„Bevrijder”. Zelfs de gevangenen worden voor de dagen van het feest uit
hunne kerkers ontslagen: op de graven der dooden wordt wijn geplengd.
Men wil de schimmen bevredigen, die immers niet zonder afgunst de
vreugde der levenden ontberen. Ja, zelfs de bijgeloovigen willen weten,
dat de zielen der afgestorvenen zich soms in dezen tijd in de reien der
feestvierenden mengen en dat onder menig Satyrmasker een ontvleeschde
doodskop verborgen is.
De eerwaardige Telesippe kauwt in die dagen ijverig de bladeren van den
hagedoorn en laat haar deur met teer bestrijken; want alleen op die
wijze is het onheil af te wenden, dat ten tijde der groote Dionysiën
den levenden van den kant der afgunstige schimmen bedreigt.
Schier huiveringwekkend is het inderdaad te zien, hoe des nachts nu
hier dan daar in de donkere straten het schijnsel der fakkels zich
vertoont en een phantastische optocht voorbij trekt onder luidruchtig
rumoer.
Thans beweegt zich een geweldige stoet door de straten die van het
Lenaeüm [403] naar den schouwburg voeren. Men draagt het beeld van
Dionysus uit zijn tempel in het Lenaeüm naar den schouwburg en stelt
het daar te midden der feestelijke vergadering. Het beeld van den God,
dat er gedragen wordt, is een pas voltooid werk, een gewrocht van de
hand des vurigen Alcamenes. Evenals Phidias op den burg naast het oude,
houten beeld van Athene zijn nieuw, schitterend pronkstuk heeft
geplaatst, zou wordt ook thans in het Lenaeüm, naast het oude,
eerwaardige, eenvoudige Dionysus-beeld, het nieuwe, heerlijke werk van
Alcamenes opgericht. En dit juist draagt men thans naar den
Dionysus-schouwburg. Scharen Bacchanten omringen het. Wat is dat voor
een dolle troep, die een zinnebeeld dat vruchtbaarheid voorstelt, voor
den God uitdraagt en liederen aanheft ter eere van Priapus? Het is
Alcibiades met zijn Ityphallergezelschap.
Op de kruiswegen en op de pleinen hield de stoet stil, om drankoffers
te plengen of offerdieren te slachten.
De platte daken der huizen zijn vol toeschouwers, van welke velen
fakkels en lampen in de handen houden. Ook de vrouwen ontbreken hierbij
niet. Weldra voegt de moedwil en scherts van de menschen op de
dakterrassen zich bij de brooddronkenheid van de dolle menigte op de
straten.
De jonge Alcibiades schijnt ten toppunt van dolzinnige uitgelatenheid
te zijn; hij overtreft zichzelven in overmoedige streken aan het hoofd
van zijn gezelschap.
„Bedenkt,” roept hij zijn Ithyphallers toe, „dat wij, die anders ook
reeds razen en tieren, op het Dionysus-feest verplicht zijn, dubbel te
razen en te tieren, als wij niet in dolzinnigheid en overmoed
geëvenaard en overtroffen willen worden door de nuchterste oude paaien
van de stad der Atheners!”
Onder zulke aansporingen stormde Alcibiades met zijne makkers, alle
Atheners kennende en door allen bekend, door de drommen des volks heen.
Toen de nacht was ingevallen, liet hij fakkels voor zich uit dragen en
voerde de zijnen onder luid getier, voorafgegaan door muziek, naar de
huizen van mooie meisjes en knapen, om hun serenades te brengen. Die
muzikanten zelven waren meest fluit- en citherspeelsters, als Maenaden
verkleed, en daar ook zij, die met eene serenade waren vereerd, zich
bij den stoet aansloten, begon deze hoe langer zoo meer op een troep
Bacchanten te gelijken, die zich om den God Dionysus hadden geschaard.
Ten laatste pakt de moedwillige, dronken Alcibiades eene jeugdige
hetaere, Bacchis geheeten, die hij op zijn tocht ontmoette, aan, en
dwingt haar zich bij den stoet aan te sluiten. Hij noemt haar zijne
Ariadne [404] en zich zelven haar Dionysus.
