plaats te Athene, waar het Bacchusfeest,
de Lenaeä, in de maand Lenaeön of Gamelion, d.i. de laatste helft van
Januari en de eerste van Februari, gevierd werd.
[404] Hamerling maakt hier gebruik van eene minder algemeen bekende
mythe, dan die, volgens welke Theseus, met behulp van Ariadne, de
dochter van Minos, den Minotauris in het labyrinth op Creta doodde en
met haar huwde en vluchtte. Op het eiland Naxos werd Ariadne door de
pijlen van Artemis gedood. De tweede legende, waarop hier gedoeld wordt
is deze, dat Theseus na de volbrachte heldendaad Ariadne trouweloos op
Naxos achterliet, waar zij door Dionysus, die uit Indië zegevierend
terugkeerde, werd gevonden en gehuwd. Na haar dood nam Dionysus haar op
onder de Onsterfelijken en plaatste de kroon, die hij haar bij het
huwelijk geschonken had, onder de sterren. Ariadne wordt dikwijls door
de beeldende kunst voorgesteld aan de zijde van Dionysus, omstuwd door
Bacchanten en rijdende op een panther.
[405] Io werd door Hera in eene koe veranderd. Deze mythe is
dichterlijk behandeld door Ovidius. Metamorph. I. vs. 568–748.
[406] Dithyrambus is een bijnaam van Dionysus. Vandaar een lied te
zijner eer (ook wel van andere Goden).
[407] De schrijver zal bedoelen de „Smilax aspera”, eene
Zuid-Europeesche klimplant, die in Italië en Griekenland, 30–50 voet
hoog, om de platanen zich slingert (vgl. Salsaparille). De bloemen zijn
welriekend en waren in de oudheid zeer gezocht, met klimop
dooreengewoeld, voor kransen, vooral bij de Bacchus-feesten.
[408] Sabazius komt als een bijnaam van Dionysus voor. Hij luidt ook
wel Sebasius, terwijl nog verscheidene andere schrijfwijzen worden
gevonden.
[409] Sicinnis (Sikinnis) is eene Satyr-dans, naar den uitvinder
Sicinnus naar de nimf Sicinnis alzoo genoemd.
[410] Nymphagoog (numphagoogos) is hij, die de bruid uit het ouderlijk
huis naar den bruidegom voert.
[411] De volksregeering.
[412] Onder „kalokagathia” verstonden de Grieken die harmonische
vereeniging van al wat schoon, goed en edel is; ons „rechtschapenheid”
drukt het nog niet voldoende uit.
[413] De volgende beschrijving van de pest is ontleend aan de
overschoone schildering daarvan door Thucydides, die zelf door de pest
is aangetast geweest, Bell. Pelop. Boek II. 47–56.
[414] Charon, die de zielen der afgestorvenen over de rivieren in de
onderwereld zette. Hij is, naar de mythe, de zoon van Erebus en Nux.
Zij, die het veergeld niet konden betalen, moesten als schimmen aan de
oevers van den Acheron verwijlen.
[415] Attis, (ook Atis, Atys en Attys geschreven) een zoon van Calaüs
koning van Phrygië; hij was, naar de mythe, een priester van Cybele.
Gestorven zijnde opgewekt, komt hij als de trouwe begeleider van Cybele
voor. Te zijner eere werden jaarlijks te Pessinus in Phrygië in de
lente feesten gevierd. Wellicht doelt de mythe op het sterven der
natuur in den winter en haar ontwaken in de lente.
[416] Het raadhuis (bouleuterion).
[417] Plutarchus, leven van Pericles, cap. 38, aan welk geschrift veel
van het hier vermelde ontleend is.
[418] Spreekwijze ontleend aan Heracles. Vergelijk Deel I pag. 220 en
de noot.
[419] Hier wordt Plato, Socrates’ groote leerling bedoeld.