Welaan dan, gij mannen, zoo riep men thans, die het groote woord onder

het volk voert, Cleon, Lysicles, Pamphilus, welbespraakte redenaars en

raadgevers op de Pnyx—stelt u aan de spits der vloten en legers! grijpt

de teugels, die men aan de handen van den heerschzuchtigen Pericles

heeft ontwrongen!

Op de Agora beijvert zich inderdaad weder de onvermoeide Pamphilus, een

grooten hoop volks om zich heen verzamelende, ten einde zijn vriend

Cleon tot aanvoerder te doen verkiezen, zijn moed, zijne gezindheden,

zijne bekwaamheden op te vijzelen.

Na een lang en levendig gesprek treedt eensklaps uit de vergaderden een

armoedig man op, van een zonderling, half verwilderd uitzicht en begint

tot het volk met vuur te spreken.

„Medeburgers!” roept hij, „wij hebben Pericles afgezet, wij, het

Atheensche volk. En dit was goed, in zooverre Pericles daaruit heeft

kunnen zien, dat wij hier te Athene nog de volksheerschappij bezitten.

In zooverre, zeg ik, was het goed. Overigens echter blijft het toch

eene ongehoord domme zaak zich een been af te zagen op het oogenblik,

dat men te Olympia een wedren wil gaan houden—en nadat wij van kwaad

tot erger zijn vervallen en de os, om zoo te zeggen voor een appel en

een ei te krijgen is, en worsthandelaars ons willen wijsmaken, dat zij

vogelmelk te koop hebben...”

„De duivel hale u, ellendeling!” viel hem een man uit de heffe des

volks verwoed in de rede. „Wilt gij eens zwijgen!”

„Ik wil niet zwijgen!” hernam de opgewondene. „Ik ben een Atheensch

burger zoo goed als iemand, en ik vrees geen mensch. Ik ben een man uit

Halimus: marskramer was ik en ik heb betere dagen gekend; maar nadat

mijne vrouw en kinderen aan de pest zijn gestorven en ik zelf ter

nauwernood te midden der lijken van het ziekbed ben opgestaan, heb ik

alles laten liggen, zooals het lag, en heb mij hier in de stad als

lijkuitdrager verhuurd, dat wil zeggen, ik help de pestlijken uit de

huizen naar de brandstapels sleepen.”

Na deze woorden van den man weken allen met zekere huivering terug en

hielden zich, door angst gedreven, op een afstand van hem.

De voormalige marskramer uit Halimus stoorde zich echter daaraan

volstrekt niet, maar vervolgde:

„Ik beroem er mij op, dat ik, zooals gij mij hier ziet, een man ben van

ervaring in staatkundige zaken. Ik behoorde vóór vijftien jaar op de

Pnyx tot hen, die vóór den bouw van het Parthenon stemden en die de

rechtersoldij en de schouwburggelden toestonden. Ik heb altijd mijn

burgerplicht vervuld en het belang van den staat op ’t oog gehad, en ik

zeg u, dat de Peloponnesiërs geen runderen en schapen zijn, die zich

door den leerlooier Cleon goedschiks hun huid zullen doen touwen. En

toen de beide zonen van Pericles aan de pest gestorven waren, had men

eigenlijk den ongelukkigen man, den kinderloos geworden vader, moeten

beklagen, en hem daarom niet minder achten, noch hem beschouwen als een

door den toorn der Goden getroffene en hem als zoodanig vervolgen.”

„Genoeg van Pericles,” viel de verwoede Pamphilus den marskramer in de

rede. „Wij willen niets meer hooren van Pericles. Hij deugt tot niets

meer. Hij sukkelt, naar men zegt. En wat hebben wij aan een ziekelijk

man?”

„Pas op, Pamphilus!” riep de andere; „het geneesmiddel van den zieken

leeuw is, zooals het spreekwoord zegt, dat hij een baviaan opeet!”

„Wilt gij mij beschimpen?” schreeuwde de worstmaker, zijn been

oplichtende, om zijn tegenstander een trap in de lendenen te geven.

