onverschillig. Het volle bezit eener enkele vrouw, de hoogste behoefte
voor het hart van den rijperen man, is den jeugdigen losbol zonder
eenige waarde, ja zelfs lastig.
Alcibiades zeide tot Theodota:
„Sedert gij begonnen zijt met uwe liefdeklachten onder een stroom van
tranen te kwellen, begint gij mij onuitstaanbaar te worden. Gij weet
niet, hoe leelijk eene vrouw is, die in plaats van door den glans der
vroolijkheid en bevalligheid te betooveren, haar gezicht laat misvormen
door de trekken der ijverzucht, hare eigene wangen, of ook zelfs die
van den geliefde, met een heeten tranenvloed besproeit en als een Furie
niets dan heftige klachten uit. Gij verschaft mij niet langer genoegen,
Theodota! Gij verveelt mij! Niet met sombere klachten en
hartstochtelijke uitbarstingen kunt gij mij boeien; daarmede voedt en
verergert gij alleen hetgeen u mishaagt! Zal ik zijn, die ik geweest
ben, dan moet ook gij weder zijn, die gij geweest zijt!”
Zij trachtte vroolijk te schijnen. Doch het mislukte haar doorgaans.
Wanneer Alcibiades haar dan verstoord verliet kwam zij tot berouw,
overstelpte hem met boden en brieven, snelde tot hem, smeekte hem, liet
zich door den overmoedigen jongeling mishandelen...
Op zekeren dag kwam Socrates ten huize van den jongen vriend en zag de
vrouw in tranen badend voor den drempel van den onverbiddelijken
jongeling liggen.
Zij zag hem aan en herkende den man, die eens op hare blijmoedige
„zelfopoffering” eene zoo zonderlinge lofrede had gehouden. Zij was tot
deze zelfopoffering niet meer in staat. Zij wilde, wat zij toen zonder
hinder ontbeerde: beminnen en bemind worden. Jammerend klaagde zij
Socrates haar leed. Hij sprak haar woorden van troost toe en voerde
haar weg.
Daarop wilde hij naar Alcibiades terugkeeren, om een goed woord bij
dezen voor de arme vrouw te doen. Doch hij was zoo in gedachten
verzonken, dat hij, bij de deur van Alcibiades gekomen, niet
binnentrad, maar peinzend bleef staan: zoodat Alcibiades, toen hij
uitging zijn vriend aan den drempel vond.
„Waarover staat gij te peinzen?” vroeg hij.
„Ik meende juist weder het wezen der liefde op ’t spoor te zijn,”
antwoordde Socrates. „Ik dacht voor een oogenblik gevonden te hebben,
dat het wezen der liefde daarin bestond, dat men noch tranen vergiet
noch afperst—dat men noch mishandelt noch zich laat mishandelen—dat men
noch vertrapt noch zich laat vertrappen—maar in een enkel oogenblik is
mij dit weder twijfelachtig geworden...”
Toen Alcibiades naar het leger voor Potidaeä vertrok, dankte hij de
Goden, aan de liefde eener vrouw ontkomen te zijn, die om zijne
afwezigheid jammerde en zich de haren uit het hoofd rukte.
Na eenigen tijd schreef Alcibiades uit het kamp voor Potidaeä het
volgende aan Aspasia:
„Gij wenscht van mij te vernemen, hoe onze Socrates het in zijn nieuw
beroep maakt. Welnu, hij is in het leger voor Potidaeä precies
dezelfde, als hij voor jaren in de werkplaats van Phidias is geweest.
Nu eens is hij met den grootsten ijver bij de zaak, dan weder laat hij
het hoofd hangen en is in ledige gepeinzen verzonken. In heldere
sterrennachten, als alles rondom in de tenten sluimert, gaat Socrates
rond en waakt alleen en peinst—en vraagt en zoekt—natuurlijk te
vergeefs. Hij wil telkens afstand doen van meer te weten, maar
onwillekeurig wordt hij steeds tot nieuw peinzen en zoeken en vragen
gedrongen.
