lijken uitging, angst en ontzetting verbreidde, zelfs velen eenzaam en
verlaten in de ontvolkte huizen, ja op de straten stierven, toen werd
op de heilige gebruiken geen acht meer geslagen. Niet meer werd den
doode zijn obolus voor den veerman in de onderwereld [414] in den mond
gestoken, niet meer werd hem de koek, om den helhond te bedwingen, in
de hand gedrukt, niet meer werd hij zorgvuldig gebaad en met
welriekende oliën gezalfd, niet meer werd hij, fraai gekleed en
bekranst met klimop, op een leger in het peristylium van het huis
tentoongesteld, niet meer gingen luid weeklagenden de lijkstatie
vooruit, niet meer werd hij vereerd door een lange rij van rouw
dragers, door doodmalen en doodenoffers, door het anders gewone
rouwgewaad, dat door de overblijvenden werd aangenomen: haastig en
zonder misbaar, ja bijna zonder eenig geleide droeg men ze uit, de
tallooze lijken en stopte ze onder den grond of lei ze op brandstapels.
Ten laatste echter gebeurde het, dat men zelfs dezen plicht van eer,
den dooden verschuldigd, die den Helleen altijd als een der heiligsten
had gegolden, verwaarloosde. In uitgestorven woningen bleven de laatste
lijken liggen, aan het verderf ten prooi. Men vond zelfs dooden in
ledige tempels, waarheen de stervenden zich wellicht hadden gesleept,
om de hulp der Goden in te roepen; men vond er ook velen bij de
bronnen, werwaarts zij, door inwendigen gloed verteerd, gekropen waren
om de droge lippen te laven: en als het akeligste en afschuwelijkste,
vond men zelfs lijken in het water der regenputten, waarin de lijders
door inwendige hitte verteerd, zich geworpen hadden. Weldra werd het
verkwikkende bronnat slechts met vrees en huivering beschouwd—het kon
toch verontreinigd zijn door afschuwelijke verrotting.—
In de straten lagen de lijken opgehoopt van dezulken, die òf zich
zelven daarheen gesleept hadden òf ontzield uit de huizen waren
gedragen en in overijlde haast daar neergelegd, òf zelfs van de daken
afgeworpen waren, ten einde er, in den wanhopenden angst, ten
spoedigste van bevrijd te zijn.
Als men dan deze lijken bijeen zamelde, bracht de afschuw van den
Helleen voor de aanraking van doode lichamen, gepaard met den angst
voor besmetting, de gemoederen in zoodanige verbijstering, dat
stervenden onder dooden, bewusteloozen onder rottende lijken vermengd
werden.
Waar door aanverwanten een brandstapel ter verbranding van een
afgestorvene was opgericht, daar drongen anderen met hunne dooden er
bij en wilden ook deze in dezelfde vlammen werpen, totdat het vuur door
de menigte lijken verdoofde en een woeste strijd ontstond om de
smeulende brandstapels.
Men meende op te merken, dat de roofvogels en wilde dieren, hoe gretig
ook op aas, de onbegraven, aan de pest gestorven dooden, niet
aanraakten. Deden zij het echter, dan werden zij zelven weldra eene
prooi der ziekte en vielen dood ter neder. Dit gebeurde ook dikwijls
met de honden.
De vrees voor besmetting vervreemdde de menschen van elkander. De Agora
werd ledig, de worstelscholen bleven onbezocht, het volk durfde zich
niet meer op de Pnyx verzamelen. De deuren der huizen waren òf vast
gesloten omdat men elke aanraking afweerde, òf stonden geheel open,
omdat het huis ledig was en uitgestorven. De vrees verscheurde zelfs de
banden des bloeds. Ook zagen velen zich aan de willekeur der slaven
prijs gegeven, daar dezen zich thans voor vroegere onderdrukking
wreekten door ongehoorzaamheid, trots, het weigeren van hulp, diefstal
en onbeschaamde plundering.
Bittere smart wisselde in de gemoederen af met stompzinnige
onderwerping. Niet weinigen echter dreef het verlangen om zich te
bedwelmen tot woeste uitgelatenheid en tot onbeteugelden lust van
genot. Men zocht moed of vergetelheid in verbijstering.
