welsprekendheid zal hij de bitterste leer verkondigen:
Hij zal leeren, dat het lichaam een kerker is der ziel en dat de ziel,
zich van hare boeien bevrijdend, opwaarts moet stijgen naar het
bovenaardsche. Hij zal leeren, dat Eros de menschenwereld verachten en
naar hooger moet streven, naar het heldere rijk der eeuwige, in
onveranderlijke schoonheid schitterende gedachten—
En deze leer zal een weergalm vinden aan naburige en verre stranden;
zij zal het wachtwoord worden van een nieuwen tijd en op de lippen van
een Galilaeër de wereld veroveren—
Met haar echter zal ook in een anderen zin het woord der
Sabazius-dienaars en Metragyrten triomfeeren, het sombere woord der
zelfkastijding en zelfverloochening—
Socrates ging peinzend uit de woning van Ariston. Hij had nu eene
hoogte bereikt, vanwaar hij het Attische land en de zee kon zien,
beschenen door de vriendelijke stralen der morgenzon.
Op de zee, in de richting van Sunion, zag hij een vaartuig het zilte
nat doorklieven. Hij staarde, in gedachten verzonken, werktuigelijk
naar dit vaartuig.
Het droeg den „Satyr” en de „Bacchante”—het droeg Manes en Cora naar
het Noorden; het voerde hen een nieuw vaderland te gemoet.
Zij togen daarheen, zalig in het bewustzijn hunner ernstige liefde.
Van de baai uit zagen zij terug en beschouwden, scheidend voor altoos,
voor het laatst de stad der Atheners.
Een licht, wit wolkje steeg, niet verre van de Acropolis, uit de stad
omhoog in de reine, heldere morgenlucht. Het kwam van den brandstapel,
die het zielloos overschot van Pericles in heiligen gloed verteerde.
Dit wolkje steeg omhoog en zweefde om de tinnen van de Acropolis.
Manes en Cora volgden het met hunne oogen, toen het om de witte
marmeren kruin van den heiligen Pallas-burg zweefde.
Maar het wolkje verdween, en rein en schitterend doemden in het heldere
licht de tinnen en gevels van het Parthenon en der onlangs voltooide
Propylaeën op uit de verte.
Hoog verhief zich, boven de ellende en verdeeldheid van de stad der
Atheners en der sterfelijke menschenkinderen, de onsterfelijke kruin
van den berg.
Uit de puinhoopen van het vergankelijke verrees in het land der
Hellenen iets onvergankelijks, zegevierend in eeuwigen glans.
En het scheen te zeggen:
„Verheven ben ik boven het wisselend lot der menschen en hunne nietige
ellende. Ik schitter door alle eeuwen heen. Ik besta ten allen tijde.
Ik ben als het betooverend licht over de bergen van Hellas, en als de
eeuwige glans der wateren in zijne golven!”
Naar het Goede en naar het Schoone streven de volkeren.
Menschelijk en edel is het Goede—goddelijk en onsterfelijk echter het
Schoone.
EINDE.
AANTEEKENINGEN VAN DEN SCHRIJVER.
DEEL I, PAGINA 24.
Men spreke uit: Ictinus, zoo ook Hipponicus, Cratinus, daarentegen
Prómachos, Pápyrus, Pháleron, Agorácritus.
DEEL I, PAGINA 149.
De klemtoon worde op de volgende namen aldus gelegd: Pasicòmpsus,
Execéstides, Astrámpsychus, Mnesárchus, waardoor het eigenaardige van
die harde, ruw klinkende woorden, in het oog valt. De lezer bederve dat
niet door eene verkeerde uitspraak.
DEEL I, PAGINA 320.
De bijzonderheden van deze schildering aan den zeeslag bij Tragia zijn
geheel verdicht, alleen overeenkomstig met de behoefte van den roman,
om het karakter van Pericles in zijne kracht en heldenmoed uit te doen
komen.
DEEL II, PAGINA 349 EN 350.
