„Vóór jaren stond ik eens als eene hulpelooze vrouw in Megara’s

straten, omringd door de menigte, onschuldig gehoond, onschuldig

vervolgd met blikken en woorden. Met oogen, gloeiend van haat werd ik

beschouwd; want het was een vijandig Dorisch volk, dat zich om mij

drong. Met onbillijke woorden werd ik gesmaad, met snoode handen

aangegrepen, want het was een ruw, woest Dorisch gepeupel, dat op mij

aanviel. Heden omgeeft mij de menigte in Eleusis’ straten. Maar ik houd

rustig en kalm mijn hoofd omhoog: want ’t zijn, meen ik, grootendeels

Atheners, die mij omringen. Geen Dorisch volk is het, maar een Ionisch,

welks scherpste pijl, zoo ik meen, de vermetele blik is, en het

ondoordachte woord dat steeds vaardig aan de vlijmende tong ontglipt.

Maar waarom dringt gij zoo om mij heen? Waarom gaapt gij mij zoo aan?

Ik heb mij onwettig in die geheimenissen van Eleusis ingedrongen, meent

gij? Weest toch niet al te kleingeestig, gij verlichte Atheners, en

volgt niet al te bereidwillig de wenken en woorden van hen, die het

licht haten en de duisternis liefhebben, en die u de duisternis voor

licht verkoopen! Mannen van Athene! vereert niet al te zeer het sombere

tweetal Godinnen [383] van Eleusis, en blijft gedachtig aan uwe

schutsgodin Pallas Athene, de Godin des lichts, de ware en waardige

beschermvrouw van het Attische land en volk wier beeld stralenden,

vroolijken glans alle nachtgebroedsel verjagend, hoog schittert op uw

burg!”—

Toen de vrouw van Pericles deze woorden gesproken had en het fonkelend

oog onbevreesd over de haar omstuwende menigte liet weiden, zagen de

mannen elkander aan, zeggende:

„Zij is, bij de Goden een schoone vrouw, die Aspasia van Milete, en ter

wille daarvan moet men haar veel vergeven!” [384]—

Zoo spraken zij en weken een weinig uiteen, zoodat zij rustig haar weg

kon vervolgen.—

Maar de vrienden van Diopithes, die zich onder de menigte bevonden,

waren nu nog feller op de Milesische gebeten en begaven zich naar den

Erechtheüs-priester, om hem te berichten, dat Aspasia met onbeschaamd

voorhoofd voor het verzamelde volk met minachting over de heilige

plechtigheden en de eerwaardige Godinnen van Eleusis gesproken had.

Het uur voor het onderhoud bij Diopithes, waartoe men ook Hipponicus

genoodigd had, was gekomen.

Verscheidene mannen met een somber uiterlijk, verklaarde tegenstanders

van Pericles, waren bij den priester verzameld.

De angstvallige daduchus was zeer inschikkelijk en gedwee in alle

zaken. Steunende op zijne verklaringen en op de toornige uitdrukkingen

tegen Aspasia, waarvan Lampon getuige was geweest, rekende Diopithes

hem voortaan onder ’t getal zijner bondgenooten en helpers.

Om zijnentwil, heette het, zou men in eene volgens de Atheensche wetten

hoogst gevaarlijke zaak de aanklacht tegen Aspasia zoolang verschuiven,

als hij zich die genadige behandeling waardig toonde. Om de vrouw van

Pericles in het verderf te storten, meenden de samenzweerders, waren de

vermetele, oneerbiedige uitdrukkingen voldoende, die zij voor het

geheele volk over de Eleusinische Godinnen had durven uitspreken. Ieder

oogenblik kon men wegens deze zaak alleen eene aanklacht van

goddeloosheid en godsdienstverachting tegen haar indienen.

