weder het kostelijk nat; geledigd en nog eens geledigd werden de
fonkelende bokalen. Vroolijke scherts, gelach en dartel gezang schalden
door het peristylium en Alcibiades tintelde van den geest van Dionysus.
Zoo was het middernacht geworden. Plotseling gaat in den achtergrond
eene deur open, die naar het peristylium voert. Uit de deur komt
langzaam als een spook, met gesloten oogen, Manes te voorschijn—Manes,
de slaapwandelaar!—Hij had geen deel genomen aan het feest, maar zijne
stille legerstede opgezocht. Thans echter had de geheimzinnige ziekte
den slapende uit zijne rust opgedreven.
Bij het gezicht van hem, die met gesloten oogen het peristylium
doorwandelde, verstomde de luidruchtige vroolijkheid en allen staarden,
door eene lichte huivering aangegrepen, sprakeloos naar den
spookachtigen wandelaar.
Nadat hij het peristylium had doorgeloopen, ging hij naar de trap, die
tot het platte dak des huizes voerde. Met vasten tred beklom hij de
trap en verdween weldra uit de oogen der gasten. Het meerendeel der
feestgenooten besloot, nadat de eerste schrik voorbij was, hem te
volgen.
„Zoo straft Dionysus degenen,” riep Alcibiades, „die zich tegen zijn
blijden, vreugdevollen dienst verzetten. Wij willen den verachter van
den God bekeeren! Komt! Wij willen hem wekken en hem dan met geweld
deel doen nemen aan ons feest!”—
Daarop stonden de meeste gasten op en sloegen den weg in naar het
dakterras.
Toen zij daar gekomen waren, deed zich een gezicht aan hunne blikken
voor, dat opnieuw angst en huivering in hunne borst wekte.
Manes wandelde op een eenigszins hoog, hellend uitstek van het dak,
langs den uitersten kant, op eene plaats, waar alleen een maanzieke met
gesloten oogen gaan kon, ieder wakende echter onvermijdelijk duizelend
in de diepte zou neerstorten.
Inmiddels waren ook de overige huisgenooten op het bericht, dat Manes
in slaap wandelde, toegesneld.
Ook Pericles verscheen.
Hij huiverde, toen hij den jongeling zag en zeide: „Als hij op dit
oogenblik ontwaakt, stort hij reddeloos in de diepte. Hem echter te
naderen en te redden van die plaats is onmogelijk!”
Juist toen Pericles deze woorden sprak, naderde ook Cora.
Ontsteld, doodsbleek, de groote, ronde oogen wijd geopend, het gelaat
door de loshangende lokken omgolfd, staarde Cora naar den
slaapwandelaar. Bij ’t hooren der woorden van Pericles voer haar eene
huivering door de leden; vervolgens echter ijlde zij als op vleugelen
naar de plaats, waar Manes wandelde, boog zich over het hooge afdak,
deed met vasten voet, zonder te duizelen, eenige schreden naar beneden
op de gevaarlijke, hellende baan, greep de hand van den jongeling en
trok hem van den uitersten rand terug, tot waar zij den veiligen bodem
onder zich voelde.
Eerst toen Manes gered was, maakte eene duizeling zich van haar meester
en bezwijmd zonk zij ineen.
Thans was het Manes, die ontwakend en de oogen opslaande, angstig het
meisje omvatte en het voortdroeg in zijne armen, tot zij weder tot
bewustzijn kwam en half verschrokken, half verlegen met een blos op de
kaken henen vlood.
De feestgenooten hadden dit tooneel met verbaasde oogen gadegeslagen.
Thans schaarden zij zich om Manes en voerden hem onder vroolijke,
opwekkende woorden naar beneden naar het peristylium.
Alleen Pericles bleef een oogenblik met Aspasia achter.
„Hoe betreur ik het,” zei Pericles tot Aspasia, „dat Socrates geen
getuige geweest is van dit tooneel!”
„Waarom betreurt gij dat?” vroeg Aspasia.
„Hij zou nu toch wel eindelijk,” hernam Pericles, „gevonden hebben, wat
ware liefde is.”—
Aspasia zweeg een oogenblik en zag Pericles strak in het gelaat. Toen
zeide zij: „en gij?”
Pericles antwoordde:
„Mij brengt dit paar eenigszins tot schaamte en in verlegenheid. ’t Is
alsof het zeggen wil: Treedt gij beiden af van het tooneel en ruimt uwe
plaats aan ons in!”
