Van dezelfde meening was Pamphilus, die echter met niet minder luid

getier er bijvoegde, dat men Pericles niet moest verbannen, maar ter

verantwoording roepen wegens zijn staatsbeheer en in den kerker werpen.

Thans naderde de oude Cratinus met Hermippus en een derden makker, een

jongeling, die in nog hoogeren graad den „Attischen blik” had dan zij

beiden, en van wien het gerucht liep, dat hij eerstdaags ook met een

blijspel zou optreden.

„Zijt gij voor den oorlog of voor den vrede, oude Satyr?” riep een uit

de menigte den ouden brasser toe.

„Ik,” hernam deze, „ik ben voor gebraden hazen, wijn in de kan, zilver

in de kast, vijgen in de voorraadkamer, bekranste bokken,

lammergeblaat, Dionysus-feesten, verschen most, omgeworpen flesschen,

mooie, hooggeschorte dansmeisjes.”

„Dan zijt gij dus ook voor den vrede?”

„Ja zeker, en er tegen, dat men den Megarensers de Atheensche markt

ontzegt. Weest toch wijzer, gij met viooltjes omkranste Atheners! Houdt

toch op, elke oude vrouw, die op de Atheensche markt komt, met argwaan

aan te zien en te meenen, dat het een man en een verkleede Megarenser

is! Sinds gij de Megarensers van de markt uitgesloten hebt, kan men

geen goed gemest varken meer krijgen, zooals het de oude

Marathon-strijders verdienen. Spoedig zal het zoover komen, dat wij

gebraden krekels zullen eten. Overigens, wat zeurt en kijft gij toch

over vrede en oorlog? Zijn de Spartanen met een ander bescheid uit de

volksvergadering gegaan, dan met hetgeen Pericles heeft voorgesteld?

Laat toch Pericles aan het roer van den staat, en de anderen, de

volksmannen, de leerlooiers en schapenkoopers en worstmakers, die u den

baard schrapen en de vliegen van het hoofd wegjagen en de vlokken van

den mantel plukken...”

Die bijtende woorden brachten Cleon’s bloed in gisting. „In één

opzicht,” schreeuwde hij, „heeft Pericles gelijk gehad, toen hij het

bijtend, onbeteugeld gespuis der comedie-schrijvers trachtte te

muilbanden—die keffers, die ieder naar de kuiten bijten.”

„Ei, hoor eens dien Cleon!” riep Cratinus. „Cleon, de verschrikkelijke!

Ik had stellig niet gewaagd hierheen te komen, als ik geweten had, dat

de man met de gretige tanden en de vreeselijk rollende oogen er was. De

leerlucht, die reeds op grooten afstand merkbaar is, had mij moeten

waarschuwen.”

Cleon stikte schier van gramschap. Myrmecides hield hem tegen, terwijl

Cratinus voortging:

„Gij noemt ons onbeteugeld, omdat wij den geesel zwaaien over de

hoofden, onbekommerd wien hij treft? Treft hij niet altijd den rechten

man, dan treft hij toch al licht de rechte zaak. Vraagt Zeus in den

hemel wel, als hij bliksemt, waar hij treft indien de lucht maar

gezuiverd wordt.”

„Oude gifspuwer!” riep Cleon. „Zijt gij niet de man van wien men zegt,

dat hij zijne geestdrift uit het vat tapt?”—

„En gij,” hernam Cratinus, „zijt gij niet de man, die opgezwollen zijt

van gif, van wien men zegt, dat u onlangs eene slang heeft gebeten, die

onmiddellijk—crepeerde? Maar dat doet er niets toe. Wij nemen den

strijd aan met den stank van zeehondenleer, met de verwoede blikken uit

rollende oogen, met honderd roodharige Cerberus-koppen. En wanneer wij

eerst met den vrouwenheld Pericles klaar zijn, dan denken wij met die

halve gekken, de worstmakers, de schapenkoopers, de leerlooiers en alle

„met viooltjes bekranste Atheners” wel half slapend klaar te komen.”