„Gij hebt mij eens voor geruimen tijd, toen ik nog een jongen was en
gij voor een enkelen dag een Spartaansch jongeling voorsteldet, van de
vriendschapsbanden der jonge Spartanen gesproken, vriendschapsbanden,
die de jongeren aan de ouderen verbinden en hen tot onafscheidelijke
wapenmakkers maken. Een dergelijke onscheidbare vriendschap is er thans
tusschen Socrates en mij ontstaan. En waarlijk, de goede man heeft
steeds overvloedige gelegenheid om te toonen, dat hij mijn vriend is.
Ik heb telkens onaangenaamheden met menschen in de omliggende tenten,
die niet velen kunnen, dat ik in de mijne ’s nachts met goede vrienden
drink en zing omdat wij hen, zooals zij zeggen, in hun slaap storen.
Ja, die oude paaien komen er zelfs bij dag tegen op, dat wij vroolijk
zijn en trekken den neus op, als wij na het ontbijt nog een eindje in
den dag brassen en pret maken. Zij dienen bij de strategen en
taxiarchen klachten tegen ons in, en geven voor, dat wij in onze
dronkenschap tegen hunne slaven en hen zelven allerlei baldadigheden
plegen. Zoo is er dus altijd en eeuwig gehaspel en soms ook eene kleine
kloppartij. In zulke gevallen mogen zelfs de strateeg en de taxiarch
ons niet ontzien, en alleen de voorspraak van Socrates redt den een of
ander uit het gevaar naar alle regelen van het gymnasium op het zand
uitgestrekt of ook bont en blauw geslagen te worden.
„Bovendien bevalt mij Socrates, omdat hij dat aanmatigend vertoon niet
heeft, dat mij de andere sophisten, wijsgeeren en zedeprekers
onuitstaanbaar maakt. Hij bezit eene soort van zielenadel en nederige
voortreffelijkheid, waarvan geen mensch in gansch Hellas verder
verwijderd is dan ik. Maar men bewondert het meest, wat men zelf niet
heeft en juist de contrasten, naar het schijnt, trekken de menschen tot
elkander. ’t Is alsof uit zijn overigens aanzienlijk uiterlijk soms
stralen schieten, als de bliksem eener Godheid, en dit is met de jaren
steeds krachtiger in hem geworden. Ik heb dikwijls opgemerkt, dat
iemand, die door dezen bliksem werd getroffen, als geheel verlicht en
verwarmd scheen: hij bloosde, zijn bloed bruiste, precies alsof hij
tegenover eene betooverende vrouw stond.
„Onlangs had ik eens met den jongen Callias afgesproken een klein
nachtelijk avontuur te bestaan. Ons speelde het Homerisch gezang [398]
van den nachtelijken tocht van Diomedes en Odysseus door het hoofd en
van den roof der schoone paarden van Rhesus. Nabij de muren van
Potidaeä wilden wij een bende vijanden overvallen, neervellen en hunne
wapenen als buit terugbrengen. Wij verlieten dus in stilte tegen
middernacht het leger en in de nabijheid der stad gekomen, stieten wij
inderdaad op een hoopje gewapenden, dat de ronde deed. Wij gingen op
deze knapen los, doodden een paar van hen, terwijl de overigen de
vlucht namen; dezen echter sloegen alarm, totdat anderen der hunnen
toesnelden en zoo versterkt maakten zij nog eenmaal rechts-omkeert en
vielen ons met groote overmacht aan. Wij hielden dapper stand; maar ik
weet niet, wat er van ons geworden zou zijn, zoo niet eensklaps een man
als uit den grond was verrezen, zich in het treffen had gemengd en zoo
dapper en met zulk eene krachtige vuist op de Potidaeërs had
ingehouwen, dat dezen, nadat eenigen hunner dappersten neergesabeld