Er waren mannen van de oligarchen-partij tegenwoordig, die zeiden, dat

men verder moest gaan; dat men zich niet tevreden moest stellen de

Milesische aan te vallen, die toch altijd slechts eene vrouw was, maar

dat men zich eindelijk ook aan Pericles zelven eens moest wagen. Zij

wezen op de verderfelijke veranderingen, die er door hem in den staat

hadden plaats gegrepen, op de onbeperkte volksheerschappij die door

zijne toegeeflijkheid zich had ontwikkeld en die door niets in toom

gehouden werd dan door den persoonlijken invloed van den bij het volk

geliefden strateeg. De belangen der Atheners waren alzoo aan de

willekeur en het goedvinden van één enkele prijs gegeven. Anderen

meenden, dat mannen als Anaxagoras, Socrates en de Sophisten de

eigenlijke oorzaak waren van den rampzaligen toestand van den staat.

Deze hadden de Atheners geleerd vrij te denken en oneerbiedig te

spreken over de Goden en goddelijke zaken; deze vóór anderen moest men

trachten uit te roeien. Bovendien waren er tegenstanders en benijders

van Phidias en zijne school onder de aanhangers van Diopithes, die ook

de vervolging tot hen wilden zien uitgestrekt.

De oogen van Diopithes fonkelden bij de opnoeming van al deze mannen.

Hem waren zij allen gelijkelijk gehaat.

„Wij zullen ze allen weten te vatten,” zei hij, „allen van de rij af of

te gelijk. Doch laat ons sluw de goede gelegenheid bespieden en de voor

ons gunstige stemming der Atheners afwachten. Inmiddels echter moeten

wij heimelijk naar een vast plan te werk gaan, om ’t verderf dier

schuldigen voor te bereiden.”

Zoo sprak de Erechtheüs-priester. Veel werd er vervolgens nog gewikt en

gewogen, veel afgesproken door de bij Diopithes vergaderde mannen.

Aspasia was dien dag niet in het huis van Hipponicus teruggekeerd;

alleen Pericles begaf zich op den morgen van den volgenden dag, toen

hij op ’t punt stond met zijne gade Eleusis te verlaten, nogmaals naar

den daduchus.

Hij riep hem ter verantwoording over de onbeschaamde beleediging, die

hij Aspasia had aangedaan. Hipponicus verontschuldigde zich met zijne

dronkenschap en opgewondenheid, waarvan Aspasia voor een deel althans

zelve de schuld was, daar zij hem door Anacreontische liedjes en

gesprekken bij het vroolijke maal tot Dionysische dartelheid geprikkeld

had. Vervolgens beklaagde hij zich bitter over de verlegenheid en het

gevaar, waarin hij door zijne medeplichtigheid aan de onwettige

inwijding van Aspasia in de mysteriën geraakt was.

Pericles had medelijden met deze verlegenheid en beloofde hem zijne

bescherming. Doch Hipponicus was niet tot gerustheid te brengen.

Toen Pericles desniettemin schouderophalend afscheid nam, volgde de

daduchus hem tot aan de deur, keek telkens angstig rond en fluisterde

zijn ouden vriend in ’t oor:

„Wees op uw hoede, Pericles! Bij Diopithes werden gisteren in de

schemering booze plannen gesmeed. Ook ik was daarbij;—gedwongen—; want

het gold mijn hoofd.—Neem u in acht voor Diopithes en maak hem

onschadelijk, zoo gij kunt. Men wil Aspasia en Anaxagoras en Phidias en

u zelven in ’t verderf storten. Mij hebben zij in hunne macht, die

ellendelingen—ik moest maar altijd met het hoofd ja knikken, op alles

wat zij daar voorstelden—maar de honden en de raven mogen hen

verscheuren, den Erechtheüs-priester en zijne geheelen aanhang!”

XX.

DE SCHOOL VAN ASPASIA.

Sedert den dag, waarop de jonge Alcibiades door een discus zijn kleinen

makker in het Lyceüm had gewond, was eene reeks van jaren verloopen.

