daad van Aspasia en de brooddronkenheid van Alcibiades hem op den hals
haalden. Aspasia echter was door haar geheele karakter onaantastbaar.
De storm kan wel een eik ontwortelen, maar geen bloem knakken. Den
jongen Alcibiades echter verweet Pericles in ernstige bewoordingen
zijne teugelloosheid, die, voor een deel althans, de bewuste
onaangename verwikkelingen met Megara veroorzaakt had. Hij vermaande
hem de voetstappen zijner voorvaderen te drukken, zich verdienstelijk
te maken jegens het vaderland en naar roemrijke daden te streven.
„Dat wil ik!” hernam de jonge Alcibiades half ernstig half schertsend.
„Wie echter dan gij, o Pericles, is de schuld, dat ik geen gelegenheid
vind, om mij door roemrijke daden te onderscheiden? Hoe lang nog moeten
wij werkeloos in dezen vervelenden vrede suffen? Geef mij eene vloot,
dan zal ik u Carthago en Sicilië veroveren! Maar zelfs de weinige,
armzalige triëren weigert gij mij, die ik noodig had, om de lieftallige
meisjes Drosis en Prasina uit de gevangenschap in het ellendige Megara
te bevrijden. Mij blijft niets overig, wanneer ik mij jegens het
vaderland verdienstelijk wil maken, dan eens naar Sparta te gaan en de
vrouw van den Spartaanschen koning te verleiden, ten einde het Dorische
bloed te vervalschen met het Ionische, ten gunste der Atheners! O
zeker, Pericles, het ontbreekt mij niet aan begeerte naar dappere
daden.”
„Onstuimige begeerte naar roemvolle daden, zonder waardigheid en
ernstig overleg,” sprak Pericles, „zal nimmer nut stichten, maar
slechts verderfelijke gevolgen na zich sleepen. Uwe voortreffelijke
eigenschappen, waarde Alcibiades, zijn geen blijde hoop, maar een
gevaar voor het vaderland, zoolang zij met ondeugden als de uwe gepaard
gaan.”
„Is ’t dan eene ondeugd,” riep Alcibiades, „het genoegen na te jagen?
en is niet de jeugd de beste tijd om te genieten?”
„Gij vergist u!” antwoordde Pericles ernstig; „de jeugd is niet de tijd
van het genot zelf, zij is de tijd om zich met lichaam en ziel op
waarachtig genot voor te bereiden. Zij is de tijd om de vatbaarheid
voor genot te ontwikkelen, niet ze te verstompen. Gij meent te
genieten, jonge zoon van Clinias! Maar uw genot van alle vreugdebekers
is niet veel meer, dan jongensachtige overmoed, gedachteloos spel!”—
„Slechts één leven geven ons de Goden om te genieten!” zeide
Alcibiades.
„Juist daarom!” hernam Pericles, „moeten wij er op bedacht zijn, het
niet te verspillen, maar het te behouden!”
Zoo onderhield zich Pericles ernstig vermanend met den jongeling.
Deze echter ging van Pericles naar zijne vriendin Theodota en herhaalde
glimlachend de woorden van Pericles, terwijl hij er bijvoegde:
„Nu zie ik, dat mijn oude vriend, mijn geliefde Socrates, inderdaad
wijzer is dan Pericles en dan al die andere wijze mannen te Athene.
Want deze Socrates alleen heeft het reeds lang volkomen begrepen, dat
bij den zoon van Clinias dergelijke vermaningen dwaas en vergeefsch
zijn!”—
Een geruime tijd was verstreken, sinds Pericles en Aspasia van hunne
Elische reis naar Athene teruggekeerd waren en de Erechtheüs-priester
Diopithes met de vijanden van het edele paar eene samenzwering had
gesmeed.