waren, het nogmaals geraden achtten het gevecht te staken en naar de
muren te vluchten. Die helper was nu niemand anders dan Socrates, wien
de schoone nacht naar buiten had gelokt, wel is waar niet om op
avonturen, maar op gedachten jacht te maken; hij dan, buiten het kamp
ronddolend, had het wapengekletter gehoord en was te rechter tijd ons
ter hulp gesneld. Bij die gelegenheid heb ik weder gezien, wat die man
zou kunnen doen, als hij met hart en ziel soldaat en niet daarbij nog
wijsgeer was. Hij sloeg op de Potidaeërs niet minder geweldig in, dan
hij vroeger op de marmerblokken in Phidias’ werkplaats hamerde. En
evenals de steenen, toen hij nog steenhouwer was, het ontgelden
moesten, wanneer het probleem, dat hem juist bezighield, hem groote
moeilijkheden veroorzaakte, zoo moesten in dien helderen nacht de
hoofden der Potidaeërs er voor boeten, dat Socrates juist weder te
vergeefs getracht had het wereldraadsel op te lossen. Hij kan midden in
het gevecht naar het gezang van een vogel in de lucht luisteren, of,
wanneer hij op wacht staat, zijne aandacht, in plaats van op de
bewegingen der Potidaeërs, op die der sterren aan den hemel vestigen.
Nog steeds namelijk is hij gewoon het meest alledaagsche opmerkzaam
gade te slaan en als men hem er naar vraagt, antwoordt hij, dat de
dingen hem spookachtig voorkomen, omdat hij ze niet begrijpt en omdat
zij hem haar eigenlijk wezen niet willen openbaren.
„Tegenwoordig zint hij op een plan, hoe men den oorlog onnoodig zou
kunnen maken, en als hij zelf niet bezig is op de vijanden in te
houwen, zet hij ons uiteen, hoe afschuwelijk die onderlinge
menschenslachting is en hoe men eens over menschen, die elkander in den
krijg vermoorden, niet anders zal spreken, dan men thans over
menscheneters spreekt en dat er een tijd zal komen, dat men zelfs niet
zal kunnen begrijpen, hoe het menschelijk geslacht zoo woest en ruw is
geweest. Hij zegt, dat er een bond onder de wolken moest worden
opgericht en een opperscheidsgericht ingesteld, waardoor de geschillen
zouden kunnen beslecht worden. En hij is van oordeel, dat iets
dergelijks reeds te bereiken ware, als slechts één of een paar staten
openlijk wilden verklaren, dat zij van stonde aan in iederen oorlog de
partij van den aangevallene zouden opnemen of van hem, wien onrecht
wordt aangedaan. Droomerijen, een zonderling waardig! Men mag de zucht
naar heldendaden, die in den mensch leeft, de vleugels niet knotten;
bovendien, de wereld zou zonder haat en strijd en oorlog even vervelend
zijn, als eene wereld zonder liefde.
„Wat mij betreft, het krijgsmansleven schijnt mij best te bekomen. Ik
ben, geloof ik, reeds veel deugdzamer geworden. Ik matig mij thans in
alle dingen zóó, dat ik reeds sinds geruimen tijd met mijn vriend
Axiochus één gemeenschappelijk liefje heb.
„Doch dat zijn dingen, die u vervelen moeten. Vaarwel, Aspasia, en
schrijf mij nu eens op uwe beurt, hoe toch de stad der Atheners het
zonder Alcibiades maakt.”—
Een staat van kleinen omvang kan nooit een groot landleger,
gemakkelijker echter eene groote vloot bezitten. Dit was de toestand
van Athene, toen koning Archidamus van Sparta met zestigduizend
Peloponnesiërs in Attica was gevallen. Ook de meesten der bondgenooten
konden Athene alleen ter zee hulp verleenen.