Nog eens staarde Aspasia Pericles in het ernstig en peinzend gelaat.
Toen sprak zij:
„Gij zijt geen Griek meer!”
Weinig in getal waren de woorden, die hier gewisseld werden, maar zij
waren veelbeteekenend. Zij vielen zwaar in de schaal van het noodlot.
Door die woorden ontstond er als ’t ware eene heimelijke scheuring
tusschen twee edele zielen, eens zoo schoon en innig verbonden.
Een lang voorbereide stroom van nieuwe, sombere machten, van twijfel en
inwendigen tweestrijd, was in de ziel van Pericles getogen.
Met dit kort gesprek stortte langzaam en zonder gerucht het grootsche,
schoone en heerlijke gebouw ineen.—
Met de woorden: „Gij zijt geen Griek meer!” had Aspasia, na een
laatsten, half toornigen, half medelijdenden blik, haar gelaat van
Pericles afgewend.
Beiden gingen zwijgend naar beneden: Pericles naar zijn vertrek,
Aspasia terug naar hare gasten.
Inmiddels hadden de feestgenooten te vergeefs hun best gedaan, om den
jongen Manes te doen deelnemen aan hun festijn en hem tot den dienst
van den vreugdegod te bekeeren. Hij had zich losgescheurd en was
teruggekeerd tot de binnenste vertrekken van het huis.
Thans begon men een tijdlang over Cora te spreken; men bewonderde haar
moed of liever de merkwaardige kracht eener aandoening, eener
gemoedstemming, van eene hartstocht, onder wier invloed zij gehandeld
had en waardoor zij als blindelings en onbewust medegesleept was;
hetgeen voor allen bijna den stempel van een onoplosbaar raadsel had.
En thans begon ook Alcibiades zijn leedwezen te betuigen, dat Socrates
dit tooneel niet had bijgewoond.
„Wat een heerlijk maal,” zei hij, „zou dit voor het oog van den peinzer
en waarheidzoeker geweest zijn; hij, die zich reeds over de meest
alledaagsche dingen in ernstige beschouwingen verdiept, zou ook thans
niet rusten zonder de beteekenis van dit merkwaardige feit tot in de
fijnste bijzonderheden nagespeurd te hebben. Is hij zelf niet eene
soort van slaapwandelaar, iemand die door de maanziekte der
wijsbegeerte is aangetast, die de oogen sluit om beter te kunnen denken
en daarbij verdoold raakt op duizelingwekkende hoogte? Het eenige
onderscheid is, dat hem geen Cora ter hulp snelt, om hem met zachte
hand van de afgronden der gedachte weg te trekken. Nu, ik zal tot hem
gaan en hem de geheele geschiedenis vertellen, ofschoon ’t niet zonder
gevaar is, Socrates in zijn eigen huis te bezoeken. Want zijne jonge
vrouw Xanthippe is bang, dat ik haar man zal verleiden, en ziet mij
bovendien met geen gunstig oog aan. Toen ik de pas gehuwden met eenige
vrienden bezocht, brachten wij haar reeds in groote verlegenheid, en
het vrouwtje begon er over te schreien en te klagen, dat zij zulke
voorname lieden, als wij waren, niet in staat was behoorlijk te
onthalen. „Laat dat zijn zooals het wil,” zei Socrates, „als ’t goede
menschen zijn, die ons bezoeken, dan zullen zij tevreden zijn; als het
slechte menschen zijn, dan hebben wij ons niets om hen te
bekommeren!”—Dit zijn echter redeneeringen, waarmede hij Xanthippe nog
meer in ’t harnas jaagt. Ik bemerkte aanstonds, dat zij in huis de baas
was. Nu maakte ik mij er een genoegen van, zoo vrij mogelijk met haar
man te spreken en hem met vriendschapsbetuigingen te overladen. Sinds
dien tijd is zij boos op mij en toen ik onlangs haar man een lekkeren
koek zond, ging zij in haar toorn zoover, dat zij hem uit de mand op
den grond wierp en met de voeten trapte. En Socrates? Die durfde alleen
zeggen: „Wat hebt gij daar nu aan? Als gij den lekkeren koek niet had
vertrapt, dan zoudt gij hem hebben kunnen opeten!”—Het schijnt, dat de
meeste mannen te Athene hunne vrouwen niet meer weten te regeeren!—Bij
mijn daemon,” vervolgde Alcibiades, nadat hij zijn beker geledigd had,
„ik zeg het nog eens, de wereld raakt uit het oude spoor! Delos door
eene aardbeving geteisterd, Theodota waanzinnig, de wijzen door hunne
vrouwen geregeerd, ik zelf op het punt om de dochter van Hipponicus te
trouwen, Sabazius-dienaars in de straten, maanzieken op de daken, de
Peloponnesus onder de wapenen, te Lemnos en op het naburige Aegina de
pest—”
„Vergeet de zonsverduistering niet,” viel hem Demus in de rede; „tevens
moet nog vermeld worden, dat er, naar men zegt, een spook rondwaart in
het huis van Hipponicus.”—
„Is dat waar?” vroegen allen aan Callias, den zoon van Hipponicus.