Voor de woning van Theodota gekomen, brengt hij ook haar eene
luidruchtige serenade en treedt met zijn gevolg haar huis binnen.
Theodota had reeds sinds geruimen tijd den jongen Alcibiades niet meer
bij zich gezien. Steeds heftiger was haar minnesmart geworden. Nu zag
zij den geliefden jongeling weder; maar hoe onaangenaam, hoe pijnlijk
was voor haar hart zijn binnentreden! Dronken kwam hij aan het hoofd
van een dollen troep. Dat zou zij vergeven hebben, maar hij voerde eene
jonge, bloeiende hetaere met zich mede, die hij zijne vriendin
onmiddellijk als zijne Ariadne voorstelde en wier bekoorlijkheid hij in
overdreven taal begon te roemen.
Nu werd in de vertrekken van Theodota een drinkgelag aangelegd, dewijl
zij er zich niet openlijk tegen durfde verzetten, hoewel haar hart
schier van stille smart bezweek. Alcibiades wilde, dat zij vroolijk en
uitgelaten zou zijn. Hij begon in zijne dronkenschap van streken te
verhalen, die hij dezen avond reeds uitgevoerd had; hij beroemde zich
een eerbaar, jong meisje midden in het feestgewoel van het Lenaeüm
gekust te hebben, en prees de zeden en gebruiken, die ten minste op het
Dionysus-feest de Atheensche vrouwen in haar handelingen vrij maakten.
Hij sprak van Hipparete, de bekoorlijke dochter van Hipponicus, van
haar heimelijken minnegloed voor hem, van haar blos, zoodra zij hem
zag. Daarbij maakte hij zich vroolijk over haar onnoozel, ingetogen en
jonkvrouwelijk voorkomen. Hij vertelde ook van Cora, het van Arcadië
naar Athene overgebracht herderskind, het belachelijkste en schuwste
schepsel, ’t welk er te vinden was en dat toch om elken prijs de zijne
moest worden. Liever wilde hij van de schitterende Simaetha, van die
heerlijke, nieuwe parel van schoonheid, dan van het Arcadische,
hoofdige kind afstand doen.
Na deze uitweidingen begon de jongeling, door den wijn bedwelmd, hevig
tegen Theodota uit te varen, om hare stilzwijgendheid en haar treurig
voorkomen.
„Theodota,” riep hij, „gij zijt leelijk geworden! Al dat huilen en
pruilen misvormt uw gezicht. Ontvangt men zoo een oud vriend, zooals
ik? Waarover beklaagt gij u? Over mijn moedwil? Zijt gij het zelve niet
geweest, die mij deze moedwil hebt geleerd? Herinnert gij u niet meer
die vroolijke dagen en nachten, waarin ik onderricht van u ontving in
alle soorten van dien schoonen moedwil? En thans? Wat moet dat
verdrietig en gramstorig gezicht beteekenen? Waarom moet ik nu anders
zijn, dan in den tijd, toen wij elkander het best bevielen en de
vroolijkste uren samen doorleefden? Wees verstandig, Theodota! Denk aan
die verliefde dwazen, wier sombere, teedere dweeperij u eens lastig
viel en verveelde, zoo dat gij hen meedoogenloos lachend wegjoegt! En
nu wilt gij zelve eene dweepster worden? Kan men zoo onverstandig zijne
beste grondstellingen, zijne beminnelijkste eigenschappen verloochenen?
Wees weder vroolijk en uitgelaten, Theodota! Geef ons een uwer
prachtige dansen ten beste! Dans, ik wil het en wij allen willen het!
Laat u nogmaals eens in uw vollen glans bewonderen!”
Zoo sprak Alcibiades. Doch Theodota kon hare tranen niet weerhouden.
Zij antwoordde met hartstochtelijke verwijten, noemde hem overmoedig,
trouweloos, misdadig, meedoogenloos.