„Kom maar op!” riep de man uit Halimus, „ik zal u zoo looien, dat uw

huid er uit ziet als purper! Ik zal u de longen uit het lijf scheuren

en uw ingewanden dooreen klutsen!”

Pamphilus week huiverig terug voor de aanraking van den drager van

pestlijken.

„Terug!” riep hij, „terug! Waag het niet uwe verpeste hand aan het

lichaam van een Atheensch burger te slaan! Terug, ellendeling!

Ellendigste, allerellendigste der menschen!”—

„Waarom?” riep de drager van pestlijken, grijnzend. „Gij zult het

misschien toch moeten toelaten, dat ik u aanraak! Van zulke knapen als

gij zijt hoop ik er nog ettelijke dozijnen op mijn wagen te krijgen!

Overigens echter herhaal ik: het was goed, dat wij Pericles afzetten,

opdat hij zou zien, dat wij hem kunnen afzetten, als wij willen. Nu hij

dit echter gezien heeft, is het beste dat wij heengaan en hem weder

aanstellen en hem de vloot weer toevertrouwen; want wij kunnen hem niet

missen, zeg ik u—wij hebben geen tweede, hem gelijk, en niet ieder, die

eene knots [418] draagt, is daarom een held.”—

Wat de half verwilderde man uit Halimus op zijne zonderlinge, maar

eerlijke manier te berde bracht, was eene moeilijk te bestrijden

logica.

Inderdaad, wie te Athene weder den oorlog wilde, die moest Pericles ook

willen. Potidaeä was eindelijk gevallen:—opnieuw, zij het ook met

zwakken vleugelslag, ontvouwde zich de hoop. Snel veranderde dan ook

weder de stemming onder het bewegelijke volk der Atheners.

Op den volgenden dag stroomden de Atheners naar de Pnyx en herstelden

Pericles in al zijne ambten en waardigheden.

Zij meenden, dat het nog de oude Pericles was, aan wien zij zich

andermaal toevertrouwden. Zij vergisten zich.

Sophocles was de eerste, die zijn vriend de tijding van het nieuwe

besluit des volks bracht.

„De Atheners hebben u alles teruggegeven!” zei de dichter hem

gelukwenschende.

„Alles,” hernam Pericles met een bitteren lach, „behalve het vertrouwen

op hen, het vertrouwen op het geluk van Athene en het vertrouwen op mij

zelven!—

„Diopithes triomfeert toch!” vervolgde hij. „Schijnbaar heeft hij nu

ook het onderspit gedolven, maar in waarheid zijn wij te Athene de

overwonnenen. De hoogste zijner bedoelingen wel is waar heeft Diopithes

niet bereikt, maar wat hij en de zijnen sedert lang voorbereid en

gedaan hebben, dat is niet verloren gegaan bij het volk der Atheners!”—

„Verban die sombere gevoelens uit uw hart!” vermaande Sophocles.

„Athene en Hellas staan nog op hun glanspunt: nog menig heerlijk

gewrocht zullen zij voortbrengen, nog menigen zegekrans behalen. Ons

betaamt het niet te klagen, ons, wien het vergund werd, den edelsten

bloei ontwikkeld te zien.”

„Maar ook den worm, die aan dien edelsten bloei knaagt!” hernam

Pericles. „Nog is hij er niet, de tijd, die zich aankondigt, maar eene

donkere toekomst werpt hare schaduw ver voor zich uit. Naar het toppunt

van opgewekte vroolijkheid, schoonheid en kennis streefden wij. Van

onze droomen heeft zich de droom der schoonheid verwezenlijkt—de andere

echter zijn in nacht en verwarring opgegaan. Kort zijn, naar het

schijnt, de levenslenten der volkeren en hunne bloesems welken, vóór

zij zich nog ten volle hebben ontwikkeld!”

Zoo sprak op dien dag Pericles tot den edelste zijner vrienden.—

Nog eenmaal verhief zich de geweldige, verderfelijke ziekte.