De dolle Meno echter verachtte onverschrokken het gevaar en lachte er
om. Hij was overal te vinden, waar de pest in hare afschuwelijkste
vormen heerschte. Het liefst scheen hij onder lijken te vertoeven. Men
zag hem menigwerf op een hoop doode lichamen zitten, alsof hij zich
verheugde over het onheil, en hij spotte met het laffe volk, dat de
lijken en hem zelven den verpeste, ontvlood. En daar men opmerkte, dat
juist hij, die in dronken overmoed het gevaar tartte, verschoond bleef,
vermeerderde het getal van hen, die hetzelfde deden. Weldra waren de
straten en pleinen aan dronken onverlaten prijs gegeven, die als ’t
ware der Koningin Pest een feestdronk wijdden en lachend hare
verschrikkingen trotseerden. Juist dezen waren het ook, die voor geld
zich lieten overhalen, om de dooden uit de huizen weg te dragen of in
de straten te zoeken en ze ter begraving of ter verbranding
wegbrachten. Zij oefenden hun handwerk uit met de ruwe driestheid van
menschen, die het niets achten hun leven op het spel te zetten. Zij
eischten en namen wat hun lustte, plunderden en roofden, en pleegden in
de huizen, waarin hun bedrijf hen voerde, allerlei gewelddadigheden.
Ontzag voor de wet bestond er niet meer; want de werkzaamheden der
gerechtshoven waren reeds geruimen tijd gestaakt en de misdadiger
dacht, dat de pest òf hen, die hem zouden kunnen aanklagen, zou
wegrapen, òf hem zelven van de noodzakelijkheid zich te verantwoorden
ontheffen.
Maar niet alleen mannen uit de armere en laagste klassen veroorloofden
zich de ruwe uitspattingen, ook gegoeden deden hetzelfde: vooral was
het de jeugd, die op zulke wijze zich tegen den indruk der haar
omringende ellende zocht te wapenen. Velen zagen zich plotseling rijk
geworden, doordat de nalatenschap hunner ouders, hunner broeders en
zusters of verwanten eensklaps hun deel werd. Daar zij echter moesten
vreezen weldra een dergelijk lot te zullen ondergaan, als zij van wie
zij geërfd hadden, zochten zij hunne erfenis zooveel mogelijk in genot
en in bedwelmende, woeste uitspattingen te verteren. Bij ’t zien van
deze plotseling rijk gewordenen kwam ook bij anderen de verwachting op,
zich in een dergelijk lot te zullen verblijden: uit die verwachting
wederom ontkiemden de hoop en een misdadig verlangen.
Zoo werden ook in dit opzicht de zedelijke banden al zwakker en
zwakker, en de overlevenden verheugden zich over de voordeelen, die uit
den jammer der algemeene sterfte voor hen voortvloeiden.
Schoon ook de pest met hare vreeselijke gevolgen bij velen de
genotzucht tot eene ziekelijke hoogte opdreef, gold echter ook hier de
algemeene regel, dat de uitersten elkander raken of het eene uiterste
tot het andere overslaat. Bij die teugellooze genotzucht, breidde ook
het sombere bijgeloof hoe langer zoo meer zijne heerschappij uit.
Weldra hoopten zij, die nog zooeven in woeste dronkenschap en
uitgelatenheid heul hadden gezocht, eene nieuwe kracht en een nieuwen
troost te vinden in bijgeloovige vereering der Goden.
Mannen als Diopithes traden op, die de ramp, waardoor Athene bezocht
werd, als eene straf voorstelden voor de vroegere verachting der Goden,
en de woede des volks keerde zich tot hen, die door Diopithes en zijns
gelijken als de hoofdoorzaken van den toorn der Goden aangewezen
werden.
