[94] Megara was de hoofdstad van het landschap Megaris in

Midden-Griekenland, eene goed bevolkte, sterke stad, niet verre van de

zee, door twee lange muren aan zijne zeehaven Nisaëa verbonden.

[95] Maaltijd, drinkgelag.

[96] Eene schaal, vooral eene drinkschaal.

[97] Een groote kruik of aarden vat, waarin de wijn bewaard werd, wijd

van opening, waaruit de wijn geschept werd.

[98] Een wateremmer of kruik.

[99] Eene stad in Laconië (Peloponnesus), aan den oever van den

Eurotas, twintig stadiën zuidoostelijk van Sparta gelegen.

[100] Sicyon (ook Secyon geheeten) eene zeer oude stad op de noordkust

van de Peloponnesus.

[101] Een wijk, vooral door kolenbranders bewoond. Aristophanes, de

bekende Grieksche blijspeldichter, schreef eene comedie tot titel

hebbende „de Acharners”.

[102] Men onderscheidt de Aphrodite Pandemus, d.i. de zinnelijke

liefde, en de Aphrodite Urania d.i. de hemelsche, de geestelijke

liefde.

[103] Laurion, een zuidelijke tak van den Hymettus, Z. O. van Athene,

tot het voorgebergte Sunion zich uitstrekkend, was beroemd om zijne

zilvermijnen, welker opbrengst onder de burgers placht verdeeld te

worden, totdat ze, op voorstel van Themistocles, tot het bouwen van

oorlogsschepen werden gebezigd.

[104] Choreuten zijn de koordansers. Choros was een der twee deelen van

het oudste theater; het beteekent de dansplaats. ’t Werd ook orchestra

geheeten.

[105] Eigenlijk beteekent het „medespijzend”, iemand die met den

priester mede eet van het offermeel, v.d. een tafelschuimer.

[106] Eigenlijk hij, die zelfs om het stelen van eene vijg iemand

aanklaagt, die het geringste zelf aanbrengt, v.d. een valsche

aanklager, eene verachtelijke klasse van menschen, doch in Athene zeer

talrijk in den tijd, waarin dit verhaal voorvalt.

[107] Onder Autochthonen verstaat men de oorspronkelijke bewoners van

een land die niet van elders overgekomen zijn, de inboorlingen.

[108] Eumeniden beteekent eigenlijk de welwillenden, de genadigden; zij

komen overeen met de Erinyen (Furiën), de zusters der Godinnen van het

noodlot, de dienaressen van de gerechtigheid en de wreeksters van

iedere misdaad.

[109] Odeon (Odeion) is eigenlijk eene plaats om te zingen; te Athene

een openbaar gebouw, tot muzikale uitvoeringen bestemd, dat tevens

echter voor volksvergaderingen en gerechtshof werd gebezigd.

[110] Metopon beteekent eigenlijk het voorhoofd, v.d. het front.

[111] Poseidon is met den Romeinschen Neptunes geïdentificeerd. Zijn

attribuut was de geweldige drietand.

[112] Hermes, overeenkomende met den Romeinschen Mercurius, de zoon van

Zeus en Maia, was de beschermgod van den handel, ook van de dieven en

reizigers. Ook is hij de bode der Goden.

[113] Daedalus is een der beroemdste kunstenaars der oudheid. Hij

maakte o.a. voor zijn zoon Icarus en zich zelven, toen zij te Creta

gevangen gehouden werden, vleugels met was bevestigd. Icarus, die de

zon te dicht naderde, viel in zee, daar de was smolt. Die zee is naar

hem de „Icarussche” genoemd. Daedalus was ook de bouwmeester van het

vermaarde Labyrinth op Creta.

[114] Demeter, de Romeinsche Ceres, was o.a. de Godin van het graan.

[115] Eleusis, eene stad in Attica, lag aan de baai van dien naam,

tegenover het eiland Salamis.

[116] Priesterheerschappij.

[117] Aeschylus was de eigenlijke stichter van het Grieksche treurspel.

