Onder de schare van mysten, die het eerst werd toegelaten, bevonden

zich Pericles en Aspasia.

Een glimlach zweefde om de lippen van Aspasia toen zij met deze schaar,

geleid door de mystagoog, het binnenste van ’t heiligdom betrad en den

Hiërophantes, benevens de overige offerpriesters en helpers, in

schitterend en veelbeteekenend gewaad gedost zag, met diademen op de

vrij langs de schouders neergolvende lokken, statige grijsaards,

eerbiedwaardig van uiterlijk, die daarenboven geheimzinnige symbolen

ten toon droegen; te midden van hen de daduchus met eene fakkel in de

hand.

En nog bekoorlijker lachte de schoone Milesische, toen nu de „heilige

heraut” zijne stem verhief voor de verzamelde mysten, met den eisch,

dat ieder, die niet de wijdingen had ontvangen, zich zou verwijderen,

alsmede ieder, wiens hand niet rein van schuld en niet waardig

voorbereid was, om het heilige licht van Eleusis te aanschouwen; hen

ten laatste nogmaals den plechtigen eed afnemende, een eeuwig zwijgen

te bewaren over datgene, wat zij zouden hooren en zien. Hierop werd

ieder afzonderlijk eene vraag in het oor gefluisterd, die alleen de

myst kon begrijpen en die hij even zacht weder in het oor van den

vrager beantwoordde, terwijl door een onzichtbaar koor de plechtige

hymnus op de Godinnen van Eleusis aangeheven werd.

En nog steeds zweefde die fijne glimlach om de geestige lippen van

Aspasia, toen de mysten in het binnenste van den tempel waren

binnengeleid en zekere heilige voorwerpen hun daar ’t eerst getoond

werden, overblijfselen uit eeuwenoude tijden, zinnebeelden der

zegeningen en mysteriën van den Eleusinischen eeredienst, hun tevens

aangeboden om aan te raken en te kussen en met gewijd woord uit den

mond van den Hiërophantes uitgelegd.

En met denzelfden glimlach volgde Aspasia de mimische voorstellingen

der heilige sagen, aanschouwelijk en aangrijpend om te zien in de

geheimzinnige schemering van den tempel, begeleid door de liefelijke

tonen van fluit- en snarenspel.

Nu echter werd de schare van mysten langs trappen naar onderaardsche

gewelven en gangen gevoerd. Weldra zagen zij zich door eene volslagen

duisternis omringd. De zwerftochten begonnen: een lang, moeitevol,

doelloos ronddolen in het nachtelijk donker. Alleen de stem van den

Hiërophantes weerklonk ernstig en waardig en strekte door zinrijke

spreuken en waarschuwingen tot gids in dien donkeren, labyrinthischen

zwerftocht.

Plotseling hoorde men een dof gedreun, alsof de grondvesten der aarde

trilden: het scheen gehuil, gesteen, geluid van ruischend water en

geratel van den rollenden donder dooreen gemengd.—De straks nog rustige

schare der mysten greep een angstige verbazing aan, zij begon te

sidderen en te beven, het klamme angstzweet parelde zich op het

voorhoofd.

Steeds grooter echter werden de verschrikkingen; want bij het schijnsel

van als bliksem, schitterende vlammen, die afwisselend uit den grond

sloegen en wier roode, blauwe, witte of vale kleur schier verblindend

was, zag men gruwzame spookgestalten, monsters der onderwereld door een

vluchtigen glans verlicht. Gorgonen met ontzettende koppen, sluipende

Echidnen [366], vreeselijke Chimaeren [367], die de gestalten van een

leeuw, eene geit en eene slang in zich vereenigden, tandenknarsende

Harpyen met gapende muilen, bleeke, bloeddorstige Emphusen met

hondenkoppen, blaffende Scylla’s [368] en het huiveringwekkende beeld

van Hecate. Doch steeds ontzettender werden de verschrikkingen.

Eindelijk verscheen in een vaal licht Thanatos, de God des doods,

zittend op doodsbeenderen, in donker, nachtelijk gewaad, het voorhoofd

omkranst met affodil [369], met eene omlaag gehouden fakkel in de hand,

naast hem een vale klepper, waarmede hij in vliegende vaart onmetelijke

afstanden aflegt.

Rondom hem waren zijne getrouwen gelegerd; Eurynomus de daemon der

vernietiging, een der geesten van den Hades, wiens taak het was het

vleesch der lijken tot op de beenderen af te knagen. Hij zat op zijn

aas, gelijk een raaf of gier, en sloeg zijne tanden begeerig in het

weeke vleesch.

Verder op waren om den valen Thanatos te zien de Pest en de bleeke,

uitgeteerde Honger, de furie van den oorlog Enyo, benevens de kranke,

hartdoorknagende, Razernij der liefde en Ate, de Verbijstering, de

noodlottige daemon der dwaasheid, der verblinding en der schuld.

Aspasia lachte nog altijd, maar haar lach was niet langer bekoorlijker

en haar gelaat marmerwit...

Terwijl nu echter op een wenk van den Hiërophantes de daduchus zijne

fakkel aan eene der uit den grond uitslaande vlammen ontstak, en steeds

huiveringwekkender de melodieën der fluiten en van het onzichtbare koor

klonken, geraakte de schaar der mysten in een somber, met mephilitische

[370] dampen gevuld hol. Uit de verte vernam men een dof bruisen als

van stroomend water en daartusschen het luid geblaf van een

driekoppigen hond [371].