Nu herinnerde men zich ook dien geheimzinnigen Sabazius-dienst en er
werd gesproken van den Metragyrt, die in het gapende Barathron door de
overmoedige, dronken Ithyphallers was geworpen. Er werden thans velen
gevonden, die meenden, dat men wellicht ten onrechte dien Heiland
Sabazius had versmaad, dien Verlosser van alle kwalen, en dat de
misdaad, aan den onschuldigen Metragyrt begaan, de eigenlijke oorzaak
was van den toorn der Goden en vooral van de wraak des beleedigden
Sabazius. Hem te verzoenen, meenden zij, was nu de eerste plicht en het
eenige geneesmiddel tegen de menschenverdelgende pest. Zekere te Athene
wonende vrouw, eene vreemdelinge, Ninos geheeten, die zich op alle
toovenarijen en geheimzinnige zaken verstond, wierp zich tot priesteres
van Sabazius op, dien zij den volke zou prediken. Zich te laten wijden
tot den dienst van dezen God gold weldra als heiliging en redding. Met
zonderlinge gebruiken werd die plechtigheid des bijgeloofs voltrokken:
’t vel eener ree werd den profaan omgehangen, een gewijde drank hem
aangeboden; met klei en leem werd hij ingewreven en eene slang werd om
zijn borst gewonden. Hij zat daarbij op den grond en met den uitroep:
„De ramp ontkwam ik, het betere bekwam ik” stond hij op, nadat de
wijding volbracht was. Een nachtelijk Bacchanaal verbond de sombere
plechtigheden met de Orgiën der zinnen. Zoo vond uitspatting en
bijgeloof zich in den Sabazius-dienst vereenigd. Men zag talrijke
omgangen ter eere van Cybele en Sabazius. Velen waren er, die het
voorbeeld der Metragyrten volgden en de Sicinnis dansten, terwijl zij
zich daarbij geeselden en verwondden. Maar ook de aanhangers van den
Phrygischen God [415] beroemden zich de pest te kunnen stuiten. Zij
plaatsten den kranke op een stoel en dansten daaromheen onder woest
getier. Zich in deze reien te mengen, gold voor de gezonden als een
behoedmiddel tegen de ziekte.
Zoo ver was het gekomen met het volk der Atheners!
Wat Aspasia gevreesd had en meende te kunnen verhinderen, geschiedde:
vreemde en sombere gebruiken drongen door in de heldere en schoone
Grieksche wereld, om, zij ’t ook niet terstond tot eene volledige
zegepraal te geraken, toch datgene voor te bereiden en te verkondigen,
waarin het Helleensche leven als eene heldere ster achter donkere
wolken zou ondergaan.
Terwijl te Athene de vreeselijke pest domme vertwijfeling en
verbijsterenden waan uitbroedde en voor een vreemd bijgeloof den weg
baande, dat niet meer onschuldig was als het inheemsche en overoude,
maar integendeel aan den wortel van ’t gezonde leven knaagde,
bedreigden verschrikkingen van een anderen aard het Attische land.
De oorlog was opnieuw ontbrand. Andermaal viel het Peloponnesische
leger in de landouwen van Attica en drong hare bevolking naar de stad:
andermaal was eene sterke vloot, ditmaal door Pericles zelven
aangevoerd, uitgeloopen, en wederom dwongen de overwinningen, die zij
op de kusten van de Peloponnesus behaalde, den Spartaanschen koning tot
overhaasten terugtocht. Doch Potidaeä bood nog steeds weerstand,
Corinthe moest belegerd worden en nu eens hier dan weder daar sloeg in
de koloniën en verbonden steden de vlam des oproers in lichte laaie
uit.
Om Aspasia en zijne beide zoons, Paralus en Xanthippus, aan het
dreigend gevaar te onttrekken, had Pericles hun voor den tijd zijner
afwezigheid zijn landgoed tot verblijf aangewezen. Derwaarts begaf zich
Aspasia met haar gansche gezin. Doch het onheil volgde ook hier, en uit
de kweekschool van schoonheid en vernuft werden, na Simaetha, ook
Drosis en Prasina weggemaaid. Zij waren door den zegevierenden Pericles
uit de gevangenis te Megara bevrijd, slechts om te Athene in den bloei
harer jeugd aan den vreeselijken doodsengel ter prooi te vallen.