Hij werd in 525 (volgens sommigen in 521) geboren, zijn vader heette

Euphorion, uit een oud-Attische familie gesproten, behoorende tot de

gemeente Eleusis. Op vijfentwintigjarigen leeftijd trad hij als

tooneeldichter op. In 484 behaalde hij den eersten prijs. In 490

onderscheidde hij zich dapper in den slag bij Marathon, waar hij

talrijke wonden ontving. Voorts nam hij deel aan de roemrijke slagen

bij Artemisium, Salamis en Plataea (480 en 479). In 475 werd hij door

Hiëro, tyran van Syracuse, aan het hof genoodigd. Na in vele

dichterlijke wedstrijden, naar Athene teruggekeerd, te hebben

overwonnen, werd hij aangeklaagd; hoewel vrijgesproken verliet hij de

stad en begaf zich naar Gela op Sicilië; waar hij op 69-jarigen

ouderdom stierf. Een grafteeken en standbeeld werd door de Atheners

voor hem opgericht. Van zijne talrijke tragediën op 93 of 70 begroot,

hebben we er zeven over. Haar titel luidt: „de geketende Prometheus”,

„de zeven tegen Thebe”, „de Perzen”, de „Oresteia”, eene trilogie

bestaande uit den „Agamemnon”, de „Choëphorae of offerplengsters”, en

„de Eumeniden”, ten laatste de „Hiketiden of smeekelingen”.

[118] Het is hier niet de plaats het nauwkeurig onderscheid uiteen te

zetten tusschen den Dorischen, en den Ionischen stijl. Uitvoerig kan de

lezer dat vinden in Guhl en Koner, pag. 10, 11 en volgende. In het

algemeen slechts merken we op, dat die bouworden op dezelfde wijze

verschillen, als de volken, Doriërs en Ioniërs, waaraan ze ontleend

zijn. In den Dorischen stijl heeft zich het ernstige karakter van de

Doriërs afgespiegeld; lichter en slanker, bevalliger en sierlijker is

de Ionische bouworde.

[119] Rhythmus is eigenlijk iedere beweging, afgeleid van een

werkwoord, dat „stroomen”, „in beweging zijn” beteekent; v.d. de maat,

versmaat. Men herinnert zich dat de verzen der Ouden zich niet door het

rijm, maar door de maat van het proza onderscheiden.

[120] Dit zijn de woorden, welke Diomedes tot zijn wagenmenner

Sthenelus spreekt, toen deze hem aanried te vluchten voor Aeneas en

Pandarus. Iliad. Boek V, vs. 256.

[121] Anacreon was een der grootste en tevens liefelijkste lyrische

dichters van Griekenland. Al wat zacht en welluidend was vond in hem

zijn tolk. De liefde en den wijn bezong hij bij voorkeur. Van de 68

gedichten, die op zijn naam overgeleverd zijn, erkent de critiek er

zeer weinige voor echt. Hij was te Teos in Ionië geboren, werd te

Abdera opgevoed, circa 530 v. C. Polycrates, tyran van Samos, noodigde

hem aan zijn hof. In 521, na den dood van zijn beschermheer, keerde hij

terug naar Athene, waar hij door Hipparchus met ingenomenheid werd

ontvangen. Na den val van dezen begaf hij zich weder naar Teos. Tijdens

den opstand van Ionië tegen Darius vluchtte hij naar Abdera, waar hij

op 85-jarigen ouderdom stierf. Simonides maakte op hem een grafschrift.

Naar de sage luidt, is hij aan het doorslikken van een druivepit

gestorven.

[122] Sappho, dochter van Scamandronymus en Cleïs, geboren te Eresus op

Lesbos in 612 v. C. was de beroemdste dichteres der Oudheid. Te

Mitylene verzamelde zij eene schare jongeren om zich heen. Voor een

dezer, den schoonen Phaon zou zij eene zoo hevige liefde hebben

opgevat, dat ze zich van de Leucadische rotsen in zee stortte, omdat

die liefde onbeantwoord werd. Men wil, dat ze een dochter Cleïs naliet.

Zij koesterde groote vriendschap voor den dichter Alcaeus. De grondtoon

harer poëzie is hartstocht en liefde. Naar haar is de Sapphische

strophe genoemd.