Op deze woorden van Cratinus klonk plotseling achter eene zuil een

luid, hoonend gelach. Men keek om en zag den dollen Meno achter de zuil

neergehurkt zitten.

„Daar hebt gij Meno!” riep de jongste der drie blijspeldichters. „De

kerel ziet er zoo berooid en gemeen uit, dat Euripides hem eerstdaags

ongetwijfeld tot den held van een roerend stuk zal maken!”

De Atheners lachten, Meno knarste op de tanden en riep: „Lompe honden!

Met viooltjes bekranste honden!”

Men wilde hem afranselen; doch hij hitste zijn hond tegen de aanvallers

aan.

Thans nam men steenen op, om ze hem naar het hoofd te werpen. In dit

oogenblik echter kwam Socrates er bij, die zich over den man erbarmde

en hem met zich uit het gedrang voerde.

De menigte verstrooide zich daarop. Pamphilus, heftig vertoornd

weggaande, kreeg Pericles in ’t oog, trad op hem toe en vervolgde hem

den ganschen dag, zoo dikwijls hij hem zag, met smaadwoorden.

Wederom liep hij achter hem en zeide: „Gij zijt een tyran, evenals

Pisistratus! Slechts in schijn handhaaft gij de volksregeering.

Inderdaad echter zijt gij het alleen, die de teugels van Athene in

handen hebt.”

Pericles zweeg.

„Gij wilt de Atheners in een oorlog wikkelen,” vervolgde Pamphilus,

„ten einde het roer in handen te houden en geen rekenschap af te

leggen!”

Pericles antwoordde niets.

„Gij laat de verdiensten van andere mannen, die niet minder dan gij

voor redenaars en volksleiders geboren zijn, geen recht wedervaren!”

schreeuwde Pamphilus.

Pericles bleef zwijgen.

„Gij hebt uwe heerscherskunst geleerd in den omgang met Sophisten en

boeleersters!—Gij hebt de kracht van het Atheensche volk door

toenemende weelderigheid en verwijfdheid ontzenuwd!”—

Toen Pamphilus deze woorden uitgilde, was Pericles bij zijn huis

gekomen. Er heerschte reeds volkomen duisternis op de straten. Pericles

had volgens Atheensch gebruik een slaaf met een brandende fakkel achter

zich.

De slaaf klopte aan de deur. De portier opende. Pamphilus stond er nog

altijd.

„Breng dezen man met uwe fakkel terug door de straten; want het is zeer

donker geworden!” zei Pericles tot den slaaf en ging rustig zijne

woning binnen.—

Nog altijd bezocht Socrates, nu eens in gezelschap van zijn

boezemvriend Euripides, dan weder alleen, gedurig Pericles’ woning. Nog

altijd bezocht hij Aspasia, nog altijd hield hij er veel van zich met

haar te onderhouden, alleen klonken zijne woorden steeds duisterder,

raadselachtiger, steeds meer als orakels.

Weinige dagen na die belangrijke vergadering op de Pnyx betrad Socrates

wederom het huis van Aspasia. Weldra was hij in een levendig gesprek

met haar gewikkeld. Aspasia sprak met blijdschap over den ophanden

zijnden strijd met de Doriërs, doch met weerzin en afkeuring over de

partijschappen op de Agora, over de vijandelijke plannen van den

Erechtheüs-priester, over de kuiperijen der Laconisten, over de ruwheid

der demagogen. „Ter wille van die barbaarschgezinde mannen,” zeide zij,

„zullen wij wellicht spoedig den tanenden bloei van Hellas

aanschouwen.”

„Den tanenden bloei van Hellas!” riep Socrates. „Hoe is dat mogelijk?