Het in het vorige jaar verschenen dichterlijk album „Egeria” (Eger
1875), alsmede de epische dichtbundel „Orient und Occident” van K. B.
v. Hansgirg bevatten een gedicht „Phidias” getiteld, waarin, evenals
hier, Pallas Athene den stervenden beeldhouwer verschijnt. Hansgirg
geeft zelf in het laatste boek, pag. 79, het jaar 1874 op, als het
jaar, waarin dit gedicht werd opgesteld. Mijn verhaal daarentegen van
Phidias’ dood werd reeds in 1873 geschreven en daar deze geheele roman
in de eerste maanden van 1874 in het bureel van de Weener „Neuen freien
Presse” aanwezig was, kan ik mij ook nog op het getuigenis van hen, die
het werk daar in handen gehad hebben, beroepen, dat, hoeveel ook sedert
in het handschrift van „Aspasia” veranderd is geworden, toch juist dit
tooneel reeds toen woordelijk zoo geschreven was, als het thans in druk
verschijnt, zoodat derhalve aan plagiaat niet kan gedacht worden.
AANTEEKENINGEN
[1] Zie Noot 3 op pag. 24.
[2] Een Grieksch woord, dat eigenlijk verzameling en en verzamelplaats
beteekent, van daar de markt.
[3] Faunus eig. een oude mythische koning van Latium, later als landgod
geëerd, werd dikwijls met den Griekschen herdersgod Pan verwisseld,
evenals zijne kinderen de Fauni met de Satyrs, die tot het gevolg van
Pan behooren.
[4] De voornaamste der drie havens van Athene, waartoe Pericles in 482
v. C. reeds de grondslagen gelegd had. De twee oudere havens waren Zen
en Munichia.
[5] Een zeeboezem, vroeger als haven gebruikt.
[6] Athene stond onder de bijzondere bescherming van de Godin Pallas
Athene, dochter van Zeus, v.d. ook Athene Polias (beschermster der
stad) geheeten.
[7] Pericles behoorde van vaders kant tot het geslacht der Buzygen, van
de zijde zijner moeder (Argariste) totdat der Alcmaeöniden.
[8] De burg van Athenen.
[9] Een hoed met breeden rand, vooral een reishoed, zooals doorgaans de
jonge mannen (Epheben), droegen.
[10] De Godin der jacht, dochter van Zeus en Leto (Latona),
overeenkomende met de Romeinsche Diana.
[11] Eig. eene zuil, voor de zuilengaanderij te Athene, gebruikt tot
opteekening en bekendmaking van wetten; beroemd is de poikile (de
bonte) met muurschilderijen van Polygnotus.
[12] Eig. een proefstuk, ook in de havens te Athene en Rhodus de
plaats, waar de kooplieden hunne waar ten toon stelden.
[13] Pontus (Euxinus) is de Zwarte zee.
[14] Namen van slaven in de Grieksche comedies veel voorkomende.
Phormio komt voor als de naam van een berucht tafelschuimer.
[15] Hiermede wordt doorgaans het Attische talent bedoeld, dat 60 minen
bevatte, plus minus ƒ 2640, later (in de 4e en 3e eeuw) slechts ƒ 2497.
Het Euboeiscbe talent was ongeveer ƒ 3675, het Aeginetische en
Babylonische ƒ 4400, later slechts ƒ 3937.
[16] Een licht, snelvarend oorlogsschip, met drie rijen roeibanken
boven elkander.
[17] De plaats, waar de volksvergaderingen te Athene gehouden werden,
bij den heuvel Lycabettus, tegenover de Acropolis en de Areopagus.
[18] Bevelhebber over eene triëre of galei; ook degeen te Athene, die
alleen of met andere burgers eene triëre voor den staatsdienst moest
uitrusten, over welke hij òf in persoon òf door een plaatsbekleeder het
bevel had.
[19] Griekenland. Eigenlijk heette Hellas alleen Midden-Griekenland,
doch dikwijls wordt dezen naam aan het geheel gegeven. Men vergelijke
ons Holland; naam der provincie en tevens vaak als die van ons geheele
land gebezigd.
[20] Promachos beteekent in de voorste rijen strijdend, ook als subst.
Kampvechtster.