[123] Eros, de God der liefde, de Romeinsche Cupido.

[124] Hier wordt Aegeus bedoeld; vergelijk noot 2 pag. 60.

[125] De Minotaurus was, naar de sage, half stier half mensch, welken

Minos in het labyrinth te Creta met knapen en meisjes voedde, die

Athene als cijns moest opbrengen. Theseus doodde hem met behulp van

Ariadne.

[126] Aegina, een eiland ongeveer anderhalve vierk. mijl groot, met

gelijknamige hoofdstad, ligt in den Saronischen zeeboezem (golf van

Aegina). Beroemd is de Aeginetische kunst en gymnastische geoefendheid.

[127] Panhellenisch beteekent alle Grieken omvattend.

[128] Troje, op de kust van Klein-Azië gelegen.

[129] Acrocorinthus is de acropolis van Corinthe, de hoogste top en

sterke vesting.

[130] Corinthe was de aanzienlijkste handelplaats van Griekenland, op

den Isthmus (zeeëngte) gelegen met voortreffelijke havens. Cicero noemt

het, in zijne redevoering de imperio Cn. Pompeii c. V: „totius Graeciae

lumen”, het licht van geheel Griekenland.

[131] Men bemerkt hieruit dat de spreker Sophocles is, de groote

Atheensche treurspeldichter.

Sophocles, de zoon van Sophillus, een wapensmid, is geboren in 495 v.

C. te Colonos in Attica. In 480 zong hij in het koor ter eere van de

overwinning bij Salamis. Lampros was zijn leermeester in de muziek.

Achttien malen behaalde hij de zege in een tragischen wedstrijd, waarin

hij dikwijls zelfs Aeschylus overtrof. Na de opvoering zijner Antigone

werd hij tot strateeg gekozen (441). Tegelijk met Pericles voerde hij

het bevel in den eersten oorlog tegen Samos. Vier jaar later zou hij

Hellanotamias geweest zijn, waardoor hij het bestuur verkreeg over de

bondskas. Bij de hetaere Theoris zou hij een zoon Aristo verwekt

hebben, die weder een zoon, Sophocles geheeten, naliet, die eveneens

drama’s schreef. Uit een wettigen echt had Sophocles een zoon Iophen,

die weinig talent en een slecht karakter bezat, zoodat hij zelfs zijn

hoogbejaarden vader van krankzinnigheid aanklaagde, om het beheer over

diens goederen te verkrijgen. Men wil dat de grijze dichter zijn

schoone zang uit den Oedipus Coloneüs ter eere van Colonos zou hebben

voorgedragen, teneinde zijne onverzwakte geestkracht te bewijzen. Hij

werd daarop onmiddellijk vrijgesproken; Sophocles stierf in 406, bijna

90 jaar oud. Men wil dat hij aan het doorslikken van eene druivepit zou

gestorven zijn. Hij was van een beminnelijk en vroolijk karakter. Den

blijspeldichters strekte hij dikwijls tot mikpunt hunner spotternijen.

Van zijne talrijke treurspelen, door de Alexandrijnen op 130 begroot,

hebben we er zeven over. Voorts schreef hij vele lierzangen, elegieën

en andere stukken. Bij Sophocles komt het liefelijke en zachte meer op

den voorgrond dan bij Aeschylus die geweldiger en gespierder is.

De zeven treurspelen, ons bewaard, zijn: „de Antigone”, een der

schoonste stukken van den dichter, ten onzent o.a. door A. J. ten Brink

en Opzoomer vertaald. De „Oedipus koning”, door Vondel en Bilderdijk

vertolkt. De „Oedipus te Colonos (Coloneüs)”, door Bilderdijk

overgezet, „de Electra”, in 1638 door Vondel vertaald, „de Ajax” en de

„Trachiniae”, welk laatste door Vondel is overgezet. Overigens bestaan

van al deze tragedies vertalingen in het Duitsch, Fransch en Engelsch.

Sophocles wordt door bevoegde kunstrechters voor den grootsten der

oudere en nieuwere treurspeldichters gehouden.

[132] Dit Grieksche woord beteekent: waarzegging uit de handen.

[133] „Aeschylus”; zie noot 1 pag. 111.

