meenen eene comedie aan te hooren. Hij besprak met scherpe, snijdende
woorden de feiten, waarop, naar zijne meening, de aanklacht tegen
Aspasia berustte: hoe zij te Eleusis ten aanhoore van het geheele volk
oneerbiedig gesproken had over de Eleusinische Godinnen en over de
heilige gebruiken des lands; hoe zij omgang had gehouden met de
Sophisten, met Anaxagoras en Socrates, boven alles echter met dien
welsprekendsten godloochenaar Protagoras, die zich een geruimen tijd te
Athene had opgehouden, doch thans weder zijne dwaalleer predikend en de
jeugd bedervend, in andere Helleensche steden rondzwierf: hoe zij
verder haar geheele streven daarop gericht had, om de Atheensche
vrouwen tot verzet tegen de instellingen des lands op te ruien, hoe zij
eens bij gelegenheid van het Thesmophoriën-feest voor alle Atheensche
vrouwen was opgetreden, om met haar eene samenzwering te maken tot
vernietiging van die eerwaardige wetten, waardoor de echt en het
familieleven der Atheners geheiligd waren; hoe zij verder vrijgeboren
Atheensche vrouwen in haar huis had gelokt, om haar tot een ontuchtig
leven en de lichtzinnige levensopvatting der hetaeren te verleiden; hoe
zij eindelijk zelfs zoover was gegaan, dat zij een aantal meisjes in
huis had opgenomen, klaarblijkelijk met geen ander doel, dan om ze tot
onzedelijkheid op te kweeken en ze met aanzienlijke Atheensche mannen
te verbinden.
Als getuige voerde Hermippus velen dergenen aan, die te Eleusis de
openlijk uitgesproken woorden van Aspasia mede hadden aangehoord; van
sommigen echter liet hij de schriftelijke verklaringen door den
openbaren schrijver voorgelezen. De aansporing der vrouwen tot eene
samenzwering tegen de wetten van den staat liet hij door de vrouwen
getuigen, die aan dat Thesmophoriën-feest hadden deelgenomen. De poging
om vrijgeboren vrouwen tot ontucht te verleiden liet hij door de
voorgelezen verklaring van Xenophon’s gade bevestigen, wie dit
getuigenis was afgeperst door Telesippe en de zuster van Cimon. Wat de
jonge meisjes in Aspasia’s huis betrof, beriep hij zich op de algemeene
bekendheid dezer zaak onder de Atheners, en hij verzuimde niet op den
voorgrond te plaatsen, hoe juist wegens de meisjes de Atheensche staat
in den laatsten tijd in gevaarlijke verwikkelingen geraakt was met
Megara en met de bondgenooten van deze vijandig gezinde, naburige
Dorische stad.
Zijne slotsom was, dat Aspasia in drie opzichten gezondigd had: tegen
het oude geloof en den godsdienst des lands, tegen den staat en de
eerwaardigheid zijner wetten, tegen de goede tucht en de zedelijkheid.
Hij liet door den schrijver een aantal wetten voorlezen en toonde aan,
dat naar Atheensch recht, al die handelingen strafwaardig waren en dat
op de meeste de dood gesteld was; dat Aspasia’s hoofd en leven
derhalve, daar zij van die misdaden voldingend overtuigd was geworden,
aan de wet vervallen was. Hij bezwoer bij gevolg de rechters in
hartstochtelijke opgewondenheid en met verheffing van stem, toch het
heiligste wat een staat bezat, ter harte te nemen, den overmoed der
vreemdelinge, die het omverwerpen van de oudvaderlijke inzettingen
beoogde, te tuchtigen en den tot dusverre door de Goden geliefden en
door de Goden gezegenden staat der Atheners niet te laten te gronde
gaan in de school van teugelloosheid, van wetsverachting en van
godloochening.
De vurige redevoering van Hermippus maakte een diepen indruk op de
rechters, die meest op gevorderden leeftijd en uit de laagste klasse
des volks afkomstig waren. Ook uit de menigte, die buiten de afsluiting
in ademlooze stilte de rede van Hermippus had gevolgd, verhief zich een
gemompel:
„Hermippus heeft fraai gesproken—zijne bewijzen waren scherp en
afdoende—hij heeft de wetten op zijne hand—het hoofd der Milesische
moet vallen.”
Nadat Hermippus geëindigd had en weder op zijne plaats was gaan zitten,
verhief zich Pericles.
Oogenblikkelijk heerschte weder de diepste stilte en ieder oor
luisterde in gespannen aandacht naar den eersten klank uit den mond van
Aspasia’s gemaal.
Pericles’ geheele wezen scheen veranderd. Zijn uiterlijk was niet,
zooals hij voor het volk op de Pnyx verscheen, wanneer hij het
redenaarsgestoelte besteeg en in waardige rust, zeker van den uitslag,
zijne meeningen uitsprak. Voor de eerste maal scheen de kalmte
gedwongen, die hij uiterlijk ook nu ten toon spreidde, en eene lichte
trilling klonk in zijne stem, toen hij begon te spreken.
Hij ontkende de schuld van Aspasia. Het eene punt van beschuldiging na
het andere behandelende, trachtte hij aan te toonen, dat het alleen aan
de hatelijke overdrijving gelukt was Aspasia’s gedrag den schijn eener
misdaad te geven, waarop de doodstraf stond. En waar hij niet loochenen
kon, dat de letter der Atheensche wet tegen Aspasia sprak, beriep hij
zich op hare daden en edele bedoelingen, en zocht te bewijzen, dat een
edel streven nooit misdadig kan zijn.
Doch er was ditmaal iets weifelends in de redevoering van den gevierden
spreker, die den bijnaam van den Olympiër voerde. Men kon duidelijk
bemerken, dat zijne woorden slechts een geringen indruk op zijne
hoorders teweegbrachten. Was zijne inwendige ontroering te groot,
zoodat zij zijne scherpzinnigheid verstompte?—
Ten laatste echter deed Pericles, zooals Hermippus gedaan had. Hij liet
op zijne bewijsvoering eene aanspraak aan de rechters volgen, die uit
het hart voortkwam en tot het hart sprak.
Hij zeide:
„Deze vrouw hier is mijne gade. En wanneer zij schuldig is aan de
misdaden, dan ben ik ook schuldig. Hermippus klaagt ons aan, omdat wij
de waardigheid der Goden hebben gehoond, het gezag van den staat
gekrenkt, de tucht en de goede zeden hebben geschonden. Mannen van
Athene! als ik mij mag beroemen op iets van hetgeen gij op mijne
aansporing hebt gedaan, dan heb ik het aanzien der Goden van ons land
niet verkleind, maar veeleer hen verheerlijkt, als iemand vóór mij,
door prachtige tempels en schitterende beelden op de Acropolis en te
Eleusis. Ik heb den staat niet gekrenkt, integendeel voor hem gestreden
in bloedige slagen; ik heb de macht der oligarchen gebroken en aan het
volk de vrijheid gegeven. Ik heb de tucht en de goede zeden niet
verslapt, maar ze versterkt en veredeld, terwijl ik de beoefening en
bevordering van het goede en het schoone onder u heb zoeken te
verbreiden, en daardoor het gemeene en ruwe tegen te gaan. En in die
pogingen, mannen van Athene, heeft mij deze vrouw, Aspasia van Milete,
niet belemmerd, maar ondersteund en aangespoord. Datgene, wat het volk
en de stad der Atheners misschien voor alle volgende tijden zal
verheerlijken, is voor een niet gering deel, hare verdienste. Niet met
het verval van dezen staat, maar met zijn edelsten bloei, macht en
heerlijkheid zal de herinnering van haar naam voor altijd verbonden
zijn.—Dit zijn feiten, gij mannen van Athene, en wij beiden gelooven
ons verdienstelijk gemaakt te hebben omtrent het volk en de stad der
Atheners. Gindsche Hermippus echter komt en roept u toe: „Scheurt de
uitverkorene, de geliefde wettige vrouw van Pericles van zijn hart en
sleept haar voor zijne oogen ter dood!”
Bij deze woorden parelde een traan in het oog van Pericles.
Een traan in het oog van den rustigen, waardigen Pericles! Een traan in
het oog van den Olympiër! Die traan had een, naar de gewone wetten der
natuur onverklaarbare uitwerking. Hij werkte verbijsterend als een
wonder, als een meteoor, als een door de Goden gezonden teeken uit den
hemel.
Zij, die met eigen oogen hadden gezien, hoe de traan een oogenblik
blonk in het manlijk oog van Pericles, doch spoedig werd weggepinkt,
zagen elkander met veelbeteekenende blikken aan.
Zij fluisterden elkander toe:
Pericles heeft geweend!
Uit de gerechtszaal verspreidden zich over de Agora de woorden:
Pericles heeft geweend!
Van de Agora liep het in korten tijd door de geheele stad Athene:
Pericles heeft geweend!
Tegelijkertijd kwam te Athene het bericht van een zeeslag bij Sybota,
waarin Atheensche schepen den Corcyraeërs [396] tegen de Corinthiërs
met schitterenden uitslag ter hulp waren gekomen. Maar men luisterde
slechts ten halve naar het bericht—men sprak over niets, dan over den
traan van Pericles.
Aan de rede van Hermippus voor de Heliasten was eene grens gesteld door
den zandlooper, aan de rede van Pericles maakte de opwellende traan een
einde.
Een dienaar naderde op den wenk van den Archon en verdeelde de
stemsteentjes onder de rechters. Aan ieder reikte hij ten aanschouwe
van allen een witten en een zwarten steen, een die vrijsprak en een die
veroordeelde.
Toen verlieten de Heliasten hunne zetels, traden een voor een naar eene
koperen vaas en wierpen een stemsteentje daarin, het witte of het
zwarte. Den steen, dien zij over hadden, wierpen zij in een anderen,
houten bak.
De eerste stemming der Heliasten gold het schuldig of onschuldig; de
tweede gold, in geval van schuldigverklaring, de straf, die tegen den
aangeklaagde geëischt werd.
Nu waren de steenen van alle Heliasten in de stembus. Zorgvuldig werden
de witte en de zwarte onmiddellijk geteld onder de oogen van den
Archon.
Met onbeschrijfelijke spanning waren aller oogen op de uit de urn
rollende witte en de zwarte steenen gevestigd. En zie! De heldere
loten, die ten leven beslisten, namen in groote getale toe en
zegevierend overtroffen zij de donkere loten des doods.—
De vrouw van Pericles was vrijgesproken. In de weegschaal van Themis
was de traan van den held met beslissende zwaarte gevallen.
Uit den mond van den Archon klonk het gewijsde en als op vleugelen
gedragen verspreidde die mare zich over de gansche Agora.
Aspasia stond op. Een lichte blos kleurde haar gelaat. Haar blik
zweefde een oogenblik met helderen glans over de eerwaardige hoofden
der Heliasten. Toen reikte zij stilzwijgend hare hand aan Pericles.
Deze voerde haar weg. Een sluier bedekte haar gelaat, terwijl zij door
de menigte gingen.
Op de Agora begroetten en vergezelden Pericles de door duizenden monden
aangeheven vreugdekreten der Atheners.
In alle straten, die Pericles op zijn terugweg met zijne gesluierde
gade doorging, verdrong zich het volk en de verschillendste uitroepen
werden gehoord of gefluisterd, al naar mate ieders gezindheid, bij het
zien van Aspasia. Een uitroep echter had den boventoon, die telkens en
overal werd herhaald:
„Wat een schoone vrouw is nog altijd Aspasia!”
Deze uitroep verkreeg ten laatste de overhand over alle andere, en
alleen de waanzinnige Meno riep de schoone Milesische, toen zij hem
voorbij ging, een scheldwoord na.
Plotseling stond Socrates, uit de menigte te voorschijn tredend, naast
Pericles en Aspasia.
„Ik wensch u geluk, Aspasia!” sprak hij, terwijl hij zich bij hen
aansloot. „Welke uren van kwelling en angst waren die laatste voor uwe
vrienden!”
„Waar waart gij,” vroeg Aspasia, „toen de uitslag werd bekend gemaakt?”
„Altijd midden onder het volk,” hernam Socrates.
„En wat hoordet gij onder het volk in al dien tijd?” vroeg Aspasia
weder.
„Vele en verschillende zaken,” antwoordde Socrates: „ten laatste echter
bleven er alleen twee gezegden over, die van mond tot mond gingen.”
„En welke waren die?”
„Pericles heeft geweend!” en: „Wat eene schoone vrouw is nog altijd
Aspasia!”
„Zonderlinge samenloop van zaken!” vervolgde Socrates op zijne
wonderlijke wijze sprekende. „De schoonste vrouw is Aspasia, en de
gelukkige echtgenoot der schoonste vrouw heeft geweend!—Draag zorg,
Aspasia, dat dit de laatste traan van Pericles moge blijven! want
alleen de eerste traan van den man is verheven, de tweede is
belachelijk. Alleen de eerste grijpt aan en schokt—de tweede is zonder
eenige uitwerking. Pericles mag nooit meer weenen! Hoort gij dat,
Aspasia? Pericles mag nooit meer weenen!”
„Ben ik het dan soms, die tranen aan Pericles’ oog tracht af te
persen?” vroeg Aspasia, innerlijk beleedigd.
„Ik beweer alleen, dat Pericles nooit meer weenen mag,” hernam Socrates
en verdween onder de menigte.
Aspasia was verstoord. Hoe? Het vijandig gezinde volk der Atheners had
haar heden vrijgesproken en uit de schare der verzoende vijanden trad
een vriend te voorschijn, om haar scherpe, onheilspellende woorden toe
te voegen!—
„Gij kent den zonderling!” zei Pericles. „Oefen geduld met hem! Gij
weet, hij meent het goed met ons.”—
Aspasia echter bleef toornig. En de gedachte, reeds lang in hare borst
gekoesterd, den zonderling te straffen voor de altijd vaardige, altijd
onbeschroomde vrijmoedigheid zijner tong, ontwaakte opnieuw in de fiere
vrouw, terwijl zij in het bewustzijn harer zegepraal aan de zijde van
haar echtgenoot daarheen ging.—
Twee mannen volgden op eenigen afstand het paar met loerende blikken;
een hoonende grijnslach speelde om hunne lippen, terwijl zij met
elkander fluisterden.
Het waren Diopithes en de oligarch Thucydides.
„Het wijf is ons ontsnapt!” zei de oligarch met somberen blik.
„Des te erger voor haar!” hernam de priester. „Gij kent het volk. Ware
zij veroordeeld geworden, men zou haar beklagen om Pericles’ wille en
medelijden hebben met Pericles; doch nu zij er vrij is afgekomen, zal
men spoedig zeggen, dat de rechters toch te zacht hebben geoordeeld, en
dat de macht van Pericles te gevaarlijker wordt wanneer men uit liefde
voor hem de schuldigen vrijspreekt!”
„Verheug u voor heden in uwe zegepraal!” hernam Diopithes, uit de verte
de vuist achter Aspasia’s gemaal ballend: „De pijlen, die gij van het
hoofd uwer vrouw hebt afgewend, zullen des te gewisser uw eigen hoofd
treffen!”
XXII.
STRIJD EN ZEGEPRAAL.
Pericles wandelde met zijn vriend Sophocles in het vroege morgenuur op
de Agora, toen Euripides, met somberen blik in gezelschap van den
waarheidszoeker hen ontmoette. Een weinig verwonderd over de vele
bagage, die eenige slaven achter hem droegen, bleven beiden een
oogenblik staan en vroegen hem, waarom hij zoo reisvaardig was en
werwaarts hij voornemens was te trekken.
„Ik scheep mij in naar Salamis,” hernam Euripides. „Op dat stille
eiland hoop ik eindelijk de afzondering en den vrede te vinden, waaraan
ik zoo groote behoefte heb. In de grot aan het strand, waarin ik het
levenslicht aanschouwde, wil ik voortaan mijn lievelingszetel opslaan
en zonder gestoord te worden mij aan mijne gedachten en overpeinzingen
overgeven.”
„Biedt dan uw landhuis u geen stilte en afzondering genoeg?” vroeg
Pericles.
„Spreek mij niet van het landhuis!” antwoordde de dichter gemelijk.
„Dat is mij vreeselijk gehaat geworden door het toenemend aantal
kikvorschen, die des avonds in den nabijzijnden vijver kwaken, doch nog
meer door den zwerm van krekels, die door hun eindeloos gepiep mij dag
en nacht in mijn denken en dichten storen. De oude beuzelaar Anacreon
heeft ze bezongen, die „helklinkende cicaden,” ik echter verwensch ze!
Mijn hoofd doet mij zeer en ik ben bijna gek geworden van het schrille
rumoer dier kwelgeesten, dier piepende booze daemonen. Te vergeefs
heeft mijn vriend Socrates mij een paar dagen lang geholpen ze in hunne
holen te vervolgen en uit te roeien... Lacht ge er om, plaagzieke
Sophocles? Ge zoudt gewis in staat zijn ons op staanden voet eene
gloeiende lofrede op de krekels en kikvorschen te houden!”
„Waarom niet?” hernam Sophocles glimlachend. „De geheele natuur is
immers rijk aan tonen en zingt. De golven zingen, de winden zingen, de
pijnboom zingt, de steen zingt, als de voet des wandelaars hem beroert.
En zoo gaarne hoort het geluid zich zelf, dat het, als een andere
Narcissus [397], zijn eigen beeld terugkaatst in den spiegel van Echo.
Daarom, mijn beste Euripides, laat ons ook de krekels en
kikvorschen....”
„Daar hebben wij het!” viel Euripides den spreker met heftigheid in de
rede. „O, die „vereerders van het schoone”, die „dweepers met het
schoone,” die „aanbidders van het schoone”, en hoe zij zich ook willen
noemen! Alles, zelfs het afzichtelijkste weten zij met het vernis van
schoone woorden te bedekken, nooit durven zij den ernst des levens
onpartijdig in het aangezicht zien! Ik zeg u, de cicaden blijven een
onverdragelijk gespuis, wat daarover ook de oude Anacreon en na hem de
vrome Sophocles met hun dichterlijk gevoel gezegd hebben. Overigens
zijn het, zooals gij weet, niet alleen die krekels en kikvorschen, die
mijn verblijf op het Attische vasteland verbitteren. Het bevalt mij
niet langer te Athene. Ik heb er geen pleizier in, ter wille van eene
weggelopen vrouw de spotternijen der straatjongens te verdragen, hoe
Attisch gekruid zij ook wezen mogen. Ik heb geen lust mijn leven zoo
door te brengen, terwijl allerlei dreigende verschijnselen zich
bovendien in de toekomst vertoonen. Waarom zijn wij toch verlichter
geworden, als de zeden hoe langer zoo slechter worden?—Vaartwel! Ik ga
voorloopig naar Salamis.”
„Moet ons geluk dan van de plaats afhankelijk zijn?” vroeg Sophocles.
„Men behoort te volharden op zijne standplaats. ’t Moet, naar mijne
meening, de trots zijn van den Helleen, die al het bittere en sombere
des levens, in zich zelven onveranderd te blijven, zijn opgeruimdheid
en schoonheidsgevoel te behouden, als iemand, die het hoogste en beste
van ’t menschelijk leven in de schoone harmonie van zijn eigen wezen
vereenigt en door niets gestoord wordt in het edelste levensgenot.”
„En wanneer de ouderdom tot u komt met knikkende knieën,” wierp
Euripides hem tegen, „en de bronnen des genots opdrogen?”
„Dan zal ik van het genot, welks bronnen opdrogen, afstand doen,”
hernam Sophocles, „maar alleen, om op den vroolijken levenslust des
mans, die toch altijd met eene zekere onrust gepaard gaat, de veel
schoonere, waarachtig goddelijke rust en opgeruimdheid, den
Halcyonischen vrede des grijsaards te doen volgen.”
„Gij spreekt als een zoon van den goeden ouden tijd,” zei Euripides,
„en gij denkt niet, dat wij langzamerhand te verstandig zijn geworden,
om in idyllisch-onverstoorbare opgeruimdheid voort te leven.”
„Wat mij betreft,” begon thans Socrates met een ernstig gelaat, „ik
vind het door Sophocles uitstekend gezegd, dat wij eene schoone
harmonie van ons eigen wezen moeten bewaren. Alleen zou ik wel gaarne
willen hooren, ja waag ik het onzen vriend Sophocles uitdrukkelijk te
vragen, of hij van „schoone harmonie” sprekend, het zedelijke op het
oog heeft, of wel zich de harmonie in dien zin schoon denkt, zooals men
bij voorbeeld vrouwen of werken der beeldende kunst schoon en bevallig
en voor het oog streelend noemt? Of hij, om het anders uit te drukken,
den klemtoon legt op het goede, dan wel op hetgeen gewoonlijk schoon
genoemd wordt? En daarmede zouden wij dan weder bij die oude, zoo
dikwerf tusschen ons opgeworpen en nooit opgeloste vraag terecht komen,
of het schoone boven het goede, dan wel het goede boven het schoone den
voorrang verdient?”—
Met gespannen belangstelling zag de waarheidszoeker na deze woorden den
dichter in ’t gelaat en wachtte zijn antwoord af.
Op hetzelfde oogenblik echter ontstond er een rumoer en eene beweging
onder het volk, dat inmiddels zich op de Agora verzameld had. Het
teeken tot het begin der volksvergadering op den Pnyx was gegeven en
alles toog derwaarts.
Glimlachend zei Pericles, die eveneens zich gereed maakte die zelfde
richting te volgen:
„Ook heden, waarde zoon van Sophroniscus, zullen wij uwe
lievelingsvraag niet kunnen beantwoorden. Want het volk der Atheners
wordt juist op de Pnyx bijeen geroepen en daar moeten wij dringender
zaken beslissen.”...
Socrates stond daar, zwijgend en verslagen, als iemand, dien opnieuw
juist ten ontijde de mond, om zoo te zeggen, gesnoerd was.—
„Myrmecides,” zei een Atheensch burger tot zijn buurman, op het punt om
de Agora te verlaten en met de overige onstuimige volksmassa de hoogte
van den Pnyx te bestijgen, „wat wij heden ook besluiten mogen, ik heb
een voorgevoel van iets kwaads voor Hellas. Er wordt gesproken van
orakels—onheilspellende orakels, ook orakels van Bacis worden er
medegedeeld, die thans op eens verstaanbaar worden. Doch wat het
bedenkelijkste is: gij weet dat Delos, het heilige Delos, het eiland
van den Ionischen God Apollo, nooit door eene aardbeving is geteisterd
geworden.”—
„Nooit,” antwoordde Myrmecides; „iedere knaap weet van kindsbeen af,
dat het heilige Delos als met koperen ketenen aan den bodem der zee is
vastgeklonken en niet als de andere eilanden van den Archipelagos door
onderaardsche beroeringen kan geschokt worden.”
„Zoo geloofde men tot gisteren,” vervolgde Cynogenes; „doch gisteren is
het bericht gekomen, dat eene aardbeving, die een zeer korten tijd
duurde, op het eiland heeft plaats gehad en dat een dof onderaardsch
gedreun zich heeft doen hooren.”
„Delos geschokt?” riep Myrmecides: „dan is er niets meer dat vaststaat
in Hellas!”
Andere mannen voegden zich bij Myrmecides en Cynogenes en mengden zich
in hun gesprek. Doch zij werden weldra gestoord en gedwongen zich om te
keeren door een luid rumoer, dat achter hen op de Agora zich verhief.
„Een Megarische hond!” klonk het, „een Megarische hond!—doodt hem,
steenigt hem!”
Eene groote, schreeuwende menigte had zich ijlings om een man
verzameld, die door eenige Atheners gegrepen en onder allerlei
uitdrukkingen van toorn vastgehouden werd.
Het was niet de eerste maal, dat een Megarenser in onaangename
verwikkelingen te Athene geraakt was. Reeds voordat de Atheensche markt
en de havens van Athene aan de naburige Dorische stad ontzegd waren,
was menig burger, die soms een vet gemest varken of iets anders op de
markt te Athene bracht, daar schandelijk voor den gek gehouden,
uitgescholden of mishandeld geworden.
Tot woede echter was de verbittering bij de Atheners tegen de
Megarensers gestegen, sedert dezen in barbaarsche ruwheid het gewaagd
hadden den van Athene naar Megara gezonden heraut dood te slaan. Sinds
dien dag had het Atheensche volk gezworen elken Megarenser, die zich te
Athene vertoonde, oogenblikkelijk te steenigen.
De arme man smeekte om zijn leven en zwoer bij alle Goden, dat hij geen
Megarenser was, dat hij uit Eleusis kwam.
„Gelooft het niet!” riep de man, die hem het eerst had vastgegrepen en
hem nog steeds als met ijzeren vuist omklemd hield. „Gelooft het niet!
Ik ken hem! Een Megarische hond is hij—een Megarische hond!”
Op dit oogenblik kwamen eenige Archonten voorbij, die, nadat zij de
zaak hadden vernomen, het vermoorden van den man verhinderden, door
eenige Scythische boogschutters er bij te roepen en den man gevankelijk
weg te doen voeren.
Boven op de Pnyx, niet verre van de plaats der volksvergadering,
fluisterden drie mannen zacht maar druk met elkander. Het waren de
leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar
Pamphilus. Zij schenen het onderling niet eens te zijn...
Thans betraden de gezanten der Lacedaemoniërs den weg van de Pnyx, om
zich naar de volksvergadering der Atheners te begeven. Zij waren
gekomen om voldoening te eischen voor het hun verwante en met hen
verbonden Megara. Met vijandelijke blikken zagen deze Spartaansche
mannen en het grootste deel der Atheners rondom elkander aan.
Doch een oligarch fluisterde den andere zacht in het oor:
„Zullen wij vrede of oorlog wenschen?”
„Het ware wellicht nuttig,” hernam de andere, „wanneer de
Peloponnesiërs kwamen en hier een weinig opruiming hielden...”
Opgewondener dan het Atheensche volk de Pnyx bestegen had, daalde het
na eenige uren weder daar af. Op de Agora vormden zich verscheidene
groepen.
„Ik vind, dat Pericles nooit zoo voortreffelijk heeft gesproken!” riep
Myrmecides. „O, die slimme vos met de leeuwenhuid! Hoe gematigd deed
hij zich voor, hoe rustig, hoe vol schijnbare toegefelijkheid! Hoe
scheen hij bereid tot elke mogelijke tegemoetkoming! Alleen stelde hij
eischen, die men nooit zou toestaan! Welk een meesterlijke zet was het,
toen hij zeide, dat Athene bereid was zijnen bondgenooten de volle
vrijheid terug te geven, zoo slechts de Spartanen vooraf den hunnen
hetzelfde deden!”
„Ik voorspel teerlucht, riemgeplas, triërarchen-geschreeuw,
Pallas-beeldenvergulderij in den Piraeüs”—zei de baardschrapper
Sporgilus met een bedenkelijk gezicht.
„Waarom niet, lafaard?” riepen de anderen. „Hebt gij geen lust in een
vroolijk zeetochtje?”
„Neen,” antwoordde Sporgilus, „de zee is toch altijd iets zilts en
bitters!”
„Laat u met knoflook voeren!” klonk het rondom hem, „met knoflook,
lamzalige vent, zooals de hanen, om vuriger en moediger te worden!”
Thans werd de stem van Cleon, de stem van den beruchten leerlooier
Cleon, in eene andere dichte groep hoorbaar. „Ik wil oorlog, maar
zonder Pericles!” schreeuwde hij. „De krijg mag Pericles niet nog
grooter maken. Hoe zullen wij rekenschap van hem kunnen vorderen, als
hij aan de spits van een leger of van eene vloot staat. Derhalve weg
met Pericles! Den eisch der Spartanen, dat hij als Alcmaeönide uit
Athene verbannen zou worden, dezen eisch alleen had men moeten
inwilligen! Men verbanne Pericles! Pericles moet verbannen worden!”
Zóó schreeuwde Cleon met heftige, lompe gebaren, terwijl hij met zijn
geheele lichaam in beweging was en geen enkel oogenblik op dezelfde
plaats bleef.
„Oorlog, maar zonder Pericles!” herhaalde hij onophoudelijk.