aan het Siciliaansche strand. Men zou meenen, dat hier ergens in de
nabijheid de verliefde Cycloop Polyphemus moest zitten, starend op de
zee, waar het beeld van Galateä [388], zich spiegelt in den vloed,
terwijl zij met lichten voet daarover zweeft. De hond van den plompen
herder loopt blaffend langs het strand haar te gemoet, doch de nimf
overstelpt lachend den liefdebode met eene aanrollende schuimende golf
zoodat hij druipstaartend terugloopt.”
Inderdaad, hier heerschte eene zalige stilte, waarvan men niet gelooven
kon, dat zij ooit verstoord was noch ooit verstoord kon worden.
Aspasia wierp van haar in de rots gehouwen zetel een blik naar de
bergen van de Peloponnesus.
„Als ’t mogelijk is,” sprak zij, „al het onaangename en sombere, dat ik
ginds aan gene zijde der bergen gezien en doorleefd heb, uit mijne ziel
weg te vagen, dan moet het in deze ure zijn. Te glansrijk is de zee aan
dit strand en den aether daarboven, dan dat hier ooit als ginds het
sombere de overwinning zou kunnen behalen. Ik daag u moedig uit tot den
strijd, ruwe sombere Peloponnesus!”
„En ik met u!” riep Alcibiades en stak de vuist uit tegen de Argolische
bergen.
„En ook wij allen!” riepen de meisjes lachend.
Op dit oogenblik viel Aspasia’s blik, rechts afdwalend, op het
Megarisch vaartuig. Het scheen thans klein op den grooten afstand. Het
scheen stil te liggen. Aspasia’s fiere, schier minachtende blik wendde
zich er weldra van af. In hare oogen bliksemde thans iets van dien
overmoed, die het hart des Perzischen konings vervulde, toen hij van
dezen zetel op zijne vloot nederzag.
Een slaaf bracht op bevel van Alcibiades een zak met kostbare lafenis
en weldra schuimden de bekers en een vroolijk rondgezang klonk over de
golven. Bekoorlijk schalde het lied der vreugde over de schoone eenzame
golven, en van verre werd het weerkaatst door den kalmen zeeboezem.
Door den geest van Dionysus gedreven, verstrooiden de meisjes zich
deels op het schelprijke strand, deels op de hellingen, waar, tusschen
de rotsen, geurige kruiden opschoten. Zij geleken op fladderende
vlinders, geplaagd, vervolgd door Alcibiades.
Nu eens liepen zij onder luide kreten naar elkander, om een dood
zeedier te bewonderen, een polyp of een dolfijn, die vroeger, het zilte
nat doorklievend, de kleinere zeedieren schrik had aangejaagd of de
dochters van Neres op zijn rug gedragen, doch thans door eene
schuimende golf op het rotsachtige strand was geworpen. Dan weder
gingen zij zitten en Alcibiades verhaalde de aandachtig luisterende
meisjes zonderlinge jachtavonturen: bijvoorbeeld, hoe hij onlangs eens
aan ’t strand een grooten polyp en een haas te gelijk had buit gemaakt,
toen hij met de hengelroede een polyp uit het water op het land
slingerde en deze juist op een haas neerviel, die in ’t gras sluimerend
verscholen lag en onmiddellijk door de honderd armen van den polyp
omkneld werd.
Inmiddels onderhielden zich Aspasia en Callimachus.
De verhouding van Callimachus tot de schoone gade van Pericles was van
een zonderlingen aard. Hartelijke vriendschap verbond hem met
Alcamenes, en door dezen ingelicht van alles, wat er tusschen een
mededinger van Agoracrites en de schoone Milesische was voorgevallen,
had hij uit Corinthe, vanwaar hij kwam, een vooroordeel, ja bijna een
heimelijken wrok tegen Aspasia medegebracht. Na het heftige tooneel,
dat tusschen Alcamenes en Aspasia te Olympia had plaats gegrepen en
waarvan Callimachus eveneens kennis had gekregen, had hij met zijn
vriend eene soort van wraakverbond tegen de Milesische gesloten. Te
Athene gekomen, kwam hij weldra met haar in aanraking, en, door hare
betoovering aangetrokken, vergat hij ten halve, maar ook slechts ten
halve, die wraakgedachten.