„Waarvan beschuldigt gij mij,” hernam Alcibiades, „terwijl gij zelve
ouder geworden zijt en de vroolijkheid der jeugd voor u verloren is
gegaan? Beschuldig liever den tijd, die ons allen verandert. Ook ik
moet het voor lief nemen, als ik eenmaal van een jongen Satyr een oude,
kaalhoofdige Sileen ben geworden. Doch ook als een kaalhoofdige Sileen
zal ik nog altijd vroolijk zijn. Gij echter zijt op mij verstoord en
vaart tegen mij uit en tegen het noodlot, omdat gij niet meer een
bekoorlijk, bloeiend meisje zijt, gelijk Hipparete of Simaetha of deze
Bacchis hier. Welnu, wilt gij volstrekt weder eene schoone jonkvrouw
worden, reis dan naar Argos. Daar bevindt zich, zoo men zegt, een
heiligdom met eene bron, waarin gij u slechts hebt te baden, om weder
als jonkvrouw daaruit te voorschijn te komen. Ook Hera pleegt, zooals
de dichters verhalen, van tijd tot tijd dit bad te bezoeken, om zich
bij den vader der Goden weder aangenaam te maken. Wanneer zelfs de oude
vader der Goden zulks nog weet op prijs te stellen, zou ik het dan niet
doen, ik, de levenslustige jongeling, de Ithyphaller-vorst?”
Op deze wijze sprak Alcibiades in overmoedige scherts, terwijl Theodota
slechts in nog heviger bewoordingen en met een vloed van tranen
antwoordde; ja zelfs in de overmaat harer woede vergreep zij zich aan
de jonge Bacchis, zoodat zij eene Maenade geleek.
„Zie eens naar mijn wakkeren vriend Callias,” zei Alcibiades, „die
heeft tot stelregel geen vrouw meer dan ééns te naderen. En ik—ben ik
niet telkens weder tot uw drempel teruggekeerd? Ha, bij den zaligen
Eros, ben ik niet dikwijls genoeg des avonds gekomen met een of meer
vrienden, met de gouden appelen van Dionysus op de borst, het haar
omwonden met den populierkrans van Heracles, getooid met purperkleurige
banden? Maar dat zal nu niet meer gebeuren. Ik denk nooit weder terug
te keeren, noch alleen noch met anderen! Gaan wij, mijne vrienden! Ik
verveel mij hier! Vaarwel, Theodota!”
Verschrikt door deze bedreiging hield Theodota den vertoornden
jongeling terug en beloofde, hare tranen drogend, aan zijne wensch te
zullen voldoen.
„Welaan!” riep Alcibiades, „dans dan, zooals ik u straks reeds
verzocht. Doe uw geprezen kunst nog eenmaal eer aan!”—
„Wat zal ik dansen?” vroeg Theodota.
„Gij geleekt zooeven,” hernam Alcibiades, „door den prikkel der
hartstocht gedreven, veel op Io [405] die door eene door Hera gezonden
paardenvlieg vervolgd, vertwijfelend over alle landen der wereld
voortgejaagd werd. Toon ons, als gij wilt, door de kunst veredeld, wat
ge ons vroeger liet zien in de ruwe, onbevallige werkelijkheid!”
Zwijgend maakte Theodota zich gereed de Io te dansen.
Zij danste onder de muziek der fluiten de geschiedenis van Inachus’
dochter, hoe zij door Zeus bemind, toen door Hera vervolgd en gebonden
en op haar bevel door den honderdoogigen Argus bewaakt werd, hoe zij
door den gewelddadigen dood van haar wachter op last van de
onverzoenlijke Hera door de vinnig stekende paardenvlieg vervolgd en
over alle landen werd voortgedreven.
In den beginne had Theodota met moeilijke zelfoverwinning aan het
geuite verlangen voldaan. Langzamerhand echter scheen zij, al meer en
meer opgewekt, hare ziel geheel en al uit te storten in ’t geen zij
voorstelde. Haar mimische dans kreeg een volkomenheid en eene
uitdrukking, waardoor alle toeschouwers werden medegesleept.