[21] De drie dochters van den zeegod Phorcys en de slang Echidna werden
Gorgonen genoemd, vooral Medusa, die, met slangen omgord en met adders
gelokt, allen die haar aanzagen in steen veranderde. Zij werd door
Perseus overweldigd.
[22] Zie noot 2 op pag. 19.
[23] De Panathenaeën waren, zooals de naam aanduidt, een algemeen
volksfeest, verdeeld in de groote en kleine Panathenaeën; de groote
werden om de vier jaren, in het derde jaar van iedere Olympiade, de
kleine jaarlijks gevierd.
[24] De beroemde slag van Marathon, een vlek in Attica, werd door 9000
Atheners en 1000 Plataeërs, onder aanvoering van Miltiades tegen eene
tienmaal sterkere macht der Perzen onder Datis en Artaphernes in 490 v.
C. glorierijk gestreden.
[25] Aphrodite (Venus) was, naar de mythe, nabij het eiland Cyprus uit
de zee opgestegen; haar naam wordt dan ook verklaard door „de uit het
schuim der zee opgestegene.” Vandaar haar bijnaam Cypris en Cypria. Op
Cyprus werd zij hoog vereerd; een prachtige tempel, haar gewijd, bevond
zich daar.
[26] Een belangrijk eiland in de Aegaeïsche zee, behoorende tot de
groep der Cycladen, bekend om zijn schitterend wit marmer. Tot de
Cycladen behoort ook Delos, beroemd als geboorteplaats van Apollo en
Artemis, kinderen van Zeus en Leto.
[27] Ictinus, Callicrates en Mnesicles waren de beroemdste bouwmeesters
dier dagen. De beide eersten wijdden hunne krachten vooral aan het
Pharthenon, aan Athene gewijd, de laatste aan de Propylaeën, het
voorhof van den burg te Athene.
[28] De Godinnen, die aan het leven liefelijkheid en bevalligheid
bijzetten: Aglaia, Euphrosyne en Thalia. De Romeinen noemden ze
Gratiae, Gratiën (eig. bevalligheden, wat ook het Grieksche woord
uitdrukt).
[29] Een beroemd gebergte op de kust van Azië in Phrygië, Mysië en
Troas ten zuiden van den Hellespont (tegenw. zee der Dardanellen)
gelegen. Aan den voet daarvan lag het beroemde Ilium (Troje). Een
gebergte van dienzelfden naam bevond zich op Creta.
[30] Pygmalion, een „koning” van Cyprus, vatte voor het ivoren beeld
van een jonkvrouw, ’t welk hij zelf vervaardigd had, zulk eene
hartstocht op, dat hij Aphrodite smeekte, het te bezielen. Toen dit
geschied was, nam hij haar tot echtgenoot, bij wie hij Paphos verwekte.
Vgl. het drama van Rousseau, aan deze mythe ontleend en Brockhaus,
Conversationslexicon, in voce.
[31] Peristylium of Peristylum is eene met zuilen omgeven plaats,
evenwel geene zuilengaanderij om een tempel; dit heet in de antieke
bouwkunst: Pteroma.
[32] De God der liefde, overeenkomende met de Romeinsche Cupido.
[33] De Muzen waren de godinnen van het gezang, de dichtkunst en de
muziek. Vroeger was haar aantal slechts drie: Mneme, Aoide en Melete
dochters van Zeus en Mnemosyme. Later worden er negen vermeld, te
weten: Calliope, Clio, Euterpe, Thalia, Melpomene, Terpsichore, Erato,
Polyhymnia en Urania, welke ieder eene bijzondere kunst beoefenden en
elk hare attributen had. De Grieksche namen zelven verklaren, welke
kunst aan iedere Muze was toegewezen. Haar dienst kwam uit het
Thracisch landschap Piërië naar Griekenland over. V.d. de Piëriden = de
Muzen. Vgl. verder Brockhaus, in voce.
[34] Hesiodus was een Grieksch ditactisch dichter in Ascra in Boeötië
geboren in de 9e eeuw v. C. Behalve eenige gedichten als „Werken en
Dagen” schreef hij ook eene Theogenie, behelzende de mythen en sagen
omtrent de Goden. Homerus werd beschouwd als de beroemdste dichter van
Griekenland, de schepper van de Ilias en Odyssee, doch tegenwoordig
meent men dat hij werkelijk niet heeft bestaan en zijne gedichten eene
samenvoeging zijn der werken van tal van dichters.