Er kwam bij de verandering der maan een donkere nacht, een nacht,

waarin de storm vreeselijk huilde. Koud blies de wind over het Attische

land van de kloven en hoogten van den Pindus. Dof sloegen in den

Piraeüs de golven tegen de steenen dammen. De schepen in de haven

werden heen en weder geslingerd, de masten kraakten, het want gierde.

In de ontvolkte straten van Athene loeiden de winden als spoken, zij

speelden met de open deuren der verlaten huizen en huilden door de

eenzame peristylia. Men wist soms niet of ’t huilen en bulderen van den

wind was, dan wel het klagen en zuchten van jammerende moeders, dat men

vernam. Over de tinnen, gevels en marmeren beelden van het Parthenon

vlogen zwarte wolken. De als wijgeschenken opgehangen schilden sloegen

klapperend tegen de architraaf, waaraan zij hingen. Nachtvogels

krasten. Het reuzenbeeld der met lans en helm gewapende Athene

Promachos trilde op zijn granieten voetstuk.

In dezen donkeren, stormachtigen nacht, waarin ieder zich binnenshuis

hield en de straten als schoongeveegd waren, dwaalde een man rond, door

eene zonderlinge onrust gedreven. Die man was Socrates. Zijne oude

gewoonte om des nachts rond te dolen, ten einde jacht te maken op

gedachten, was hem meer en meer eigen geworden: evenwel werd hij zelf

meer door gedachten gedreven, dan hij haar najaagde. Zoo zwierf hij ook

dien nacht rond, blindelings, als naar een onzeker doel voortgestuwd.

Hij naderde den verlaten oever van den Illissus, waar uitgebrande

brandstapels lagen en waar de dolle Meno zat bij hoopen asch en

glimmende kolen. De dolle kerel grijnsde, blies de kolen aan en warmde

zich daaraan; nu en dan nam hij een slok uit eene flesch edelen Chiër,

die hij uit een door de pest ontvolkt huis weggenomen had, welks

voorraad den roovers een gemakkelijke buit geworden was.

Hier en daar stiet de voet van den voortijlenden Socrates in het donker

op slechts half verbrande, zwart verkoolde ledematen.

En verder vervolgde hij, zonder doel, zijn weg. Eensklaps werd hij

getroffen door den geur van viooltjes. Hij treedt nader en komt bij

eene bron, die, naar de gewoonte der Atheners, met viooltjes is

omplant. Socrates buigt zich neder, om zijn heet voorhoofd te verkoelen

en zijne droge lippen zoeken het lavende vocht. Maar ook hier grijnst

de dood hem tegen en spoedig wordt de zonderlinge geur der viooltjes

hem verklaarbaar. De bron was verontreinigd door een lijk, een dier

ongelukkigen, dien de vertwijfelende begeerte naar verkoeling nog in de

ure van den doodstrijd naar de bron had gedreven.

Huiverend week Socrates terug. Toen echter zich herstellend plukte hij

een der viooltjes, beschouwde het lang en peinzend en zeide: „o gij

Attische viooltjes, wie zal in de toekomst u nog roemen en de met

viooltjes omkranste Atheners, als uwe gevierde geur zoo vreeselijk

vermengd is met de walmen des doods?”—

Hij ijlde terug, dieper de straten in, waar de deuren in den wind

klapperden en de moeders als in wedstrijd met de winden huilden en

klaagden. Hij staarde naar de Acropolis en zag het zwarte, in lage

wolken verscheurde zwerk, dat als krijschende nachtvogels, aan

ongeluksgeesten gelijk, het reusachtige beeld van Athene Promachos

zweefde...

Alsof de ongeluksgeesten, die hij daar meende te zien, op hem

nederdaalden en hem dreigden en vervolgden, doolde Socrates rond.

Eensklaps stond hij vóór het huis van Pericles.

Hij bleef staan. Hoe dikwijls was hij over dezen drempel getreden! Hoe

lang was ’t geleden, sinds dit voor ’t laatst geschied was!

Hij naderde schier onbewust en onwillekeurig de deur. Hij bemerkte, dat

zij niet gesloten was, als ware het vergeten of verzuimd, en zonder

bewaker.