Toen zij echter tot de jammerlijke omdoling van Io overging en de
ontzetting uitdrukte voor Hera’s toorn en voor het door de Goden
gezonden, stekende dier, terwijl hare gebaren het karakter van eene
wilde, hartstochtelijke onstuimigheid aannamen, toen in den angst der
vluchtende het leed en het verloren liefdegeluk zich schenen te mengen,
toen kregen de trekken en het geheele uiterlijk van Theodota allengs
een schier huiveringwekkend voorkomen. Zij speelde met ontzettende
natuurlijkheid de razende, de vervolgde, de wanhopige.
Maar zij speelde ze weldra niet meer. Hare oogen puilden uit en rolden
verschrikkelijk in hunne kassen, haar boezem golfde, de geopende lippen
bedekten zich met een licht schuim.
Zoo wild en onstuimig werden hare bewegingen, dat Alcibiades en zijne
vrienden verschrikt op haar toeijlden, om haar vast te houden en aan de
onbeteugelde dolheid paal en perk te stellen.
Thans begon Io-Theodota rustig te worden. Zij zag in den kring rond met
matte oogen, glimlachte onnoozel en sprak de omstanders met zonderlinge
namen aan. Alcibiades zelven hield zij voor Zeus, den als Sileen
verkleeden Callias voor haar vader Inachus, doch in den jongen Demus
meende zij den honderdoogigen Argus te zien, en plotseling het oog
strak op Bacchis vestigend stoof zij wederom op in dollen hartstocht;
verwenschingen uitend tegen de haatdragende Hera, wilde zij zich op het
meisje storten.—
Theodota was krankzinnig geworden.—
Zij zonk nu uitgeput ineen en stiet verwarde klachten uit in
onsamenhangende, onzinnige taal.
Alcibiades en zijne makkers werden door eene lichte huivering
aangegrepen. Maar zij waren dronken van den wijn. Zij lieten de vrouw
aan hare slavinnen over en zwierden uit Theodota’s woning de straat op,
waar de luidruchtige, bedwelmende Bacchantische feestvreugde hen in
haar maalstroom voortsleurde.
Den volgenden dag had een nieuwe omgang met het beeld van Dionysus
plaats. En ditmaal was het ’t overoude, uit Eleutherae naar Athene
gebrachte beeld van den God, dat uit het Lenaeüm naar een kleinen
tempel buiten de stad, in de nabijheid van de Academie, gedragen werd,
waar het in vroeger tijden was opgericht geweest. Eenmaal ’s jaars, bij
de groote Dionysiën, werd het beeld voor korten tijd in een
feestelijken optocht naar de oude plaats gebracht.
Dit geschiedde juist nu weder.
Talrijk en bovenmate prachtig, als ooit te voren, zeer verschillend van
de eenvoudige wijze der voorvaderen, was ditmaal het feestelijk geleide
van het beeld des Gods. In alle straten, waardoor het gedragen werd en
op alle dakterrassen, vanwaar men er op neder kon zien, wemelde het van
toeschouwers, die zelven in hun tooi van vioolkransen een feestelijk
gezicht opleverden.
Vooraan in den stoet liepen scharen Satyrs en Silenen in roode
kleederen, hunne lichamen met klimopranken omwonden.
Vervolgens werd een bekranst altaar rondgedragen, omgeven van knapen in
purperen gewaad, die wierook, mirre en saffraan op gouden schalen
droegen.
Dan volgden allerhande vertooningen. Vooreerst een grijsaard achter een
masker met twee gezichten, die den Tijd voorstelde, daarna de jeugdige,
bloeiende Horen, die de vruchten droegen overeenkomstig haar
jaargetijde; voorts eene prachtig uitgedoschte vrouw, versierd met de
symbolen van het Dionysisch feest, eindelijk een schoon jongeling, die
den vroolijken Dithyrambus [406], voorstelde.
Verder kwam een schaar van dertig citherspelers die gouden kransen op
het hoofd droegen en op gouden lieren speelden.