[35] Pindarus was de beroemdste der Grieksche lyrische dichters,
ongeveer in 521 te Cynocephalae geboren, gestorven circa 433 v. C. Hij
schreef hymnen van allerlei soort, zegeliederen, e. a., vooral ter eere
der overwinnaars in de groote nationale spelen. Door kunstkenners als
Horatius wordt zijne poëzie hoog gewaardeerd.
[36] Anaxagoras was een der beroemdste Ionische wijsgeeren, omstreeks
500 v. C. te Clazomenae geboren. Hij had grondige studie van de
natuurwetenschappen gemaakt. Tot zijn beroemdste leerlingen behooren
Pericles, de geschiedschrijver Thucydidus, de natuurkundige Archelaüs
en de treurspeldichter Euripides. Anaxagoras was van oordeel, dat de
stof zelve onbewegelijk was, maar door een eeuwig verstandig wezen, in
beweging gebracht en dat door scheiding van het ongelijke en
vereeniging van het gelijke de wereld ontstaan was. Hij werd van
ketterij beschuldigd, verliet Athene en stierf te Lampsacus in 428 v.
C.
[37] Onder byssus verstaat men eene soort boomwol, die in de vroegste
tijden uit Aegypte en later uit Indië werd aangevoerd. Daaruit
vervaardigde kleederen noemt men sindones; andere namen voor byssus
zijn gossypium en chylon.
[38] De chiton is eigenlijk een wollen onderkleed, door mannen en
vrouwen gedragen, waarover men een wijden mantel, chlaena of pharos
genaamd, wierp, overeenkomende met de Romeinsche tunica. Verder duidt
het algemeen een kleed, of gewaad aan. Zie Guhl und Koner, Das Leben
der Griechen und Römer S. 179.
[39] Alle niet-Grieken werden door hen barbaren geheeten; zóó deden
later ook de Romeinen wat hen zelven betrof.
[40] Onder Olympiërs verstaat men de Goden, die, naar de mythe, hun
zetel hadden opgeslagen op de toppen van den Olympus, een berg in
Thessalië.
[41] Pisistratus maakte zich met geweld van den heerschappij over
Athene meester in 560 v. C. Hij stierf in 527 v. C. Zijne zonen
Hippias, Hipparchus en Thessalus, gemeenlijk de Pisistratiden geheeten,
werden van de tyrannie (alleenheerschappij) beroofd en verdreven. (510
v. C.) Hipparchus werd door Harmodius en Aristogiton vermoord.
[42] Men wachte zich het woord tyran in onze beteekenis op te vatten.
Het wordt hier gebezigd in den Griekschen zin en geeft enkel een
alleenheerscher, die zich in een vrijen staat gewelddadig van de
heerschappij heeft meester gemaakt, te kennen.
[43] Erechtheüs (ook Erichthonius) was een Attische heros, wiens mythe
nauw in verband staat met den oorsprong van Athene en de beschaving van
Attica. Ook komt hij in onmiddellijke betrekking voor met den
eeredienst. Van hem of Theseus leidt men het ontstaan der Panathenaeën
af.
[44] Een Grieksch woord, beteekenende: (de stad beschermende). Dat
schild heette Palladium. In een latere noot wordt dit nader toegelicht.
[45] Nemesis is de Godin van het zedelijk rechtsgevoel, ook van de
wraak. Zij heet ook wel Adrastea en Rhamnusia, welken laatsten naam zij
ontleent aan het vlek Rhamnus in Attica, waar zij een tempel en een
standbeeld had, ’t welk men beweert dat Agoracritus uit het op de
Perzen veroverd marmer gebeiteld had.
[46] Socrates, een der beroemdste Grieksche wijsgeeren, was te Athene
ongeveer 470 v. C. geboren. Zijn moeder heette Phaenarete. Zijn hoogste
streven was zelfkennis. Bekend is zijne methode, om de menschen te
ondervragen. Van ketterij beschuldigd, moest hij den giftbeker drinken,
ongeveer 400 v. C.