Gij vergist u zeker! Hoe lang toch is het geleden, dat gij zeidet, dat

Hellas zijn heerlijksten bloei naderde? Sinds dien dag, toen wij in

feestvreugde op de Acropolis voor het voltooide Parthenon stonden en ik

reeds het oogenblik van dien hoogsten bloei gekomen achtte, gij echter

beweerdet, dat onze kunst wel is waar bijna goddelijk was geworden,

maar dat er nog veel aan ontbrak, om ook ons leven geheel en al in elk

opzicht tot het schoone op te voeren—sinds dien dag zag ik met

gespannen verwachting naar het beloofde oogenblik van den heerlijksten

bloei uit en wacht daarop met ongeduld. En daar ik van bloemen in het

Oosten gehoord heb, die slechts in één enkelen nacht, heimelijk door de

oogen van Zeus bestraald, haar wonderkelk ten volle ontplooien, dacht

ik, dat de bloeitijd der stervelingen misschien ook van dien aard was,

en deze gedachte liet mij, om zoo te zeggen, ook des nachts geen rust;

ik vreesde steeds, dat ik slapend het schoonste oogenblik zou kunnen

verzuimen. Bijzonder echter heb ik dat gansch nieuw en merkwaardig

liefde- en huwelijksverbond, ’t welk Pericles en gij vóór mijn beeld

der Chariten op den burg gesloten hebt, steeds in gedachte gehouden;

want als dit gelukte scheen mij juist de schoonste bloei van het

Helleensche leven verzekerd. En daar gij ons, die om u stonden, toen

uitdrukkelijk tot getuigen riept, heb ik mijn plicht als zoodanig

voortdurend trouw bij u vervuld; want ik heb het ernstig opgenomen en

ik achtte mij geroepen, niet alleen voor een oogenblik, maar voor

altijd, een nauwlettend getuige te zijn van dat wondervolle verbond.

Evenals men in een tuin een bijzonder zeldzaam en vruchtbeloovend

boompje dag aan dag bezoekt, immer vreezende, dat men het eens door

eene ruwe hand geschonden, door de vorst bevroren of door de zon

verschroeid zal vinden, en zich telkens opnieuw over zijne ongestoorde

frischheid verheugt, zoo kom ik tot u, niet meer om te hooren als

vroeger, maar om te zien, wat de liefde is—en hoe zij zich ontwikkelt,

van welke beginselen zij uitgaat en tot welke doeleinden zij voert. ’t

Is zeker eene gewichtige zaak, als de Ioniërs en de Doriërs zich

eindelijk tot een beslissenden strijd uitrusten; maar schier nog

gewichtiger is mij de geschiedenis van uw liefdeverbond en de

beslissende strijd, dien gij buiten en in u voert. Want de volkeren

zijn onsterfelijk of hebben althans een lang bestaan; hunne lotgevallen

kunnen altijd weder veranderen en zich vernieuwen; ’t lot van den

mensch echter is in een engen kring besloten; zooals het valt, zoo

blijft het meestal; want tot verandering en vernieuwing gunt de Parce

geen tijd. Ik volg met belangstelling de in- en uitwendige,

voortschrijdende geschiedenis uwer zoo zonderlinge, op de vrijheid

gegrondveste liefde. En hoe zacht die ontwikkeling ook voortgaat, mijne

zinnen zijn niet te stomp om ze op te merken.”

„Dus zijt gij,” zei Aspasia, „van een minnaar een toeschouwer en

getuige van eene vreemde liefde geworden?”—

„Sinds dien dag in het Lyceüm, waarop gij van mij wegliept en mij

toeriept, dat ik aan de Chariten moest offeren,” hernam Socrates,

„sinds dien dag heb ik aan de Chariten geofferd: doch te vergeefs, naar

het schijnt. Niet fijner zijn mijne lippen, niet innemender mijne

trekken geworden. En sinds dien tijd heb ik begrepen, dat het zelden of

nooit aan één en denzelfden sterveling beschoren is de schoonheid met

den geest te vatten en tegelijk met de zinnen te genieten.”

Aspasia twijfelde of de gloed, dien toenmaals in de ziel van den

jeugdigen denker voor een oogenblik geblaakt had, thans wel ten

eenenmale was uitgedoofd.

De gelegenheid scheen zich thans aan te bieden voor het sinds lang

gekoesterde plan, om eene kleine wraak te nemen op den wijsgeer en hem

opnieuw te deemoedigen en te beschamen.