De knaap was tot een bloeienden jongeling opgegroeid; want hij had zijn

achttiende levensjaar bereikt. Hij was naar Atheensch gebruik met de

andere jongelingen, die in ’t zelfde jaar mondig werden, in de

volksvergadering voorgesteld, met speer en lans gewapend naar het

heiligdom van Agraulus aan den voet der Acropolis gevoerd, hij had daar

den plechtigen eed afgelegd, waarmede de nieuwe Atheensche burger zich

aan het vaderland wijdde: hij had gezworen zijn wapenen nooit oneer aan

te zullen doen en zijn medestrijder in den slag niet te verlaten, te

strijden voor de heiligdommen, en, ’t geen allen het dierbaarst is, den

Staat, eens onverminderd, ja zoo mogelijk vergroot in macht en eer, aan

de nakomelingen achter te laten, de wetten door het volk gegeven te

gehoorzamen en niet te dulden, dat een ander ze schond of trachtte af

te schaffen.

Maar het vaderland, waaraan de jonge Alcibiades met dezen eed trouw

zwoer, stelde voor het oogenblik slechts matige eischen aan zijn ijver

en inspanning. De peribolen-dienst, dien de juist mondig verklaarde

Atheensche jongelingen vervullen moesten, bestond in kleine tochten

voor de inwendige veiligheid van het Attische land, en deze konden

eerder als een genoegen dan als een last beschouwd worden.

De staat liet den jongen zoon van Clinias voldoende tijd om de

genietingen der gulden jeugd te smaken. Met hem was de jonge Callias

opgegroeid, die zijn vader Hipponicus een schrielhans noemde, de jonge

Demus, de om zijn schoonheid beroemde zoon van Pyrilampes, die

insgelijks van meening was, dat zijn vader Pyrilampes van zijne

rijkdommen geen goed gebruik wist te maken. Xanthippus en Paralus

werden soms door de luim van Alcibiades, die hun den roem van brave

knapen te zijn niet gunde, als helpers bij een ondeugenden guitenstreek

meegesleept, doch zij moesten zich steeds met een ondergeschikte rol

vergenoegen. Want ten eerste ontbrak het den spruiten van Telesippe aan

geest en vernuft, en ten andere waren hunne zakken niet zoo gevuld, als

die der beide zonen van de rijkste mannen van Athene, noch als die van

Alcibiades zelven, wien na zijn mondigheid ook het vrije bezit van zijn

vaderlijk erfgoed ten deel was gevallen.

Eene eigenaardige liefde had Alcibiades voor den jongen Manes opgevat,

den knaap van vreemden afkomst, die Pericles uit den Samischen krijg

had medegebracht en wien hij te zamen met zijne zonen en met dien van

Clinias in zijn huis had laten opvoeden. Maar alle pogingen van

Alcibiades om dezen droomerigen, stillen, eenigszins zwaarmoedigen

jongeling in zijn vroolijken kring te lokken, mislukten ten eenenmale.

Deze jongeling begon overigens in dien tijd, door eene zonderlinge

soort van ziekte aangetast, het voorwerp van eene huiveringwekkende

opmerkzaamheid te worden. In hem ontwikkelde zich die raadselachtige

neiging, die bekend staat onder den naam van onbewust slaapwandelen of

maanziekte. In het holst van den nacht, wanneer alles in sluimering lag

verzonken, stond hij op van zijn leger en doorwandelde met gesloten

oogen het door de maan verlichte Peristylium, vervolgens beklom hij het

plat van het dak en liep daar eenigen tijd heen en weder, altijd met

gesloten oogen, en keerde ten laatste naar zijne legerstede terug, even

onbewust als hij ze verlaten had. De mare van den slaapwandelenden

knaap in het huis van Pericles verbreidde zich in geheel Athene en men

begon van dit oogenblik af hem met een zekeren afschuw te aanschouwen,

als iemand, die onder den invloed van daemonische machten stond.

Had reeds Alcibiades als knaap de algemeene aandacht der Atheners

getrokken, ’t was natuurlijk, dat hij nog meer van zich deed spreken,

toen zijne kin behaard werd door „het zachte dons der mannelijkheid”.