Hij trad naar binnen; eenzaam en verlaten was het voorportaal. Geen

geluid drong van binnen tot hem door. Huiveringwekkend was de stilte,

die hem omgaf.

Thans zag hij uit het peristylium het schijnsel van eenige somber

flikkerende lichten.

Eene rilling voer hem door de leden; hij wist niet waarom. Maar

tegelijk drong eene onbekende macht hem voorwaarts.

Daar zag hij midden in het peristylium eene legerstede, met purperen

kussens opgemaakt. Op de purperen kussens lag een doode, het lichaam

gehuld in een schitterend wit gewaad—het voorhoofd omkranst met

groenende klimopranken.

Nevens de sponde zat eene vrouw, met gebogen hoofd, bleek en sprakeloos

als een steenen beeld.

Socrates bleef op den achtergrond. Hij bleef als vastgenageld staan,

zonder een woord te spreken. Zijne oogen staarden strak en als van een

krankzinnige op het lijk en op de vrouw, die bij het lijk zat.

Die marmerwitte, onbewegelijke vrouw was Aspasia. De met klimop

omkranste doode op de purperen sponde was Pericles, de Olympiër.

Ontzield lag daar de Alcmaeönide, de aanvoerder van die onsterfelijke

schaar verheven geesten, die Griekenland voor eeuwig hebben

verheerlijkt—de held van een gouden bloeitijd der menschheid, die nog

altijd naar hem wordt genoemd, dien hij over Hellas gebracht heeft en

met welks verval hij zelf ook het leven verliet.

Grooter en statiger nog scheen thans het lichaam van den held, door de

pijlen van den doodsengel gevallen. Maar zachtheid lag er, evenals bij

zijn leven, ook thans uitgebreid over zijn mannelijk gelaat. Zelfs de

pest had die edele trekken niet misvormd. ’t Was, alsof de dood den

Olympiër niet verslagen en vernietigd had, maar integendeel den door

zielsleed gebrokene weder in zijne volle grootheid opgericht. Verjongd

straalde nu weder in de trekken des dooden die opgeruimde kalmte, welke

den levende eindelijk ontzonken was, verdwenen was de tweestrijd, dien

ten laatste het gemoed van Aspasia’s gemaal was binnengeslopen...

Waarover peinsde de bleeke Aspasia aan de doodsponde van Pericles?

Aan haar geest ging eene schitterende reeks van schoone, grootsche,

heerlijke herinneringen voorbij.

Zij dacht aan het oogenblik in de werkplaats van Phidias, waar het

vurig oog van dien man voor ’t eerst het hare had ontmoet, waar, na

manlijken, ernstigen strijd voor de grootheid en macht van Athene, de

schoonheid hem in banden sloeg.

Zijn beeld zweefde voor hare oogen, nu eens hoe hij op het

redenaarsgestoelte der Pnyx stond en het volk aan zijne lippen hing—dan

weer hoe hij vol fierheid en geestdrift met haar wandelde over de

hoogten van de Acropolis, zich verheugend over het heerlijke en

grootsche, dat daar onder zijne oogen verrees;—nu eens hoe hij, door

begeerte naar krachtige daden aangegrepen, voor Samos zich nieuwe

lauweren bevocht—dan weder hoe hij in zalige liefde, het schoonste

menschenlot vervullend, op de bloeiende hoogte des levens den

bedwelmenden kelk der vreugde met haar ledigde—of hoe hij op de

Acropolis in het gezicht van nieuw voleindigde, onsterfelijke

gewrochten een verbond met haar sloot, zijne ziel vervuld van grootsche

plannen en verwachtingen.

In zijne edele grootheid zweefde hij voor haar geest, in zijne

overweldigende macht over de menschen, in zijne gevoeligheid en warmte

van hart, in zijne waardige, mannelijke kracht—zacht, verstandig en

moedig te gelijk—het toonbeeld van den echten Helleen, te zeer vervuld

van geest en gemoed om op te gaan in ruwen heldenzin, en van den

anderen kant te ijverig, te degelijk om enkel genoegen te vinden in

weekelijk genot, in de bekoring van schoonheid en liefde.