Met sluwe geveinsdheid sprak zij dus:

„Dat oogenblik in het Lyceüm, waaraan gij na langen tijd nu weder

herinnert, is ook uit mijne gedachte niet verdwenen, en, ik wil het

eerlijk bekennen, ik betreurde menigmaal in stilte, dat ik zonder

redenen en in eene verkeerde meening u heb beleedigd, toen ik mij van u

verwijderde met de vermaning, dat gij aan de Chariten moest offeren;

gij hebt die woorden opgevat, alsof ik had willen zeggen, dat gij, om

bemind te worden, eerst de eigenschappen moest zoeken te verwerven, die

beminnelijk maken. Ik had moeten bedenken, dat gij een wijsgeer zijt,

wien ’t niet in den zin kon komen, ernstig naar mijne liefde te

streven. Sinds dien tijd was ’t mij altijd, Socrates, alsof ik u eene

voldoening schuldig was.”

„Gij aan mij?” zei Socrates met een pijnlijken glimlach. „Neen, gij

hebt geene verontschuldiging noodig; ik zelf meende integendeel er eene

bij u noodig te hebben, sinds dat oogenblik.”

„Ik was toen zoo heel dwaas!” hernam Aspasia. „Zonder eenigen schroom

zou ik thans mijn hoofd tegen uwe borst leggen, want thans ken ik u.”—

Aspasia zat met Socrates in een vertrek, dat zeer gezellig en weelderig

ingericht was en vervuld van welriekende, bedwelmende geuren, die van

Aspasia zelve schenen uit te stroomen; want zij was, evenals de Goden

en Godinnen van den Olympus, steeds met eene hemelsche lucht omgeven.

Zij straalde van onverwelkbare, bloeiende schoonheid en een

betooverende glans van opgeruimdheid lag op haar gelaat. Zij scheen in

de voortreffelijkste luim te zijn—wanneer er van iets zoo onbelangrijks

als luim bij Aspasia sprake mocht zijn.

Eene duif vloog in de kamer rond. Het was de gevleugelde lieveling van

Aspasia, een fraai diertje, met glanzend witte vederen en een

bevalligen, lichtgrijzen ring om den hals.

Telkens vloog de duif op den schouder van Aspasia en pikte de gewone

lekkernijen tusschen de lippen der schoone weg. Nu en dan vloog zij ook

op het hoofd van Socrates en ging daar zoolang zitten, dat Aspasia

herhaalde malen zich verplicht achtte zelve den gast van den lastigen

vogel te bevrijden, waarbij zij natuurlijk zijn hoofd moest aanraken.

Toen zij nu met moeite de duif van Socrates’ schedel had weggejaagd,

fladderde deze weder rond en liet zich elders neder, na vooraf haar

„kir, kir” te hebben doen hooren.

„Als het niet algemeen aangenomen was, dat het gekir der duiven zacht

en liefelijk klinkt,” zeide Socrates, „zou ik het met mijn slechten

smaak voor leelijk houden. Ik zou het een sterk onderdrukt gehinnik

noemen.”

„Hoe?” riep Aspasia, „gij smaadt den vogel van Aphrodite? Pas op, dat

niet de vogel of de Godin zelve zich op u wreke!”

„Dat hebben zij reeds te voren gedaan!” hernam Socrates.

„Onnaspeurlijk is de raad der Goden,” zeide Aspasia; „nu eens zijn zij

ongunstig en onthouden ons hunne gaven, dan weder zijn zij genadig en

schenken tienvoudig, wat zij vroeger weigerden. De luimigste echter van

alle Godinnen is Aphrodite. Zij verlangt volstrekt, dat iemand, die

eene gunst van haar begeert, het rechte oogenblik en de rechte luim

afwacht en gedurig aanhoude. Dwaas is hij, die slechts eenmaal zijn

geluk bij haar beproeft. Weet gij dat niet, Socrates? En doen de

schoonen niet wellicht evenzoo als de Godinnen?”

„Ik weet het niet,” hernam Socrates; „want ik heb het nooit beproefd.”

„Daar hadt gij ongelijk in!” zei Aspasia. „Het is dus uwe schuld, dat

gij niet weet of Aphrodite en de vrouwen u gunstig zijn of niet.”