Doch niet ongebruikt was deze tijd van Diopithes voorbijgegaan. Reeds
te voren waren de wapenen voor den eersten aanval geslepen. Diopithes
had van Pericles’ afwezigheid uit Athene gebruik gemaakt, om in de
volksvergadering een wetsvoorstel in te dienen tegen hen, die den
godsdienst van het Attische land verloochenden, en tegen de wijsgeeren,
wier leer in tegenspraak was met het van de vaderen geërfde geloof. Met
de plechtigheid van een Godsgezant was de Erechtheüs-priester voor de
menigte opgetreden, en zoo hartstochtelijk bezield was zijne rede
geweest, zoo doorspekt met bedreigingen en onheilspellende
orakelspreuken, dat het hem inderdaad gelukte de beslissende
meerderheid van stemmen op de Pnyx voor zijne wet te winnen.
Sedert dien dag hing het zwaard van Damocles boven het hoofd van den
grijzen Anaxagoras. Op hem was het eerst de pijl van Diopithes gericht;
doch zijne bedoelingen gingen nog verder. In het geheim wierf hij
bondgenooten en helpers en sloot zich bij alle vijanden van Pericles
aan.
De bitterheid in zijne ziel vond iederen dag nieuw voedsel. Want voor
zijne oogen bewoog zich nog altijd die gehate Callicrates onder de
werkende en woelende arbeidersschare op de hoogte van de Acropolis, het
prachtig werk der Propylaeën onder de leiding van den voortreffelijken
Mnesicles met gelijken ijver bevorderend, als vroeger den feesttempel
van Pallas. Een gruwel was Callicrates den priester, een gruwel waren
hem zijne helpers, die over dag aan het gehate werk arbeidden en des
nachts bij gansche groepen op steenen of hoopen zand zich ter ruste
vlijden; een gruwel was hem ook dat dier, die oude muilezel, welken,
zooals reeds verhaald is, de gedwongen rust zijns ouderdoms niet
behaagde, maar uit oude gewoonte op de Acropolis rondliep, en wien de
gunst ten deel was gevallen, dat de schade, die hij door zijn grazen en
snuffelen aan vreemd eigendom mocht veroorzaken, van staatswege zou
worden vergoed.
Kleine oorzaken, zegt het spreekwoord, sleepen dikwijls groote gevolgen
na zich.
Overmoedig geworden door de openlijke gunst, die het volk der Atheners
hem bewees, ging de muilezel van Callicrates voort op de Acropolis rond
te loopen, zonder eenigen schroom omtrent zijn gedrag, waardoor hij
reeds lang de verbittering van Diopithes tot het uiterste had gedreven.
Zonder eenigen eerbied vergreep hij zich aan de heiligdommen van het
Erechtheüm. Hij scheen niets zoo smakelijk te vinden, als de kruiden,
die op het tempelgebied groeiden. Hij had geen ontzag voor de giftige
blikken, die Diopithes op hem wierp, ja hij gaf nauwelijks om de
nijdige stompen en slagen, waarmede de tempeldienaars hem trachtten te
verdrijven. Hij besnuffelde voor en na de offerkoeken, die door vrome
lieden op het altaar van Zeus voor het Erechtheüm werden neergelegd.
Beklaagde Diopithes zich over dat vergrijp bij Callicrates, dan haalde
deze de schouders op en beriep zich op de wettelijke voorrechten van
het dier en op de bereidwilligheid der openbare schatmeesters, om de
aangerichte schade te vergoeden. Daar de priester met al zijne klachten
niet verder kwam, had hij reeds sinds lang het onbeschaamde beest
vreeselijke wraak gezworen.
Het dier echter liep blindelings in zijn verderf en deed de maat zijner
ongerechtigheid overloopen, door op zekeren dag de toevallig open en
onbewaakte deur van het heiligdom van Erechtheüs en Athene Polias
binnen te sluipen; de ontstelde tempeldienaars vonden hem met zijn
onheiligen snuit aan een frisschen krans snuffelend, waarmede men het
overoude, houten beeld van de Godin op den morgen van dien dag getooid
had.
Den volgenden morgen lokte Diopithes den muilezel van Callicrates
heimelijk tot zich en wierp hem een koek voor.