[134] Pan is de God der herders en kudden uit Arcadië afkomstig,

bevriend met de nymfen, met wie hij reidansen uitvoert. Hij wordt

afgebeeld met bokspooten, baard en horens op het hoofd (Panische

schrik). Dikwijls komt hij voor in verbinding met Dionysus (Bacchus).

[135] Dit feit greep plaats vóór den slag bij Marathon. De Spartanen

echter mochten om godsdienstige bezwaren niet vóór de volle maan

strijden. De Atheners vochten toen bijna alleen. Zie noot 1 pag. 24. De

Spartanen kwamen later op het slagveld en prezen den moed der Atheners.

Het feit waarvan boven melding gemaakt wordt, wordt uitvoerig verhaald

door Herodotus, Boek VI. § 105.

[136] Beide landstreken in de Peloponnesus.

[137] Triptolemus wordt voor den zoon gehouden van koning Celeüs van

Eleusis en Metanira of van Oceanus en Gaea. Door Demeter werd hem een

met draken bespannen wagen geschonken, waarmede hij de aarde zou

rondrijden om de graankorrels uit te strooien. Later werd hij koning

van Eleusis en voerde daar den eeredienst der Godin in. De kunst stelt

hem voor als een krachtig man, op een met draken bespannen wagen en

korenaren en scepter in de hand.

[138] Daduchus, een Grieksch woord (daidouchos), beteekent: die de

fakkel vasthoudt en voordraagt, v.d. de priesters in de Eleusinische

spelen.

[139] Waarom Hamerling hierin eene bijzonderheid ziet, is mij niet

duidelijk, daar doorgaans bij de Grieken een zoon naar zijn grootvader

genoemd werd. Zie b.v. noot 1 pag. 125.

[140] Solon, de groote Atheensche wetgever, een zoon van Execestides

uit het oude geslacht der Crodiden, werd ongev. 639 v. C. geboren. In

594 werd hij eerste Archont en gaf zijne beroemde wetgeving. Daarbij

verdeelde hij de burgers in klassen naar hun vermogen. Daarna werden

ook de politieke rechten en plichten geregeld. Solon stierf hoog

bejaard in 559. We bezitten eene levensbeschrijving van hem door

Plutarchus.

[141] Eretria, de hoofdstad van het eiland Euboea waarschijnlijk eene

kolonie der Atheners, bloeide eertijds door handel en nijverheid. Om

den afval van de Perzen werd het door Datis en Artaphernes verwoest en

de bewoners als slaven naar Susa gevoerd. Later werd de stad herbouwd,

die in 198 v. C. weder door de Romeinen is vernietigd. Eretria heet

thans Palaeo-Castro. Vgl. noot 2 pag. 60.

[142] Hecatombe beteekent eigenlijk een offer van honderd (hekaton)

runderen. Dikwijls wordt het alleen voor een zeer groot offer gebezigd.

[143] Melitaeïsch beteekent van Melite, een eilandje in de

Middellandsche zee bij Dalmatië; niet te verwarren met Melite wat ook

de Grieksche benaming is van Malta, door de Ouden Ogygia genoemd. Doch

het Latijnsche adjectivum van dit Melite luidt: Melitensis of

Melitesius, dus: Melitensisch of Melitesisch.

[144] Epirus, een bergachtig landschap van Noord-Griekenland bestond

vooral uit drie stammen; de Chaoniërs, die in het Noord-oostelijk deel

woonden; de Thesprotriërs in het zuiden en de Molossiërs in het

Noord-oosten.

[145] Samos, een eiland nabij de Westkust van Klein-Azië, niet ver van

het voorgebergte Mycale, thans Samo, door de Turken echter Susam Adassi

geheeten. Op Samos bevond zich een tempel van Hera (Heraion).

[146] Hera is vereenzelvigd met de Romeinsche Juno, de echtgenoote van

Zeus (Jupiter). Vergelijk over het boven medegedeelde de bekende fabel

van Phaedrus, getiteld: Juno en de pauw (Boek III, 18). Hera was ook de

Godin van den echt.

