versmaadt? Voelt gij niets in uw bloed van ’t geen anderen drijft, om
van den schoonen, vluchtigen, nooit terugkeerenden tijd der jeugd te
genieten?”
Manes keek getroffen naar den grond en antwoordde niets.
„Hebt gij soms een verdriet of iets wat u hindert?” vervolgde Aspasia.
„Zijt gij ontevreden in dit huis en zoudt gij liever onder andere
menschen willen leven? Zijt gij misschien heimelijk op Pericles
verstoord, omdat hij u van Samos medegenomen heeft, en u als zijn eigen
zoon in zijn huis heeft doen opvoeden?”
Bij deze woorden van Aspasia stond de jongeling onwillekeurig van zijn
zitplaats op en met levendige, afwijzende gebaren verwierp hij een
dergelijke veronderstelling, terwijl een traan in zijn oog opwelde.
Aspasia liet echter niet af naar de reden zijner droefgeestigheid te
onderzoeken.
Manes antwoordde nu eens met eene lichte zucht, die aan zijn borst
ontglipte, dan weder met een blos. Zijne hand beefde een weinig. Hij
waagde zelden op te zien; als hij het echter deed, hadden zijne oogen
eene diep gevoelige, schier roerende uitdrukking.
De jongeling was zoo houterig en stroef in zijn geheele wezen, en toch
had hij thans iets teeders, men zou haast zeggen, iets meisjesachtigs
over zich.
Ieder oogenblik werd Aspasia meer versterkt in haar vermoeden, dat een
geheim leed aan het hart van den jongeling knaagde.
Liefde kon het niet zijn; want wie zou die stille gloed kunnen gelden!
Dan toch alleen eene der jeugdige huisgenooten? Maar deze had Manes
immers altijd schuw en verlegen ontweken? Had men niet alle moeiten
aangewend, om den jongen man in den vroolijken kring te trekken en
waren deze pogingen niet altijd mislukt?—
Eene gedachte vloog Aspasia door het hoofd. Eene gedachte, die in ’t
eerste oogenblik haar schier kluchtig voorkwam, en haar bijna deed
lachen.—
Maar als de jongeling zijn zielroerend oog tot haar opsloeg, werd die
gedachte minder belachelijk en Aspasia gevoelde zich, ’t geen anders
niet in haar karakter lag, door eene opwelling van innig medelijden
aangegrepen.
Zij werd niet moede de onmannelijke zwaarmoedigheid van den stillen
jongeling in zachte bewoordingen af te keuren en hem tot de
vroolijkheid, die aan zijne jeugd voegde, op te wekken.
Terwijl Aspasia zich alzoo met Manes bezig hield, zat Cora eenzaam en
verlaten in het peristylium van het huis. Zij had, teruggekeerd uit de
woeste bedwelming der feestvreugde, zich daar neergezet, haar
Bacchanten-masker afgedaan en naast zich nedergelegd. Zoo zat zij daar
in diepe gepeinzen verzonken, toen Pericles, toevallig juist naar huis
teruggekeerd, het peristylium doorging.
Hij was getroffen door ’t gezicht van het meisje, dat daar zoo eenzaam
en peinzend zat, met het Bacchanten-masker nevens zich.
Hij trad op Cora toe en vroeg haar waarom zij zoo spoedig was
teruggekomen en zich van hare speelgenooten had afgescheiden, met wie
zij was uitgegaan.
Cora zweeg. Zij had een krans op haar schoot, denzelfden, dien zij als
Bacchante gedragen had. Hare hand speelde schier onbewust met de
bloemen van dien krans, en de grond om haar heen was bedekt met de
afgeplukte bladeren der bloemen.
Het meisje leverde een zonderling gezicht op, zooals zij op dat
oogenblik daar zat. Hare houding, het spel met den krans, de ernst van
het bleeke gelaat, vormde met het gewaad en de zinnebeelden der
Bacchante, die zij aan of om zich had, een zoo scherp contrast, dat het
bijna den lachlust opwekte.