Des avonds van dien zelfden dag vond men het dier dood liggen op de
trappen van het Parthenon.
Een der werklieden van Callicrates had uit de verte gezien, dat de
Erechtheüs-priester het muildier spijs had voorgeworpen, en nu waren
allen overtuigd, dat het beest als een offer van Diopithes’ wraak was
gevallen.
Eenigen zwoeren hem daarvoor te zullen straffen, verzamelden zich voor
het Erechtheüm en overlaadden den priester met luide smaadreden. Ware
niet Mnesicles te rechter tijd verschenen, dan zou Diopithes het er
slecht afgebracht hebben onder de handen der werklieden van
Callicrates.
Thans was de beker van toorn vol in den boezem van den
Erechtheüs-priester. Hij kon zich niet langer bedwingen om zijne
gramschap lucht te geven en de hand te leggen aan het groote, lang
beraamde plan der wraak.
’t Was een stormachtige nacht, een nacht, waarin de hemel bewolkt was
en donkere wolken voorbij de maan joegen. Toen kwamen in de eenzame
Eumenidengrot op den Areopagus drie mannen tot een heimelijk onderhoud
te zamen.
Diopithes was een dier mannen en hij was het ook, die de beide anderen
tot een gesprek daarheen had genoodigd. Want zijne omgang met de
eedgenooten op de Acropolis liep te zeer in ’t oog van den waakzamen
Callicrates.
De tweede der mannen, welke in de Eumenidengrot kwam, was de oligarch
Thucydides, die door Pericles was ten val gebracht. Hij en Diopithes
traden het eerst de grot binnen. Nu kwam ook de derde der mannen, half
vermomd, niet ongelijk aan een dief in den nacht, met schier onhoorbare
schreden aansluipen.
Met eene zekere nieuwsgierigheid vestigde de oligarch zijne blikken op
hem. Diopithes toch had hem zijn naam niet genoemd. Maar toen nu de
nieuwaangekomene tegenover de beide andere mannen in de eenzame grot
stond en zijn gelaat door het licht der maan, dat juist door de wolken
brak, zichtbaar werd, deinsde de oligarch met teekenen van afkeer een
eind terug. Om zijne lippen speelde een grijnslach van ontevredenheid
en minachting.
Hij had de grove trekken van den leerlooier Cleon herkend, den hem en
de geheele oligarchische partij doodelijk gehaten volksredenaar, wiens
ruwe onstuimigheid en bulderende taal op de Pnyx de volksheerschappij,
door Heracles in ’t leven geroepen, maar ook door zijn wijs beleid
beteugeld, onmatig trachtte uit te breiden.
Met verbazing en wrevel wendde de oligarch zich tot Diopithes.
„Met welk een man,” zeide hij, „brengt gij mij nu te zamen?”
Doch ook Cleon beet verwonderd en met een spottenden lach den
Erechtheüs-priester toe.
„Een prachtigen bondgenoot biedt gij, Diopithes, den volksman Cleon
aan!”
„Ik heb u niet hier genoodigd,” sprak de Erechtheüs-priester, „om den
twist der oligarchie en der democratie te beslechten. Ik heb u geroepen
tot een gemeenschappelijken strijd tegen een gemeenschappelijken
vijand.”
„Zal ik dan vijanden bestrijden,” zei de oligarch, „ten bate van een
man, die nog erger is dan zij?”
„Zal ik dan tegenstanders verwinnen,” hernam Cleon, „met behulp van
dengene onder hen, die mij meer gehaat is dan zij allen?”
Op deze wijze gaven de beide mannen hunne gewaarwordingen te kennen op
’t eerste oogenblik der ontmoeting.
Maar nadat zij op zachter toon een uur lang zich onderhouden hadden,
waarbij grootendeels de sluwe Erechtheüs-priester het woord had
gevoerd, zou ’t spiedend oog, als het in dien stillen nacht op den
Ares-heuvel die zelfde mannen de grot had zien uittreden, opgemerkt
hebben, dat zij, ofschoon vluchtig en zonder hartelijkheid, elkander
toch de hand gaven.
