„Onder beschutting der ingevallen schemering ontvluchtten wij, met den

liefelijken buit aan boord, en forsche roeislagen brachten ons snel van

de Megarische kusten.”

„En het meisje?” vroeg Aspasia.

„Schikte zich in haar lot,” hernam Alcibiades, „hoewel zij niet, zooals

wij gedacht hadden, eene gekochte lievelingsslavin was, maar eene vrij

geborene, de nicht van dien verwenschten Megarenser. Simaetha [385] is

haar naam en ik noem haar de bekoorlijkste der Helleensche—neen, niet

der Helleensche vrouwen, maar toch zeker de bekoorlijkste der

Helleensche jonkvrouwen!”

Megara! Dit woord had een eigenaardigen klank voor Aspasia’s oor. Met

onmiskenbare teekenen van belangstelling had zij het verhaal van den

koenen jongeling aangehoord.

Zij vroeg met bijzondere nieuwsgierigheid naar de eigenschappen van het

meisje. Alcibiades schilderde haar schier in ideale trekken.

Aspasia verlangde Simaetha te zien. De schaker was aanstonds bereid

haar wensch in te willigen. Hij bracht Simaetha tot haar. Het meisje

was beeldschoon, zoodat Aspasia zelve er verbaasd van stond. Maar het

geheel geleek op een ongeslepen diamant. Immers zij was te Megara

opgevoed. Het was tijd voor haar geworden, dat zij werd geschaakt zoo

niet deze parel in de verborgenheid zonder glans of heerlijkheid zou te

loor gaan.

De rijke Megarenser had haar als een jong meisje in zijn huis

opgenomen. Zij had het bij hem beter gehad dan eene slavin, maar niet

zoo goed als eene dochter.

Hij scheen, met het oog op haar veel belovende schoonheid, haar willens

of onwillens, alleen tot een voorwerp om zijne lusten te bevredigen, te

willen opvoeden. In geen enkel opzicht geleek de oude Megarenser op den

edelen grijsaard van Milete, den bekenden Philammon, dien Aspasia in

het verhaal van de geschiedenis harer jeugd aan Pericles met zulk eene

warmte had geprezen. Simaetha haatte hem en verklaarde, dat zij zich

liever wilde dooden, dan ooit weder in het huis van haar opvoeder terug

te keeren.

Aspasia’s scherpe blik merkte de kiemen van vrouwelijke

voortreffelijkheid van den hoogsten rang op in het karakter van het

jonge meisje, dat nog nauwelijks haar zestiende levensjaar was

ingetreden. Uit hare oogen schitterde evenveel geest, als schoonheid

uit hare trekken. Aspasia brandde van begeerte om deze heerlijke kiemen

te ontwikkelen. Spoedig was haar besluit genomen. Zij zeide tot

Alcibiades:

„Het meisje is uw eigendom: niet zoozeer door den roof, dien gij op

haar gepleegd hebt, als wel door haar eigen bepaald uitgedrukten wil,

om niet meer in het huis van den Megarenser terug te keeren. Maar gij

zijt haar nog niet waardig. Voor knapen van uw soort zijn edele,

bloeiende meisjes, ja zelfs het onnoozele dochtertje van Hipponicus,

veel te goed. Vrouwen van Theodota’s slag zijn voor u en uws gelijken

bestemd: aan dezen moogt gij, om zoo te zeggen, de horens van uw

overmoed afslijpen. Overigens zoudt gij u over het bezit van Simaetha,

zooals zij nu is, maar half verheugen. Weldra zoudt gij haar moede

worden; want onontwikkeld liggen in haar nog de kiemen van die

eigenschappen, welke noodig zijn om niet de oververzadiging ten laatste

de heerschappij te doen verkrijgen over de liefde. Vertrouw mij het

kind eenigen tijd toe. Geef mij den schat, die gij buit gemaakt hebt,

ter bewaring; beleg om zoo te zeggen, uwe bezitting op renten: gij zult

ze, als de tijd om is, vertiendubbeld aan waarde uit mijne handen terug

ontvangen.”