Pericles zag haar in het gelaat en sprak haar aan:
„Ik herinner mij niet ooit eene Bacchante met zoo’n droevig gelaat
gezien te hebben. Mij dunkt, Cora, gij zoudt den Thyrsus veel liever
weder met den herderstaf verwisselen!—Is ’t niet zoo?—Gij voelt u niet
gelukkig in dit huis? Gij hebt een heimwee naar uwe vaderlandsche
bergwouden, naar uwe lammeren en schildpadden.”
Cora sloeg hare oogen even naar Pericles op, die oogen, gelijk die
eener hinde, en zag hem aan met eene uitdrukking, die nog treuriger was
dan te voren, doch tevens met een trouwhartigen, schier kinderlijken
blik, waarin eene toestemming, uit het diepst harer ziel voorkomende,
scheen te liggen.
„Wilt gij, dat wij u naar huis laten gaan?” vroeg Pericles op een
hartelijken, vertrouwen inboezemenden toon. „Spreek vrijuit, mijn kind,
en ik zal alles doen, om u zoodra mogelijk naar uw geboorteland en naar
uw waarachtig geluk terug te voeren. Wilt gij dit huis verlaten, Cora?
Spreek!”
Eene zonderlinge uitwerking maakten deze woorden op het Arcadische
meisje. In ’t eerste oogenblik blonk er een glans van vreugde over haar
gelaat. Plotseling echter keek zij, als door eene nieuwe gedachte
getroffen, weder ernstig naar den grond; zij werd bleek, haar boezem
begon te hijgen, een traan parelde aan hare wimpers.
„Zeg vrijuit,” hernam Pericles, „wat gij wenscht en wat uwe
opgeruimdheid in dit huis verhindert. Er is zeker iets, dat gij
mist!”—Pericles sprak deze woorden op een beslisten toon en zag, op een
antwoord wachtend, het meisje strak in het aangezicht.
„Verlangt gij uit dit huis weg te gaan?” herhaalde hij.
Cora schudde treurig het hoofd, zonder een woord te spreken.
„Uwe droefgeestigheid schijnt dus zonder reden te zijn,” vervolgde
Pericles, „eene zwaarmoedigheid, die zich als eene soort van ziekte van
uw gemoed meester maakt. Bestrijd haar, mijn kind! Geef u niet aan hare
macht over, maar verzet u er tegen! Zie, ook mij zou de daemon der
ontevredenheid somwijlen willen overweldigen, maar ik worstel met hem.
Het leven moet vroolijk zijn en genot voor ons: want ware dat niet het
geval, dan moesten wij immers de dooden benijden. Willen toch niet alle
menschen opgeruimd en gelukkig zijn en zich blijde met elkander in hun
bestaan verheugen?
„Waarom zoekt gij de eenzaamheid? Wilt gij ook niet vroolijk en
gelukkig zijn?”
Wederom sloeg Cora trouwhartig de oogen tot Pericles op en zeide op
aarzelenden toon:
„Ik ben gelukkig, als ik alleen ben!”
„Zonderling kind!” riep Pericles.
Hij zag Cora zwijgend en peinzend aan. Zij was niet mooi. Hare
maagdelijke schoonheid was zonder alle betoovering der zinnen.
En toch lag in die maagdelijkheid, in die kinderlijkheid, in die
zonderlinge gevoeligheid iets, wat eene eigenaardige sympathie in edele
karakters kon wekken.
Pericles had het ideaal van alle vrouwelijke bekoorlijkheden en
voortreffelijkheid in Aspasia verwezenlijkt gevonden. Thans trad
plotseling voor hem de vrouwelijkheid op in eene nieuwe, onbekende
gedaante. Wat hij hier in Cora voor zijne oogen zag, was verschillend
van alles, wat hij tot heden gezien, wat hij bewonderd, wat hij bemind
had.
Niet betooverend, niet verleidelijk scheen hem deze nieuwe soort van
vrouwelijkheid, maar eene aandoening greep hem aan, even nieuw en
vreemd, als hetgeen die in hem te voorschijn had geroepen. Hij legde
zijne hand op het hoofd van het meisje en beval haar krank gemoed aan
de machtige hoede der goden.