Wie het kon, ontvluchtte, evenals Aspasia, de verpeste stad en begaf
zich naar de landelijke vlekken of de nabijgelegen eilanden, waar het
gevaar geringer scheen.
Uiteengescheurd was de vriendenkring van Aspasia. Euripides had reeds
voor eenigen tijd Athene verlaten. Hij was een menschenhater geworden
en leefde op Salamis in stille afzondering; ’t liefst bracht hij zijn
tijd door in die grot aan het strand, waarin hij onder ’t gekletter der
wapenen en het gekraak der schepen het levenslicht had aanschouwd. Hier
zat hij eenzaam en alleen, en verdiepte zich in gepeinzen, met het oog
op de zee gevestigd, en niets verlangde hij van Athene te hooren, dan
wat de baren hem toefluisterden, die van daar aanrollend, voor zijne
voeten in schuim spatten.
Sophocles leefde nog als te voren in zijne landelijke lustgaarde aan
den Cephissus-oever en het hoofd van den lieveling der goden bleef daar
gespaard voor den geesel, dien het Noodlot over de Atheners zwaaide.
Opgeruimde, levenslustige wijsheid was zijne trouwe gezellin gebleven
en had hem geleerd het lot van Pericles te ontwijken, aan niets zijn
hart te zeer te hechten en den ernst des levens geene te groote macht
over zijn gemoed te verleenen.
Ook het hoofd van Socrates bleef ongedeerd door den geesel, hoewel hij
het broeinest der vreeselijke ziekte niet verliet, onverschrokken
Athene’s straten doorwandelde, de menschen opzocht in hunne ellende, en
overal, waar hij kon, hulp en troost gaf.
De jonge Alcibiades had intusschen de dochter van Hipponicus, de
bloeiende Hipparete, als gade zijn huis binnengevoerd.
Ook hij trotseerde met zijn ouden overmoed de verschrikkingen der pest,
hoewel hij zag dat de toorn der Goden de Ityphallers niet spaarde en de
pest een zijner liefste vrienden, den jongen Demus, den zoon van
Pyrilampes, van zijne zijde wegraapte. Toen Pericles met de galeien
uitzeilde, bevond Alcibiades zich onder zijn gevolg. Daarom konden de
Sabazius-dienaars hun eeredienst verrichten, zonder vrees van de woeste
Ithyphallers en het gapende Barathron.
De pest nam een weinig af, zooveel ten minste, dat de burger ook weder
aan den staat begon te denken en de stad der Atheners van ’t geen haar
onmiddellijk had bedreigd, den blik weder kon richten naar hetgeen haar
op grooten afstand boven ’t hoofd hing. Opnieuw was de krijgstrompet
gestoken, doch de gemoederen waren versaagd: de strijdbare manschap was
door de pest gedund en ook op de vloot en vóór Potidaeä zwaaide de
doodsengel zijn geesel. Zegevierend streed ook thans Pericles met zijne
vloot op de Peloponnesische kust. Doch wat baatte het, dewijl allengs
geheel Hellas in partijschappen verdeeld, in den maalstroom werd
medegesleept, zoodat de krijg hier verflauwd, ginds weder met nieuwen
gloed ontbrandde? Wat nut hadden de zegepralen van Pericles, daar niet
alleen de twee groote tegenstanders, maar ook hunne bondgenooten,
slaags raakten, terwijl deze zelven echter òf altijd weifelden òf van
partij veranderde? Het opperbevel van één enkele was niet meer
mogelijk; wat hier werd veroverd, ging op een verder gelegen punt weder
verloren; nergens bood de vijand een beslissenden slag aan; in tallooze
kleine gevechten werd de groote Helleensche krijg verbrokkeld.
Op de mare, dat het moedelooze Atheensche volk onderhandelingen met
Sparta aan wilde knoopen, keerde Pericles haastig naar Athene terug.
Hij hoopte de Atheners met nieuwen moed te bezielen, eene schandelijke
vertwijfeling te verhinderen. Maar de Atheners, gedwee en verlamd
geworden door de zware bezoeking, waren gunstiger dan ooit gestemd voor
de geheime plannen der demagogen en van Diopithes.