[147] Het Grieksche woord Ktesios beteekent: tot het bezit behoorende;

Zeus Ktesios is dus Zeus, die het eigendom beschermt.

[148] Eigenlijk dienaressen van Bacchus, die zijne nachtelijke feesten

vieren. Van daar elke opgewonden, slechte vrouw.

[149] Buitengewoon groote feesten, waar het lustig toeging.

[150] Thyestes, de zoon van Pelops en Hippodamia, doodde met zijn

broeder Atreus hun stiefbroeder Chrysippus en beide vluchtten naar

Eurystheus. Thyestes verwekte hier bij de echtgenoote van zijn broeder,

Aerope, twee zonen, waarom hij door Atreus werd verdreven. Uit wraak

ontvoerde hem Thyestes een zijner zonen, voedde dien op en kweekte in

hem een onverzoenlijken haat tegen zijn vader. Later zond hij den zoon

van Atreus om dezen te vermoorden. De aanslag mislukte en Atreus liet

zijn eigen zoon ter dood brengen. Later vernam hij de toedracht der

zaak en ontstak in groote woede. In schijn richtte hij voor zijn

broeder een verzoeningsmaaltijd aan. Daar zette hij Thyestes diens

eigen zonen voor en toonde hem later hunne hoofden. Thyestes ontvlood

die rampzalige plaats; later verwekte hij bij Pelopia Aegistheus, die

Atreus doodde en zijn vader op den troon van Mycenae plaatste.

Een Thyestes-maal beteekent dus: een allernoodlottigs en afschuwelijk

maal.

[151] De Discus is eene steenen of metalen (later ook houten) ronde

schijf, van het midden, waaraan gewoonlijk een leeren handvatsel

bevestigd is, dunner afloopend, dien de Grieken en later de Romeinen

bij hunne gymnastieke oefeningen gebruikten. De wedstrijd in het

loopen, springen, worstelen, het vuistgevecht en het werpen met den

discus en speer vormde het zoogenaamde „Pentathlon” (d.i. vijfderlei

wedstrijd).

[152] De Romeinsche Diana, dochter van Zeus en Leto (Latona), zuster

van Apollo, de Godin der jacht.

[153] De God des huwelijks.

[154] De Academie was een gymnasium bij Athene, naar den heros Academus

genoemd, waar Plato zijne lessen gaf. Vandaar, dat men ook onder

Academie de school van Plato verstaat.

[155] Eene bronnimf.

[156] Hamadryaden zijn boomnimfen, in onderscheiding van Dryaden, dat

in ’t algemeen woudnimfen, vooral der eiken (Drus, eik) zijn. Sommigen

nemen tusschen beide nimfen geen onderscheid aan.

[157] Iliad. VI, vs. 506 en vv., waar men deze heerlijke vergelijking

in haar geheel kan lezen.

[158] De Parcen (Moiren) waren de Godinnen van het noodlot. Gewoonlijk

worden er drie genoemd: „Clotho”, die de levensdraden spint, „Lachesis”

die den menschen hun lot toedeelt en „Atropos”, de onafwendbare, de

noodzakelijkheid om te sterven.

[159] Lamia, de dochter van Belos en Libya werd om hare schoonheid door

Zeus bemind; uit wraak hierover roofde Hera hare kinderen. Lamia, van

verdriet waanzinnig geworden ontvoerde en doodde de kinderen van andere

moeders. Vandaar wordt zij als een schrikkelijk spook beschouwd. Later

verstond men onder Lamia eene schoone vrouw, die de jonge mannen

bekoorde en verleidde.

[160] Circe was eene machtige toovenares, de dochter van Helios en

Perseïs, op het eiland Aea, die Odysseus’ tochtgenooten in zwijnen

veranderde.

[161] De Hesperiden, gewoonlijk vier in getal, Aegle, Erythea, Histia

en Arethusa, bewaakten met den honderdkoppigen draak Lado de gouden

appelen van Hera op het Atlas-gebergte, in de uiterste streken der

aarde.

[162] Argus, bijgenaamd Panoptes, de alziende, was de zon van Agenor of

Inachus, die vele monsters doodde. Hij was met honderd oogen voorzien.