Aspasia zelve bracht het gesprek op Alcamenes en roemde de vlucht
zijner levendige phantasie.
„Gij doet er wel aan,” zeide zij, „dat gij de vriendschap met dien man
aanhoudt en mij dunkt, dat eene zekere verwantschap van zielen u tot
elkander heeft gevoerd. Want, evenals hem, schijnt ook u eene levendige
zucht te bezielen, om de kunst op eene nieuwe baan te leiden.”
Aspasia zinspeelde met deze woorden op het feit, dat Callimachus de
beitel niet meer voldeed, dat hij meer met de boor arbeidde en de
détails zijner gewrochten met eene zoo schitterende kunstvaardigheid
afwerkte, als men het vóór hem nog nooit gezien had.
„Wanneer men mij toegeeft,” hernam Callimachus, „dat ik door een
vlijtig gebruik der boor de beeldhouwkunst eene schrede vooruit hebt
gebracht, dan zou ik nuttige diensten aan hare zusterkunst, de
bouwkunst, kunnen bewijzen. Reeds lang ben ik met eene zaak bezig, die
oppervlakkig, zeer licht en gemakkelijk is, inderdaad echter—gij zult
er om lachen, als gij het hoort—mij maar volstrekt niet gelukken wil.
Bij den vooruitgang der kunst geloof ik dat onze zuilen eene rijkere
versiering noodig hebben. De Ionische krul is het uiterste, waartoe wij
het gebracht hebben. Daarmede stellen wij ons sedert eeuwen tevreden.
Ligt het niet voor de hand om met een stouten greep zich daarboven te
verheffen en iets voortreffelijkers te scheppen?”
„In het oosten,” antwoordde Aspasia, „zag ik bladeren en bloemen met
keurigen smaak tot versiering der kapiteelen aangebracht. Wij zijn
schuchter, zooals gij terecht opmerkt. Waarom durft gij niet uitvoeren,
wat gij in ’t belang der kunst noodig acht?”
„Zoudt gij wel gelooven,” hernam Callimachus, „dat ik nu reeds sinds
jaren mijn hersens met die zaak kwel? Honderde vormen heb ik
uitgedacht, doch niet een enkele heeft mij tot heden volkomen voldaan.”
„Waarom wilt gij een nieuwen vorm uitdenken en verzinnen en geheel en
al uit u zelven scheppen?” vroeg Aspasia. „De natuur is eene
voortreffelijke leermeesteres; haar moet de bouwmeester zoowel als de
beeldhouwer haar geheim afzien. Houd uwe oogen open en gij zult vinden,
wat gij zoekt. Gij behoeft het dan slechts goed op te vatten en met
schranderen geest volkomen weder te geven.”
Op dit oogenblik werd het gesprek van Aspasia en Callimachus gestoord
door de meisjes, die kwamen aanloopen en vertelden, dat zij op eene
verborgen, liefelijke plek van het strand een klein grafteeken hadden
ontdekt. Zij wilden het Aspasia toonen.
Aspasia en Callimachus gaven aan de uitnoodiging gehoor en lieten zich
door de meisjes naar eene plaats voeren, waar het kleine grafteeken
zich bevond. Het lag op ’t rotsachtig strand verborgen en was door
overhangende klippen bijna bedekt. Het bestond uit een eenvoudigen,
smallen steen, waarin een kort opschrift gebeiteld was. Boven de zerk
stond een sierlijke korf, gevuld met verwelkte bloemen en kransen.