[47] Vergelijk noot 2 pag. 33.
[48] Zie noot 1 pag. 16.
[49] Eigenlijk beteekent strateeg veldheer; te Athene waren zij
aanvoerders van het voetvolk en vormden tevens een rechterlijk college.
[50] Een obool is eene munt, het zesde deel van eene drachme
bedragende, ongev. ƒ 0.075. De obool had weder 6 chalkoi; 100 drachmen
maken eene minae uit, 10 zilveren minae een gouden, 60 minae een
talent. Eene minae is dus ongev. ƒ 44. Vergelijk noot 2 pag. 14.
[51] Het Grieksche „daemon” beteekent in de eerste plaats: eene
Godheid, ook eene wrekende; vervolgens een wezen tusschen Goden en
menschen in. In het Nieuwe Testament ook de duivel, de booze geest.
Vergelijk daemonisch, eig. door een daemon of Godheid bezeten, en
enthousiast of door eene Godheid bezield (Theos, God).
[52] Zie noot 1 pag. 29.
[53] De Grieken kenden den Goden vele hoedanigheden toe; de een
beschermde dit, de andere dat. Zeus was de beschermer der smeekelingen,
die bij den haard, bij het altaar zittende, niet gekrenkt mochten
worden. Als beschermer van den huiselijken haard noemen zij hem Zeus
Ephestios.
[54] Dionysus was de God van de vruchtbaarheid, inzonderheid van die
des wijnstoks, ter wiens eere de landelijke Dionysiën in Attica werden
gevierd. Hij stemt grootendeels overeen met den Romeinschen Bacchus,
ook Iacchus en Liber geheeten.
[55] De kunst van het voorspellen; het Grieksche woord wijst op eene
geestvervoering.
[56] De laurier was aan Phoebus Apollo gewijd. De Grieken schreven aan
zekere planten een reinigende kracht toe, als aan den myrth, den
rozemarijn, maar vooral aan den Apollonischen lauriertak. Vgl. Guhl und
Koner, p. 381, in het reeds aangehaalde werk.
[57] Xantippes had de Perzen in 479 v. C. bij Mycale eene geweldige
nederlaag toegebracht. Mycale is een gebergte in Ionië (waar ook eene
stad van dien naam lag;) tegenover Samos, zich uitstrekkende van den
Maeander bij Magnesia tot aan de kust.
[58] Onder Palladium verstaat men het door Pallas (Athene = Minerva)
van den hemel naar Troje geworpen schild van welks behoud Troje’s lot
afhing. Later beweerden verscheidene steden, als Athene, Argos, en Rome
het te bezitten. Te Rome meende men dat het in den tempel van Vesta
heilig werd bewaard, zoodat zelfs de opperpriester (Pontifex Maximus)
het niet mocht zien. Er waren ook nog andere houten Palladia.
[59] Een landschap tusschen Macedonië, den Donau, den Bosporus (straat
van Constantinopel), de Propontis, den Hellespont en de Aegaeïsche zee
gelegen.
[60] Een landschap van Midden-Griekenland (Hellas).
[61] Cimon, een der beroemdste Grieksche veldheeren, was de zoon van
Miltiades en Hegesipyle. Zijn vader, Paros niet kunnende vermeesteren,
werd tot eene zware geldboete veroordeeld, die hij niet kon betalen.
Die schuld ging op Cimon over, die tevens met „atimie”, d.i. verlies
aller burgerrechten gestraft werd. Callias, een rijk Athener, huwde
echter Elpinice, de halfzuster van Cimon, met wie deze, volgens de
zeden dier dagen, reeds getrouwd was, en betaalde de boete. Vervolgens
nam hij een roemrijk aandeel in de Perzische oorlogen, veroverde
verscheidene eilanden, als Scyros en Thasos (463 v. C.), voerde
oorlogen tegen Sparta, doch werd eindelijk door het Ostracisme of
schervengerecht verbannen. Na eene vijfjarige ballingschap werd hij
door Pericles in 451 teruggeroepen, sloot met de Spartanen een
vijfjarigen wapenstilstand, voerde een Atheensche vloot tegen de Perzen
naar Cyprus, doch vond bij de belegering der stad Citium den dood.