De Erechtheüs-priester was door de pest aangetast geweest, doch weder
genezen. Sedert dien tijd was zijn woeste, fanatieke ijver nog grooter
geworden. Eene besturing der Goden zag hij in zijne redding uit het
doodsgevaar.
’t Gebeurde op zekeren dag, dat een hoopje burgers op de Agora om een
man verzameld was en naar zijne woorden luisterde. Want langzamerhand
waagden de Atheners het weder elkander te naderen, terwijl nog kort te
voren de een den ander als de pest zelve had geschuwd.
De man, die te midden van het hoopje toehoorders stond, was een van die
moedige en vrijzinnige mannen, wier tong thans bij wijlen weder scheen
losgemaakt. Hij verstoutte zich niet alleen onverholen tegen de
demagogen te ijveren en ten krachtigste Pericles te verdedigen, maar
ook het bijgeloof te veroordeelen, dat zich van het Atheensche volk had
meester gemaakt. Daar zich onder de toehoorders vele aanhangers van
Diopithes en Cleon bevonden, ontstond er weldra een hevige
woordenstrijd en de onversaagde kampioen werd ten laatste door de op
hem losstormende tegenstanders aangegrepen en mishandeld.
Op dit oogenblik kwam de Erechtheüs-priester daarlangs, vergezeld door
eene menigte zijner aanhangers en vrienden.
Toen hij hoorde dat die man Pericles verdedigd en het vertrouwen der
Atheners op de Goden een kleinmoedig bijgeloof had genoemd, namen de
trekken van den priester de uitdrukking van onheilspellende toorn aan.
Hij hield een tijdlang zijne oogen strak ten hemel gewend, alsof hij
zich in den geest onmiddellijk met de Hemelingen onderhield, en begon
toen tot het volk te spreken.
„Weet dan, gij Atheners,” sprak hij, „dat de Goden mij dezen nacht een
droom toezonden en mij te rechter tijd op deze plaats hebben doen
komen. Te Athene is schuld op schuld gestapeld gedurende eene lange
reeks van jaren: Sophisten en godloochenaars hebben u verdwaasd,
hetaeren hebben u beheerscht, tempels en godenbeelden zijn er
opgericht, niet ter eere der Goden, maar tot ijdele pronk en tot
verderf van het eenvoudige en vrome geloof der vaderen. Tot straf voor
uwe verbastering, godloochening en weelderigheid treft u nu datgene wat
gij lijdt. Niet voor de eerste maal ontlast zich de toorn der Goden
over de Hellenen. En gij weet op welke wijze de toorn der Goden in
overoude tijden pleegde afgewend te worden. Gij weet, dat de Goden
somwijlen alleen door het hoogste aller offers, door een menschenoffer,
konden worden verzoend. Grijpt dezen godslasteraar: zijn leven is
bovendien reeds door zijne misdadige godloochening volgens de wet
verbeurd verklaard. Hij is een misdadiger, reddeloos een kind des
doods. Maar in plaats van door de hand van den scherprechter zijne
straf te ondergaan, moet hij, volgens het overoude, half vergeten
gebruik, den Goden als zoenoffer gebracht worden, moet hij onder de
toonen der muziek door de straten geleid en verbrand worden en zijne
asch naar alle windstreken verstrooid!”
Terwijl de priester sprak, had zich steeds meer volk verzameld.
Daaronder ook Pamphilus. Toen hij hoorde, dat men den vriend en
verdediger van Pericles te lijf wilde gaan, was hij onmiddellijk bereid
te helpen.
„Ginds aan den oever van den Illissus,” sprak hij, „branden dag en
nacht de brandstapels, waarop de door de pest weggemaaiden verteerd
worden. Op een van die lustig flikkerende vuren zal ook nog wel een
plaatsje zijn voor hem!”
Daarbij greep hij zelf het eerst den schuldige aan en eene menigte der
meest woesten onder zijne makkers voegde zich bij hem om den
ongelukkige voort te sleepen.