Aspasia trachtte het opschrift te lezen en ontcijferde half een
meisjesnaam, ’t geen haar echter moeilijk viel; want eene
breedgebladerde acanthus [389] had met zijn prachtig loof niet alleen
den gedenksteen zelven reeds bijna overdekt, maar slingerde zich zelfs
om den korf. Zijn frisch, levend groen maakte eene treffende
tegenstelling met de treurige verwelkte bloemen in den korf.
Aspasia en de meisjes drukten hare verwondering uit op deze plaats een
grafteeken te vinden. Callimachus echter zeide: „Mij was de
aanwezigheid van een klein monument te dezer plaatse niet onbekend.”
Toen de meisjes hierop nieuwsgierig naar de herkomst daarvan vroegen,
hernam Callimachus:
„Hij, die dit grafteeken met den korf hier oprichtte, was mijn vriend
en ik ben een der weinigen, wien hij de geschiedenis van dat monument
heeft meegedeeld.
„De vriend, van wien ik spreek,” vervolgde hij, „was een voortreffelijk
Atheensch jongeling en oefende met grooten roem de kunst uit om
aardewerk en grafurnen te beschilderen en verdiende hiermede tevens
zijn levensonderhoud. Terwijl hij te Corinthe vertoeft, valt zijn oog
op het bekoorlijkste bloemenmeisje van die stad en hij ontbrandt voor
haar in vurige liefde. Maar ook een jonge Spartaan, die zich juist met
eenige vrienden te Corinthe ophield, wordt verliefd op het meisje en
wil haar bezitten. Door geweld en bedreigingen weet hij haar schrik aan
te jagen en staat op ’t punt haar van Corinthe weg te voeren. De
Athener in hartstochtelijken toorn ontstoken, daagt zijn mededinger tot
een tweegevecht uit en doodt hem. Vervolgens, om den wraak der vrienden
van den verslagene te ontvluchten, neemt hij het meisje, dat hem
gewillig volgde, daar het zijn liefde beantwoordde, met zich mede,
bestijgt in allerijl een vaartuig en vlucht met haar naar zijn
vaderstad Athene.
„Vroolijk vaart het geliefde paar langs het strand; het hart des
jongelings vol zalig genot en het meisje stralend in den bloei harer
jeugd en schoonheid, eener bruid gelijk. Zij bezit behalve hare
bekoorlijkheid niets dan het bloemkorfje, met frissche bloemen gevuld,
zooals zij op de markt te Corinthe juist in hare handen droeg, toen de
minnaar haar weg voerde. De paarlen der zee bespatten ’t vaartuig en
bevochtigen de rozen in het mandje. Maar toen de jongeling in de
overmaat zijner vreugde een kus op de lippen van ’t meisje drukt,
ontglijdt haar de bloemkorf en valt over boord in zee; het meisje bukt
zich haastig om dien weder te grijpen, doch zich te ver over boord
uitstrekkende, verliest zij het evenwicht, de boot kantelt en zij stort
in ’t water. Met een wanhoopskreet werpt zich de jongeling in zee,
omvat, na langen tijd met de golven geworsteld te hebben, het midden
van ’t meisje en zwemt met den dierbaren last naar het nabij gelegen
strand. Met moeite klautert hij tegen eene klip op, het lichaam der
geliefde met krachtige hand aan zijn borst gekneld. Nu vlijt hij haar
neer op een vlakke plaats aan het strand. Hare oogen zijn gesloten,
haar gelaat is bleek, te vergeefs, roept hij haar duizend liefdewoorden
toe. Hij heeft slechts een lijk gered.
„Den geheelen dag staart hij roerloos op de geliefde; vervolgens maakt
hij zich gereed haar te begraven. Op de plaats, waar hij haar aan land
heeft gebracht, delft hij eene groeve. Wat treft daar plotseling zijn
oog tusschen de rotsen? De bloemkorf van het meisje is op de baren
drijvend naar het strand gespoeld en rust nu daar, door de klippen
teruggehouden. Hij daalt de rots af en droevig te moede heft hij
zuchtend het sierlijke, met frissche bloemen gevulde mandje op en
plaatst het, bevochtigd door zijne tranen, op het graf van ’t meisje.
Hij gaat naar Athene en keert weldra terug naar de verscholen, door de
zee omspoelde groeve, met dezen eenvoudigen gedenksteen. Hij legt dien
op het graf en plaatst daarop weder het mandje met verwelkende bloemen.
De verborgenheid der plaats beveiligt het voor heiligschennende handen
en ook de acanthus heeft, zooals gij ziet, de rol van beschermer op
zich genomen, daar hij den steen en den korf met de ranken van zijn
heerlijk loof schier bedekt.”—
Aandachtig hadden de meisjes naar het verhaal van Callimachus
geluisterd en luide beklaagden zij het treurige lot van ’t jeugdige
paar.
Aspasia sprak na eene korte pauze:
„Hoezeer uw verhaal, Callimachus, ook het gemoed tot medelijden stemt,
kan ik toch den machtigen indruk niet weren, dien deze eenvoudige
steen, deze grafzerk, waarvoor de natuur veel meer dan de kunst heeft
gedaan, op mij en zeker op allen, die hem zien, zal maken. Hoe sierlijk
slingert het welig loof van den acanthus zich om den bevalligen, met
verwelkte bloemen gevulden korf boven de wit marmeren zerk! Is dit niet
eene dier meesterlijke groepen, welke der natuur als in eene spelende
luim gelukt en die wel geen kunstenaar ooit zoo bekoorlijk kan
verzinnen?”
Callimachus antwoordde niet; maar eene gedachte vloog als een
bliksemstraal door zijne ziel.
Hij staarde een tijd lang op den met loof omslingerden korf; toen sprak
hij, zich tot de Milesische wendende:
„Inderdaad, Aspasia—deze liefelijk omkranste korf is eene van die
groepen, waarvoor, zooals gij straks zeidet, de kunstenaar het oog
geopend moet houden, omdat hij daarvan leeren kan.”
„En omdat hij wellicht daarin vinden kan,” viel Aspasia hem glimlachend
in de rede, „wat hij met vergeefsche inspanning lang heeft gezocht.”—
In geestdrift begon nu Callimachus aanstonds uit te weiden over hetgeen
zijne ziel vervulde.
Terwijl hij aan de Milesische de in hem opgewekte gedachte van eene
nieuwe zuilenversiering breeder ontvouwde, eene versiering, die
werkelijk bestemd was in het rijk van ’t schoone eene blijvende plaats
te verwinnen en wier roem met den naam van Callimachus voor altijd
verbonden blijft [390], verstrooiden zich de meisjes om bloemen te
plukken, waarmede zij het graf van de jeugdige Corinthische wilden
tooien.
Weldra dartelden zij weder vroolijk langs het strand aan zeenimfen
gelijk, onder wie Alcibiades de rol van den plagenden en ondeugenden
Triton vervulde.
Langzamerhand echter begon de stroefheid en schuchterheid van Cora, die
op eene eenzame plek van het strand was achtergebleven, op den
vermetelen jongeling eene grootere bekoorlijkheid uit te oefenen, dan
de vroolijke uitgelatenheid harer vriendinnen.
Dat hij tegen haar zin een gesprek met haar aanknoopte, schertsend zich
een tijd lang niet haar onderhield, merkte de betooverende Simaetha
zonder de minste opwelling van ijverzucht op; want ook daarin was zij
het evenbeeld harer meesteres, dat zij voor zulk een hartstocht slechts
weinig ruimte had gelaten in hare fiere ziel. Ook zij scheen slechts
voor die liefde vatbaar, welke niet gevaarlijk is voor de opgeruimdheid
en kalme gemoedsrust. En bovendien, welk eene onbeduidende medeminnares
was het herderskind, vergeleken bij die schitterendste parel van
Aspasia’s school!
Aan de wereld ontrukt vermaakten zij zich daar in vriendelijke
afgescheidenheid, wier rust, naar ’t scheen, door niets ter wereld kon
gestoord worden.—
En toch waren op de onbezorgd zich vermeiende meisjes uit de verte
vijandige, loerende oogen gericht.
Toen het vroeger vermelde Megarische vaartuig het plezierjacht van
Alcibiades voorbij was gevaren, hadden de mannen, die zich daarop
bevonden, een bespiedenden blik op het schip van den Athener geworpen.
Zoodra zij een eind weegs verwijderd waren, zei een van hen vertoornd
en haastig tot zijne makkers:
„Hebt gij dien Atheenschen jongeling wel gezien, die daar met jonge
hetaeren op de zee dobbert? Dat is die onbeschaamde, nietswaardige
meisjesroover Alcibiades! Ik herken hem! Meermalen heb ik hem te Athene
gezien. En onder de jonge meisjes bevond zich Simaetha—de geschaakte
Simaetha!”
„Hoe!” riepen de Megarische mannen in heftigen toorn ontstoken, „hoe?
is dat die vermetele, die het meisje uit het landhuis van Psaumias
voerde en zich nog steeds ongestraft in het bezit van den buit
verheugt?”
„Inderdaad,” hernam de andere, „verheugt hij zich nog ongestraft over
zijn roof; want hij heeft eene machtige bescherming. Te vergeefs waren,
zooals gij weet, alle bemoeiingen van Psaumias en zijne medeburgers, om
de uitlevering van het meisje van de overmoedige Atheners te
verkrijgen. Meenen die Atheensche honden niet van ouds dat zij met den
Megarischen staat den spot mogen drijven? De tijd zal hun eenmaal
leeren, dat zij ten onrechte de Dorische stad op hunne grenzen
verachten. Voor het oogenblik echter, mijne vrienden, moeten wij ons,
wat Simaetha betreft, de voldoening verschaffen, waartoe de gelegenheid
zich thans aanbiedt.
„Op dat plezierjacht bevinden zich, behalve dien baardeloozen
meisjesroover, een ander ongewapend man en de weinige roeislaven,
alleen vrouwen. Wij echter zijn mans genoeg, om het geheele schip, als
wij het aanvallen, te veroveren: in ieder geval om Simaetha terug te
nemen en haar met ons naar Megara te voeren.”
Dit voorstel beviel aan de Megarische mannen. Terwijl zij dus
raadpleegden, hoe zij het schip zouden aantasten, was het gezelschap
van Alcibiades in de kleine baai geland. De Megarensers bemerkten dit
uit de verte.
„Des te beter!” zei hun aanvoerder. „Wij zullen hier ons schip aan ’t
strand verbergen en onzen buit op het land vervolgen. Het meerendeel
onzer zal het vaartuig verlaten, om ieder afzonderlijk naar land te
sluipen en dan ons twee aan twee op het klippenrijke strand, waar zij
verstrooid ronddolen, in hinderlaag leggen. ’t Zal ons gemakkelijk
vallen op het juiste oogenblik te voorschijn te springen en van het
meisje, waar het ons vooral om te doen is, ons meester te maken, zonder
dat de beide Atheensche jongelingen en hunne roeislaven het verhinderen
kunnen, ja misschien zonder dat zij het bemerken. Want als wij van een
oogenblik gebruik maken, dat Simaetha van hare vriendinnen gescheiden
en de aandacht der mannen op iets anders gericht is, gelukt het ons
wellicht Simaetha geheel ongemerkt op te lichten en wij zijn dan veilig
voor elke vervolging. Zij weten dan niet, waar het meisje gebleven is,
vóór wij onzen roof in veiligheid gebracht hebben. Moesten wij echter
geweld gebruiken, dan ware het te vreezen, dat die jongelingen
misschien van een voorbijvarend Atheensch vaartuig versterking kregen
en men ons nog vóór wij het schip bereikt hebben, op zee zelve den buit
weder afhandig maakte. Daarom laat ons voorzichtig zijn en uit onze
hinderlaag op eene gunstige gelegenheid loeren!”
Zóó sprak de bevelhebber van het Megarisch vaartuig en de mannen deden
zooals hij bevolen had. Zij verborgen zich afzonderlijk of twee aan
twee aan het strand en op de hellingen, en zagen uit hun schuilhoek met
scherpen blik naar de argeloos ronddartelende meisjes.
Lang wilde het gunstige oogenblik voor de Megarensers niet komen.
Eindelijk brak het aan. Simaetha toch, benevens Drosis en Prasina,
naderden bloemen plukkende en zich geen kwaad bewust, eene klip,
waarachter eenigen der Megarensers zich verscholen hadden. Alcibiades
was op grooten afstand met Cora bezig en Callimachus onderhield zich
nog steeds met Aspasia bij het grafteeken van het Corinthische meisje.
De Megarensers sprongen eensklaps te voorschijn en trachtten Simaetha
te vangen.
Zoodra deze de mannen, met hun woest uiterlijk, op zich zag afkomen,
vluchtte zij onder angstgeschrei weg, gevolgd door Drosis en Prasina,
die eveneens de lucht met kreten om hulp vervulden.
Simaetha echter snelde hare speelgenootjes verre vooruit in hare
haastige vlucht. Reeds had zij bijna de plaats bereikt, waar Alcibiades
stond. Deze, zoowel als Callimachus, en de roeiers, die zich bij het
schip bevonden, hoorden de angstkreten der meisjes en snelden ijlings
ter hulp. Alcibiades droeg altijd een dolk bij zich; onmiddellijk trok
hij dien en stormde op de roovers los, gevolgd door de slaven, die zich
met de roeispanen hadden gewapend.
Doch de Megarensers wilden niet zonder buit het veld ruimen. Zij
zetten, daar Simaetha hun ontsnapt was, hare vriendinnen Drosis en
Prasina na en grepen haar, daar zij in hare angst, aan schuwe duiven
gelijk, niet zoo spoedig hadden kunnen ontvluchten.
Dewijl de Megarensers in ieder oponthoud gevaar zagen en om de straks
gemelde redenen een openlijken strijd liever vermeden, sleurden zij
Drosis en Prasina met zich voort naar het strand, wierpen zich met haar
in het schip en voeren in aller ijl naar de baai van Megara, voordat
Alcibiades en zijne helpers het jacht hadden kunnen beklimmen om hen te
vervolgen.
Toch wilde hij, gloeiend van toorn, zich onversaagd in zijn vaartuig
werpen, om de roovers na te zetten. Doch toen hij zich hiertoe
bereidde, hieven de meisjes een luid geschreeuw aan en jammerden, dat
zij op het strand verlaten en misschien aan nog loerende vijanden
werden prijs gegeven. Haar echter met zich in het schip te nemen, en
zoo de vijanden te vervolgen, scheen Alcibiades niet minder ongeraden
wegens den angst der meisjes, die dan zouden meenen, dat zij wellicht
den vijand als buit in den mond werden gevoerd. Callimachus, de roeiers
en bovenal Aspasia gaven hem in overweging de vervolging op te geven,
daar die onmogelijk was en er middelen en wegen genoeg te vinden waren,
om den overmoed der Megarensers te tuchtigen.
Aspasia was bij ’t zien dier stoute daad der Megarensers verbleekt;
maar spoedig verving een blos van gramschap hare ontsteltenis. Zij was
nu ’t eerst weder tot zich zelven gekomen en rustig en kalm geworden;
bijna lachend verzocht zij Alcibiades onverwijld den terugtocht aan te
nemen. Zonder dralen bestegen allen weder het vaartuig en zetten
haastig koers naar Athene.
„Wraak den Megarensers!” riep Alcibiades en slingerde, recht opstaande
in het schip, terwijl hij van wal stiet, een beker tegen de scherpe
klippen.
„Evenals deze beker op de klip, zal Megara’s machtelooze trots en de
trots van al zijne stamgenooten smadelijk verbroken worden op de harde
rotsen van de Atheensche Acropolis!”—
XXI.
DE MUILEZEL VAN CALLICRATES.
Het viel Pericles niet moeilijk aan Aspasia’s wensch gehoor te geven en
de beide haar ontroofde meisjes van de Megarensers terug te eischen.
Want toen ter tijde was om velerlei redenen het wachtwoord te Athene:
Megara moet getuchtigd worden.
De Megarensers echter antwoordden, dat zij Drosis en Prasina, die
voorloopig als gijzelaars aan de bewaking van een aanzienlijk burger
waren toe vertrouwd, onmiddellijk zouden uitleveren, zoodra Simaetha,
die door de Atheensche jongelingen geschaakt was, werd teruggegeven.
Tegen dit laatste echter kantte zich Simaetha met alle kracht aan,
waarbij zij eene trouwe hulp in Aspasia vond. Het meisje uit Megara was
de lieveling van Aspasia geworden.
De Megarensers waren te Athene even gehaat, als de Atheners te Megara.
Pericles had meer dan één reden om een volksbesluit door te drijven,
dat den Megarensers het bezoeken der Atheensche havens en van de markt
te Athene verbood, zoolang zij niet alleen die meisjes hadden
uitgeleverd, maar ook in eenige andere aangelegenheden de verlangde
voldoening zouden hebben gegeven.
Gevoelig trof deze uitsluiting van de Atheensche markt de Megarensers,
en niet lang, meende men, zouden zij in hunne weigering volharden.
Daar het echter te vreezen stond, dat de Megarensers zich heimelijk tot
de Spartanen zouden wenden om hunne krachtige bemiddeling in te roepen,
en daar bovendien door tamelijk ernstige geschillen met Corinthe en
door den afval der Attische kolonie Potidaeä [391] eene zekere onrust
zich van de Atheners had meester gemaakt, grepen de vijanden van
Pericles en Aspasia de gelegenheid aan, het volk tegen hen op te ruien.
Door den overmoed der vreemde vrouw, zeiden zij, en door de onbeperkte
losbandigheid harer vrienden werd nu zelfs de openlijke vrede van
Hellas bedreigd, en ter wille van twee geschaakte hetaeren had Pericles
het volksbesluit tegen de Megarensers, als eene brandende fakkel, onder
de Hellenen geworpen.
Groote en geliefde staatsmannen plegen instellingen ten gunste des
volks niet altijd te bestrijden, omdat zij weten, dat het volk toch ten
laatste in een soort van blind vertrouwen hunne leiding zal volgen, en
dat het gevaarlijke dier instellingen door de macht van hun
persoonlijken invloed, ten minste zoolang als zij zelven aan het roer
staan, vernietigd wordt. Maar de bezorgden vragen, wat geschieden zal,
als zulke mannen soms door den dood werden weggeroepen en niet meer de
teugels van den staat in hunne vaste hand klemden. Van den anderen kant
zien de volksvrienden, die voor de handhaving der volksheerschappij
bezorgd zijn, juist in die gedweeë overeenstemming van den algemeenen
wil met den wil en de inzichten van één enkel uitstekend man, het
grootste gevaar voor de vrijheid. Zoo kwam het, dat de alvermogende
Pericles toch in ’t geheim de voorstanders der onbeperkte
volksheerschappij evenzeer als de partij der oligarchen tegen zich had.
De leerlooier Cleon, de schapenkoopman Lysicles en de worsthandelaar
Pamphilus waren van meening, dat de wijsheid van één enkele in den
staat gevaarlijker was dan de dwaasheid der menigte, en zij vernieuwden
tegenover hunne medeburgers, zoo dikwijls zij konden, de waarschuwingen
tegen den „nieuwen Pisistratus.”
Lieden van den slag van dien leerlooier Cleon, dien schapenkoopman
Lysicles en dien worsthandelaar Pamphilus waagden het reeds somwijlen
in de volksvergadering met onstuimig getier de waardigheid van Pericles
aan te randen.