Nu echter volgde een prachtwagen op vier raderen, waarop het beeld van
Dionysus gevoerd werd. De God was gekleed in een saffraankleurig
gewaad, waarover een met goud geborduurde mantel geworpen was. Hij
hield in de rechterhand een gouden beker omhoog, met fonkelenden wijn
gevuld. Naast hem stond een reusachtig, gouden mengvat. Boven hem was
een zonnescherm gespannen, waarvan weelderige klimop- en wingerdranken
nederhingen. De wagen zelf was geheel met kransen omwonden en rondom
versierd met tragische en comische maskers, genen ernstig en waardig,
dezen met grappige, grijnzende gezichten op het volk nederziende.
Het onmiddellijke gevolg van den God vormden mannelijke en vrouwelijke
Bacchanten met loshangende haren, de hoofden met wijngaardrank, klimop
of struikwinde [407] bekranst.
Op dezen wagen volgde een andere, waarop zich een vergulde wijnpers
bevond. De wijnpers was geheel met kunstmatige druiven gevuld en dertig
Satyrs stonden in den wagen en persten schijnbaar de druiven onder het
aanheffen van een lustig wijnlied, door fluitspel begeleid, terwijl den
geheelen weg over geurig vocht in een zak van pantervel droop. Om den
zak echter zweefden Satyrs en Silenen, die drinkend en tierend den
wijnstroom in bekers opvingen.
Daarop kwam nog een derde wagen. Op dezen was eene grot voorgesteld,
gehouwen uit heldere schitterende steen, met klimop omslingerd, waarin
fonteinen van alle Helleensche wijnen sprongen. Bekranste nimfen zaten
lachend bij deze fonteinen, duiven omfladderden de grot, vlogen uit en
in en trekkebekten in de groenende twijgen van het klimop. Satyrs en
Silenen zochten de duiven te vangen, die aan den boezem der nimfen zich
trachten te redden.
Vervolgens kwamen er reien van zingende knapen, gevolgd door den
optocht der voorname Atheners op prachtige rossen gezeten, verder
jongelingen, die gouden en zilveren vaatwerk droegen, aan den dienst
van Dionysus gewijd.
Luidruchtige scharen sloten zich daarbij aan, en andere vermomde
personen, die in uitgelaten brooddronkenheid de pracht van den
feeststoet potsierlijk nabootsten.
Op de Agora werd halt gehouden bij het altaar der twaalf Olympische
Goden en hier zongen reien van mannen en knapen den Dithyrambus,
waarbij het koor tegelijk zich in rhytmischen danspas om het altaar
bewoog.
Deze tonen waren nauwelijks verdoofd en de Dionysische stoet verder
getrokken, toen een tooneel van de vreemdste en wonderlijkste soort de
aandacht tot zich trok.
In dien tijd namelijk waren rondtrekkende bedelpriesters van Cybele,
die men Metragyrten placht te noemen, voorts Sabazius-dienaars,
apostels van Sabazius [408], een God, oorspronkelijk met Dionysus
overeenkomende, maar wiens vereering allengs mystiek was geworden,
alsmede dwepers, die meenden de mystische wijsheid van Orpheus wederom
te kunnen invoeren, te Athene opgetreden en begonnen hunne leer te
verkondigen.
De Sabazius-priesters, vereerden en predikten een Heiland der wereld,
door wien de menschheid van alle kwalen verlost en de sterveling het
hoogste heil deelachtig zou worden: die Heiland was Sabazius. Zij en de
Metragyrten trokken rond in de straten met het beeld van den God of ook
met dat van de moeder der Goden, onder de klanken van het cymbaal en
den Aziatischen tamboerijn voerden zij dansen uit, waarbij zij zich als
razende Corybanten gedroegen. Geeseling zelfs en zelfverminking
pleegden en bevolen zij aan, gelijk de priesters van Cybele op den
Tmolus. Het geheele land zwierven zij bedelend door, een ezel droeg
hunne heiligdommen, allerlei geheime middelen verkochten zij en voor
geld boden zij zich aan, om den toorn der Goden te bezweren, ja zelfs
gestorvenen van bedreven misdrijven te reinigen en uit de kwellingen
van den Tartarus te verlossen. Zij waren de verkoopers van en
onderhandelaars in de hulp der Goden voor de stervelingen.