Op die zonderlinge en tergende wijze onderhield zich Aspasia met den

wijze. Daarbij liefkoosde zij de duif en kuste haar. Socrates

herinnerde zich niet, haar ooit zoo opgewekt tot uitgelatenheid toe

gezien te hebben. Hoe dartelder en aanvalliger zij werd, des te

stiller, afgetrokkener en ernstiger werd hij zelf.

Wederom vloog de duif onder een gekir, dat thans veel van een

schaterlach had, op den schedel van Socrates. Ditmaal echter raakte zij

met de kleine nagels harer pootjes zoo vast in zijn hoofdhaar verward,

dat zij niet meer los kon komen. Aspasia haastte zich haar ter hulp te

komen en hare nagels uit zijne haren te bevrijden. De onmiddellijke

nabijheid van een welriekend, warm, bekoorlijk vrouwenlichaam

doortintelde hem van verrukking—de boezem der schoone vrouw golfde vlak

voor zijn gezicht, vlak voor zijne lippen—slechts de minste beweging en

zijne lippen moesten den liefelijk hijgenden boezem aanraken. Geen

zeegolf ruischt zoo verleidelijk, met zulk een groot gevaar om er

reddeloos in onder te gaan, als de borst eener vrouw.

Socrates’ lippen waren even dicht bij deze liefelijke golf, als zij bij

den rozenmond der schoone waren geweest toen de peinzende

waarheidszoeker in vertrouwelijk gesprek met haar in de eenzame zaal

van het Lyceüm gezeten had.

Slechts de kleinste beweging—en de opnieuw ontvlamde Socrates zou zich

eene nieuwe beschaming, krenkender dan de vroegere in het Lyceüm,

berokkend en door een nieuwe overijling van hart en zinnen den triomf

der listige schoone, zijne heimelijke vijandin, voltooid hebben.—

Wat ging er in de ziel van Socrates op dat oogenblik om?

Rustig en kalm stond hij op en zeide:

„Laat de duif, Aspasia! Ik geloof niet te duur van den wraakgierigen

vogel bevrijd te zijn, als ik een lok mijner haren in zijn klauw

achterlaat.

„Ik begrijp het best,” hernam Aspasia op een veranderden, eenigszins

spotachtigen toon, „ik begrijp het best, dat gij de kaalheid niet

vreest. De kaalheid gaat immers met de wijsheid gepaard en gij zijt een

volslagen wijze geworden! Zoo volmaakt wijs, dat gij verdient kaal

geplukt te worden tot op uw laatste haar toe door de klauwen van den

aan Aphrodite gewijden vogel.”

„Kaalheid moge den wijze passen,” sprak Socrates, „weet echter, dat ik

van alles zelfs van den roem der wijsheid afstand gedaan heb, en dat ik

voor het oogenblik er alleen aan denk, om mijn burgerplicht te

vervullen. Reeds morgen ga ik met andere burgers, die het lot heeft

aangewezen, naar het leger vóór Potidaeä. Alcibiades gaat insgelijks

mede.”

„Van hem schijnt ge dus nog geen afstand gedaan te hebben?” vroeg

Aspasia, „nadat gij, zooals gij zegt, al het andere hebt opgegeven?”—

„Wij volgen te zamen de roepstem des vaderlands!” hernam Socrates.

„Vindt gij dit soms niet goed? Geldt het niet de Doriërs te

bestrijden?”

„Zijt gij voornemens de Doriërs te bestrijden?” riep Aspasia. „Gij zijt

zelf een Doriër geworden!”

„Neen,” antwoordde Socrates, „ik meen een echte zoon van den peinzende

Pallas Athene te zijn.”

„Inderdaad,” hernam Aspasia glimlachend, „gij hebt u, van Eros en de

Chariten, geheel tot de koele, schier manlijke Athene gewend. Waar is

die gloed gebleven, die uwe ziel in vlam zette, toen gij in het Lyceüm

voor de laatste maal mij naar het wezen der liefde vroegt?”