Plutarchus, een Grieksch geschiedschrijver, en de Romein Cornelius
Nepos hebben zijn leven beschreven.
[62] Thasos, een aanzienlijk eiland in het Noorden van de Aegaeïsche
zee, tegenwoordig Tháschos, aan Turkije behoorende, met ongeveer 10,000
bewoners.
[63] Theseus, de zoon van Aegeus, was een beroemde, nationale
Atheensche held, die tal van monsters en schelmen doodde, als den
Minotaurus op Creta, Sciron, Procrustes e. a. Aegeus meenende dat zijn
zoon op Creta omgekomen was, stortte zich in de zee, naar hem de
Aegaeïsche zee genaamd. Hij aanvaardde de heerschappij over Attica en
verrichtte tal van beroemde feiten. Hij nam deel aan den
Argonautentocht e. a. Bij zijne vrouw, de Amazone Antiope, verwekte hij
Hyppolytus, die later door zijne stiefmoeder Phaedra den dood vond. Dit
gaf Racine stof tot zijn meesterstuk „Phédre”.—Theseus vond bij Scyros
door koning Lycomedes den dood. Te Athene werd hij als held (heros)
vereerd en verkreeg door Cimon een tempel (Theseion). Op dezen tempel,
door Polygnotus versierd, doelt Hamerling ongetwijfeld.
[64] Deze galerij heet in ’t Grieksch de „poikile”.
[65] De belegering en val van Troje behoort tot het mythologisch
tijdvak; men stelt de verovering dier stad, waarvan Priamus koning was,
ongev. 1184 v. C.
[66] Cassandra, ook Alexandrea genaamd, was de dochter van Priamus en
Hecuba, en had van Apollo de gave der profetie ontvangen; evenwel met
den vloek, dat niemand haar zou gelooven. Zoo voorspelde zij te
vergeefs den ondergang van hare vaderstad Troje. Toen nu na den val van
Troje zij en andere jonge maagden naar den tempel van Athene vluchtten
sleurde Aiax, de Locriër, Cassandra van het altaar weg en onteerde
haar, terwijl zij later Agamemnon ten deel viel, die haar naar Mycene
voerde. Agamemnon zou zij de tweelingen Teledamus en Pelops gebaard
hebben.
[67] Cronion beteekent Cronos’ zoon, d.i. Zeus (Jupiter). Cronos is
geïdentificeerd met den Romeinschen Saturnus, zoon van Uranus en Gaea,
die volgens de mythe, zijne eigene kinderen verslond, omdat hem
voorspeld was, dat zij hem van den troon zouden stooten. Alleen Zeus
ontkwam dit lot en stortte zijn vader in den Tartarus (de onderwereld).
[68] Aan Clio, de „verkondigende”, de Muze der geschiedenis, werden
schrijftafeltje en stift, als attributen toegekend. Zie voorts noot 1
pag. 30.
[69] Sparta werd ook „Lacedaemon” geheeten; „Lacedaemonius” beteekent
dus de „Lacedaemoniër” of de „Spartaan”.
[70] Een kleed, vooral een mantel, die omgeslagen werd en in vele
plooien neerviel. Men wikkelde zich er echter geheel in. Het himation
werd door mannen en vrouwen beide gedragen.
[71] Vergelijk ons woord „zak”. Eig. eene grove stof van gevlochten
haar, ook een mantel.
[72] Eigenlijk eene bekransing, krans; vandaar ook een hoofdsieraad der
vrouwen.
[73] De hond stond bij de Grieken weinig in eere; hij was het toonbeeld
van onbeschaamdheid. Het woord kuoon, dat hond beteekent, wordt ook
gebezigd voor den ongelukkigsten worp in het dobbelspel.
[74] Artemis (Diana) was de Godin der jacht.
[75] De Brilessus of Brilettus was een bergketen ten N. O. van Athene,
ongev. 1110 meter hoog, beroemd om zijn marmergroeven. Meer bekend is
het onder den naam (Pentelicon), thans Menteli.