Daarop sprak hij: „Willen we samen Aspasia opzoeken? En toen hij van
een slaaf hoorde, dat Aspasia zich op het dakplat begeven had, nam hij
het meisje vriendelijk bij de hand om ze naar hare meesteres te voeren.
Zonderlinge samenloop! Op ’t zelfde oogenblik, dat Pericles in ’t
peristylium van het huis zijne hand met ernstige aandoening op het
hoofd van ’t bedroefde herderskind legde, op ’t zelfde oogenblik rustte
de hand van Aspasia, die haar gesprek met Manes op het dakterras
geëindigd had, op het hoofd van den droefgeestigen Noordschen
jongeling.
En ’t was alsof hare hand, met schier moederlijke teederheid zijne
bruine lokken aanraakte, alsof haar oog met warmte op de trekken van
den jeugdigen zonderling rustte! Toch zetelde opgeruimde blijmoedigheid
op haar open, fier voorhoofd en met een kalmen glimlach begroette zij
Pericles, toen hij met het meisje aan de hand tot haar trad.
„Ik breng u de zwaarmoedige Cora,” zei Pericles tot Aspasia; „ik geloof
dat zij niet minder dan Manes behoefte heeft aan vriendelijke
toespraak!”
Terwijl Pericles naderde had hij den blik van warme toegenegenheid
opgemerkt, waarmede het oog van Aspasia op den jongeling rustte.
Zij volgde zijn nauw merkbaren wenk en hij voerde haar naar een
afgelegen plek van het dakterras, waar eene rustplaats onder bloeiende
ranken was aangebracht.
Hier vertelde Aspasia haar gesprek met Manes aan Pericles, deze haar
het zijne met het Arcadische meisje.
Ten laatste zeide Pericles kalm en ernstig:
„Gij hebt gloeiende blikken, ja zelfs liefdevolle gebaren gebezigd, om
het sombere gemoed van den jongeling op te beuren!”
„En dat brengt u op de gedachte dat ik liefde voor hem zou gevoelen?”
vroeg Aspasia. „Neen,” vervolgde zij, toen Pericles zweeg, „ik bemin
hem niet, want hij is schier leelijk. Zijne plompe wangbeenderen
beleedigen mijn oog. Maar eene vluchtige aandoening overweldigde mij,
ik weet zelve niet hoe haar te noemen. Wellicht was het medelijden.”
„Weet gij zoo precies, wat liefde niet is en wat wel?” vroeg Pericles.
„Wat liefde is?” riep Aspasia glimlachend. „Begint gij thans ook mij
met die dwaze vraag te kwellen?—Liefde is eene zaak, die men niet kan
afweren, als zij komt, en niet kan tegenhouden als zij gaat.”
„En weet gij er anders niets van te zeggen?” vroeg Pericles.
„Niets, dan wat ik reeds zoo dikwijls gezegd heb,” hernam Aspasia:
„liefde is een gevoel, dat in tyrannie kan ontaarden, wanneer zij het
geliefde voorwerp tot een werktuig wil maken, zonder zelfstandigen zin.
Die onwaardige begeerte moest zij weten te onderdrukken. Zij moest een
in vrijheid gesloten, in vrijheid gehandhaafd vreugdeverbond des harten
zijn!”
„Zoo dikwijls gij mij dit herhaaldet,” sprak Pericles, „altijd is het
mij onwederlegbaar voorgekomen. Mijn kalme, nadenkende geest is daarvan
nog evenzeer overtuigd, als toen wij zelven zulk een vreugdeverbond des
harten in vrijheid sloten. Liefde moet die zelfzuchtige begeerte
opgeven om het beminde voorwerp te bezitten; maar de vraag bestaat nog
altijd bij mij: kan de liefde dit doen? Is zij in staat die begeerte te
verwinnen?”
„Zij kan het,” hernam Aspasia: „want zij moet het kunnen!”
„Niet tegen te houden is de liefde, als zij gaat, zeidet gij straks,”
vervolgde Pericles, na eenige oogenblikken te hebben nagedacht. „Wat
zal er van ons worden, Aspasia, als haar schoon vuur ook in onze borst
verdooft?”