Maar ook zweefde zijn beeld voor hare oogen, hoe hij aan hare zijde

wandelde in de dreven der Peloponnesus, hoe meer en meer de ernst met

zachte schaduwen over zijn voorhoofd gleed, hoe hij vervuld van het

leven en streven van den voortschrijdenden tijd, aangespoord door een

voorgevoel eener nieuwe, ernstige, treurige toekomst, zwijgend zijn

diepst gevoel verborg, totdat hij ophield een Helleen te zijn in den

geest en den zin der schoone vrouw, met wie hij het schitterend

vreugdebond der liefde had gesloten, en totdat hij, na den loop der

ontwikkeling van het Hellenisme in zijn eigene ziel doorleefd te

hebben, door onheilspellende, sombere voorgevoelens aangegrepen, met de

macht en grootheid van zijn vaderland zelf bezweek.

Evenals Aspasia’s oog strak op het gelaat van den ontzielden Pericles

was gericht, zoo staarde het oog van Socrates onbewegelijk op het

bleeke gezicht der vrouw.

In haar scheen hem Hellas verpersoonlijkt, dat treurend zat aan de

lijkbaar van den edelste zijner zonen...

Hoe bleek en ernstig zien die trekken van de schoone vrouw, dit eens

zoo levenslustige Hellas!

Thans sloeg Aspasia haar oog op en haar blik ontmoette dien van

Socrates. Het was een lange, lange blik, dien Aspasia en Socrates

wisselden.

Het was een lange, diep ernstigen blik en geen woord zou de

gewaarwordingen kunnen uitdrukken, die in dezen langen blik opgesloten

lagen.

Geen enkel woord, alleen deze ééne blik werd tusschen hen beiden

gewisseld.

Toen verdween Socrates. Als eene spookachtige schim was hij voor de

vrouw opgerezen—zonder geluid verdween hij.—Eenzaam zat weder bij de

doodsponde van den grooten Helleen, roerloos en marmerbleek, Aspasia.—

Socrates zette zijne nachtelijke wandeling voort. Zonder bepaald plan

of doel ijlde hij door de straten, een geruimen tijd met diep bewogen

gemoed.

Het geweld van den gierenden en huilenden rukwind had opgehouden.

Stiller en nog eenzamer dan te voren was het geworden om den

nachtelijken zwerver. Het was reeds lang over middernacht. De morgen

kondigde zich van verre aan met eene bijna nog onmerkbare grauwen

streep in het Oosten. Maar nog was het nacht, donkere nacht, in de

straten van Athene. Door de gescheurde wolken des hemels fonkelden

slechts enkele verflauwende sterren.

Plotseling stond voor Socrates een man, reisvaardig, naar het scheen,

vergezeld door een slaaf. Hij vestigde den blik strak op Socrates.

Socrates keek op, toen gene hem den weg versperde, en hij herkende

Agoracritus.

„Waarheen gaat gij in den donkeren nacht?” vroeg de voormalige makker

in Phidias’ werkplaats aan den denker.

„Mij riepen dringende zaken naar Athene,” vervolgde Agoracritus, toen

Socrates met het antwoord draalde; „maar ik haast mij weder weg te

komen uit de verpeste stad. Ik ga naar Rhamnus, om eindelijk te doen,

wat men sinds zoovele jaren van mij verlangt: mijne daar geplaatste

Godin met die uiterlijke kenteekenen te versieren, die haar

ongetwijfeld van eene Aphrodite tot eene Nemesis zullen maken. Ik heb

lang geaarzeld—maar thans drijft mij ook de lust dien menschen te

believen. Zij moeten niet langer twijfelen, de mannen in het land van

Attica, dat werkelijk de Nemesis in plaats van de lachende Aphrodite

midden onder hen staat. Ben ik haar toch geen dank verschuldigd, deze

met langzame, maar zekere schreden naderende Godin? Heeft zij mij niet

gewroken op de vrouw, die ik haat? De Godin der vergelding heeft hare

tenten opgeslagen in het huis van Pericles en Aspasia. En nu vernam ik

nog ten laatste, dat de pest voor weinige dagen Pericles aangegrepen en

op het ziekbed heeft geworpen.”