Zijne dolle streken waren het praatje van den dag, en daar hij

vroegtijdig geleerd had, hoeveel bekoorlijks de naam van een aardigen

deugniet aanbrengt, legde hij zich volstrekt geen dwang op, ja zelfs,

wanneer hij een dollen streek had uitgevoerd, waarover de Atheners het

hoofd schudden, deed hij dien in het vergeetboek geraken door een nog

dolleren te doen. Hij wist immers, dat zelfs zij, die hem laakten, hem

heimelijk bewonderden. Menigmaal scheen het, alsof hij eens wilde

beproeven, of hij toch niet iets kon doen, wat de Atheners ernstig

tegen hem zou kunnen verbitteren. Te vergeefs! Zijne handelingen

mochten moedwillig en dartel zijn, als zij wilden, hij zelf bleef

altijd geliefd.

’t Was nog altijd de lievelingswensch van Hipponicus, dat de schoonste

jonkvrouw van Griekenland, zijne dochter Hipparete, de gade mocht

worden van den schoonsten Helleenschen jongeling. Hij betoonde zich

daarom zoo vriendelijk en voorkomend mogelijk voor den jongen

Alcibiades, noodigde hem herhaaldelijk aan tafel en behandelde hem

bijna met de teederheid van een vader.

Alcibiades maakte zich over hem vroolijk, evenals over ieder ter

wereld, en plaagde hem met overmoedige scherts. Eens zond hem

Hipponicus kostelijk toebereide visschen op een gouden schotel.

Alcibiades hield den schotel en bedankte Hipponicus met de volgende

woorden: „’t Is al te vriendelijk van u, dat ge mij behalve den gouden

schotel ook nog zulke heerlijke visch daarbij hebt

gezonden.”—Hipponicus lachte dat zijn buik schudde, en roemde bij de

heele wereld de geestigheid van zijn aanstaanden schoonzoon.—

De bevallige jonkvrouw Hipparete zelve, die door haar vader reeds

geleerd had den jongen Alcibiades als haar toekomstigen echtgenoot te

beschouwen, was heimelijk voor den prachtigen jongeling in minnegloed

ontstoken. Zij had hem eenige malen bij openbare feesten gezien. Hij

echter spotte met het ingetogen meisje. Hij hield zich voor het

oogenblik liever aan de schoone en geestige hetaeren, wier aantal in de

stad der Atheners gedurig toenam.

Inzonderheid was het Theodota, die den jongen man inwijdde in de

mysteriën van het vroolijkste levensgenot. Een tiental jaren was

ongeveer verstreken, sedert Alcamenes deze schoone van den rijken

Corinthiër als loon voor zijne voortreffelijke marmergroep had

bedongen. Thans was Theodota te Athene wellicht niet meer de

bloeiendste, zeker echter nog de beroemdste onder hare vriendinnen.

Zij was voor Alcibiades het middelpunt van een kring van de

weelderigste verkwisting, en het dartelste onbeteugeldste levensgenot.

Maar zij was alleen het middelpunt, terwijl de kring zelf zijne grenzen

hoe langer hoe wijder uitbreidde.

Diophites wreef zich vergenoegd de handen, zeggende: „Theodota richt

gewis den veelbelovenden pleegzoon van Pericles ten gronde!”—

Maar werkelijke gezondheid, werkelijke kracht en werkelijke schoonheid

zijn, naar het schijnt soms onverwoestelijk. De teugellooze Alcibiades

bloeide als eene roos in den morgendauw. Hij had dien blos op de

wangen, dien de zedepredikers, volgens hun meening, aan den deugdzamen

moeten toekennen, terwijl juist de deugdzamen niet zelden met die vale

gelaatskleur en doffe oogen rondloopen, die de zedeprediker gewoonlijk

als beeld gebruikt, wanneer hij met krachtige trekken den wellusteling

wil schilderen.