„Ja, het is inderdaad zoo!” hernam deze, en vertelde, dat werkelijk een
spook zich in zijns vaders huis vertoonde; dat Hipponicus peinzend en
bleek en mager was geworden, dat hem de lekkerste spijzen niet meer
smaakten en dat hij ’s nachts door de nachtmerrie gekweld werd—
„Daar hebt gij het al!” riep Alcibiades—„dus ook nog
zonsverduisteringen, en spoken in de huizen van oude, lustige
lekkerbekken. De drommel moge de wereld halen, als zij zoo somber
begint te worden. Nog eens, mijne vrienden: op ten strijde, tegen de
treurigheid der tijden, die zich dreigend aanmeldt!”
„Is het wel noodig daartoe opgewekt te worden?” riep de jonge Callias.
„Bij Heracles! hebben wij dan niet gedurende dezen geheelen feesttijd
ons best gedaan, als nooit te voren? Hebben wij den Metragyrt niet in
het Barathron geworpen? Hebben wij ons niet prachtig gedragen, zooals
men van de lustige Ithyphallers kon verwachten? En hadden wij niet de
geheele Atheensche jeugd achter ons? Waren de Dionysiën te Athene ooit
darteler en uitgelatener dan die thans zijn gevierd? Hebt gij het volk
ooit zoo opgewekt en dol gezien? Heeft de wijn ooit in rijker stroomen
gevloden? Is er ooit een grooter aantal jonge meisjes in het gedrang
verleid geworden? Wemelde het ooit meer te Athene van bereidvaardige en
gedienstige priesteressen van het genot? En waren zij ooit meer
gezocht? Wat spreekt gij van sombere tijden, Alcibiades? Het is een
vroolijke tijd, zeg ik. De wereld gaat vooruit in dartelheid en
vreugde; niet achteruit, zooals gij meent. En welke donkere, dreigende
wolken zich ook ooit aan den hemel mogen vertoonen, hij zal weder
helder worden! En zoo behoort het ook! Lang leve het genot!”
„Lang leve het genot!” galmde het van alle kanten en de bekers klonken,
tegen elkaar.
„Callias, beste jongen, laat ik u omarmen!” riep Alcibiades en kuste
zijn vriend. „Zoo hoor ik u en u allen gaarne spreken! Lang leve het
genot! En opdat het eeuwig leve en groeie en bloeie onder het volk der
Atheners, moeten de Ithyphallers eendrachtig samenwerken met de school,
die Aspasia heeft gesticht. Op de Ithyphallers en op de school van
Aspasia is de vaste burg gegrondvest van vroolijkheid, van alle
bekoorlijke dartelheid en van allen levenslustig en moedwil! Daarom
niet gepruild, Simaetha! Niet zoo preutsch, Prasina! Geen leelijk
gezicht tegen Alcibiades getrokken, Drosis! Kom, lach eens weder,
Simaetha! Gij zijt nooit zoo bekoorlijk geweest als thans. Bij Zeus!
Voor één gullen, hartelijken lach van uw mond wil ik duizend drachmen,
waarom ik gewed heb, verliezen en het dochtertje van Hipponicus nog een
poos laten wachten!”
Nu wendden zich allen tot Simaetha, om haar te overreden zich met
Alcibiades te verzoenen.
Aspasia zelve mengde zich in de zaak. „Mok niet langer tegen
Alcibiades!” sprak zij. „Wanneer hij beweert, dat de school van Aspasia
op een goeden voet moet staan met het gezelschap der Ithyphallers, dan
kan hij gelijk hebben; doch alleen in zooverre, dat de uitgelatenheid
der Ithyphallers betoomd en bedwongen moet worden door lieve
vrouwenhanden. Wij moeten onzen bijstand den Ithyphallers niet
onthouden, maar hun den teugel der rechte en schoone maat aandoen,
opdat het heerlijke rijk der vreugde niet in ruwheid en woestheid
onderga.”