Socrates sloeg zijn oogen op, zag Agoracritus in ’t gelaat en zeide

zacht:

„Hij is dood.”

Agoracritus zweeg getroffen.

Beiden gingen een eind weegs sprakeloos naast elkander.

„Dood?” vroeg toen Agoracritus.

„Ik zag hem zelf!” hernam Socrates op doffen toon.

Wederom zwegen beiden een tijd lang.

Eindelijk begon Agoracritus:

„Gij hebt Pericles ontzield gezien; mij is het ten deel gevallen

Phidias voor mijne oogen in den kerker te zien sterven. Ik was bij hem

in zijn laatste ure. Toen ik hoorde, dat hij erg ziek was, ijlde ik

naar hem. De menschen zeiden mij, dat hij alle geneesmiddelen en iedere

soort van hulp van de hand wees. Pericles had Hippocrates tot hem

gezonden: hij echter begon met den geneesheer over de verhoudingen der

vormen en lijnen van het menschelijk lichaam te spreken. Want ook thans

op zijn ziekbed hield hem datgene bezig, wat hem vroeger alleen bezield

had.

„Toen ik kwam, vertelden mij diegenen, welke in den kerker om hem heen

waren, dat hij herhaaldelijk in koortsachtige droomen sprak en zelden

iemand meer herkende. Ik ging tot hem en vond hem stervende. Hij

herkende mij in den beginne nog even, allengs echter werden zijne

gedachten in de hitte der koorts verward. Hij sprak immer door van

groote tempels en beeldwerken, van gouden en ivoren standbeelden en

marmeren friezen—hij gaf zijnen leerlingen aanwijzingen, geheel en al

alsof hij nog in zijne werkplaats was, spoorde hen tot den arbeid aan

en berispte de tragen, duidde ook nauwkeurig aan hoe zij dit of dat

moesten voltooien en was ontevreden, dat zij het niet geheel naar zijn

wil deden. Menigmaal riep hij uitdrukkelijk mij of Alcamenes. Ten

laatste echter scheen hij geheel alleen te zijn met zijne heerlijke

beelden en zijn Goden en Godinnen, zijne Pallas Athene, zijne

Olympische Zeus zweefden voor zijn geest. ’t Was, alsof de Goden van

den Olympus allen tot hem nederdaalden en rondom zijn leger stonden,

voor hem alleen zichtbaar, terwijl hij stierf; want hij schouwde met

een verhelderd gelaat om zich heen, groette hen en sprak hen bij hunne

namen aan. Ten laatste echter scheen het, dat Pallas Athene geheel

alleen bij hem was achtergebleven en hem wenkte; want hij zei de

eensklaps: „Waarheen wilt gij mij voeren? Ik kom!” Daarop richtte hij

zich een weinig op, alsof hij wilde opstaan, om met haar, die hem

wenkte, te vertrekken; hij zonk echter achterover en blies den laatsten

adem uit.

„Hij stierf midden in zijn droomgezicht. Hij stierf schoon, als ooit

eenig Helleen, daar het schoonste licht van Hellas nog eenmaal hem

omstraalde en de Goden hem als ’t ware van de aarde naar den Olympus

voerden, op het oogenblik, dat de nacht des onheils over Athene

losbrak, zoodat hij van al dat leed niets meer bemerkte, maar met

onbenevelden geest heenging.

„In den beginne had het mij innig smartelijk getroffen te zien, hoe

deze man in den kerker op zijne eenzame legerstede lag te sterven; want

nadat hij de Athene Promachos op den burg, de Athene Parthenos en het

Parthenon zelf, benevens dien Olympischen Zeus te Olympia had

geschapen; en zooveel groots en heerlijks, wat niemand heeft

overtroffen en niemand ooit zal overtreffen, ’t geen Griekenland de

meeste luister heeft aangebracht, was zijn loon van de menschen, dat

hij smadelijk en eenzaam stierf in den donkeren kerker.