Diopithes bemoeide zich schijnbaar niet met staatszaken. Hij stond met
den woesten volksmenner Cleon op even goeden voet als met den oligarch
Thucydides. Hij streed, naar hij beweerde, alleen voor de eer der Goden
des lands en hunne heiligdommen. Om hem in dezen strijd te ondersteunen
zag noch de volksleider noch de oligarch eenig bezwaar, wanneer zij
daarvoor, naar zij beiden geloofden, een niet te verachten bondgenoot
tot het bereiken hunner eigen plannen wonnen. Inderdaad echter waren
beiden slechts werktuigen in de hand van den veel sluweren priester,
wiens eenig doel was, zijne persoonlijke vijanden, vooreerst
Anaxagoras, Phidias en Aspasia, in het verderf te storten.
Om dit te bereiken moest hij gevaarlijke aanklachten tegen hen
indienen. Tot dit doel had hij eene wet, uitsluitend tegen hen gericht,
persoonlijk doorgedreven. Opdat zij echter veroordeeld zouden worden,
moest hij het volk op zijne hand hebben. Hij moest invloed zoeken te
winnen op de stemmen der menigte. Daarvoor had hij helpers en
bondgenooten noodig.
Vandaar, dat hij overal vriendschapsbetrekkingen aanknoopte, vandaar
zijn heimelijke omgang met personen van de meest verschillende soort.
Zijn eerste, als ’t ware voorbereidende aanval, zou Anaxagoras gelden;
voorts zou een hoofdaanslag, die ook Pericles moest treffen, tegen
Aspasia gericht worden. Ten laatste zou het zwaarste, het schijnbaar
onmogelijke beproefd, en alle krachten vereenigd worden om Pericles te
doen vallen, Pericles, den bij het meerendeel van het Atheensche volk
zoo geliefden man.
Hij spoorde allen op, die te Athene tegen Aspasia vijandig werden
gevonden en schaarde ze in ’t geheim om zich heen. Hij leidde en
bestuurde ’t geheel als een goed geordend leger en gebruikte ieder
afzonderlijk als een strijder of bode in een bepaalden kring.
Hij stond door de hem verwante priesteres van Athene Polias in
betrekking tot de vrouwenwereld, tot Telesippe en de zuster van Cimon.
Hij knoopte betrekkingen aan met den somberen Agoracritus. Hij maakte
zich tot een bondgenoot van Cratinus, een Hermippus en andere
blijspeldichters, die dubbel op Aspasia gebeten waren, sedert Pericles,
door hare klachten gedreven, eindelijk besloten had de teugelloosheid
der comedie te beperken. Zijne relaties strekten zich zelfs uit tot den
dollen Meno, den gewezen slaaf, den in de geheele stad bekenden en bij
de heffe des volks geliefden zonderling, die gewillig zijne hulp tot
alle kuiperijen bood en gaarne op zich nam, om door boosaardige en
sarcastische gezegden, ruwe scherts en lompe uitvallen het volk in de
straten op te hitsen tegen de wijsgeeren en tegen de gade van Pericles.
Nauwelijks was een maand verstreken sedert de samenkomst dier drie
mannen op den Ares-heuvel, of de grootste helft van ’t Atheensche volk
was met eene vijandige gezindheid bezield tegen Aspasia en tegen de
beide vrienden van Pericles.
Wat Anaxagoras betrof, men was het hierover eens, dat hij een
godloochenaar was.
Er was schier niemand, die zich niet de eene of andere oneerbiedige
uitdrukking herinnerde, die hij op de Agora, in het Lyceüm of op eene
andere openbare plaats uit den mond van den wijsgeer had vernomen.
Waarop men vroeger ternauwernood had gelet, ja zelfs wat men deels met
ingenomenheid had gehoord, vond de wispelturigheid des volks nu
eensklaps gevaarlijk, nadat de stemming geheel was veranderd en, door
den met Diopithes heimelijk verbonden Cleon, de haat tegen de
wijsgeeren onder de heffe des volks was verbreid.