„Dan zullen wij zeggen,” hernam Aspasia: „wij hebben met elkander de
hoogste aardsche zaligheid genoten! Wij hebben niet te vergeefs
geleefd! Wij hebben op het toppunt van ons bestaan, in de hoogste
kracht des levens en der liefde, den vreugdekelk geledigd.”
„Geledigd—geledigd”—herhaalde Pericles, schier onhoorbaar in zich
zelven sprekend. „Gij doet mij daar een woord hooren, dat mij doet
huiveren”——
„’t Is het lot der bekers geledigd te worden,” zei Aspasia, „en het lot
der bloemen te verwelken en het lot van al wat leeft schijnbaar te
verdwijnen, inderdaad echter in eene eeuwigdurende wisseling zich te
vernieuwen. De plicht van den sterveling echter is ’t, die verandering
en wisseling om hem en in hem met de blijmoedige kalmte der echte
wijsheid te aanschouwen. Dwaas zou het zijn zich aan de hielen van het
voortijlende vast te klemmen. De tijd komt, dat men getroost den beker,
waarin eens de zaligmakende drank heeft geschuimd, in den afgrond zal
werpen. Alles streeft naar het toppunt, om dan weder neder te dalen
langs de ladder der levens tot vernietiging. Alles volgt den loop der
natuur”—
Nadat Pericles en Aspasia dit gesprek hadden gehouden, maakten zij zich
gereed zich in huis te begeven; en op de plaats gekomen, waar zij Manes
en Cora achter gelaten hadden, zagen zij hen beiden in een druk
onderhoud gewikkeld.
Het platte dak was door Aspasia in eene soort van tuinterras
herschapen. Daar bevonden zich priëelen ter beschutting tegen de zon en
hooge, bloeiende heesters, in bakken, met aarde gevuld.
Zulk een heester verborg Pericles en Aspasia, toen zij naderden, voor
de blikken van den jongeling en van het meisje, die bovendien te zeer
in hun gesprek verdiept waren, dan dat zij hunne nadering zouden
bemerkt hebben.
Pericles en Aspasia stonden onwillekeurig een oogenblik stil, hoogst
verwonderd over dit gezicht. Zij hadden nooit te voren bemerkt, dat
Manes en Cora zich zoo vertrouwelijk onderhielden, dat de een het
gezelschap van den ander gezocht had.
’t Was op zich zelf een zonderling tooneel, dat het oog wel tot zich
mocht trekken, een treurige Satyr en eene zwaarmoedige Bacchante in een
gesprek met elkander.
Cora vertelde den jongeling van haar Arcadisch geboorteland, van de
schoone bergwouden, van de schildpadden, van den God Pan, van de
Stymphalische vogels, van de jacht op wilde dieren.
Manes luisterde met gespannen aandacht. „Gij zijt wel zeer gelukkig,
Cora,” zei hij daarop, „dat gij dit alles zoo helder voor uw geest hebt
en het u telkens kunt herinneren. Ik herinner mij, als ik waak,
volstrekt niets van mijn vaderland en van mijne prille jeugd. Alleen in
droomen en mijmeringen word ik somwijlen verplaatst in sterk ruischende
wouden of ik zie ruwe mannen in harige vachten gekleed, op snelle
paarden gezeten en daarheen rennend over de vlakte. Ik ben dan den
geheelen dag door treurig, als ik zulke droomen gehad heb en ik ben
ziek van eene soort heimwee, ofschoon ik geen vaderland heb en ik niet
weet, waarheen ik mijne schreden het eerst zou richten, als ik het
wilde opzoeken. Alleen dit weet ik, dat ik noordelijk en steeds
noordelijk moet gaan, en dikwijls droom ik ook, dat ik naar het Noorden
trek, altijd meer naar het Noorden in eene onafzienbare ruimte. Gij
zijt zeker dubbel bedroefd, Cora, dat gij niet naar uw vaderland kunt
terugkeeren, omdat gij het kent en het altijd gemakkelijk weder zoudt
weten te vinden. Zeg het mij, Cora, als gij terug wilt keeren naar uw
geboortegrond; ik zal er u heen voeren en ik blijf er ook; want ik ben
immers jong en sterk. Waarom zou ik niet met de Arcadische mannen samen
leven en met hen jagen op de wilde dieren?”