Alcibiades was te jong en te lichtzinnig, dan dat het hem zwaar had

kunnen vallen het verhavende meisje voor eenigen tijd zijn huis te doen

verlaten en Aspasia toe te vertrouwen.

„Ik ben bereid,” zeide hij, „mijn kostbaren schat bij u op renten te

zetten. Ik weet vooruit, dat die renten mij rijkelijk schadeloos zullen

stellen voor de korte ontbering, die toch immers niet eens eene

volledige zal zijn, daar gij mij ongetwijfeld zult toestaan het schoone

kind in uw huis te komen bezoeken.”

„Waarom niet?” hernam Aspasia; „gij moogt gedurig getuige zijn van hare

vorderingen.”

Simaetha werd bij Aspasia gebracht. Pericles had in den beginne zijne

toestemming geweigerd; doch zijn gemoed was zoo wonderlijk zacht en

teeder, dat hij ten laatste op het herhaald aandringen van Aspasia haar

verzoek inwilligde, evenwel onder voorwaarde, dat het meisje slechts

zóó lang in zijn huis zou vertoeven, totdat over hare al of niet

uitlevering zou zijn beslist. Waren de Megarensers niet zoo gehaat

geweest te Athene, dan zou men de toegevendheid van Pericles, die, uit

liefde voor Aspasia, aan het meisje eene wijkplaats in zijn huis

verschafte, zonder twijfel scherper beoordeeld hebben, dan thans

geschiedde.

Men was reeds sedert geruimen tijd te Athene begonnen te spreken van

eene school van Aspasia, en meer dan ooit was er van nu af reden voor

dien naam.

Er waren thans inderdaad niet minder dan vier meisjes in den eersten

bloei der jeugd, die in het huis van Aspasia onder de onmiddellijke

hoede der Milesische leefden. Bij hare Milesische nichtjes, die reeds

langeren tijd bij haar vertoefden, en de Arcadische Cora, die zij van

hare Elische reis had medegebracht, had zich thans het meisje uit

Megara gevoegd.

Ten volle beantwoordde de naam van school aan de innerlijke bedoeling

van Aspasia. Hare persoonlijke bemoeiingen, om de vrouwen te Athene te

veredelen, te bevrijden, in één woord eene hervorming te dien opzichte

tot stand te brengen, waren met een zeer twijfelachtigen uitslag

bekroond. De krachtige drang harer ziel gunde haar echter geen rust.

Zij was tot de overtuiging gekomen, dat het eene vergeefsche poging was

de gerijpte en reeds gevormde vrouw te willen hervormen. In den

ontluikenden leeftijd, meende zij, moest de kiem daartoe gelegd worden.

Geen hetaeren wilde zij opvoeden, maar voorvechtsters en

medearbeidsters, die door geest en schoonheid op gelijke wijze als zij

zelve in staat zouden zijn invloed te oefenen. In de school, die zij

stichtte, moest hare overlevering levendig gehouden en van daar uit

verder verbreid worden. Door eene samenwerking van vereende krachten in

haar geest moesten eindelijk de vooroordeelen vallen, en de volkomen

zegepraal van geest, schoonheid en vrouwelijkheid behaald worden.

De gedachte aan de vooroordeelen, die in een ander opzicht uit deze

hare school zouden kunnen voortvloeien, hoewel niet bij haar op den

voorgrond staande, was evenwel niet geheel vreemd bij de fiere,

schrandere Milesische. Hare leerlingen konden, evenals hare meesteres,

machtige en uitstekende mannen tot echtgenooten verkrijgen, de

heerschappij van Pericles helpen verzekeren en bevestigen, en door haar

invloed den tegenstand zijner vijanden bestrijden.