Op een laten avond, toen de straten van Athene reeds ledig waren
geworden, liep een man met haastigen en zachten tred, met blijkbaren
angst dat hij bemerkt zou worden rond zich ziende, onder de bescherming
der duisternis, daar de hemel met zwarte wolken bedekt was, uit de
Tripodenstraat in de richting van den Illissus.
Hij was niet vergezeld van een slaaf met eene fakkel zooals gewoonlijk
een nachtelijke wandelaar bij zich had. Toen de man den Illissus
bereikt had, ging hij dien over en vervolgde zijn weg tot aan de
Itonische poort, waar slechts weinige en onaanzienlijke huizen stonden.
Aan een dier onaanzienlijke woningen klopte hij. De deur werd geopend
en hij sprak fluisterend eenige woorden tot den slaaf, die hem binnen
gelaten had.
Daarop voerde deze hem in het slaapvertrek van een grijsaard. De kamer
zag er armoedig uit en op een armzalig leger rustte de grijsaard.
Die grijsaard was Anaxagoras en die late, nachtelijke bezoeker was
Pericles.
Eenigszins verwonderd zag de oude man zijn vriend aan, dien hij sedert
geruimen tijd niet gezien had en door wien hij zich schier vergeten
waande.
„Niet met eene blijde boodschap,” zeide Pericles, „kom ik u in uw
nachtelijke rust storen; maar dat ik het ben, die u de boodschap breng,
moge u een troostrijk voorteeken zijn. En niet als bode alleen, maar
ook als raadsman en helper ben ik tot u gekomen.”
„Schoon ’t ook slechte tijdingen mochten zijn,” hernam de grijsaard,
„die Pericles tot zijn ouden vriend Anaxagoras voeren, zouden ze er mij
te minder onaangenaam door treffen. Spreek eenvoudig en zonder
terughouding, wat u op het hart ligt.”—
„De eerzuchtige Cleon, naar ik weet, door den Erechtheüs-priester
heimelijk opgestookt, heeft heden eene aanklacht tegen u wegens
godloochening bij den Archon Basileus ingediend.”—
„Op godloochening,” hervatte Anaxagoras rustig, „staat, als ik mij goed
herinner, de doodstraf, volgens de wet van Diopithes. Eene zachte straf
voor een oud man!”
„Wanneer een grijs, eerwaardig hoofd bedreigd wordt,” zeide Pericles,
„wekt het grooter medelijden op, dan een jeugdig. Inmiddels, voor de
veiligheid van uw hoofd zou ik met het mijne instaan. Ik zelf zou voor
uwe rechters optreden als uw pleitbezorger en voor uw hoofd, als het
noodig mocht zijn, het mijne aanbieden. Wat ik echter niet in staat ben
te verhinderen, is, dat men u in den kerker zal brengen, tot uwe zaak
beslist is—en lang kan die snoode, meedoogelooze gevangenschap duren.”
„Laat men mij gevangen zetten,” hernam Anaxagoras. „Wat baat het mij de
voeten vrij te hebben, als mijn woord het niet meer is?”
„Dat zal voorbijgaan!” antwoordde Pericles. „Ook aan uw woord zal de
vrijheid weder gegeven worden, en eene prooi der knabbelende muizen zal
de wet worden, die de sluwe Erechtheüs-priester bij het opgewonden volk
heeft doorgedreven, toen ik verre van Athene was en mijn woord niet ter
beslissing in de schaal kon werpen. Buk voor het oogenblik echter voor
den drang der omstandigheden. Sta op en bind de zolen onder uwe voeten.
Verlaat onverwijld en heimelijk voor een tijdlang Athene. Alle
voorbereidselen voor uwe vlucht zijn genomen. Beneden in de eenzame
baai van Phaleron ligt een vaartuig gereed om u te voeren waarheen gij
wilt. Met mijn vriend Cephalus heb ik alles voor u bezorgd en in orde
gemaakt, en hij zelf zal u vergezellen op uwe vlucht, totdat gij eene
gewenschte wijkplaats hebt bereikt. Zwaar valt het mij in den nacht tot
de legerstede van een zwakken grijsaard te komen en tot hem te zeggen:
„Maak u op en ga!” Doch ik moet het doen. In de diepe duisternis van
dezen nacht nog breng ik u zelf naar de baai van Phaleron, waar
Cephalus u wacht.”