Terwijl de vloot uitgerust werd, vluchtte het volk door Archidamus
overstroomde dorpen en vlekken naar de stad. Wat in de stad geen
onderkomen kon vinden, legerde zich onder den blooten hemel tusschen de
lange muren, en richtte zich daar in, zoo goed en kwaad het ging. De
geheele ruimte tusschen de stad en den Piraeüs wemelde van deze gasten
en er ontstond hier langzamerhand eene tentenstad; want die menschen
woonden onder tenten, die onder beschutting der muren waren opgeslagen.
Men zag echter de minder gegoeden hun verblijf houden in reusachtige
tonnen, zooals die te Athene in gebruik waren. Van de muren der stad
uit kon men de wachtvuren der Peloponnesiërs zien, die in de velden en
op de wijnbergen hun kamp hadden opgeslagen. Doch, dank den ijver van
Pericles, waarmede deze sedert lang de stad van versterkingen had
voorzien, zag deze zich voldoende tegen elken aanval gevrijwaard.
Getrouw aan zijn oorspronkelijk plan, waarvan hij zich in zijne kalme
rust ook niet door het levendigst ongeduld der Atheners liet afbrengen,
zond Pericles alleen de ruiterij buiten de poorten der stad, om deze en
hare onmiddellijke omgeving te bewaken.
Toen Archidamus van de hoogten van Attica eene trotsche vloot van
honderd schepen den Piraeüs zag uitloopen en naar de Peloponnesus koers
zetten, geschiedde wat Pericles vooruit had gedacht en overwogen. De
Peloponnesiërs, de onaantastbaar sterke stad tegenover zich ziende en
tevens zich bewust, dat de onverdedigde, niet versterkte steden van hun
vaderland aan de machtige vloot en de uitgelezen manschap der vijanden
prijsgegeven waren, braken op, verlieten Attica en trokken terug over
den Isthmus.
Pericles had er van moeten afzien, om persoonlijk de uitloopende vloot
aan te voeren. Want hij scheen onontbeerlijk te Athene, zoolang de
Peloponnesiërs zich nog op Attischen bodem bevonden.
Toen zij vertrokken waren, was Pericles’ eerste onderneming om met een
klein, maar voortreffelijk uitgerust leger naar Megara op te rukken.
Het verbitterde volk der Atheners vorderde gebiedend een geweldige
afrekening met de gehate stad.
Pericles’ afwezigheid van Athene was daarentegen menigeen wederom
hooggewenscht.
De uilen op de Acropolis ontwaakten in hunne schuilhoeken uit hun
sluimer en sloegen de vleugels uit.
Diopithes bediende zich van Meno tegen Phidias, begeerig het lang
beraamde plan, om den grooten man in het verderf te storten, ten
uitvoer te brengen.
Een ongunstig bekend sycophant, Stephaniscus geheeten, trad op
aandrijven van Diopithes als eigenlijke aanklager van Phidias op. Deze
ellendeling was met eene hetaere gehuwd, die, zooals men zei, in zijn
huis hare nering voortzette, terwijl hij zelf als sycophant den kost
zocht te winnen. Hij beweerde in zijne brutale aanklacht, dat Phidias
van het goud, ’t welk hem tot voltooiing van het standbeeld van Athene
Parthenos ter hand was gesteld, een deel verduisterd en zich zelve
toegeëigend had. Voorts verweet hij hem, dat hij eene, met den eerbied
jegens de Goden en hunne heiligdommen onbestaanbare ijdelheid aan den
dag had gelegd, door in den Amazonen-strijd op het schild der Godin
zijn eigen beeld en dat van Pericles te beitelen. Als getuige voor het
verduisteren van het goud voerde hij Meno aan. Deze had vroeger een
geruimen tijd ook herhaaldelijk in de werkplaatsen van Phidias zich
opgehouden en er voor zulke giften, als men een bedelaar geeft,
ondergeschikte diensten bewezen. Gedurende dien tijd nu, beweerde hij,
had hij eens uit een donkeren hoek bespied, hoe Phidias, wanende niet
opgemerkt te worden, van het goud, dat hem ter vervaardiging der
Parthenos op den burg toevertrouwd was, een deel afgenomen en
weggeborgen had, klaarblijkelijk met het doel om het zich toe te
eigenen.