Maar vond de gade van Pericles er geen bezwaar in, een aantal jeugdige,

bekoorlijke meisjes onder de oogen van haar echtgenoot om zich te

verzamelen? Deze fiere, koene, naar machtige doeleinden strevende ziel

was verre verheven boven laffe overwegingen en kleingeestige gevoelens;

zij joeg niet, als een gewone vrouw, enkel persoonlijke voordeelen na,

maar voor eene grootsche gedachte leefde en werkte zij. En zij wist dat

Aphrodite’s gordel nog altijd in hare macht was; dat hij in hare hand

nog niets van zijne bekoorlijkheid had verloren. Zij wist, dat zij nog

lang de meesteres onder hare leerlingen zou blijven en dat dezen eerst

worden moesten, wat zij reeds was. En wat inzonderheid Pericles betrof,

zij had de overtuiging, dat niets ter wereld de tooverketen kon

verbreken of verzwakken, waarmede zij zijn hart had gekluisterd en die

door de gewoonte al hechter en hechter was geworden.

Eene gril der natuur had Aspasia de moederweelde ontzegd [386]. Zij

verdroeg het zonder klagen. Was ’t haar niet vergund vrouwelijke telgen

van haar schoot tot haar evenbeeld op te leiden, het lot had haar in

die veel belovende bloeiende meisjes eene vergoeding gegeven, waaraan

zij naar hartelust de tooverkracht harer vormende meesterhand kon

beproeven.

Muzen en de Chariten schenen van den Olympus neder te dalen en zich als

’t ware in Aspasia’s school als leermeesteressen aan te bieden. Daar

werd de verheven leer verkondigd, hoe de natuur tot edele kunst

gelouterd moest worden en de kunst weder tot natuur. Daar werd de

eenheid van al het schoone begrepen en verwezenlijkt: daar werd de

muziek, een dans der zielen en de dans eene muziek der lichamen—daar

werd de schoonheid poëzie en de poëzie betooverende schoonheid.

Aspasia’s streven was ’t in hare leerlingen door de schoonheid en om de

schoonheid den geest op te wekken en dien opgewekten geest te veredelen

en vrij te maken.

Als middel om den geest wakker te schudden diende haar echter niet

alleen elke soort van kunst; ook de rijke hulpbronnen van wijsheid,

kennis en wetenschap werden als vruchtbaar zaad op de vleugels der

Eroten in de school van Aspasia binnengedragen. Uitgesloten alleen was

het ernstige, het strenge, het sombere. Vroolijkheid bleef gepredikt

als de hoogste wet der schoonheid en des levens.

Wat Aspasia haren leerlingen boven alles leerde, was dit, hoe dwaas het

was, allen invloed van hare bekoorlijkheden te verwachten. Zij toonde

haar aan, dat deze nog lang niet op zich zelven alleen het beminnelijke

uitmaakten. Zij zeide haar, dat schoonheid eene deugd is, die, als elke

andere, geleerd, geoefend en aangekweekt moest worden. Zij maakte haar

duidelijk, dat de geest de echte kruiderij is, die aan de schoonheid

gepaard, haar frisch deed blijven. „Eene onnoozele schoonheid,” sprak

zij, „veroudert spoedig en weldra verwelkt ook de bekoorlijkheid, die

door de laagheid als een verpestende walm wordt omgeven. Niets

vernietigt zoo snel den bloei, als een stompzinnig voortleven in

geestdoodende alledaagschheid. Schoon te zijn, zeide zij, is geen

toestand, maar een handelen, een werken. Schoonheid is de hoogste macht

en haar invloed berust op de samensmelting der edelste vermogens—op

eene bekoorlijke en harmonische ontwikkeling van lichaam en ziel. Zij

is geen dood pronkstuk, geen onbewegelijk licht: integendeel, evenals

het zonnerad, een levend stralenspel, een spattende vonkenregen.

„Men kan zich de schoonheid niet onmiddellijk geven,” placht zij ook te

zeggen, „maar men kan overal het leelijke uitroeien, temperen,

verzachten. Niet te dikwerf kunt gij in den spiegel zien: niet om op te

merken hoe schoon gij zijt, maar om uwe leelijkheid te bespieden.

Alleen dan zult gij ervaren dat niemand altijd schoon en niemand altijd

leelijk is—dat de bloei van iedere schoonheid wel honderdmaal in den

loop van den dag in gedaante en kleur verandert, dat zij, aan zich

zelve overgelaten, geen stand kan houden, maar wankelt; dat eene

schoonheid, die zich harer macht bewust, de hand in den schoot kan

leggen, een droom is van zottinnen, en dat schoon te zijn eene

moeilijke kunst is zelfs voor de schoonsten. Laat onder geene

vermomming het leelijke ingang bij u vinden! Want talloos zijn zijne

gestalten, talloos zijne vormen! Het leelijke is een daemon, met wien

wij iederen dag worstelen moeten, als hij ons niet besluipen en

overweldigen zal. Het meest echter keert hij uit de hinderlaag der ziel

zijne doodelijke wapenen tegen den bloei des lichaams.”

Maar niet met vermanende woorden alleen, ook metterdaad ondersteunde

Aspasia hare leerlingen in den strijd tegen dien sluwen, dreigenden

daemon. Zij vorschte de kiemen en sporen van elke leelijkheid na,

evenals de overheid den dief. Gelijk een schoolmeester een stok of

roede, zoo had zij een kleinen, zilveren spiegel in de hand en hield

dien de schuldige voor, wanneer slechts eene sprank van leelijkheid,

naar lichaam of ziel, zich vertoonde. Zoo leerde zij die jeugdige

meisjes zelfbeheersching, onderdrukking van iedere opkomende luim en

hartstocht, rust, vroolijkheid, gelijkmatigheid van lichaam en ziel.

Van de beide nichten van Aspasia legde de eene, Drosis, een

schitterenden aanleg voor den mimischen dans aan den dag. Prasina

daarentegen muntte voornamelijk uit door vaardigheid in zang en

snarenspel. Doch Aspasia gedoogde niet, dat eene van beiden zich

uitsluitend op de ontwikkeling van eene dergelijke eenzijdige kunst

toelegde. Zij verlangde van ieder, dat zij niet door de beoefening van

ééne bepaalde kunst, maar door eene harmonisch ontwikkelde

persoonlijkheid zou trachten te behagen. „Eenzijdige beoefening der

kunst,” zeide zij, „geeft altijd aanleiding tot mindere ontwikkeling

van het karakter zelf en zijne harmonische vorming.”

Drosis was van nature betooverend door hare bevalligheid. Hare gestalte

was slank en sierlijk, zoo aetherisch licht en zwevend, dat zij, door

de velden wandelend, even als eene nimf, geen grashalm noch bloem

scheen te kunnen knakken. Hare ledematen hadden die rankheid, die

jeugdige fijnheid en bevallige teederheid, welke de zinnen nog veel

meer bekoort dan plompe weelderigheid.

Prasina was haar gelijk in schoonheid, maar zij bezat boven haar eene

heldere zilveren stem, waarmede zij, de liederen van Sappho bij de luit

zingend, ieders oor verrukte. Is er in ’t algemeen wel iets

liefelijkers dan de heerlijke tonen van de stem van een zestienjarig

meisje? Prasina’s stem overtrof in liefelijkheid, smeltende zachtheid

en warmte de stemmen der nachtegalen in de Cephissus-dalen.

Maar de bekoorlijke Drosis, de vurige Prasina, zij werden weldra door

den heerlijk zich ontwikkelenden bloei van Simaetha overschaduwd. In

Simaetha’s gestalte, in hare trekken was de edelste, Helleensche

betooverende schoonheid van vormen in de zuiverste lijnen uitgedrukt.

Trekken van deze verwonderlijke zuiverheid hadden zelfs de meesters der

beeldhouwkunst zich nauwelijks kunnen voorstellen. Zij bezat die

onbeschrijfelijke helderheid die glinsterende en toch ietwat mijmerende

vochtigheid van ’t oog, die soms bij meisjes in den teederen bloei der

jaren een wegsleependen invloed kan oefenen. Maar evenals in uiterlijk

schoon, kwam ook in geest en gemoed Simaetha hare meesteres Aspasia het

meest nabij. Innig verwant scheen zij haar door hare geheele

ontwikkeling in gevoel en denken. Niet minder dan de Milesische

beloofde zij eene verpersoonlijking van den echten levenslust en den

schoonheidszin van den Helleenschen geest te worden. Met gloeiende

geestdrift begreep zij terstond de gedachten van Aspasia. Zij overtrof

in helderheid van verstand hare medeleerlingen verre. Zij beminde de

kunsten, en voor de beeldhouwkunst scheen zij het onvergelijkelijk

scherpe kennersoog van Aspasia te bezitten. Ook daarin kwam zij met

hare meesteres overeen, dat zij op geen enkele afzonderlijke

kunstvaardigheid bijzonderen nadruk legde, maar allen gaven tot eene

schoone harmonie ontwikkelde. Zoo was zij dan de parel van de school

der Milesische, die haar bijna met de teederheid eener moeder liefhad

en hare schoonste verwachtingen op haar stelde.

En Cora, het meisje uit Arcadië? ’t Was moeilijk te zeggen of men haar

tot de school van Aspasia mocht rekenen. Toen Aspasia haar uit haar

Arcadisch geboorteland had weggevoerd, prikkelde haar juist de ruwheid

der stof, om er hare vormende en ontbolsterende kunst aan te beproeven.

Maar de ruwheid der stof scheen weldra grooter nog dan het meesterschap

van Aspasia’s vormende kunst. Cora was doorgaans een voorwerp van spot

bij hare speelgenootjes en men verlaagde haar bijna tot eene

dienstmaagd. Maar toch had het meisje uit Arcadië ook iets in haar

wezen, dat haar nooit geheel tot eene slavin liet vernederen. Niet

bekoorlijk was zij, niet van edelen lichaamsbouw, niet opgewekt van

geest, maar ernstig en peinzend, en het eigenaardige in haar wezen, dat

zij mede naar Athene gebracht had, bleef onveranderd. Zij verraste,

door stralen en vonken van geest en gemoed, die altijd iets

oorspronkelijke en ongewoons hadden, en steeds eene bijzondere soort

van belangstelling voor haar opwekten. Zij scheen als een wezen uit

eene vreemde, tot heden nog onbekende wereld.

Aspasia vond het raadzaam hare kweekelingen, tegen de Atheensche zeden

en ondanks haar jeugdigen leeftijd in den vrijen, ontwikkelden omgang

met de wereld en de menschen te brengen. Thans evenals vroeger

bezochten haar huis mannen van uitnemenden geest, door wier gesprekken

de zielen der meisjes vroegtijdig boven de platte alledaagschheid

verheven en in hoogere sferen opgevoerd werden. Maar ook bezoeken van

vrouwen waren niet uitgesloten. Wie van die uitstekende mannen eene

schoone vriendin in dezen kring wilde binnenleiden, dien werd het

volgaarne toegestaan. Onder hen, die van die vrijheid gebruik maakten,

bevond zich die jonge beeldhouwer en architect Callimachus, die een

verwend beeldschoon, jong meisje, Philandra genaamd, van Corinthe naar

Athene had gebracht. Hij hield hartelijk veel van het meisje en scheen

besloten haar tot zijne echtgenoote te nemen. Doch Philandra, van

nederige en arme afkomst en nog in hare prille jeugd, miste eene

beschaving en ontwikkeling, die haren vriend waardig was. Hoe kon haar

die beter ten deel vallen, dan door het verkeer met de omgeving van

Aspasia? Deze achtte het natuurlijk niet beneden zich den kring harer

school ook buiten hare woning uit te breiden.

Philandra was eene schoonheid van weelderige, maar toch edele vormen.

Zij verried een heftig, ja hartstochtelijk karakter en scheen door haar

statig voorkomen ouder dan zij werkelijk was.

Zoo was dan, om zoo te zeggen, een vrouwelijke Olympia in Aspasia’s

woning neergedaald. De jonge Alcibiades placht de meisjes naar de

Godinnen te noemen, met wie zij de meeste gelijkenis hadden.

Kunstenaars werden in dezen Olympus tot het scheppen van schoone

beelden ontvonkt, dichters tot zoetklinkende liederen bezield. Doch

overmoed en al wat onedel was bleef verbannen uit dezen schoonen kring,

Aspasia’s blik wist zelfs den koenen, hartstochtelijken Alcibiades in

toom te houden en steeds hield de priesteres der schoonheid ook de

teugels van de edele juiste maat in de hand. Altijd bleef Aspasia

gedachtig, wat zij aan de eer van ’t huis haars gemaals verschuldigd

was. En zij wist te voorkomen, dat de school, die zij om zich verzameld

had, haar echtgenoot ooit de de minste aanleiding gaf tot verwijdering,

die allicht tot eene noodlottige scheiding zou kunnen voeren.

Op zekeren dag noodigde de jonge Alcibiades Aspasia en hare meisjes tot

een pleiziertochtje met zijn jacht uit. Aspasia nam de uitnoodiging van

den jongen man aan, onder nadrukkelijke voorwaarde, dat hij niemand van

zijne overmoedige makkers zou mede nemen.

Op een zomermorgen, terwijl de frissche dauw zich parelde op blad en

halm, besteeg Aspasia met Drosis, Prasina, Simaetha en Cora het schip

van Alcibiades. Bij haar sloten zich nog Callimachus en Philandra aan,

en in gezelschap van Philandra eene vriendin van haar, Pasicompsa

geheeten, die, evenals Philandra zelve, bij Aspasia was ingeleid en

door deze waardig geacht eene plaats onder hare leerlingen te nemen.

Behalve de genoemden en eenige slaven, om te roeien, bevond zich

niemand op het schip.

Men voer het strand langs en geraakte weldra in de schoone bocht van

Salamis. Links zag men de groene in den morgendauw schitterende

eilanden, rechts het Attische strand met zijne aegaleïsche [387]

heuvels.

Niets vermag de ziel vriendelijker en harmonischer te stemmen dan een

spelevaart over eene zonnige, blauwe zeegolf. En geen heerlijker azuur

wordt er gevonden, dan dat van Salamis’ zeeboezem. Zoo smaakte dan ook

het gezelschap van Alcibiades, zich wiegelend op de baren der zee onder

dien heerlijken hemel, een onbeschrijfelijk, een zalig genot. Boven

hunne hoofden het blauw van den aether, onder zich het hemelsblauw der

zee, dreven zij als het ware tusschen twee hemelen, zich wiegelend in

eene zalige azuur. Of dat van den aether dan wel dat van de zee

bekoorlijker was, wisten zij niet en zij vroegen er ook niet naar; zij

zagen alleen, dat somwijlen de vogels voor een oogenblik uit den

blauwen aether in de zee neerdoken, als om hare bekoorlijkheid te

onderzoeken, terwijl de visschen daarentegen uit de blauwe zee

somwijlen oprezen en voor een oogenblik met de koppen lustig in den

blauwen aether voortzwommen, als om eene vluchtige, heerlijke teug

daaruit in te zwelgen.