Later werd hij door Hermes gedood. Met zijne oogen tooide Hera den

pauwenstaart.

[163] Eene soort van roofvogels, met vrouwenaangezichten en groote

klauwen. Bij Hesiodes heeten zij „Aello” en „Ocypete”.

[164] Antigone, de dochter van Oedipus, koning van Thebe, en Iocaste.

[165] Vooral de wijnen van Chios, Lesbos en Cyprus waren beroemd.

[166] Creon was koning over Thebe, opvolger van Oedipus.

[167] Hades is eigenlijk de God van de onderwereld, Pluto; vandaar ook

de onderwereld zelve.

[168] Distichos beteekent eigenlijk van „twee rijen” of „regels” v.d.

distichon een vers, waarvan de eerste regel zesvoetig is (een

hexameter) en de tweede vijfvoetig (een pentameter). De grondtoon dezer

verzen is de dactylus, d.i. eene lange lettergreep, gevolgd door twee

korte.

[169] Tot recht verstand dezer verzen diene: het Grieksche woord

Peithoo beteekent: overtuigende welsprekendheid, de gave der

overreding, van daar ook: de Godin der welsprekendheid, en overreding.

De Horen zijn de dienaressen van Aphrodite, de Godinnen van den bloei

en de rijpheid; de eerste heet dan Thallo, (lente) de tweede Carpo

(herfst). Zij komen dikwijls voor in verbinding met de Chariten

(Gratiën). Over Calliope, eene der Muzen, zie noot 1 pag. 30. Wat

Themis aangaat, vergelijk noot 1 pag. 46.

[170] Het Grieksche voorzetsel hupo (onder), geeft in dergelijke

samenstellingen dikwijls eene nabootsing in den trant van —. Zoo ook in

Hypodorisch en Hypophrygisch: iets Dorisch, Phrygisch, wat naar dien

stijl of melodie zweemt.

[171] Landvoogd.

[172] Persepolis, Pârsa („de stad der Perzen”) was eens de hoofdstad

van Perzië en de begraafplaats der koningen, niet ver van den Araxes.

Door Darius I werd het ongeveer in 515 v. C. tot residentie verheven.

[173] Met den naam van groote koning werd in de oudheid de Perzische

koning bestempeld, zoodat zelfs het Grieksche woord koning, basileus,

zonder lidwoord, altijd de koning der Perzen aanduidde.

[174] Men leze daaromtrent den roman van Georg Ebers, „eene Aegyptische

koningsdochter”, ten onzent door Dr. H. C. Rogge en C. H. Pleyte

vertaald.

[175] De avondster.

[176] Van Chios, een der schoonste en vruchtbaarste eilanden van de

Aegaeïsche zee, thans Chios of Stankio, door de Turken Saki geheeten.

Het eiland was vooral beroemd om zijn heerlijken wijn en vijgen.

[177] Men leze dezen schoonen reizang in haar geheel bij Sophocles, in

de Antigone, vs. 772, v.v. Ik bezig Opzoomer’s vertaling.

[178] Lyceüm (Lukeion) is oorspronkelijk eene plaats nabij Athene aan

Apollo, Lykeios d.i. den wolvendooder gewijd. Later werd het gymnasium

aldaar beroemd, doordat Aristoteles en na hem de Peripatetische

wijsgeeren er hunne lessen gaven. Vandaar dat in nieuweren tijd

gymnasiën en hoogere scholen dikwijls Lyceën worden genoemd.

[179] Palaestra beteekent: worstelschool, oefenperk.

[180] Ephebos wordt hij genoemd, die den leeftijd van achttien jaren

heeft bereikt: ephebentijd is dus de tijd, wanneer men nog een jong en

krachtig man is.

[181] Magiërs heetten bij de Meden en Perzen de leden eener

priesterkaste, veel overeenkomende met de Leviten in Israël. Zij

bezaten kennis der godzaken, naar men meende; vandaar dat het woord wel

eens synoniem gebruikt wordt met toovenaar, zooals te dezer plaatse.

[182] Alle drie landschappen in de Peloponnesus.

[183] Pisates is eene landstreek ten zuiden van Elis, en daarvan

onafhankelijk, met de stad Pisa aan de rivier de Alpheus.