Het zaad des lasters, sedert langen tijd door de handlangers van
Diopithes, ook tegen Phidias uitgestrooid, was welig opgeschoten. En
zoo vond de aanklager Stephaniscus bij het Atheensche volk een goed
voorbereiden akker.
De eerwaardige beeldhouwer, die zich juist weder te Athene bevond, werd
op die aanklacht van Stephaniscus in den kerker geworpen.
De schepper van het schoonste gedenkteeken, dat, naar Pericles zeide,
het Atheensche volk zich voor alle volgende tijden had opgericht, werd
op eene schandelijke beschuldiging in de gevangenis gezet.
Evenals Diopithes zich de afwezigheid van Pericles ten nutte maakte,
waren ook de lage, eerzuchtige opruiers des volks druk bezig, gedurende
de afwezigheid van den man, die hen allen in toom hield, hun invloed
onder het volk uit te breiden.
Door het binnentrekken der landlieden in de stad gedurende den inval
der Peloponnesiërs, was de massa van het mindere volk in Athene zeer
vermeerderd. Deze menigte had zich bovendien aan zekere lediggang
gewend en velen waren, ook na den terugtocht van Archidamus, in de stad
achtergebleven, omdat hunne hoeven door de vijanden verwoest waren.
Langzamerhand vormde zich datgene, wat men gepeupel noemt, terwijl het
getal der onbemiddelde burgers toenam. Maar juist die hongerlijders
stroomden het drukst naar de volksvergadering; want daar kregen zij
immers hunne twee obolen in contant geld. Derhalve waren de
volksvergaderingen op de Pnyx talrijker bezocht en luidruchtiger dan
ooit. Cleon, Lysicles en Pamphilus durfden zich meer openlijk
uitspreken en het Atheensche volk werd allengs er aan gewoon lieden van
dit slag het redenaarsgestoelte te zien beklimmen.
Van deze drie mannen was Pamphilus het krachtigst van meening, dat men
beproeven moest Pericles ten val te brengen. Eens stond hij op de
Agora, omstuwd door een groot aantal Atheensche burgers, en zette hun
uiteen, op welke gronden men Pericles kon aanklagen. Hij schold hem een
lafaard, die het Attische land door den vijand had laten verwoesten en
die den burgers tyranniek de wijze voorschreef, waarop zij zich moesten
verdedigen; gedurende den geheelen tijd, dat de Peloponnesiërs op
Attischen bodem gestaan hadden, had Pericles geen volksvergadering op
de Pnyx bijeen geroepen, alleen om geheel naar persoonlijke willekeur
te kunnen heerschen.
Er bevonden zich velen onder de menigte, die van Pamphilus’ meening
waren; in het bijzonder drong zich een zekere Crespilus op den
voorgrond, die den worstenmaker in woest getier tegen Pericles trachtte
te overtreffen en die de noodzakelijkheid aantoonde, den strateeg bij
het volk onmiddellijk in staat van beschuldiging te stellen.
Daar kwam plotseling de barbier Sporgilus aanloopen. „Goed nieuws!”
riep hij uit de verte. „Een handvol geld voor den brenger van goede
tijding!—Pericles is op de terugtocht van Megara! Hij is reeds met zijn
leger in Eleusis! De Megarensers heeft hij naar behooren getuchtigd, en
nog heden zal hij in Athene zijn!”
Pamphilus werd bleek van gramschap.
„Een handvol geld verlangt gij?” hernam hij met onderdrukte stem; „de
tong moest men u uitsnijden voor uw nieuws, hondsvot!”
Ook op de overige samenzweerders maakte het bericht een zeer
ontmoedigenden indruk, en hoewel Pamphilus ook nu nog de menigte zocht
op te ruien, sloop toch de een voor, de ander na weg en men oordeelde
dat het moeilijk was tegen den zegevierend terugkeerenden Pericles iets
uit te richten en dat men de zaak tot eene betere gelegenheid moest
uitstellen.