Het gezelschap op het schip van Alcibiades geleek op de vroolijke

visschen en vogels, die zich in de bekoorlijkheid van zee en aether

verlustigden en verkwikten. Zij zogen in volle teugen al dat heerlijke

in en dachten daarbij zoo weinig om de buitenwereld en zich zelven, als

die vogels en visschen. De jeugdige, bevallige kweekelingen van Aspasia

zagen van het scheepsboord omlaag naar de schoone zee, doch alleen om

hare lieve gezichtjes daarin te spiegelen. Alleen Cora zag, als zij in

den vloed nederkeek, niet haar gezicht, maar de zee zelve. In haar

gemoed alleen werd de betoovering der zee met levendigheid gevoeld.

De andere meisjes spiegelden zich in de zee, de zee echter spiegelde

zich in Cora.

De indruk steeg in haar gemoed schier tot vrees. Want zij begon ten

laatste met eene soort van angst in hare trekken naar de diepte der zee

te luisteren. En toen men haar glimlachend vroeg, of zij soms de

stemmen van verleidelijke Sirenen uit de diepte hoorde, bevestigde zij

dit, waarover haar speelgenooten in een helderen lach uitbarstten, die

verre over de zee klonk.

Wellicht gelokt door de muziek dezer stemmen, werd het jacht door een

dolfijn gevolgd, die geheel over den waterspiegel daarheen gleed. Een

vogeltje, dat zich te ver van ’t land in de zee had gewaagd, zette zich

een oogenblik, als om te rusten, op zijn rug, zonder dat hij het

bemerkte.

Juist toen de zilveren lach over Cora op het vaartuig van Alcibiades

weerklonk, stevende een groote koopvaarder het jacht voorbij. Daar de

koopvaarder zeer dicht langs het jacht voer, konden zijne bemanning en

het gezelschap van Alcibiades elkander zeer goed opnemen. De mannen op

de koopvaarder hadden een ruw, woest uiterlijk en wierpen donkere

blikken van onder hunne borstelige wenkbrauwen op het jacht van

Alcibiades, bijna dreigend als haviken op eene vlucht duiven. Daar

echter de koopvaarder veel sneller roeide, liet hij weldra de bark

achter zich en het vroolijke gezelschap sloeg geen acht meer op hem.

Callimachus meende er een Megarisch schip in herkend te hebben.

In eene kleine bocht werd geankerd en men besloot aan land te gaan, om

zich daar eenigen tijd op het vriendelijk uitnoodigend strand te

vermeien. ’t Was juist de plaats, waar men den in de rots uitgehouwen

zetel van den Perzischen koning Xerxes toont, op eene helling der

aegaleïsche bergen, den zetel, dien de groote koning, toen hij zijne

vloot hier tot den beslissenden slag geschaard had, op het glooiende

strand besteeg en vanwaar hij, eerst met fier vertrouwen op de

overwinning, en vervolgens met steeds toenemende ontzetting de

vreeselijke vernieling zijner macht bij Salamis had aanschouwd.

Callimachus en Alcibiades geleidden Aspasia en de meisjes op den in de

rots gehouwen zetel, en Alcibiades verlangde van Aspasia, dat zij als

de waardigste daarop plaats zou nemen. Aspasia gaf aan de uitnoodiging

gehoor. Callimachus zette zich aan hare zijde. De meisjes met

Alcibiades vlijden zich in eene bekoorlijke groep om haar heen.

Boschjes van zeegras en mirtestruiken, vol donkere en lichte bessen,

schoten op tusschen de klippen.

Er lag een wondervolle vrede over het zonnige land en de fonkelende zee

uitgebreid. Dubbel bekoorlijk scheen van deze hooge plaats het

tegenover hen opdoemend Salamis. Tusschen het eiland en het vaste land

blauwde de zee, door geen windje gerimpeld. Zilverheldere, glinsterende

strepen doorsneden hier en daar het diepe azuur, als schitterende

bruggen. Geen geluid werd er vernomen in de gansche verte dan het

ruischen van de in gelijkmatigen rhythmus aan- en terugklotsende golven

bij het strand en van tijd tot tijd het gekrijsch eener meeuw, die

zweefde over de klippen.

Aspasia(#64986) · 第 42 / 57 段