Thans kwam Pericles op de Agora, voornemens om zich naar het
buleuterium [416] te begeven. Hij zag de opschudding en vroeg naar de
oorzaak daarvan.
Luid klonk het uit de woeste en opgewonden menigte dat de Goden een
zoenoffer verlangden en dat men juist van plan was dit in den persoon
van den misdadiger en godloochenaar Mechillus te gaan brengen.
Pericles drong zich midden tusschen het volk, terwijl hij met woorden
en gebaren zijne afkeuring te kennen gaf. Diopithes trad hem te gemoet.
En nu stonden de beide mannen, de hoofdaanvoerders van den grooten
strijd, die sedert jaren te Athene gestreden werd en der beslissing
steeds meer en meer naderde, voor de eerste maal persoonlijk als in een
tweegevecht tegenover elkander.
„Terug, Alcmaeönide!” riep de Erechtheüs-priester. „Wilt gij ook nu
weder den Goden onttrekken wat hun toekomt en wat zij gebiedend
verlangen? Wilt gij het volk der Atheners beletten het schuldige
zoenoffer te zoeken en eindelijk redding te verkrijgen uit den nood
waarin niemand anders dan gij zelf hen hebt gestort? Ziet gij niet,
waarheen uwe verblinding dit vroeger door de Goden rijk gezegende volk
heeft gevoerd? Uw werk is het, dat het zich van de oude, vrome zeden
heeft afgekeerd, dat het naar rijkdom, genot en ijdelen glans heeft
gestreefd, dat het het valsche licht is gevolgd en geluisterd heeft
naar de woorden der godloochenaars!”
„En gij, Diopithes?” antwoordde Pericles op ernstigen, bedaarden toon,
„waarheen denkt gij het volk der Atheners te voeren? Tot dweepzieken
moord van burgers—tot hernieuwing van ruwe en onmenschelijke
wreedheden, waarvan de Helleensche geest, vooruitgaande op de baan der
ontwikkeling en humaniteit, reeds sinds eeuwen zich met afgrijzen heeft
afgewend!”
„Dank den Goden, Pericles!” riep Diopithes, „dat zij dezen man in onze
hand hebben gegeven—dank den Goden, dat zij zich voor het oogenblik met
het bloed van dezen man tevreden stellen! Want als zij den waren
schuldigen van ons eischten, den schuldigste uit het geheele volk der
Atheners, weet gij wien wij dan moesten vatten en aan de vlammen
prijsgeven? Evenals eens de ziener Tiresias den overmoedigen,
hoovaardigen Oedipus, zoo moesten wij u toeroepen: Alcmaeönide, gij
zijt de schuldige, gij zijt de oorzaak van den toorn der Goden! Een
oude vloek rust op uw geslacht! Door u, door uwe handlangers en
vrienden is Athene goddeloos geworden, door u is de rampzalige krijg
over ons losgebarsten en de ergste geesel in de handen der Goden, de
pest, behoorde, tot volledige verzoening door geen ander dan door uw
bloed afgewend te worden!”—
„Als het zoo is, als gij zegt,” hernam Pericles rustig, „laat dan dien
man los en offer dengene, die u de schuldigste schijnt!”
Tegelijkertijd bevrijdde Pericles den ter dood gewijde uit de hand van
Pamphilus. Met een grijnslach van innig welgevallen liet deze zijne
eerste prooi los en sloeg onmiddellijk, verheugd om den ruil, de hand
aan den hem gehaten, thans zich zelven ten offer biedenden strateeg.
„Wat aarzelt gij?” zei Pericles tot de verbaasde Atheners, die
stilzwegen en zich niet verroerden. „Denkt gij, dat ik mij alleen heb
aangeboden in de verwachting door u ontzien te worden? Gelooft mij,
Atheners, dat het mij vrij onverschillig is, of gij mij spaart dan of
gij mij ter dood brengt! Tot het schoonste geluk, den schitterendsten
glans, het volle licht der waarheid en der vrijheid meende ik Athene
nader gebracht te hebben, en nu zie ik, dat een door de godheid
beschikte omkeer—of is ’t een vloek, die met den natuurlijken loop der
wereld gepaard gaat?—ons wederom overweldigt en terugvoert naar nacht
en dwaling; dat niet alleen uitwendige rampen over Hellas losbreken,
maar ook in onzen eigen boezem allengs donkere machten over de heldere
en ware zegevieren! Ik dank den Goden, als ik den luister en bloei van
mijn vaderland niet overleef!—doodt mij!”