„Neen, Manes,” zeide het meisje, „naar Arcadië moet gij niet gaan,
omdat u immers het heimwee naar het Noorden heentrekt. Neen ik zou
volstrekt niet willen, dat gij naar Arcadië toogt, omdat u daar
ongetwijfeld altijd een onweerstaanbaar verlangen naar uw vaderland zal
bekruipen. Gij moet koers zetten naar den Hellespont en dan steeds meer
naar het Noorden, zoo zult gij zeker uw vaderland vinden en wellicht
zelfs een koninkrijk.”—
„Ik zou wel gaarne naar het Noorden willen trekken,” zei Manes, „maar
’t zou mij bedroeven, als ik er aan dacht, dat gij hier zijt en te
vergeefs naar uw Arcadië verlangdet.”
Cora keek peinzend naar den grond en zeide na eene kleine pauze:
„Ik weet niet hoe het komt, Manes, dat ik even gaarne naar het Noorden
zou willen trekken, als naar Arcadië, zoo wij slechts samen gingen. En
’t is mij, als zou overal, waarheen we ons begaven, Arcadië zijn.”—
Bij deze woorden van het meisje bloosde Manes en zijne hand beefde
weder, als altijd, wanneer hij door een groote innerlijke aandoening
bewogen werd; hij kon eerst geen woord zeggen; na eene korte pauze
begon hij weder:
„Maar gij wilt zeker veel liever naar Arcadië gaan, Cora, naar de uwen!
Ik wil u gaarne vergezellen en herder worden, en ’t is mij, alsof ik
overal, waarheen ik u voer, mijn vaderland terugvind, ja zelfs een
koninkrijk.”—
Hier stokte zijne stem en hij bloosde weder. Van de straten steeg het
geraas en getier van den voorbijtrekkenden Bacchanten-stoet naar boven.
Fakkels schitterden, het genot en gejubel waren ontketend tot volle
vrijheid—hier boven echter stonden de jongeling en het meisje met
kranke harten, bleek en sprakeloos en schuchter tegenover elkander, en
geen van beide waagde het de hand van den andere te vatten en zelfs de
oogen sloegen zij voor elkander verlegen neer—de Satyr en de
Bacchante!—
„Zij beminnen elkander!” zei Pericles tot Aspasia. „Zij beminnen
elkander, die twee: maar met eene zonderlinge soort van liefde, naar ’t
schijnt. Het is alsof zij elkander geheel en alleen met de ziel
beminnen.—Zij spreken niet dan van offers, die zij elkander zouden
willen brengen.”
„Inderdaad,” hernam Aspasia, „met eene soort van liefde beminnen die
beiden elkander, zooals alleen Manes en Cora die konden gevoelen. Zij
hebben door de liefde alle vroolijkheid verloren, zij zijn bleek en
ziek, zij zijn treurig, en hoewel zij weten, dat zij elkaar beminnen,
hebben zij toch geen genot van hunne wederkeerige liefde: want zij
durven elkaar niet eens de hand te geven, laat staan een kus.”
„Het is eene schuchtere liefde,” zei Pericles, „eene kuische, eene
smartelijke, eene onbaatzuchtige, eene zelfverloochenende, eene
opofferende liefde. Wellicht vergoedt deze soort van liefde door
bestendigheid en schoone harmonie, wat haar ontbreekt aan zalig en
bedwelmend goddelijk genot. Wellicht geldt van haar minder, wat gij
vroeger van de liefde hebt beweerd, dat zij aan den blinden loop der
natuur onderworpen is.”