[184] Het Grieksche woord „nous” beteekent: verstand, overleg, geest;

bij Anaxagoras voor: de wereldgeest, die de stof ordent. Wat de

uitspraak van „nous” betreft, herinnere zich de lezer, dat het

Grieksche „ou”, evenals in het Fransch wordt uitgesproken.

[185] Het Grieksche „chaos” beteekent vooreerst de ledige, onmetelijke

ruimte; voorts bij de wijsgeeren de verwarde massa, waaruit het heelal

geschapen is „de bajert”.

[186] Duisternis.

[187] Zinspeling op Iliad. I. vs. 528 v.v., waar gezegd wordt, dat bij

het fronsen der wenkbrauwen van Zeus de Olympus daverde in zijne

gevesten.

[188] Aulis is eene kleine stad in Boeötië, tegenover het eiland Euboea

gelegen, waar de Grieksche vloot bijeen kwam, om het leger naar Troje

te voeren.

[189] Silenus, nu eens de zoon van Hermes, dan weder van Pan genaamd,

is een der satyrs, volgelingen van Dionysus; hij wordt als een

afschuwelijk leelijk wezen voorgesteld, met een stompen neus,

geitenooren, een dikken buik en kaal hoofd. Vandaar zegt men wel eene

Silenus-gestalte van een leelijk mensch.

[190] De chlamys was een wijde, ruime mantel, die de Epheben droegen.

Zij werd over den linker schouder geworpen, terwijl men de einden met

een gesp bevestigde. Gewichten trokken het gewaad naar beneden. Zij was

de eigenlijke reis- en krijgsmantel, vooral die der ruiters.

[191] Onderwijzers der knapen in het worstelen.

[192] Mauritanië was een landschap in het noorden van Afrika gelegen,

ongeveer waar thans Marocco ligt; ’t was verdeeld in Tingitana en

Caesariensis.

[193] Het Grieksche woord „aleiptes” beteekent „zalver”, vandaar de

slaaf die den badende met olie insmeert, ook de onderwijzer in het

worstelen, de leeraar, benevens hij, die de knapen voor den worstelkamp

met olie zalft, om de ledematen lenig te maken.

[194] De opzichter over de gymnastische oefeningen en het worstelperk.

[195] Achilles, de zoon van Peleus en de zeegodin Thetis, is de

beroemde held, die in de Ilias eene hoofdrol speelt. Een kort maar

roemrijk leven had hij zich gekozen. Na tal van roemrijke wapenfeiten,

o.a. het verslaan van den Trojaanschen held Hector, wordt hij door

Apollo, in de gestalte van Paris, door eene pijl in de hiel getroffen,

zijn eenige kwetsbare plaats. Benevens Phoenix had Achilles tot

leermeester in den wapenhandel en artsenijkunde den Centaur Chiron. Op

dezen laatsten wordt hier door den schrijver gezinspeeld.

[196] Hyacinthus, zoon van den Spartaanschen koning Amyclas en Diomede

was een buitengemeen schoon jongeling en werd door Apollo en Zephyrus

bemind. Zephyrus, om zich op zijn mededinger te wreken, deed den

discus, terwijl Apollo Hyacinthus in het werpen daarmede onderwees, het

hoofd van Hyacinthus doodelijk treffen. Uit het bloed van den jongeling

deed Apollo de hyacinth, d.i. misschien de zwaardlelie (althans niet

onze hyacinth) ontspruiten. Door den Romeinschen dichter Ovidius is

deze legende dichterlijk behandeld (Metamorph. X, 155 v.v.).

[197] Acrisius, koning van Argos, verwekte bij Eurydice eene dochter

Danaë, die, volgens het orakel, een zoon zou baren; welke zijn

grootvader zou dooden. Niettegenstaande alle voorzorgen van Acrisius

bracht Zeus bij Danaë, Perseus voort. Bij de lijkspelen ter eere van

den koning van Larissa in Thessalië, die Acrisius mede vierde, werd

deze door Perseus onwillens, door een discus getroffen en gedood.

Aspasia(#64986) · 第 55 / 57 段