Theodota vervulde hare taak bij den levenslustigen jongeling in den

beginne met blijde opgewektheid, doch langzamerhand begonnen in haar

hart aandoeningen van een dieperen hartstocht levendig te worden. De

ongelukkige! Zoo zeker als het ’t meest benijdenswaardig geluk scheen,

door Alcibiades bemind te worden, even zeker was het grootste ongeluk

hem te beminnen!—

De mondigverklaring van den jongen Alcibiades had weinige dagen na den

terugkeer van Pericles en zijne gade van hunne Elische reis plaats

gehad. Ofschoon nu de jonge man, in ’t bezit van zijn vaderlijk

erfdeel, ophield een huisgenoot van Pericles te zijn, voerden toch de

gewoonte en genegenheid benevens de betoovering, die Aspasia noodwendig

op hem moest uitoefenen, hem dikwerf genoeg terug naar den drempel van

het huis, waarin hij opgevoed was.

Kan het bevreemden, dat de vermetele lieveling der Chariten durfde

wagen, ook der nog altijd zegevierend schoone gade van Pericles eene

soort van hulde te bieden, die hij in de school van Theodota geleerd

had? Maar de schoone Milesische was nog steeds te jong, om den

onontwikkelden mannelijken bloei verleidelijk, te verstandig om ze in

’t geheel begeerlijk te vinden, en veel te fier, om zich, zelfs de

buitengewone schoonheid van den jongeling in aanmerking genomen, voor

de zegekar van den baardeloozen vrouwenheld te laten spannen. Zij wist,

dat geen vrouw, zelfs zij niet, dezen vluchtigen losbol inderdaad zou

kunnen kortwieken, boeien en beheerschen. Grootscher dan het

twijfelachtig genoegen ’t getal zijner veroveringen te vermeerderen en

bekoorlijker tevens, was haar de gedachte, haar geslacht aan hem te

wreken en hem voor eene loszinnigheid te straffen, die hij haar zelve

niet mocht doen ondervinden. ’t Kwam haar daardoor niet in de gedachte,

tegenover den jongeling dien moederlijk teederen, door ’t verschil in

jaren gerechtvaardigden toon aan te nemen, waar onder dikwijls oudere

vrouwen hare liefde verbergen, of de rol eener vertrouwde bij hem te

zoeken. Zij beantwoordde de beleefdheden van den jongeling eenvoudig

door er volstrekt geen acht op te slaan en hem wel is waar niet met

moederlijke teederheid, maar toch met moederlijke ernst te behandelen.

Dit verbaasde den verwenden, zich zijner zegepralen bewusten

veroveraar. Hij gevoelde eene heimelijke spijt, doch de hoogachting die

hij der Milesische toedroeg, werd er niet door verminderd, integendeel

zij nam er door toe, zonder dat hij er zich ten volle van bewust was.

Zoo gevoelde hij zich telkens weder tot Aspasia getrokken en drong haar

de rol van vertrouwelinge op, die zij volstrekt niet van plan geweest

was te zoeken.

Op zekeren dag verbreidde zich door Athene het bericht van een nieuwen

streek van Alcibiades, die meer dan alle vorige geschikt was, om de

aandacht te trekken en aller tongen in rep en roer te brengen. Er werd

namelijk verteld, dat Alcibiades op een uitstapje, dat hij met de

besten zijner vrienden naar Megara had gemaakt, zich daar

onaangenaamheden op den hals gehaald, ten laatste zelfs een meisje

geroofd en mede gevoerd had, hetwelk hij nu bij zich te Athene

verborgen hield. Niet gering, zei men verder, was de verbittering der

Megarensers, die toch reeds van ouds op de Atheners gebeten waren.

Velen spraken reeds over openlijke vijandelijkheden, die ten gevolge

van dezen streek der Atheensche jongelingen tusschen Athene en de

naburige Dorische stad zouden uitbreken.

Alcibiades loochende, wanneer hem er naar gevraagd werd, de zaak

volstrekt niet, en vertelde ten laatste de geheele geschiedenis

uitvoerig, ja met blijkbaar welbehagen, aan zijne moederlijke vriendin

Aspasia.

„Wij waren”—zoo sprak hij—„den vervelenden peribolendienst in de

landelijke vlekken moede geworden, hoewel wij er ook soms eene kleine

afwisseling in brachten, door, in plaats van op stroopers en roovers te

loeren, liever jacht te maken op een Thracisch meisje in de boschjes

van den Phelleus of op eene jeugdige schoone uit Acharnae.