„Wij onderwerpen ons aan u!” riep Alcibiades. „Wij willen Simaetha tot
koningin met onbeperkte macht verkiezen in het rijk der vreugde.”—
„Dat willen wij!” klonk het in ’t rond. „Waarom zouden de Ithyphallers
zich niet beteugelen laten door zulke lieve handjes?”
In uitgelaten vroolijkheid werd de glimlachende, van bekoorlijkheid
stralende Simaetha tot koningin van het feest uitgeroepen en tot
onbeperkt heerschende vorstin van het rijk der vreugde.
Men richtte voor haar een heerlijken, met bloemen rijk getooiden troon
op, men hulde haar in purpergewaad, een gouden diadeem werd op de
lokken gedrukt, haar lichaam met kransen van rozen en viooltjes
omslingerd.
Zij praalde in de volle betoovering van jeugd en schoonheid—eene echte
koningin. Zelfs Aspasia’s oog rustte met bewondering op haar.
„Aspasia beheerscht het tegenwoordige,” riep Alcibiades, „u, Simaetha,
behoort de toekomst!”—
De bekers werden gevuld met den bedwelmenden drank en ter eere van de
schitterende koningin der vreugde geledigd.
„Door deze koningin beheerscht,” riepen de jongelingen, „zal het rijk
der vreugde zich uitbreiden over den geheelen aardbol!”—
„Callias en Demus, neemt uwe duizend drachmen!” riep Alcibiades. „Ik
geef de weddenschap verloren. Ik ga morgen nog niet naar Hipponicus. De
vorst der Ityphallers sluit een nieuw verbond met de koningin der
schoonheid en der vreugde! Den Gode zij dank! Zij lacht weder en hare
tandjes blinken daarbij, als eene marmeren zuilenrij van het
Parthenon!”
Daarop naderde de bekranste, door wijn en vurige liefde bedwelmde,
vermetele jongeling het koninklijk uitgedoste, prachtige meisje, sloeg
onder het gejubel zijner vrienden den arm om haar heen en wilde het
gesloten verbond met een kus bezegelen.
Op dit oogenblik bemerkten allen, die hunne blikken op Simaetha
gevestigd hielden, eensklaps, dat een geweldige kleur zich over haar
gezicht verspreidde.
Zij strekte de hand uit en weerde Alcibiades af, klagende over een
plotselinge, geweldige hoofdpijn.
Tegelijk schenen hare lippen, droog van inwendige hitte, naar lafenis
te snakken.
Men reikte haar een met wijn gevulden beker; zij wees dien echter terug
en verlangde naar frisch koel water.—Zij sloeg beker op beker van het
ijskoude vocht naar binnen, maar ’t was of slechts droppels op gloeiend
ijzer vielen.
Nu bemerkte men ook dat hare oogen met bloed beloopen waren.
De tong van ’t meisje werd zwaar—schor, heesch klonk hare stem—zij
begon over brandende zwelling der keel, van den mond, der tong te
klagen.
Tegelijk overviel haar eene vreeselijke benauwdheid—krampachtige
bewegingen vertoonden zich in de gewrichten der handen, het geheele
lichaam beefde, het kille zweet droop van hare leden.
Men wilde haar naar haar vertrek, naar haar bed brengen: maar, als door
een woesten angst gedreven, wenschte zij zich in eene bron, in een
diep, koel water te storten,—zij wilde wegijlen, aan eene razende
gelijk—slechts met geweld kon zij teruggehouden worden.
Men had Pericles geroepen.
Hij kwam. Hij zag den toestand van het meisje en verbleekte.
„Verwijdert u!” sprak hij tot de feestgenooten.
Hunne hoofden waren nog half beneveld van de Bacchische bedwelming.
„Waarom ontstelt ge zoo over den toestand van ’t meisje?” riepen zij.
„Kent ge haar ziekte, zeg het dan!”
„Verwijdert u!” herhaalde Pericles.
„Wat is het, wat is het?” riep Alcibiades.
„De pest!” zeide Pericles op gesmoorden en zachten toon.
Hoe zacht het woord ook gesproken was, het viel als een donderslag in
de vergadering.
Allen verstomden, verbleekten, stoven uit elkander.
De meisjes begonnen te jammeren—Aspasia zelve werd doodsbleek, en
verzorgde bevend en sidderend de door den dood aangetaste lieveling.