Toen nu ook Crespilus schouderophalend wilde afdruipen, greep de
vertoornde Pamphilus hem bij zijn kleed en schreeuwde: „Lafaard!
Ellendige overlooper! Schaamt gij u niet enkel bij het woord: „Pericles
is in aantocht!” schandelijk de vlucht te nemen?—Zie naar mij! Ik ben
volstrekt niet bang Pericles in eigen persoon onder de oogen te komen!
Ik heb moed! Ik ben geboren op den dag van de zege bij Marathon!”
„Ik niet!” hernam Crespilus. „Ik was een der kinderen die in den
schouwburg te Athene door de van schrik ontstelde moeders te vroeg ter
wereld gebracht werden, toen men de Eumeniden van Aeschylus opvoerde!”—
Met deze verontschuldiging rukte Crespilus zijn kleed los uit de handen
van Pamphilus en ijlde weg.
„Weg zijn zij,” riep de demagoog tandenknarsend, „weg zijn zij, die
vervloekte kerels—uit elkander gestoven, als had men een emmer vuil
water over hunne hoofden uitgestort!”
Daar kwam de dolle Meno tot hem en vroeg hem naar de oorzaak zijner
verbittering.
Hij klaagde hem zijn nood.
„Gek!” zei Meno met een grijnslach. „Wilt gij een muur omver werpen en
duwt gij er te vergeefs met den schouder tegen? Leg u er onder en ga
slapen: te zijner tijd valt hij van zelf over uw hoofd ineen!”
XXIII.
HET DIONYSUS-FEEST.
Met dubbelen luister, met dubbele levendigheid werden, na het herademen
uit den treurigen oorlogsnood, de winterfeesten gevierd. Ten volle
echter is de vroolijke lust ontketend, sedert de lucht zachter begon te
waaien en de tijd van het grootste der Bacchus-feesten, de tijd van de
groote, in de stad gevierde, Dionysiën aanbrak. In de wouden vertoont
zich de wouw, vroolijk snateren aan het strand de halcyonen en aan de
kroonlijsten tjilpen de zwaluwen. Op de hoogten van den Hymettus, den
Pentelicon, den Lycabettus ontluikt in iederen struik de lente.
Viooltjes en anemonen, primulae veris en crocussen openen hunne knoppen
en de op de weiden vergeten staf des herders is des morgens met bloemen
getooid.
De zeelieden in de haven winden de ankers, maken het takelwerk los,
richten de masten op en zetten de zeilen naar de wind. Nieuw leven
ontwaakt op de baren van den Saronische golf. De afgezanten der
verbonden steden en eilanden komen en brengen hunnen cijns juist ten
tijde van het feest naar Athene. In alle herbergen, in alle huizen der
Atheensche burgers wemelt het van gasten, die van heinde en verre zijn
gekomen. Met kransen getooid, in feestgewaad gedost, dolen thans van
den vroegen morgen af zwermen van stedelingen en vreemden door de
straten. Niet alleen zijn alle in het openbaar staande altaren en
Hermesbeelden met kransen omhangen, maar ook geweldige mengvaten zijn
er nevens geplaatst, met de gaven van Bacchus gevuld, door de rijken
ten offer gebracht en het volk tot vrij gebruik aangeboden. Wederom
biedt Hipponicus aan inboorlingen en vreemden in den Ceramicus een
gastvrij onthaal, door iedereen, die komen wil, tot zich te noodigen en
hen in de open lucht op met klimop bekranste kussens te ontvangen.