„Ik heb geen gegronde reden om te gaan,” zeide Anaxagoras, „maar nog
minder om te blijven; want ik ben oud en alle wegen der wereld voeren
naar de laatste rust van den Hades. En wanneer de man in Phaleron met
het vaartuig mij wacht, waarom zou ik hem dan te vergeefs laten
wachten? Breng mij naar de Mysische kust, naar Lampsacus. Daar wonen
mij bevriende mannen. Daar mogen zij mij begraven en het woord waarheid
op mijn graf beitelen. De kleinzonen der Atheners mogen het lezen, als
zij Lampsacus bezoeken, en zien, dat men aan het strand van den
Hellespont, niet verre van het gebied der Barbaren, der waarheid en een
stervenden grijsaard, die haar predikte, een plaatsje heeft gegund.
Roep mijn ouden slaaf, Pericles, om mij de sandalen aan de voeten te
binden, en de weinige boekrollen tot een bundeltje samen te voegen en
mij naar de zee en verder, als hij wil, te vergezellen.”
De grijsaard stond met behulp van Pericles op van zijne legerstede,
liet zich door zijn slaaf de sandalen onder de voeten binden, wierp de
chiton om en in eenige oogenblikken was hij gereed voor de reis.
Toen gingen de beide mannen, met de slaaf achter zich, onder
bescherming van den donkeren nacht, door de Itonische poort en langs
den langen muur over den eenzamen weg naar de baai van Phaleron.
Spoedig hadden zij de baai bereikt en vonden Cephalus op eene door
rotsen omsloten plaats, waar de zee zacht als in een droom tegen het
strand murmelde. Alleen met een handdruk begroetten de mannen elkander.
Anaxagoras stond op ’t punt van Pericles afscheid te nemen en het
vaartuig te bestijgen. En terwijl zij elkander de hand reikten zag
Pericles met een blik van diepe deernis op den grijsaard neder, die in
het eenzame uur van den nacht uitgedreven werd naar den vreemde over de
onstuimige baren.
„Waarom beklaagt gij mij?” zeide de grijsaard. „Mij treft in de wereld
niets onvoorbereid. Ik heb in mijn langen levensloop, ’t een na ’t
ander, alles in mij gedood, wat vatbaar was voor lijden. Als vurig
jongeling leed ik veel, ik zag hoe verlokkend het leven was, maar
tevens hoe vluchtig en ijdel. Toen wierp ik langzamerhand alles van mij
en ik dompelde mij al dieper en dieper in de kalme wateren der
bespiegeling. Zóó ben ik oud geworden en mijn lichaam zwak, maar de
hechte zuil van den onverstoorbaren vrede staat onwankelbaar in mijne
ziel. Op de onzekere zee meent gij Atheners mij uit te drijven en
zelven op het veilige vaste land achter te blijven. Inderdaad echter
ben ik het, die van het kalme strand u rond zie dobberen op de woeste
en opgestuwde baren des levens! U, mijn vriend, is een ander lot dan
mij ten deel gevallen. Gij hebt het schoone, het geluk, het genot, den
roem nagejaagd. Gij hebt u verbonden aan eene schoone vrouw, die uwe
zinnen heeft bevangen, eene vrouw, schoon genoeg om u zalig te maken.
Zalig prijs ik u daarom, maar zal ik u ook gelukkig noemen? Zalig is de
genietende, maar gelukkig alleen hij, die niets verliezen kan en dien
het leven niet kan teleurstellen, omdat hij er niets van begeert.”