„Zoo besloot ik dan in gezelschap van mijne vrienden Callias en Demus

nogmaals een klein zeetochtje voor eenige dagen te ondernemen. Wij

hadden ons reeds vóór geruimen tijd een fraai versierd, groot

pleizierjacht op gezamelijke kosten laten bouwen, waarmede wij ook soms

ter vischvangst gingen. Dit jacht bestegen wij en namen drie Ionische

meisjes mede, die, behalve in schoonheid, ook in de muziek- en

zangkunst uitmuntten; voorts een paar jachthonden, benevens jachtnetten

en werpsprieten; want wij waren voornemens langs die kust te roeien en

hier en daar aan land te gaan, om te jagen. Wij voeren door de zeeëngte

van Salamis. De „Bacchante”—zoo heette onze bark—danste lustig op de

golven.

„De bont beschilderde voorsteven, die in een vergulden panther uitliep,

waarop eene Bacchante reed, fonkelde in de stralen der zon. Den mast

hadden wij, als een Thyrsus-staf met klimop en bloemen omwonden. De

bodem van het vaartuig was met tapijten en mollige kussens bedekt. Wij

praatten en schertsten en zongen; eene der drie schoonen blies op de

fluit, de tweede bespeelde de cither en de derde sloeg het symbaal,

zoodat de zee van gezang en muziek en opgeruimde vroolijkheid

weerklonk, en wij de nieuwsgierige dolfijnen met de riemen op den kop

moesten slaan, om hen te verdrijven en te beletten, dat zij ons jacht

omver wierpen of vernielden.

„Langs het strand varende, kwamen wij voorbij vele landhuizen. Vóór een

van deze hielden wij een oogenblik stil, om de schoone, die het

bewoonde, een serenade te brengen. Wij zongen en musiceerden vroolijk.

De schoone was verheugd, toen zij het gezang uit de zee vernam en de

sierlijk getooide jonge vrienden zag. Glimlachend stond zij op het

terras van het huis; wij wierpen haar kransen en kushanden toe. Nu ging

het weder verder zeewaarts. Brandend stak ons de zon, doch wij wisten

ons te helpen. Wij spanden de oppergewaden onzer vriendinnen en onze

eigene boven onze hoofden, om de zon af te weren. ’t Was een schoon

gezicht, zooals het vaartuig met die wimpels en zeilen getooid, de met

purper getinte baren doorkliefde. ’t Scheen als zou men straks het

heldere, verleidende lachen eener Sirene vernemen. Wij waren juist in

de Halcyonische dagen, gedurende welke de windstilte heerscht en de

ijsvogel broeidt. Wij hadden de zeeëngte van Salamis achter ons en het

Megarische strand rechts voor oogen. Hier begonnen de kusten eenzaam en

eentonig te worden; van tijd tot tijd drongen de tonen eener

herdersfluit tot ons van de glooiende bergen en men zag kudden van

runderen, lammeren en geiten grazen. Wij legden hier en daar aan en

vermaakten ons op allerlei wijzen. Wij vingen visschen met angels, die

wij van de rotsen aan lange koorden in de zee wierpen, en vingen eenige

wilde ganzen, eenden en trapganzen met strikken.

„Toen wij juist weder ons schip hadden bestegen, om de reis in de

richting van Megara voort te zetten, ontmoette ons een pleizierjacht,

dat in sierlijkheid en weelderigen tooi voor het onze volstrekt niet

onderdeed. In dit prachtige vaartuig zat een bedaagd man, met een

bekoorlijk schoon meisje aan zijne zijde. Het gezicht van dit meisje

deed mij in fellen minnegloed ontsteken. Doch al te vluchtig was de

ontmoeting. Snel gleden de beide vaartuigen langs elkander; de

Megarische bark zeilde onmiddellijk om eene vooruitstekende rots en

verdween uit onze oogen.