Het meisje werd weggevoerd. De feestgenooten begonnen zich verslagen in
stilte te verwijderen.
Alleen Alcibiades herwon spoedig zijne bedaardheid, hij, de dronkenste
van allen.
„Zoo zullen wij ons overwonnen geven aan de duistere machten?” riep hij
en greep naar den beker. „Zou onze strijd te vergeefs zijn geweest?—Wat
stuift gij uit elkander, mijne vrienden? Lafaards, die gij zijt! Als
gij allen versaagt en u schandelijk overwonnen geeft, ik geef mij niet
over! Ik trotseer ook de pest en alle verschrikkingen van den Hades!”
Op dezen toon sprak hij voort, tot hij ten laatste bemerkte, dat hij
geheel alleen stond in het verlaten peristylium, te midden van
verstrooide kransen en half geledigde of omgeworpen bekers.
Hij keek om zich heen met glazige oogen. „Hei daar, waar zijt gij,
lustige Ithyphallers?”
„Alleen!” ging hij voort—„geheel alleen!—zij hebben mij allen
verlaten—allen!—Het rijk der vreugde is verlaten en eenzaam—de sombere
machten zegevieren”— —
„Het zij zoo!” riep hij ten laatste, den beker van zich werpende.
„Vaarwel, schoone lust der jeugd! Ik ga naar Hipponicus!”
XXIV.
DE SATYR EN DE BACCHANTE.
In dien merkwaardigen nacht, waarin Simaetha tot koningin der vreugde
bij het vroolijke maal in Pericles’ woning werd gekroond en de gloed
van de fakkels der Bacchanten in alle straten van Athene schitterde, in
dien zelfden nacht zat bovenop de eenzame, stille Acropolis, op den
donkeren gevel van het Parthenon, een ongeluksvogel, een somber
starende uil, die herhaaldelijk zijn nachtelijk, huiveringwekkend,
onheilspellend gekras deed hooren.
Van de straten der stad steeg het vreugdegejuich naar boven en onder
die klanken mengden zich zonderling de nachtelijke klaagtonen van den
uil op den gevel van het Parthenon.
Verre in den omtrek weerklonken, zij in de donkere ruimte van de tinnen
der Acropolis af, als eene doodstijding.
En waarlijk zoo was het.
Want juist op het oogenblik, dat de jonge Alcibiades en zijne makkers
ten toppunt van jeugdige uitgelatenheid hunne bekers ophieven bij het
festijn in het huis van Pericles en een dronk wijdden aan de
bekoorlijke koningin der vreugde—in dit zelfde oogenblik stierf Phidias
in den kerker—in dit zelfde oogenblik blies de onsterfelijke meester
van het Parthenon, sinds geruimen tijd door eene slepende ziekte
aangetast, eenzaam den laatsten adem uit.
In die ure echter, waarin de verhevenste Hellenenziel, het middelpunt
van de luisterrijkste Atheensche scheppingskunst, in den donkeren
kerkernacht haar stoffelijk hulsel verliet en Aspasia Pericles de
woorden toevoegde: „Gij zijt geen Griek meer!”—in die ure was het, als
werd niet alleen het heerlijke verbond van Pericles en Aspasia
verscheurd, maar ook een vlijmend zwaard scheen te gaan door het hart
der Helleensche wereld:—’t was alsof hare ster verduisterde, en nevens
het zegevierend gekras van den uil op het Parthenon klonk een
boosaardig geschater van grijnzende daemonen in de lucht boven de
hoogte der Acropolis.
De Erechtheüs-priester ontwaakt bij het uilengekras, op zijn nachtelijk
leger. Hem klonk het geroep van den uil als de blijde mare in ’t oor:
„Op, uw tijd is gekomen!”
En de daemonen fluisterden elkander toe: „Nu eindelijk is ons de macht
gegeven los te breken!—Op, laten wij ons neder op Athene, neder op
Hellas!”
Aan ’t hoofd van dezen zwerm ongeluks-daemonen vlogen de Tweedracht en
de Pest.
De laatste breidde hare vale vleugelen uit en vloog alle anderen
voorbij; zij streek neder op de in nacht gehulde, van het getier der
Bacchanten weergalmende stad der Atheners.
Zij zocht naar de plaats, waar feestvreugde het vroolijkst tierde—zij
vond deze plaats en stortte zich als een gier neder op de bekoorlijke,
jonge koningin der vreugde in Pericles’ woning.