De geest van den Helleen was niet geheel en al afkeerig van zulke
dweperij, en hier en daar begon zij in de gemoederen van enkelen wortel
te schieten.
Niemand zag met grootere verbittering zulke pogingen aan, om een
somberen en mystieken eeredienst uit het Oosten naar het levenslustige
Hellas over te planten, dan Aspasia, en met alle middelen, die haar ten
dienste stonden, streed zij daartegen. De dartele, jonge Alcibiades,
wien sombere dweepzucht niet minder onbegrijpelijk en een gruwel was,
stond haar als moedig kampioen tegen die mannen der duisternis en
kwakzalvers ter zijde.
Gedurende het Dionysus-feest achtten ook de rondtrekkende Metragyrten
en Sabazius-dienaars de gunstige gelegenheid gekomen, om aanhangers te
werven voor hun God en Heiland Sabazius en voor zijn fanatieken en
gruwzamen dienst. Zij trokken rond, met populierloof en venkel
omkranst, en hielden slangen in de hand, die zij over hun hoofd
zwaaiden, en dansten, door eene groote menigte volks omstuwd, onder het
Corybantisch rumoer en cymbalen en tympanen, hun razenden dans, de
zoogenaamde Sicinnis [409]. Daarbij geeselden en verwondden zij zich
tot bloedens toe.
Een Metragyrt had eene groote menigte volks om zich heen verzameld en
predikte met heftige gebaren en luid geschreeuw den verlossenden God
Sabazius. Hij sprak van geheime wijding, en van de hoogste en den God
welgevalligste handeling van den ganschen Sabazius-dienst, de
zelfverminking.
Terwijl de menigte aandachtig luisterde en voor een deel de gemoederen
bewogen waren door de taal van den Metragyrt, kwam eensklaps de schaar
der tierende, dronken Ithyphallers daarlangs. Zij hoorden den vreemden
dweper van den Sabazius-dienst en de zelfverminking spreken.
„Hoe?” riep de uitgelaten aanvoerder der Ithyphallers, „van
zelfverminking waagt ons iemand te spreken, te midden van de weelde der
Bacchische feestvreugde? Neen! Zulke taal mag op Helleenschen bodem
niet gehoord worden, zoolang er nog Ithyphallers zijn!”
Nauwelijks had hij dit gezegd, of de schaar der dronken overmoedige
jongelingen viel op den Metragyrt aan, sleurde hem voort en, gedachtig
aan de wraak reeds lang aan zijns gelijken gezworen, slingerde men hem
in den naburigen afgrond, het Barathron.—
Onder de Bacchanten, die den feeststoet volgden, bevonden zich ook de
leerlingen van Aspasia.
Hoe zouden zij, die tot vrijheid werden opgevoed, de vrijheid niet
volop genieten in de dagen, waarop zelfs voor hen, die anders niet vrij
waren, alle boeien werden verbroken en alle slagboomen vielen?
Ook het Arcadische herderskind, hoewel het zich er met tegenzin in
schikte, had men als eene Bacchante gemaskerd en zij werd mede
voortgetrokken door de onbeteugelde reien.
De jonge Alcibiades scheen er groot belang in te stellen, dat aan de
Bacchanten, die uit Aspasia’s huis kwamen, ook Cora niet ontbrak.
Cora stond wel is waar in schoonheid verre achter bij hare
speelgenooten. Doch zij was preutsch en haar zonderlinge ernst
prikkelde den moedwil van den jongeling en voerde hem ten laatste tot
vermetelheid.
Ter wille van Cora volgde hij met zijne makkers, door Satyrmaskers
onkenbaar, Aspasia’s meisjes. Het waagstuk, dat hij voornemens was te
volvoeren, was niets anders, dan de preutsche Arcadische van hare
speelgenooten af te lokken, of, wanneer hem dit niet gelukte, haar met
geweld uit haar midden voort te slepen en naar zijn huis te ontvoeren.