„Den stervelingen is het door ’t lot beschoren,” hernam Pericles,
„verschillende wegen te betreden. Ik heb veel nagejaagd, veel bereikt,
maar eerst het laatste oogenblik sluit de rekening af en alleen de dood
maakt de balans op van het leven. Ik heb mij gehecht aan eene schoone
vrouw, zooals gij zegt. Een nieuw bond heb ik met haar gesloten, dat
voert tot een schoon, vrij en edel genot des levens. Wij vereenigden
ons om iets nieuws te beproeven, maar hoe de proef zal uitvallen is nog
voor mij verborgen. Menige stoornis heeft zich reeds doen gevoelen,
somwijlen valt er een bittere droppel in de vreugdekelk en eene zekere
onrust bekruipt niet zelden mijn gemoed. Heb ik misschien te veel op de
schoonheid, het leven en het geluk vertrouwd met hunne schitterende
beloften? Hoe het ook zijn moge, de teerling des levens is geworpen en
mijn lot zal ik mannelijk dragen!”—
Zóó stortten Pericles en Anaxagoras in den stillen nacht, onder ’t
klotsen der zee, bij ’t afscheid nemen, het diepste en innigste van hun
gemoed voor elkander uit.
Toen herdachten zij hunne vierentwintigjarige hartelijke vriendschap en
omarmden en kusten elkander.
Anaxagoras zag nog eenmaal naar de in schaduw gehulde stad en sprak:
„Vaarwel, gij stad van Pallas Athene! vaarwel, Attische grond, die mij
zoo lang gastvrijheid hebt verleend! Gij hebt mijne zaadkorrels eene
plaats gegund. Uit hetgeen sterfelijke handen zaaien, ontkiemt het
goede zoowel als het kwade; doch alleen het goede blijft onsterfelijk.
Kalm en met mijn besten zegen neem ik van u afscheid en bestijg het
ranke vaartuig; ik vertrouw mij als grijsaard aan diezelfde golven
weder, die mij als jong en krachtig man naar uw strand hebben
gevoerd!”—
Na deze woorden gesproken te hebben, beklom de wijze van Clazomenae het
vaartuig.
Nog eenmaal wuifde hij Pericles met de hand toe, toen klonken
riemslagen—zacht ruischten de golven—en het schip gleed stil en snel
over den grauwen waterspiegel naar de opene, in nevelen gehulde zee.
Eenige zeevogels in de spleten der rotsen werden opgeschrikt uit hun
slaap, klepten even met hunne vlerken en sluimerden weder in.
Pericles stond op het eenzame strand en staarde het snel wegvarende
schip langen tijd na.
Toen ging hij in diepe gepeinzen verzonken terug naar de stad en eene
huivering voer hem door de leden bij de koelte van den aanbrekenden
morgen.
Op de Agora gekomen, zag hij dat er reeds, trots den vroegen morgen,
eene groote menigte volks zich om de zoogenaamde koninklijke
zuilengalerij verdrong.
De menigte staarde met verbazing op een geschrift, dat eene afkondiging
van den Archon inhield. ’t Was het afschrift eener akte van
beschuldiging.
Zij luidde als volgt:
„Aanklacht, onderteekend en ingediend, onder eede bekrachtigd door
Hermippus, de zoon van Lysides, tegen Aspasia, de dochter van Axiochus
uit Milete: Aspasia is schuldig aan de misdaad de Goden des lands niet
te erkennen, oneerbiedig gesproken te hebben over de heilige gebruiken
der Atheners, zich aan te sluiten bij de meeningen en stellingen der
godloochenende wijsgeeren. Voorts is zij schuldig aan de misdaad door
gevaarlijke leeringen de jeugd te verleiden en te bederven en zoowel
jonge meisjes, die zij in haar huis houdt als vrijgeboren vrouwen, die
zij bij zich ontvangt, tot ontucht en prijsgeving van zich zelven aan
te zetten. Eisch: de dood.”
Luid klonken deze woorden over de markt, toen Pericles juist
voorbijging, zonder opgemerkt te worden door het volk, dat naar de
koninklijke zuilengalerij gekeerd was. Hij verbleekte——