Vergeten is de krijgsnood, de twist der partijen houdt een
wapenstilstand, de aanslagen van Diopithes rusten voor een oogenblik in
hun anders rusteloozen gang. Alleen genot en vrede heerschen. Wel is
waar overal klinkt luider de scherts en het vroolijk gelach—en dubbel
scherp is thans de geestigheid, dubbel roerig de tong des
Atheners;—maar wee hem, die in dezen tijd geweld pleegt aan een
Atheensch burger! Niet eens de verzachtende omstandigheid van
dronkenschap beschermt hem: zijn hoofd en leven is verbeurd.
Hoe komt het, dat men nu op eens zoovele bekoorlijke vrouwen in
Athene’s straten ziet? Wie zijn die vroolijk lachende, rijk uitgedoste,
verleidelijke schoonen? Het zijn hiërodulen uit den tempel van
Aphrodite te Corinthe en andere priesteressen van het genot, die het
getal der inheemsche hetaeren vermeerderend, uit de verschillende
steden van Griekenland zijn samengekomen tot het vroolijkste en
uitgelatenste feest der Atheners.
He! wat een mengelmoes van vreemd, ronddolend volk heeft de vroolijke,
dartele Dionysische feesttijd herwaarts gelokt! Ziet die behendige
goochelaars en wondermannen met hunne door de zon donker gekleurde
gezichten! Ziet, hoe zij voor aller oogen zwaarden inslikken of een
vuurregen uit den mond spuwen! Ziet daar die Thessalische meisjes, die
haar zwaardendans uitvoeren te midden van een haar verbaasd aangapenden
troep! Er ontbreekt geen enkele vertooning, zelfs de rondtrekkende,
overoude poppenkast niet, noch de bont versierde, op kameelen dansende
aapjes.
Ook neringdoend volk is van heinde en verre gekomen en slaat zijne
winkels op, midden in het gewoel der Agora, in den Piraeüs en langs den
Ilissus.
Troepen landlieden mengen zich onder de stedelingen en deelen met hen
de feestvreugde, verzamelen zich om hunne lievelingen, de Thebaansche
fluitspelers, die anders blazend de landelijke streken plegen te
doortrekken, of brengen het lievelingsspel van hun landelijk
Dionysus-feest in de stad over: het springen op geöliede zakken,
waarbij ieder zich met de bloote voeten op den gladden bal tracht
staande te houden, onder uitbundig gelach der toeschouwers, ondanks al
zijn gespartel, steeds naar beneden glijdt.
Uitgelatener heerscht de vreugde in de straten, zoodra de duisternis is
ingevallen. Dan zwerven talrijke scharen rond: zij hebben bellen en
dragen fakkels en zijn met bloemen bekranst; daaronder zijn vrouwen,
die mannenkleeren aan hebben, en mannen in vrouwengewaad—met de handen
wordt geklapt onder het geraas der bellen, waarmede als met cymbalen de
maat geslagen wordt bij het gezang.
Velen loopen gemaskerd. Sommigen hebben enkel hunne gezichten met
wijnmoer bestreken of met menie of zich een masker gemaakt van
boombladeren of boomschors. Anderen echter dragen fraai geschilderde
maskers, deels van een deftig, deels van een belachelijk voorkomen:
hier zwerft de gehoornde Actaeön rond, daar de honderdoogige Argus,
ginds de gedeeltelijk in een paard veranderde Euïppe; Giganten,
Titanen, Centauren stampen op den grond; Methe [399] bedwelmt, Pitho
[400] vleit, Apate [401] lokt, Hybris [402] is dolzinnig en zelfs
schrikgestalten mengen zich somwijlen onder de reien.
Het talrijkste echter, ja overheerschend, zwerven in de straten de
Satyrs met bokspooten en de Silenen met kale hoofden, die oude maar nog
altijd vroolijke Satyrs. Zij hebben de hoofden bekranst met het altijd
groene klimop. Ook Bacchanten dolen rond; zij dragen als Thyrsus
dikwijls alleen een wingerdtak met klimop omwoeld.
Uitgelaten dartelheid, ja dronkenschap wordt als een plicht jegens den
God in deze dagen en nachten beschouwd.