Schertsend mengden zich de Satyrs onder de Bacchanten; Alcibiades drong
zich in de nabijheid van Cora, doch vond haar weerbarstiger dan ooit.
Plotseling vielen, op eene eenzame plaats, die voor de onderneming
gunstig was, op een wenk van Alcibiades, zijne makkers en hij zelf het
meisje aan, om het onder de bescherming der reeds aanbrekende
schemering met geweld weg te voeren.
Doch in het hart der Arcadische ontwaakte dezelfde moed, waarmede zij
vóór tijden reeds eenmaal een Satyr, die haar aanviel, op de vlucht had
gedreven. En evenals zij toen een brandend stuk hout uit het vuur in
het woud had gegrepen, om den vermetele daarmede te verjagen, zoo greep
zij thans eene harer vriendinnen de fakkel uit de hand en stiet ze den
vermomden aanrander Alcibiades in ’t gezicht, zoodat zijn satyrmasker
in brand geraakte en hij in verwarring terugweek. Dit oogenblik maakte
Cora zich ten nutte, om met de snelheid eener vluchtende hinde weg te
ijlen en weldra was zij spoorloos uit de oogen harer vervolgers
verdwenen.
Rusteloos vloog zij met kloppend hart door de straten totdat zij het
huis van Aspasia bereikt had.
Even als Cora heden onder de Bacchanten, was de jonge Manes, de
pleegzoon van Pericles, onder de Satyrs opgenomen.
Ook hem had men het masker opgedrongen, ook hij was Xanthippus en
Paralus tegen zijn zin in het dolle spel gevolgd. Onaangenaam, ja
beangstigend scheen hem het gewoel, dat hem omgaf. De feestvreugde nam
een losbandig teugelloos karakter aan. De dolle Meno gedroeg zich op de
Agora even schaamteloos als zijn hond. Ten laatste werd Manes geheel
weerloos het mikpunt der spotters. Onbeholpen en schuchter in al zijn
doen, kon hij de plagerijen en de scherts waarmede hij van alle kanten
bestormd werd, niet beantwoorden.
„Past op!” schreeuwden eenigen in den kring. „Die naargeestige Satyr
daar is niet te vertrouwen! Reeds menigmaal zijn bij het Dionysus-feest
afgunstige schimmen uit de onderwereld onder de levenden geslopen;
mogelijk is hij Thanatos zelf of de pest!—Scheurt hem het masker af!
Wie weet welk een grijnzenden kop wij dan zullen zien!”
Het brein van den jongeling werd beneveld, zijn hoofd bonsde, met zijne
krachtige armen baande hij zich een weg door het gewoel en ijlde naar
huis terug.
Daar aangekomen sloop hij ongemerkt naar het dakterras, dat op dit
oogenblik geheel verlaten was. Daar ging hij op eene kleine steenen
bank zitten, nam het Satyr-masker van zijn gelaat, lei het naast zich
neder en verzonk in diepe gepeinzen.
Eene diepe zwaarmoedigheid was over zijne trekken verbreid. Hij scheen
eene heimelijke smart in zijne ziel te dragen. Toen hij zich aan het
luidruchtig gewoel van het Dionysus-feest onttrok, lag de reden daarvan
wellicht niet alleen in zijn afkeer van dergelijke uitgelatenheid, maar
vooral in eene beklemdheid, die ten gevolge van een diepen en machtigen
indruk, zich van zijne ziel meester maakte.
Reeds lang had Manes op deze wijze, peinzend en treurig met de oogen
naar den grond geslagen, daar gezeten, met het masker nevens zich.
Eensklaps stond Aspasia voor hem.
Verschrikt keek hij op. Zwijgend staarde de vrouw des huizes hem
eenigen tijd in het droefgeestig en sombere gezicht. Toen sprak zij hem
aldus minzaam aan: