„Sapperloot!” riep iemand uit de menigte. „Dat valt in Pericles’

huwelijksgeluk als de bliksemstraal in een duivennest!”

„En Hermippus de aanklager!” riep een tweede. „Hermippus, de

blijspeldichter!”

„Dat was te verwachten,” hernam een derde. „Ik heb het immers zelf uit

den mond van Hermippus gehoord, nadat Pericles, door Aspasia

opgestookt, de comedie gekortwiekt had: „Heel goed!” zei hij, „als men

ons op het tooneel den mond snoert, zullen wij hem op de Agora

openen.”—

Zelden waren door eene aanklacht de gemoederen der Atheners in zulk

eene mate opgewekt geworden, zelden de strijd der partijen zoo fel

ontbrand, als door de aanklacht tegen Pericles’ gade, en met niet

minder ongeduld zag men den dag te gemoet, waarop de klacht voor de

Heliasten [392] openlijk zou behandeld worden.

Op dienzelfden tijd kwam Phidias van Olympia naar Athene terug, en

Diopithes was niet weinig verbitterd, toen hij den gehaten man telkens

op de Acropolis heen en weder zag gaan, zich met Mnesicles en

Callicrates onderhouden en door zijn raad de werken der Propylaeën

krachtig bevorderen.

Op zekeren dag merkte Diopithes, achter de zuilen van het Erechtheüm

staande, Phidias op, in gezelschap van zijn geliefdsten leerling

Agoracritus. De beide mannen wandelden in druk gesprek een tijdlang

tusschen het Parthenon en het Erechtheüm op en neder, vervolgens kwamen

zij aan een blok marmer, niet ver van Diopithes, dien zij niet

opmerkten, gelegen, en zetten zich daarop neder om rustig hun gesprek

te vervolgen. Het viel den Erechtheüs-priester niet moeilijk hun

geheele gesprek af te luisteren.

„Zonderlinge wegen,” zeide Agoracritus, „begint de beeldhouwkunst der

Atheners in te slaan; vreemde dingen vind ik, na menigen zwerftocht

Athene weder bezoekend, ten toon gesteld in de werkplaatsen van mijn

jongere kunstbroeders. Waar is de oude verhevenheid en waardigheid

gebleven? Hebt gij den slaaf, die de ingewanden der offerdieren

roostert, gezien, door Styppax bewerkt? Wij besteedden onze beste

krachten aan de beelden der Goden en Heroën; en nu wordt met al de

zorgvuldigheid der kunst een ellendige slaaf afgebeeld, die, ingewanden

roosterend, met bolle wangen het vuur aanblaast. De jonge Strongylion

beproeft zijne kunst aan het ruwe werk om het Trojaansche paard in

metaal te gieten. Van Demetrius zag ik een oud man met een dikken buik

en een kalen schedel, opgezwollen aderen en een baard, waarvan enkele

vlokken als door den wind bewogen uit de massa fladderen.”

„De beeldhouwers zouden zoo iets niet maken,” hernam Phidias, „als het

den Atheners niet beviel. Wie zou kunnen loochenen, dat helaas!

verbastering in het hart en de aderen van het Atheensche volk

binnensluipt. Evenals in de beeldhouwkunst het leelijke zich naast het

schoone begint te plaatsen, zoo wordt immers ook op de Pnyx, naast de

donderende, Olympische welsprekendheid van den edelen Pericles, het

woest getier van een Cleon vernomen. En vroeger hadden wij één

Hipponicus en één Pyrilampes, thans hebben wij er honderden.”

„Weelderigheid en genotzucht krijgen de overhand,” zeide Agoracritus.

„En wie heeft haar het eerst openlijk gepredikt, de boodschap van

weelderigheid en genotzucht? Sedert de vriendin van Pericles eens mijn,

en ik durf schier zeggen, ook uw werk den prijs ontzeide ten gunste van

den overmoedigen Alcamenes, sedert dien dag is de gramschap tegen de

machtige vrouw niet uit mijne ziel verdwenen. Toen zij boosaardig mijne

Aphrodite tot eene Nemesis verklaarde, vloog de gedachte door mijn

hoofd: Ja, zij zal u eene Nemesis worden, mijne Aphrodite. Gij zult

haar ondervinden, de macht der wrekende Godin! En inderdaad met

langzamen, maar zekeren tred nadert zij, de wraak!”—

„Billijk en rechtvaardig zullen de Goden richten!” hernam Phidias

ernstig. „En als zij de overmoedige dartelheid der Milesische

breidelen, zullen zij ook de geheime listen van dien Diopithes

straffen, tot wiens bondgenoot uwe wraakgierigheid u gemaakt heeft. Wat

wij ook in Pericles’ gade mogen berispen of wraken, vergeet niet, dat

zonder haar moedig en betooverend woord de tinnen van ons Parthenon

hier niet voltooid zouden prijken en dat wij geen feller tegenstander

bij dit werk gehad hebben, dan den sluwen Erechtheüs-priester!”

„Gij werpt u alzoo op tot vriend en beschermer van de Milesische?”

vroeg Agoracritus.

„Dat niet!” hernam Phidias. „Ik houd evenmin van Aspasia als van den

Erechtheüs-priester, en ik ruim het veld voor beiden, daar ik spoedig

weder denk terug te keeren naar het mij lief geworden Olympia. Ik heb

ondervonden, dat de Eleërs dankbaarder zijn dan de Atheners. Ik heb,

dunkt mij, thans genoeg voor Athene gedaan. Het overige mijner dagen

wil ik aan het groote Hellas wijden. Ik laat Athene over aan zijne

Aspasia’s, zijne volksleiders, zijne brassers en aan zijne sluwe,

nietswaardige, wraakgierige Erechtheüs-priesters!”

„Gij had gelijk,” zei Agoracritus, „dat gij Athene den rug hebt

toegekeerd; de Atheners zouden misschien zelfs uwe kunst hebben ontwijd

en bedorven; naar hun laatsten smaak hadt gij wellicht Priapussen

moeten beitelen, in plaats van Olympische Goden.”

„Of de wanstaltige gedaante van dien bedelaar, die op deze reine hoogte

zich koestert, als een uit de onderaardsche poelen ontsnapte molik!”

sprak Phidias en wees op den welbekenden, kreupelen Meno, die juist

tusschen de zuilen in de zon lag.

De bedelaar had de woorden van Phidias gehoord; hij grijnsde, balde de

vuist en wierp hem eene verwensching naar het hoofd.

Phidias stond met Agoracritus op, en eene schrede verder in de richting

van het Erechtheüm gaande, zag hij Diopithes achter de zuilen staan.

„Kijk eens, hoe waakzaam de uilen van het Erechtheüm zijn!” zeide

Phidias.

Een donkere blik van diepen haat wierp de beschaamde luistervink op den

beeldhouwer.

„Scherpe snavels en scherpe klauwen hebben ze, de uilen van het

Erechtheüm!” riep hij. „Pas op, dat zij u niet onverwachts de oogen

uitkrabben!”

Zoo sprak Diopithes. De beeldhouwer echter herhaalde ook thans weder

het woord van Homerus:

„Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”

„Welaan!” mompelde Diopithes voor zich heen, toen de beide mannen zich

reeds verwijderd hadden. „Bouw maar op de bescherming van uwe Pallas,

ik bouw op de macht der mijnen! Lang genoeg voorbereid is hij, de

beslissende kamp tusschen uw gouden en ivoren maaksel en het echte,

oude Godsbeeld daar binnen in de heilige plaats van het Erechtheüm!”

Hij wilde zich juist verwijderen, toen de dolle Meno met zijne kruk,

nog altijd in zich zelven Phidias met smaadwoorden verwenschend, tegen

eene der gladde, schitterende zuilen sloeg, zoodat een splinter er

afvloog.

Diopithes dit ziende naderde Meno; de blikken van den woesten bedelaar

en van den Erechtheüs-priester ontmoetten elkander.

Zij kenden elkander.

Meno was eens, zooals reeds verhaald is, met de overige slaven van zijn

heer, die aangeklaagd was, gefolterd geworden. Niet anders dan met de

pijnbank werden Helleensche voor het gerecht ondervraagd. Zóó derhalve

had Meno getuigenis afgelegd en op grond daarvan was de Athener

vrijgesproken. Doch de slaaf Meno had van dit pijnlijk verhoor eene

verminking der ledematen overgehouden. Hij was kreupel geworden. Uit

medelijden had zijn heer hem in vrijheid gesteld en hem, bij zijn dood,

eene aanzienlijke som vermaakt. De half krankzinnige Meno echter wierp

het ontvangen geld in het Barathon [393] en verkoos als bedelaar

werkeloos onder de Atheners rond te dolen. Hij leefde deels van de

spijzen, die men op de graven der dooden legde. Wanneer het ’s winters

vroor, warmde hij zijne jichtige leden bij de vuren der smidsen of aan

de ovens der openbare baden. Een lievelingsoord van hem was een

afschuwelijke plek in Milete, waar men de lichamen der ter dood

gebrachten en de stroppen en kleederen der zelfmoordenaars wierp. Hij

verzamelde de stroppen zorgvuldig en telde ze dagelijks. Een hond, die

schurftig geworden was en daarom door zijn meester weggejaagd, was naar

hem toegeloopen en sedert onafscheidelijk van hem. Meno was van een

kwaadaardig, sluw karakter en zijn hoogste genoegen scheen hij er in te

stellen, zoo hij twist en tweedracht kon zaaien of eenig kwaad onder

het volk te weeg brengen. Hij scheen door een heimelijk gevoel van

wraak bezield en in alles scheen zijn toeleg om de slavernij op de

vrije onderdrukkers te wreken. Opzettelijk deed de verminkte bedelaar

zich krankzinniger voor dan hij inderdaad was, om ongestraft den

Atheners de hardste waarheden naar het hoofd te kunnen slingeren en in

’t algemeen alles te mogen doen, wat men een mensch met gezonde zinnen

niet zou toestaan. Hij was steeds op de Agora of elders op openbare

plaatsen te zien; ook op de Acropolis was hij tehuis geraakt, waar hij

onder de schare van werklieden rondliep. Want overal vond hij zich op

zijne plaats waar drukte van menschen was en waar hij zijne duivelsche

rol kon spelen.

Bovenal echter was ’t hem op de Acropolis bevallen, van het oogenblik

af, dat hij bemerkte hoe de Erechtheüs-priester Diopithes en de

bouwmeester Callicrates elkander met verbittering bestreden. Hij scheen

zich tot taak te hebben gesteld de tempeldienaars van den

Erechtheüs-priester en de werklieden van Callicrates tegen elkander in

’t harnas te jagen. Hij liet zich ook gewillig als tusschenpersoon of

als spion gebruiken. Hij diende beide partijen, en beiden haatte hij

evenzeer, zooals hij allen haatte, die vrijgeborenen en Atheners waren.

Diopithes zelf sprak somwijlen met hem en erkende weldra de

bruikbaarheid van dit werktuig. De man was immers altijd onder het

volk, hij bespiedde en beluisterde alles. Niemand meende iets voor den

onnoozele te behoeven te verbergen, en de scherpheid zijner tong maakte

hem even zeer gezocht als gevreesd bij het Atheensche volk.

Meno en Diopithes kenden derhalve elkander en zij verstonden elkander

zeer goed. Lang onderdrukte wrok en wraakzucht maakten den lammen

bedelaar en den priester tot bondgenooten.

„Gij zijt boos op Phidias?” begon Diopithes.

„Moge de helhond met zijn honderd koppen hem vernielen!—Trotsche kerel!

Joeg mij altijd de deur uit, als hij merkte, dat ik mij warmde aan het

vuur der smeltovens in zijne werkplaats—mijne wanstaltigheid beviel hem

niet.—Gij zijt een gedrocht, Meno, zei hij, een monster—hij wilde

alleen Olympische Goden en Godinnen om zich heen zien—ha, ha, ha.—Dat

de bliksem hem treffe, hem en alle Atheners te zamen!”—

„Gij waard dus nog al dikwijls in zijne werkplaats?”—

„Hij zag mij niet altijd—ik hem wel—Meno weet in hoekjes en gaatjes te

kruipen—zag hem zijn ijdel, blinkend handwerk verrichten—zag hem

roekeloos omgaan, hem en de zijnen, met het witte marmer en het metaal

en het ivoor en het blinkend goud.”—

„Zaagt gij hem roekeloos omgaan met het goud?”—

Bij dit woord begonnen de oogen van den Erechtheüs-priester zeldzaam te

flikkeren en een grijnslach plooide zijne lippen.

„Zaagt gij hem met het goud spelen, Meno?” herhaalde hij, terwijl een

onheilspellend vuur uit zijne loensche oogen straalde; „met het

blinkend goud, dat de stad der Atheners hem in zijne werkplaats

verschaft heeft, om daaruit en uit ivoor de Godenbeelden op de

Acropolis te maken?”—

„Ja zeker, zeker—met het blinkend goud der Atheners—ik zag hem

grabbelen in gansche schatten van goud en ivoor—dat blonk en glom.”

„Zou al dat blinkende goud wel in den smeltkroes gekomen zijn, Meno?

Zou niet misschien toevallig iets aan de vingers zijn blijven kleven

van hen, die daarmede omgingen?”—

Bij deze laaghartige vraag zag de bedelaar den priester grijnzend aan.

Een daemonische glans lag op zijn gelaat.

„Ha, ha, ha,” lachte hij—„Meno weet te loeren, te bespieden—zag hem

werken, ook als hij meende niet opgemerkt te worden—zag hem heimelijk

kasten openen, waar het verborgen goud fonkelde,—ha, ha, ha,—het gele

goud—het goud der Atheners—oogen zette hij dan op als een griffioen,

die een schat bewaakt,—tastte er in als met klauwen—zóó.—Het schuim

kwam hem op den mond, toen hij mij ontdekte—joeg mij de deur uit—wilde

niet, dat ik mij warmde—Wacht maar, ellendeling—zie mij maar aan met uw

bliksemend oog, oude, grauwe griffioen.”—

En wederom hief de bedelaar dreigend de kruk op tegen het Parthenon,

als wilde hij het uit wraak tegen den meester in puin slaan.

Na eene kleine pauze naderde de priester hem nog dichter en fluisterde

hem in ’t oor:

„Hoor eens, Meno, wat gij daar gezegd hebt, zoudt gij dat ook op de

Agora durven zeggen ten aanhoore van alle Atheners?”

„Ten aanhoore van alle Atheners—ten aanhoore van alle twintigduizend

lompe honden van Atheners dat de pest ze hale!”—

Sinds dit onderhoud verspreidde zich door geheel Athene het praatje van

harde, trotsche, beleedigende woorden, die Phidias zou gesproken hebben

tegen zijne kunstbroeders en tegen het geheele Atheensche volk. Er werd

verteld, dat hij op de volksheerschappij gesmaald, dat hij zijn

vaderland veracht en de Eleërs geprezen had, dat hij gezworen had

Athene den rug toe te keeren en voortaan alleen aan andere Hellenen

zijne diensten te zullen wijden. Tevens werd er gemompeld van goud, hem

van staatswege geleverd, en dat niet geheel en al in de smeltkroezen

zijner werkplaats gekomen was...

Als onkruid schoten deze praatjes op onder het volk tot eene giftige

plant van verbittering en vijandschap tegen den edelen, rustig

werkenden meester van het Parthenon.

De dag was gekomen, waarop de zaak van Aspasia voor de Heliasten, onder

voorzitterschap van den Archon Basileus, in een der gerechtshoven van

de Agora zou behandeld worden.

Van den vroegen morgen af drong het volk om het gerechtshof.

Rustig en kalm was op dien dag onder alle Atheners alleen Aspasia

zelve. Zij stond op een bovenvertrek van haar huis en zag door eene

soort van venster op straat naar de menigte, die naar de Agora trok.

Zij was een weinig bleek, doch niet van angst; want om hare lippen

zweefde een verachtelijke glimlach.

Pericles trad tot haar.

Hij was bleeker dan Aspasia en een diepen ernst lag op zijne trekken.

Stilzwijgend sloeg hij een blik naar den somberen hemel boven zich. De

lucht was betrokken. Zwermen van kraanvogels vlogen van den

Noordelijken Strymon [394] naar Attica en hun gekras scheen een

voorbode van regen te zijn.

Nu trad een lange trein van meest bedaagde mannen over de straat. Het

was de afdeeling der Heliasten, aan wie de zaak van Aspasia ter

beslissing was opgedragen. Het waren de rechters, voor wie de gade van

Pericles zich moest verantwoorden en door wie haar vonnis zou worden

uitgesproken.

„Kijk, daar zijn die oude jongens!” zei Aspasia glimlachend, op de

Heliasten wijzend. „De helft van hen draagt afgesleten mantels, heeft

een hongerig voorkomen en steunt in het loopen op dien langen, mij

onverdragelijken Atheenschen stok, dien Phidias zelfs in het fries op

de Acropolis aan ’t oog der schoonheidkenners heeft vertoond. Er zijn

er onder, die knoflook kauwen en de smerige obolen, die zij als

rechtersloon voor dezen dag zooeven ontvangen hebben, tusschen de

lippen houden.”—

„’t Zijn mannen uit het volk,” zei Pericles en haalde de schouders op.

„’t Zijn mannen uit het Atheensche volk, ’t geen u eens zoo goed

beviel, dat gij ter liefde daarvoor, naar gij mij verhaald hebt, het

Perzische hof en uw schoon Milete hebt verlaten, en door sterke

begeerte gedreven over de zee herwaarts zijt gekomen, om het op te

zoeken en er onder te leven.”—

Aspasia sprak niet één enkel woord.

„Dit knoflook kauwend, lange stokken dragend, obolen in den mond nemend

Atheensche volk,” vervolgde Pericles, „is juist hetzelfde, welks

schoone gestalte en ongedwongen houding uwe bewondering wekte, welks

vaderlandsliefde u trof, welks kunstliefde u niet alleen in de

scheppende beeldhouwers en dichters onvergelijkelijk voorkwam, maar

insgelijks in zijne geestdrift, in zijn fijnen smaak om te zien, te

hooren en te genieten.”

„Nu echter weet ik,” hernam Aspasia, „dat het veelgeprezen, fijne

Attische volk nog sporen van ruwheid, ik mag wel zeggen, van

barbaarschheid, in zich bevat.”

„Er is niets volmaakts onder de zon!” sprak Pericles, „een groot licht

gaat altijd met groote schaduw gepaard. Ik herinner mij onlangs in de

werkplaats van een onzer beeldhouwers een zonderling beeld gezien te

hebben: ’t was eene gestalte met vleugels aan de schouders en

bokspooten. Dit wangedrocht schijnt mij het Atheensche volk. Het heeft

aanleg voor de hoogste vlucht, maar het loopt nog op bokspooten.

Overigens moet gij bedenken, dat het Atheensche volk zijne groote

deugden zelf alleen bezit, terwijl het zijne zwakheden met anderen

deelt. En evenals de schoonste vrouw toch altijd vrouw blijft, zoo is

het voortreffelijkste volk nog altijd een volk, aangedaan met de

zwakheden en hartstochten van hetgeen men juist het volk, de massa, den

grooten hoop pleegt te noemen.”

„Meer dan andere,” riep Aspasia opstuivend, „is het Atheensche volk

ondankbaar, wispelturig, naar iederen wind draaiend, lichtzinnig.”

„Maar het is beminnelijk!” zei Pericles op een toon van fijne ironie,

„genotlievend en vroolijk en een vurig vriend en vereerder van het

schoone.—Wat wilt gij nog meer, Aspasia?—Hebt gij zelve niet dikwijls

genoeg den armen suffer Socrates uitgelachen en bespot, omdat hij van

het Atheensche volk nog andere deugden scheen te verlangen, dan die,

welke ik u zooeven opnoemde?”

Aspasia wendde trotsch het hoofd af, alsof zij beleedigd was.

„’t Is tijd,” zei Pericles na eene pauze, „om te gaan en ons naar ’t

gerechtshof op de Agora te begeven, waar de rechters u wachten.—Zijt

gij in het geheel niet bevreesd, Aspasia? Uwe trekken verraden niet de

minste bekommering. Wilt gij mij alleen de bange zorgen overlaten?”

„Ik vrees,” hernam Aspasia, „veel meer de nare lucht van het knoflook

in die vertrekken, dan het vonnis, dat uit den mond dier mannen mij

treffen kan. Nog voel ik mij door denzelfden moed bezield, die mij

vervulde onder het gepeupel van Megara en in het volksgedrang in de

straten van Eleusis.”

Terwijl dit gesprek tusschen hen beiden werd gevoerd, waren de

Heliasten in het gerechtshof op de Agora aangekomen; ook de Archon

Basileus was met eenige ondergeschikte ambtenaren, openbare schrijvers,

verschenen, benevens de opgeroepen getuigen van den aanklager en de

aangeklaagden.

Vóór het gerechtshof echter woelde de schare des volks levendig

dooreen. Bont door elkander gonsden daar de stemmen; meeningen,

wenschen, voorspellingen werden gewisseld. Men kon tegenstanders en

aanhangers der beklaagden, ook onpartijdigen, hooren.

„Weet gij waarom zij Anaxagoras en Aspasia aangeklaagd hebben?” riep er

een. „Omdat zij Pericles gevoelig willen treffen, maar zich aan hem

zelven niet durven wagen. Want er is geen sterveling in Athene, die

Pericles zelven openlijk zou durven aantasten.”

„Maar zou men het daarom niet kunnen?” schreeuwde een verschrompeld

mannetje, met gluipende oogen, nader bij komend. „Zou men het niet

kunnen? Zou men van Pericles, na een bestuur van zoovele jaren, geen

betere en nauwkeuriger rekening en verantwoording kunnen verlangen, dan

hij tot nu toe gedaan heeft? Komen in zijne rekeningen geen posten voor

met de eenvoudige verklaring: doelmatig aangewend? Wat moet dat

beteekenen, bid ik u, doelmatig aangewend? Zeg? Kan men het volk

onbeschaamder zand in de oogen strooien? Hoort toch eens: doelmatig

aangewend!”

Zoo riep de man en vervolgde zijn weg door de menigte en vroeg overal,

wat het toch beteekenen moest „doelmatig aangewend.”

„Dat zijn sommen,” merkte iemand op met een geheimzinnig gezicht, „die

Pericles aanwendt, om invloedrijke mannen in de Peloponnesus den mond

te stoppen opdat zij geen booze plannen zouden smeden tegen Athene.”

„Opdat zij hem niet zouden dwarsboomen in de herstelling der tyrannie

[395] te Athene!” viel het levendige mannetje met de loensche oogen

schamper lachend in. „Want wanneer gij u verbeeldt, dat de geleerde

Pericles, zoo dikwijls hij met zijne vrienden fluistert, alleen de

lengte van vlooienpooten en de breedte van muggenbeten met hen

berekent, dan dwaalt gij! Hij bazelt reeds lang over de eenheid van

geheel Hellas—hij zou, om het kortweg bij zijn naam te noemen, vol

gaarne tyran van het geheele Helleensche land worden. Zijne vrouw, de

Milesische, heeft hem dit in ’t hoofd gezet, en dit denkbeeld vindt hoe

langer zoo meer ingang bij hem en zal hem tot razernij brengen. Naar

niets minder dan naar eene koningskroon verlangt deze hetaere—zij zou

zoo gaarne koningin heeten—koningin van geheel Hellas—de lauweren harer

landgenoote drijven haar den slaap uit de oogen.”

Zoo zaaide de vijand der tyrannie, met zijne scherpe tong, twist en

tweedracht.

In het gerechtshof echter op de Agora zaten reeds de rechters op hunne

houten banken, afwachtende de dingen, die komen zouden. De Archon

Basileus bekleedde het voorzitterschap, terwijl schrijvers en dienaren

hem omringden.

De gerechtsplaats was afgezet; eene getraliede deur verschafte alleen

toegang aan hen, die de Archon Basileus opriep.

Aan de buitenzijde der omheining verdrong zich het volk, om aan te

hooren, wat gesproken zou worden.

Tegenover de banken der rechters was voor de beklaagden, zoowel als

voor den aanklager, eene eenigszins verheven stellage opgericht,

waardoor zij in de verte gezien en op een afstand gehoord konden

worden.

Op eene dier hoogere plaatsen zat Hermippus, een man van een

onaangenaam somber uiterlijk, wiens doorborend oog onrustig

ronddwaalde.

Op de andere plaats zat Aspasia, naast haar Pericles. Want als vrouw,

maar vooral als vreemdelinge, moest zij zich voor het gerecht door een

man, een burger des vaderlands, laten vertegenwoordigen.

Het was een schouwspel, dat het hart van velen bewoog en roerde, de

schoonste en meest gevierde vrouw van haar tijd, de vrouw van den

grooten Pericles, op de bank der beschuldigden te zien.

Dat Pericles naast haar zat, haar mede-aangeklaagde als het ware,

verhoogde nog het ernstige en treffende van het tooneel.

Met een zekeren trots zetten de rechters en een deel des volks de borst

op, daar zij zagen, dat ook de machtigsten zich voor hun rechterstoel

moesten stellen en zich onderwerpen aan de almachtige wetten van den

staat.

Boosaardige blikken wierp Hermippus op de schoone vrouw, over wier

gelaat eene zachte bleekheid lag, die de uitdrukking van ongebogen

fierheid, welke uit hare trekken straalde, nauwelijks vermocht te

temperen.

Thans opende de Archon Basileus de vergadering. Hij nam den aanklager

den eed af, dat hij alleen ter liefde der waarheid en der

rechtvaardigheid de aanklacht had ingediend. De rechters zelven hadden

reeds bij de aanvaarding van hun ambt den eed van rechtvaardigheid en

stipte nauwgezetheid afgelegd.

Nu liet de Archon door een der staatsschrijvers eerst de aanklacht,

daarna het tegen de akte van beschuldiging ingediende tegenschrift

voorlezen.

Vervolgens verzocht hij den klager zijne aanklacht mondeling en

uitvoerig toe te lichten.

Aspasia(#64986) · 第 45 / 57 段