„Eene krankheid is deze treurige liefde!” riep Aspasia geprikkeld. „Wee
den dag, waarop zij is uitgevonden! Niet uit de zee, door het
morgenrood beschenen, maar uit de Arcadische wateren der Styx verrees
deze nieuwe, met witte rozen bekranste, bleeke Aphrodite! Deze soort
van smartelijke, hartstochtelijke liefde is voor de menschen even erg,
als oorlog en pest en hongersnood. Te Eleusis heb ik deze soort van
liefde onder het gevolg van den valen Thanatos gezien, en deze gedachte
was de eenige, die mij beviel, ginds in de Eleusinische, gewijde
groeven!”
Thans kwamen Pericles en Aspasia uit hun schuilhoek te voorschijn en
Aspasia voerde het Arcadische meisje met zich naar huis.
Op den avond van dienzelfden dag werd in de woning van Pericles een
klein feest gehouden, zooals in den tijd der Dionysiën alle Atheensche
burgers gewoon waren in hunne huizen aan te leggen. Eenige gasten waren
er, onder wie Callimachus met Philandra en Pasicompsa.
Men was ditmaal niet in de gewone eetzaal des huizes, maar in het
koeler en ruimer peristylium bijeen gekomen, waar de lucht van den
zoelen lentenacht van boven verkwikkend binnenwoei.
Pericles had zich naar gewoonte vroeg teruggetrokken.
Plotseling kwam de jonge Alcibiades met eenige zijner vrienden. Hij
stormde in uitgelaten feestvreugde de deur van het huis binnen en nam,
met zijne makkers doordringend, onmiddellijk plaats onder de reeds
vergaderde gasten.
Bij zijne komst vluchtte Cora angstig naar het binnenste deel van ’t
huis.
Toen Alcibiades dit bemerkte, wilde hij zich bij de bekoorlijke
Simaetha schadeloos stellen. Deze echter wees hem fier van zich. Zij
verachtte hem, sedert hij zich zoo diep had verlaagd, om het Arcadische
herdersmeisje in zijne dolle opgewondenheid met geweld te vervolgen.
Ook de overige meisjes behandelden hem om dezelfde reden uit de hoogte.
Langen tijd deed hij zijn best om haar toorn te doen bedaren, maar te
vergeefs.
„Hoe?” riep hij ten laatste, „Cora loopt voor mij weg, preutsch als
eene hinde, door de jagers vervolgd—Simaetha keert mij den rug toe—de
geheele school van Aspasia ziet ernstig en fronst de wenkbrauwen, als
de oude Anaxagoras—welaan! als gij allen mij afwijst, zal ik mijne
toevlucht nemen tot de lieve Hipparete, het eerzame, zedige,
bekoorlijke, bloeiende dochtertje van Hipponicus!”
„Doe dat gerust!” zei Simaetha.
„Dat zal ik!” riep Alcibiades. „Gij zult mij niet te vergeefs afgewezen
hebben, Simaetha! Alcibiades laat niet met zich spotten! Ik ga morgen
zoo vroeg mogelijk naar Hipponicus en vraag hem zijn dochtertje. Ik
trouw, word deugdzaam, doe afstand van alle dolle genoegens en verdrijf
mij den tijd met Sicilië te veroveren en de Atheners naar mijne pijpen
te doen dansen!”
„Hipponicus zal u zijne dochter niet geven!” riep de jonge Callias;
„hij houdt u voor een veel te grooten deugniet!”
Lachend herhaalden de overige gasten: „Hipponicus zal u zijne dochter
niet geven, gij zijt een veel te groote deugniet!”
„Hipponicus zal mij zijne dochter geven,” riep Alcibiades met nadruk,
„al had ik hem van te voren ook eene oorveeg gegeven. Wilt gij eene
weddenschap met mij aangaan? Ik neem aan, Hipponicus een klap om de
ooren te geven en hem dan zijne dochter te vragen. En hij zal ze mij
geven.”
„Gij zijt een pocher!” riepen zijne vrienden.
„Laten wij wedden!” hernam Alcibiades: „duizend drachmen, als gij
wilt!”
„Top!” riepen Callias en Demus.
Alcibiades bood zijn vrienden de hand en zij sloegen toe. De
weddenschap van duizend drachmen was aangegaan.