„Mijn liefdegloed, Aspasia,” antwoordde Socrates, „is hetzelfde

wedervaren, als uwer schoonheid, sedert Phidias uw beeld heeft

verheerlijkt in de Lemnische Aphrodite. Evenals namelijk uwe

bekoorlijkheid in dat beeld het aardsche en tijdelijke overtreft, zoo

is ook mijne liefde veredeld en verheerlijkt, ik zou haast zeggen,

versteend geworden. Van eene gloeiende kool is zij eene ster

geworden”...

Op dit oogenblik fladderde de duif op Aspasia’s schouder. Welke daemon,

welke ondeugende Eros stak in dien vogel.

Zij raakte thans met de klauwen verward op de plaats, waar eene gesp de

beide smalle einden van den chiton samenhield.

Onstuimig trok de vogel met de pooten, om ze los te krijgen, tot de

gesp opensprong en de slippen van het gewaad afgleden, ’t welk de

schitterende witte schouders omhulde.

„Offer deze vogel aan de Chariten!” sprak Socrates, wierp zijn mantel

over de ontbloote schouders der schoone vrouw en ging heen.

De trotsche Milesische verbleekte—zij greep onthutst met bevende hand

naar een zilveren spiegel en ontdekte voor de eerste maal met schrik

eene schaduw van veroudering, die over hare trekken toog.

Was de schoonheid dan niet langer alvermogend? Was er iets, dat haar

durfde trotseeren?

Eene zachte huivering voer haar door de leden.

De jonge Alcibiades was zeer in zijn schik, toen eindelijk de wensch,

dien hij tegen Pericles had geuit, om op het oorlogsveld lauweren te

mogen plukken, vervuld werd. Hem, zoowel als Socrates, had het lot eene

plaats aangewezen onder de Atheensche burgers, welke gezonden zouden

worden ter belegering van de van Athene afgevallen bondstad Potidaeä.

Alcibiades had tot hier toe zijne dolle levenswijze voortgezet en liet

het bij voortduring niet aan stof ontbreken, die aan de praatzucht der

Atheners voedsel kon verschaffen.

Hij had het zoogenaamde gezelschap der Ithyphallers opgericht, waarin

de overmoedigste en uitgelatenste jongelieden bijeen kwamen, om zich te

zamen aan de meest teugellooze hartstochten over te geven, zooals men

van een club verwachten kon, die zich naar den onreinen daemon

Ityphallas noemde. Reeds het tooneel der inwijding was moedwillig en

dartel in den hoogsten graad. Alleen zij werden in den kring opgenomen,

die op de gunst van dien daemon in bijzondere mate meenden te kunnen

bogen.

Om den spot te drijven met het gebruik, dat te Athene een drinkgelag

vóór het middageten verbood, legde Alcibiades met zijne vrienden

slemppartijen in den morgenstond aan. In zijne overmoed liet hij zich

door een voortreffelijk schilder, op den schoot eener jonge hetaere

gezeten, afschilderen en heel Athene vloeide samen om het portret te

zien. Hij had een hond, waarvan hij zeer veel hield, wien hij den naam

van „Daemon” gaf; het was heel kluchtig om te hooren, als hij, evenals

Socrates, van „zijn Daemon” sprak.

Scheen het alzoo, dat de moedwil die den zoon van Clinias bezielde,

zelfs Socrates trof, dit belette toch niet, dat hij dienzelfden man

voor de gansche wereld zijn besten en liefsten vriend noemde. Hij droeg

inderdaad den denker en waarheidszoeker nog altijd eene bijna

raadselachtige soort van liefde toe, hoewel dit, naar ’t scheen, niet

den minsten invloed op zijn doen en laten oefende.

Toen Alcibiades naar Potidaeä trok, geschiedde ook dit niet zonder

toerustingen, die stof tot spreken gaven. Hij liet zich wapenen van

eene bijzondere soort maken. Hij had een schild van goud en ivoor. Op

het schild voerde hij als wapen een Eros, gewapend met de

bliksemschicht van Zeus.