Het schoonste en bloeiendste Helleensche meisje, aan wie, zooals
Alcibiades meende, de toekomst behoorde, was het eerste slachtoffer van
een daemon.
Er zijn tijden, waarin met het inwendig bederf, met de omkeeringen der
zedelijke wereldorde, met de verzwakking en ontaarding, tevens groote
physische rampen gepaard gaan, waardoor de harmonie en de orde der
zedelijke en stoffelijke wereld te gelijk schijnen vernietigd te
worden.
Zulk een tijd brak thans voor Athene aan, zulk een tijd brak thans aan
voor geheel Hellas.
Aan het inwendige verterend verderf van den staat, zooals het langzaam
en allengs voorbereid was door toenemende weelde en genotzucht, door
het hand over hand toenemen van de losbandige demagogie [411], het
meest echter door den natuurlijken loop der menschelijke zaken, die met
ijzeren noodwendigheid van bloei tot verval en ontaarding voert—aan dit
inwendig verderf paarde zich het uitbreken van bloedige veeten onder de
stammen van Hellas, waaruit ten laatste niemand als overwinnaar te
voorschijn trad, maar waardoor integendeel de welvaart en de vrijheid
van allen gemeenschappelijk te gronde gingen; en hierbij voegden zich
de gruwelen der pest, die moorddadige ziekte.
De Helleensche „kalokagathia” [412] moest verbroken worden—niet meer
moest het zijn: „eene gezonde ziel in een gezond lichaam,” waarop zich
het Helleensche leven had mogen beroemen.—
Snel had zich de mare van het eerste pestgeval ten huize van Pericles
in de geheele stad der Atheners verspreid, en eensklaps maakte de
uitgelaten Bacchantische feestvreugde plaats voor den bleeken angst,
voor verlammende bezorgdheid.
Andere doodelijke pijlen van den engel des verderfs werden afgeschoten
en binnen weinige dagen woedde reeds de pest in al hare verschrikkingen
[413].
Evenals bij Simaetha geschied was, placht de ziekte met groote
verhitting van het hoofd uit te breken, tegelijk met ontsteking in de
keel. Bloedige etter werd uit de keel, uit de mondholte, zelfs uit de
tong afgescheiden. Voorts werd de borst aangetast en onder hevige
hoestbuien werd weinig en dun speeksel met moeite opgegeven. Geweldige
suizingen in de ooren volgden, krampen in de hand, eene beving over het
geheele lichaam, een gevoel van angst en onrust, tot waanzin stijgend,
een verterende dorst, inwendige brand, zoo fel, dat zij menigeen naar
de regenputten dreef. Soms ook, op de ingewanden slaande, veroorzaakte
de ziekte een hevig braken. Die huid was rood, somwijlen donkerblauw,
met zweren en blaren bedekt. Evenwel ontbraken, naar ’t schijnt, hier,
evenals bij de overige pestziekten, waarvan de Oudheid gewaagt, die
builen, welke als ’t voornaamste kenteeken bekend zijn van de
zoogenaamde Oostersche pest, dien in latere tijden zoo gevreesden
geesel der volken.
Tot aan den achtsten dag woedde doorgaans de ziekte; dan volgde de dood
bij holle oogen, spitsen neus, terwijl het lichaam op het gevoel koud
en ruw was. Niet ongedeerd kwamen zelfs de herstelden er af. Want
menigmaal sloeg de ziekte op de uiterste deelen des lichaams: voeten,
handen en andere ledematen verstierven, verlamd of aangegrepen door het
brandend vergif. Ook het gezicht ging niet zelden verloren. Het
geheugen en ’t verstand leden er onder; menige herstelde bleef
krankzinnig en er waren er, die zich zelfs hunne namen noch die hunner
vrienden herinnerden.
Zonder uitwerking bleven alle geneesmiddelen. Op raad van Hippocrates
werden er groote vuren gebrand, daar men meende opgemerkt te hebben,
dat smeden, die aanhoudend in de nabijheid van vuur arbeidden,
zeldzamer door de ziekte werden aangegrepen.
Maar het geweld van de ziekte nam steeds toe.
Daar de wetenschap machteloos bleek, zocht men hulp bij het bijgeloof.
Nooit werden de tallooze gebruiken van zoenoffers, reinigingen,
bezweringen, die den Hellenen ten dienste stonden, met meer ijver
betracht.
In de eerste weken weergalmde de stad van de jammerklachten der
stervenden; zij was vol van lijkstatiën, die de door de pest
weggeraapte ter begrafenis brachten naar de graven of brandstapels.