„Waarom zou ik mij niet bekeeren en deugdzaam worden,” zei Alcibiades,
„daar rondom mij zoovele treurige teekenen en wonderen geschieden? Niet
genoeg, dat Cora mij ontvlucht, Simaetha zich van mij afkeert, Theodota
waanzinnig is geworden, moest ik ook nog beleven, dat ik mijn oudsten
en besten vriend verloor? Hij heeft zijne trouw jegens mij verbroken en
eene vrouw genomen.”
„Van wien spreekt gij?” vroegen eenigen.
„Van wien anders, dan van Socrates?” hernam Alcibiades.
„Hoe? Is Socrates getrouwd?” vroeg Aspasia.
„Zoo is het!” hernam Alcibiades, „in alle stilte heeft hij onlangs eene
vrouw genomen. Geef hem maar op—gij ziet hem nooit weer!”
„Hoe is dat gebeurd?” vroeg Aspasia verder, „ik heb er nog niets van
gehoord.”
„’t Zal ongeveer twee weken geleden zijn,” zei Alcibiades, „dat ik in
eene der stillere straten daarboven aan den Ilissus met een vriend,
dien ik toevallig ontmoette, stond te praten. Plotseling gaat de met
bloemen versierde deur van een huis open en eene stoet van fluitspelers
en zangers, met fakkels in de handen en bekranst, treedt naar buiten.
Hen volgt eene gesluierde bruid, tusschen den bruidegom en den
nymphagoog [410]. Deze drie bestijgen een met muildieren bespannen
wagen, die voor het huis staat, en nemen er plaats in. Onderwijl komt
de moeder der bruid, met de fakkel, die zij aan den haard van het huis
der bruid heeft aangestoken; bij haar sluit het overige, in ’t wit
gekleede gezelschap zich aan, met bloemen bekranst en fakkels dragende;
de wagen zet zich in beweging en voorwaarts gaat het de straat af tot
aan het huis van den bruidegom, onder de toonen der fluiten, het
aanheffen van liederen, onder vroolijk jubelen en dansen. Die bruidegom
nu was niemand anders dan Socrates, de vriend van Aspasia, de
nymphagoog was de vrouwenhater Euripides.”
„En de bruid?” vroegen velen.
„Het eenvoudig kind van een eenvoudig man,” hernam Alcibiades, „dat
echter onmiddellijk de teugels van het huishouden als met ijzeren hand
heeft aangegrepen, en de kunst verstaat, met het weinige huis te
houden, dat Socrates nog van zijn vaderlijk erfdeel bezit. Socrates
getrouwd! De arme waarheidzoeker! De waarheid heeft hij gezocht—eene
vrouw heeft hij gevonden! Ik herhaal het, er geschieden teekenen en
wonderen! De oude wereld wil, naar ’t schijnt, zich uit het oude spoor
losrukken. Socrates getrouwd—de vroolijke Theodota waanzinnig; voegt
men hier nog bij, dat op Aegina en Eleusis, naar men zegt, eenige
gevallen van pest zijn voorgekomen, die reeds lang op het Aegyptische
strand spookt, en dat men heden op de Agora een verdacht Satyr-masker
meent gezien te hebben, waarachter zich Thanatos of de Pest of een
ander afzichtelijk wezen verbergt—neemt men dit alles samen, dan zult
ge mij moeten toegeven, dat het in de stad der Atheners vervelend
dreigt te worden. En wanneer ik daarbij nog de dochter van Hipponicus
huw, dan krijgt de Helleensche hemel eene sombere tint. Maar heden
willen wij nog vroolijk zijn—bij Eros met de bliksemschicht! Niet
langer getreurd en gepruild, meisjes! Laat ons een lustigen, dollen
strijd beginnen tegen de droevige machten, die ons bedreigen! Laat ons
met een verachtelijken glimlach alle teekenen en wonderen beschouwen!
En wanneer dartele lust en genot ook uit geheel Hellas verdwenen waren,
dan moeten zij nog in dezen kring te vinden zijn. Heb ik geen gelijk,
Aspasia?”
„Gij hebt gelijk!” antwoordde Aspasia; „in den strijd tegen al het
sombere zijn wij bondgenooten.”