Sprakeloos en roerloos stonden nog altijd de Atheners. Pamphilus werd
ongeduldig.
Thans trad een man uit de menigte te voorschijn en zeide, terwijl hij
zich bereidde om weg te gaan: „Als gij Pericles wilt dooden, doe het
dan zonder mij. Ik wil daar niets van zien. Mij heeft hij eens in
Thracië, toen ik zwaar gewond was, met eigen handen gered, terwijl alle
anderen voor de overmacht der vijanden vluchten en mij in de hand des
vijands wilde achterlaten.”
„Ook ik ga!” riep een tweede. „Ik kreeg van hem in den Samischen oorlog
genade, toen de andere strategen, op mij gebeten, mij om een gering
vergrijp ter dood wilden veroordeelen.”
„Ook ik wil met de zaak niets te doen hebben,” zei een derde; „ook mij
heeft Pericles door zijne voorspraak geholpen, toen ik bij alle
overheden te Athene geen recht kon krijgen.”
„Ook mij! ook mij!” klonk het uit de menigte, en steeds grooter werd
het getal der mannen, die zich van den troep afscheidden.
„Door de opzettelijke schuld van Pericles heeft geen Athener ooit rouw
gedragen!” klonk het [417].
Pamphilus hield zijn offer, dat hem dreigde te ontgaan, krampachtig
vast.
„Laat Pericles los, Pamphilus!” riepen eenigen. Daarop schreeuwden nog
meerderen hetzelfde en eindelijk ging er maar één kreet uit de gansche
menigte op:
„Laat Pericles los, Pamphilus!”—
Aan dezen man konden de Atheners zelfs in hunne slechtste oogenblikken
zich niet vergrijpen.
„Nog eens hebt gij gezegevierd!” riep Diopithes honend den bevrijden
Pericles toe. „Maar wellicht is dit de laatste uwer triomfen. Op uw
hoofd werp ik de schuld, als de Goden onverzoend blijven en hun geesel
voortwoedt over ons!”—
Korten tijd na deze gebeurtenis werden de beide zonen van Pericles,
Paralus en Xanthippus, door de pest aangetast en vielen als offer der
vreeselijke ziekte.
Met innig welgevallen wees de Erechtheüs-priester op den thans
duidelijk zich openbarenden vloek der Goden, die nu eindelijk het
geslacht der Alcmaeöniden geheel wilden verdelgen.
Het geweld der pest nam weder toe. Aan de verstoring van het zoenoffer,
en aan Pericles, die daarvan de schuld was, herinnerden thans
onophoudelijk Diopithes en zijne aanhangers. Die schuld en de toorn der
Goden schenen ontegenzeggelijk, na de ramp dien de Hemelingen over den
man hadden gebracht.
Meer dan ooit waren de gemoederen der Atheners gedrukt en verslagen.
Het veld was vrij gelaten aan de tegenstanders van Pericles.
In eene soort van stompe onverschilligheid liet Pericles, na zooveel
rampen ook nog door den plotselingen dood van zijne zonen, door den
ondergang van zijn geslacht, diep ter neer geslagen, de dingen haar
loop. Het oogenblik voor zijne vijanden, om den lang beraamden,
beslissenden slag te slaan, was gekomen.
In eene weinig bezochte volksvergadering werd door lage boosheid
voorgesteld hem van zijn ambt als strateeg en zijne andere waardigheden
te ontzetten, en de domme verbijstering der meerderheid nam het
voorstel aan.
Zou Pericles, de Olympiër, na tientallen van jaren roemrijk den staat
te hebben bestuurd, weder een eenvoudig, Atheensch burger worden? Zou
Diopithes ten laatste toch gezegevierd hebben?