„Wij gingen weder aan land op eene plaats, die ons bijzonder aanlokte.

Daar was eenig kreupelhout, ’t geen onze honden aanstonds

doorsnuffelden. Na weinige minuten joegen zij een haas op; wij grepen

naar onze jachtnetten en sprieten en in de hoop, het dier machtig te

worden, achtervolgden wij het en lieten onze vriendinnen in de

nabijheid van het vaartuig achter. De haas werd door de honden uit het

bosch in de velden en weilanden gedreven. Terwijl zij onder luid geblaf

voortsnelden, brachten zij de herders en hunne kudde in rep en roer. De

honden stoven zelfs midden door een kudde geiten, zoodat deze

verschrikt uit elkander vlogen en sommigen tot aan de zee afdwaalden.

Vertoornd over de verstrooiing zijner kudde, greep de herder een

scherpen steen, die juist voor zijne voeten lag, wierp hem naar een der

honden en trof hem doodelijk aan den kop. Het was de trouwe Phylax, die

alle eigenschappen bezat van een voortreffelijken jachthond.

„Toen wij het voorgevallene uit de verte zagen, lieten wij den haas

loopen en ijlden gloeiend van toorn, op den geitenhoeder los. Deze

echter had inmiddels andere herders ter hulp geroepen en wij zagen,

toen wij aankwamen, een dreigende menigte tegenover ons. Evenwel

maakten wij aanstalten, om met onze jachtsprieten op hen los te gaan.

Op dit oogenblik kwam een slaaf in allerijl uit het nabijgelegen

landhuis aanloopen, om in naam van zijn heer te vragen, wat dit rumoer

beteekende. Toen wij van den slaaf vernamen, dat de geitenhoeder in

dienst was bij den heer van dat landgoed, verlangden wij met dezen te

spreken, om voldoening voor het doodelijk gewonde dier te erlangen. Wij

volgden den slaaf en toen wij het landgoed naderden, ’t welk een statig

aanzien had en zich als het eigendom van een vermogend man voordeed,

verbaasde het ons niet weinig, in den naast het huis gelegen tuin juist

dienzelfden grijsaard en dat bekoorlijke kind te zien rondwandelen, die

wij kort geleden op de zee hadden ontmoet. Wij verhaalden den man het

gebeurde en zeiden, dat wij van plan waren ons op den herder te wreken.

De oude man, als Megarenser een verklaarde vijand van de Atheners,

antwoordde in onheusche bewoordingen. De herders, die in groote menigte

ons op den voet gevolgd waren, beschuldigden ons met hevig misbaar

hunne velden verwoest en hunne kudden verstrooid te hebben. Met behulp

der huisslaven, die door wenken en teekenen van hun meester aangespoord

waren geworden, onder smaadredenen en scheldwoorden op ons indringend,

waren wij genoodzaakt voor de overmacht te zwichten en zonder eenige

voldoening de plaats te verlaten.

„Hoe zeer ook door de omstandigheden opgewonden, had ik toch niet

verzuimd eenige blikken op de jeugdige schoone te werpen, die zich nog

steeds in den tuin bevond en met een gevoel van nieuwsgierigheid en

schrik den twist had aanschouwd. Met mijne makkers teruggekeerd, deelde

ik hun onmiddellijk mijn besluit mede, om mij op den nietswaardigen

Megarenser te wreken. Het schoone kind hield ik voor een gekochte

lievelingsslavin. Mijn plan was: mij met mijne vrienden een tijdlang in

de nabijheid verborgen te houden en het oogenblik te bespieden, waarop

het landhuis onbewaakt was en het meisje zich alleen in den tuin zou

bevinden, dan haar ijlings te overvallen en haar te ontvoeren.

„Eerder dan wij gehoopt hadden, vond ik de gewenschte gelegenheid.

Voordat de tweede dag nog verloopen was, hadden wij het meisje ontdekt,

aangegrepen, door een doek voor den mond het schreeuwen belet en in

vliegenden haast op het onder eene rots verborgen schip gebracht.

Aspasia(#64986) · 第 41 / 57 段