Eros met de bliksemschicht! Eene schitterende gedachte, een

Helleenschen kop waardig. ’t Was immers de tijd, waarin, naar ’t

scheen, de bliksemschicht van Zeus zou overgaan in de handen van den

gevleugelden knaap...

Eenigen van Alcibiades’ vrienden trokken eveneens te velde. Zij zochten

hun voorbeeld na te volgen door kostbare en bijzondere soorten van

uitrustingen. De jonge Callias, de zoon van Hipponicus, trok te velde,

naar men zei in een pantser, uit eene leeuwenhuid gemaakt.

Er was eene vrouw te Athene, die met diepe droefheid vervuld was, toen

Alcibiades op ’t punt stond de stad te verlaten; eene vrouw, die langen

tijd nóch de smart had gekend, nóch de liefde; die niet alleen de

banden van Hymen veracht, maar ook met de boeien van Eros had gespot,

eene vrouw, die van zich zelve gezegd had: ik ben geen priesteres der

liefde, alleen die van het genot.

Die vrouw was Theodota. Zij was het, zooals reeds vermeld is, die de

jonge Alcibiades als zijne leermeesteres beschouwde, toen hij zich in

den maalstroom van ’t genot en der jeugdige brooddronkenheid stortte.

Zijne ijdelheid bracht mede, dat hij boven alles de schoonste en

beroemdste hetaere van Athene de zijne wilde noemen, deze Theodota,

welke destijds niet meer op het glanspunt van haar bloei, maar toch nog

op het toppunt van haar roem stond. Ook Theodota was trotsch op het

bezit van Alcibiades en niet minder vermeerderde juist deze verovering

ook weder den roep van haar naam.

Een geruimen tijd verkeerde de jonge Alcibiades met geen vrouw liever,

dan met de zwartoogige Corinthische, en voerde zijne vrienden zoo

dikwijls mogelijk bij vroolijke en uitgelaten partijen in Theodota’s

huis. Hare vroolijkheid niet minder dan hare bekoorlijkheid waren de

kruiderijen in den schuimenden vreugdebeker van Alcibiades en zijne

makkers.

Doch Theodota bleef niet altijd zoo vroolijk, als zij in ’t begin van

haar omgang met Alcibiades geweest was. Te schoon was de jongeling, dan

dat een vrouwenhart, al had het ook nooit bemind en de liefde voor

altijd afgezworen, toch niet ten laatste het genot van zijn verkeering

met hare vrijheid zou moeten betalen.

Weinig had het haar in den beginne gehinderd, als haar jonge vriend ook

andere vrouwen en hetaeren behalve haar toelonkte. Zij zelve had, als

hij met Callias en Demus bij haar drinkgelagen hield, jeugdige en

bekoorlijke vriendinnen in haar huis genoodigd.

Weldra echter meende de jonge aanvoerder der Ithyphallers niet zonder

misnoegen te bemerken, dat het geheele wezen der Corinthische meer en

meer veranderde. Zij scheen afgetrokken, ernstig; zij zuchtte telkens,

hare hartelijke opgeruimdheid scheen als ontaard in eene soort van

onrust, van onstuimigheid; krampachtig sloot zij soms haar lieveling in

de armen, als wilde zij hem voor altijd vasthouden; menige traan mengde

zich in haren kus en als Alcibiades thans eene andere vrouw in hare

tegenwoordigheid vriendelijk toelachte of liefkoosde, verbleekte zij en

hare lippen bewogen zich zenuwachtig van ijverzucht.

Deze verandering in het wezen van Theodota viel niet in den smaak van

den dartelen jongeling, die zich overal den vreugdebeker ten boorde toe

vol schonk, dien ledigde en weder verder ging.

Gedaan was het voor hem thans met Theodota’s bekoorlijkheid, gedaan met

hare betoovering. Somber en naargeestig scheen zij thans den jongeling.

In oogenblikken, waarin zij zich aan ijverzuchtige opwellingen overgaf,

wekte zij zijn toorn op; doch hij vergaf haar dit veel eerder, dan die

overmaat van dweepende, in tranen uitbarstende teederheid, waarmede zij

hem lastig viel.

Aspasia(#64986) · 第 47 / 57 段