„Toen ik hem had zien sterven, voelde ik eene aandoening in de ziel,

die niet zonder troost was, en ik ging stil heen, nadat ik den meester

de oogen toegedrukt en zijn voorhoofd gekust had: ik beklaagde slechts

Hellas te meer en ons allen, die achterbleven, nadat de grootsten en

besten heen zijn gegaan!”

Na dit verhaal van Agoracritus gingen de beide mannen nog een poos

peinzend naast elkander. Toen scheidden zij.

Agoracritus ging noordelijk naar Rhamnus; ook Socrates zette, door

innerlijke aandoening gedreven, zijn weg verder voort, doch toen hij

nauwelijks een paar schreden gegaan was stiet hij op een ontstoken

brandstapel. Daarop waren vele pestlijken geworpen. Onder deze lijken

zag Socrates ook den dollen Meno liggen.

De dragers der pestlijken hadden hem, bedwelmd en verdoofd in een

vasten slaap, te midden van lijken gevonden en den schijndoode op den

brandstapel geworpen, waar de vlam reeds om hem likte. Een hond liep

huilend om den brandenden hoop.

Thans greep de vlam den dollen Meno aan. Op dit oogenblik sprong ook de

hond op den stapel en verbrandde met zijn meester.

Een zonderling gevoel kwam in Socrates op. „Nu zijt gij vrij, Meno!”

sprak hij.

„Nu zijt gij vrij!” herhaalde hij nog verscheiden malen, terwijl hij

met een gloeiend voorhoofd zijn weg vervolgde. „Zal er wellicht eens

een tijd komen, waarop alle slaven vrij zullen worden?” dacht hij al

voortgaande—„of alle vrijen slaven!” voegde hij er peinzend in zich

zelven bij—

Hij doorliep nu reeds ver afgelegen straten, niet meer in den omtrek

van de stad zelve, maar in hare omstreken, waar landgoederen en tuinen

der Atheners met de open dreven afwisselden.

Een zwaluw vloog op en verkondigde den dag, met vluggen wiekslag door

de lucht scherende.

Socrates, door zijn daemon geleid, naderde een huis, waarin zekere

beweging en drukte heerschten. Vele menschen liepen af en aan.

’t Was de woning van Ariston, een aanzienlijk Athener. Socrates bleef

staan en vernam van hen, die daar uit- en ingingen, dat Ariston in

dezen nacht een zoontje was geboren. Na, zoovele beelden des doods eene

geboorte, een ontwakend leven...

Wederom rees een raadselachtige drang in de borst van Socrates op. Hij

betrad het huis van den hem bevrienden man.

Het kind lag in het peristylium, in de armen der voedster. Een

hoogbejaarde grijsaard, die een ziener of priester scheen te zijn,

hield zijn sneeuwwit hoofd er over gebogen en beschouwde het

aandachtig. Ook Socrates sloeg zijn oog op het kind, dat een breed

voorhoofd had, een denkersvoorhoofd, en welks gelaat reeds omschenen

werd door een zachten, verheven, meer dan kinderlijken ernst.

Plotseling kwam eene bij aangevlogen—eene bij van den naburigen

Hymettus—eene der geprezen Attische bijen—zij komt aanvliegen, gonst om

’t hoofd van het kind en raakt een oogenblik zijne lippen aan, even

slechts en zonder kwaad te doen, ze als het ware kussend. Toen vliegt

zij weder weg.

Bij dit gezicht spreekt de grijze ziener:

„Een goddelijk teeken is de kus van deze Hymettusbij. Van de lippen van

dit kind zal eens de taal vloeien, zoeter dan honig!” [419]

Het zien van dit kind maakt een diepen indruk op Socrates. Hij kan het

voorgeval in zijne ziel niet verklaren. Maar de toekomst zal het eens

ontsluieren.

De knaap die daar voor de oogen van den rustelooze waarheidzoeker ligt,

zal, tot jongeling gerijpt, eene nieuwe zending vervullen.

Aspasia(#64986) · 第 53 / 57 段