[76] Beroemde stad in Phocis, (een landschap van Midden-Griekenland),
beroemd door den Apollo-tempel, het orakel en de bekende Pythische
spelen.
[77] De Godinnen van het geweten, de wroeging, die den misdadiger
vervolgen. Zij worden ook Erinyen genaamd.
[78] Eene stad in Boeötië (Midden Griekenland), eene der tien steden
van het Boeötisch verbond.
[79] De zoogenaamde Pythia, die te Delphi orakels gaf.
[80] Dit woord wordt in tweeërlei zin gebruikt. In den kwaden zin
beteekent het iemand, die de verderfelijkste leer verkondigt, zooals
Hippias. In den goeden zin van het woord waren het zedepredikers, die
slechts het geluk van hun volk bedoelden, zooals Protagoras, Gorgias en
Socrates.
[81] Na den dood van Koning Codrus (1068 v. C.) werden er Argonten
(bestuurders) te Athene gekozen, eerst levenslang, daarna voor 10
jaren. Later waren er drie; de eerste heette Archon (ook Eponymus
geheeten, omdat men naar hem het jaar noemde), de tweede Archon
Basileus (koning) voor godsdienstige zaken, de derde Archon
Polemarchus, wien de leiding in krijgszaken was opgedragen.
[82] Alcibiades, later beroemd staatsman en veldheer, verloor zijn
vader in den slag bij Coronea (477 v. C.) Zijne moeder heette
Dinomache. Hij was in 451 v. C. te Athene geboren. Hij huwde met
Hipparete, de dochter van Hipponicus. Na vele lotgevallen en beroemde
daden viel hij in een ongenade en werd in 404 v. C. door Pharnabazus
vermoord. Hij was een der talentvolste Atheners, een leerling van
Socrates.
[83] Opvoeder; de opvoeding was doorgaans aan de slaven toevertrouwd.
[84] Een vrouwelijke geest of spook, om de kinderen schrik aan te
jagen.
[85] Het Grieksche woord beteekent spook.
[86] Eigenlijk de naam van eene ijdele vrouw, voor synoniem met „mormo”
een spook.
[87] Te Olympia in Elis werden de zeer beroemde Olympische spelen om de
vier jaren gevierd. Zelfs werd daarnaar eene tijdrekening ingesteld.
Een tijdvak van vier jaren noemde men eene Olympiade.
[88] De sandaal (sandalon) was vooral een vrouwenschoeisel. Zij bestond
uit eene houten of rundleeren zool, die door riemen aan den voet
bevestigd werd. Men vertaalt het wel, hoewel niet geheel juist, door
pantoffel.
[89] In Griekenland zijn twee dichters van dien naam. De oudste is
Simonides van Amorgos of Samos, naar anderen willen, p. m. 600 v. C.
Hij schreef Iambische gedichten. De tweede, Simonides van Ceos, is
beroemder. Hij werd ongev. 557 v. C. geboren. Hij was een dichter van
elegieën. Zijne epigrammen zijn zeer bekend, b.v. op de overwinnaars
bij Marathon en op de bij de Thermopylae gevallen Spartanen. Simonides
stond in hoog aanzien te Sparta en Athene. Op uitnoodiging van Hiëro
begaf hij zich in 447 naar Syracuse, waar hij in 466 stierf. Toen
bevonden zich daar ook Pindarus en Bacchylides.
[90] Eig. de „Aresheuvel” de plaats, waar het hoogste gerechtshof van
Athene zitting had.
[91] Een kwartier van Athene, ook de straat, die naar de Acropolis
voerde. „Kerameikos”, zooals het Grieksch luidt, beteekent eigenlijk
pottebakkersmarkt.
[92] Een vlek in Attica, beroemd door de prachtige tragedie van
Sophocles: Oedipus Coloneüs.
[93] Tholus beteekent een rond gebouw, ook dat gebouw, waarin te Athene
de Prytanen (d. z. vijftig raadsleden van den raad der Vijfhonderd, die
afwisselend voorzaten) spijzigden.