Toen nu de mysten den langen, donkeren hollen weg afgelegd hadden,

zagen zij als in een droom eene groote eentoonige, sombere landouw voor

zich, zoo ’t scheen van slaap verwekkende vochten doortrokken en

omgeven door somber vlietende stroomen.

Door den staf van den heiligen heraut bezworen, verstomde het geblaf

van den driekoppigen helhond en de mysten-schaar zag zich omringd door

de schaduwen des doods, in. het rijk van Persephone [372] waar in het

vale licht wilgen en zilverpopulieren stonden, bleek en onbewegelijk

met treurig neerhangende twijgen.

Daarop volgde de Asphodelus-weide, geheel overdekt met de treurige

doodsbloem, wier bleeke knoppen als droomend op hooge stengels

wiegelden.

Over deze weiden zweefden de schimmen, de zielen der gestorvenen, heen

en weder; zij geleken droombeelden of rook; zij waren niet tastbaar,

zonder menschelijk geluid, alleen met een zacht, eentonig gegons de

uitgestrekte ruimte des erebus vervullend. Zij waren zich slechts half

bewust, als verzonken in gepeins en sluimerig, alleen tot volle

bewustzijn te brengen door een gereikten dronk versch, rookend

offerbloed.

Nachtvogels fladderden in de lucht, ook zij waren somber en

spookachtig. Als schimmen met doorschijnende lichamen, gleden ook de

visschen traag en zonder geluid voort in de wateren der onderwereld.

Deze stroomen echter, die het erebus omgaven, waren: de Acheron, de

stroom des eeuwigen lijdens, de tranenstroom Cocytus [373], de

vuurstroom Pyriphlegeton [374] en de Styx, met zijne gitzwarte wateren.

Door ’t schemerdonker der zwevende, ijle schimmenwereld gingen de

mysten als in een droom, geleid door den heiligen heraut verder, totdat

plotseling eene koperen reusachtige poort met het geweld des donders

vóór hen opensprong.

Over een koperen drempel betraden zij den Tartarus, de verblijfplaats

van die zielen, welken het niet vergund was, in een half wakenden, half

sluimerenden toestand, zonder leed of vreugde, over de Asphodelus-weide

te zweven; maar zij, die door de wrekende Erinnyen nedergestort waren

in den dieperen jammervollen afgrond van den Hades.

Eeuwig op het rondwentelend rad gebonden te zijn [375]—door eeuwig

dreigende, hangende rotsblokken omringd te worden—naar eeuwig

terugwijkende met vruchten beladen takken met eeuwig onverzadigde

begeerte de handen uit te strekken [376]—met eeuwig vergeefsche

krachtinspanning den steeds weder terugrollenden steen bergopwaarts te

wentelen [377]—de altijd weder wegloopende wateren van vertwijfelende

inspanning in een bodemloos vat te scheppen [378]—de steeds

aangroeiende ingewanden aan den beet van een gier [379] en de ledematen

aan de kronkelingen van de slangen der Erinnyen prijs te geven—een

speelbal te zijn voor eeuwig in de handen der Stygische

schrikgestalten: zoodanig was het lot van hen, die de schare der mysten

op den jammervollen bodem huiveringwekkend aanschouwde.

Talrijk waren zij, de beelden dier folteringen in de onderwereld; het

talrijkste echter de beelden van een eeuwig vergeefsch, smartelijk

worstelen en streven.—

Zóó werden de ingewijden door die verschrikkelijke diepten, door het

lijden des levens en de huivering des doods rondgevoerd en hunne ziel

was met angst en siddering vervuld.

Plechtig klonk de stem van den Hiërophantes door al deze verschijningen

en verschrikkingen heen, verklarend en vermanend.

Al vreeselijker en ontzettender werd de onderaardsche duisternis, al

luider het geween en gesteun der boetelingen.

De stroomen der onderwereld begonnen te bruisen, het geheele

schimmenrijk scheen in ééne hartverscheurende zucht los te barsten;

maar ook de schare van hen, die uit de bovenwereld neergedaald waren,

scheen daarin te deelen en de stemmen aller schepselen zich te

vereenigen in een oneindig, door de diepste ellende afgeperst: ach!—

Toen scheen op eens een wonderbaar licht uit den schoot der diepste

duisternis:

Vriendelijke streken doemden op, overdekt met gouden bloemen:

liefelijke stemmen weerklonken, zalige reien zweefden daarheen over de

heerlijke velden.

Hier glansde Persephone’s paleis in helder licht. Aan den drempel van

het paleis stond, met de lyra in de hand, Orpheus, de overoude, heilige

mysteriën-zanger, en zijn welluidende mond verkondde geheimzinnige

zaken.

Achter hem lonkte het knaapje Demophoön uit de knetterende vlammen,

waarmede zijne goddelijke voedster Demeter hem tot schrik zijner

sterfelijke moeder omgeven had, ongedeerd glimlachend den mysten toe.—

Over de gouden poorten des tempels echter zweefde in vollen glans,

verlicht door de helderste stralen, het symbool der gevleugelde Psyche,

niet meer als eene schim in den Hades rondwarend, maar over

Asphodelusweiden en Tartarus en Elysium [380] zich verheffend naar den

haar verwanten, goddelijken aether.—

Nu werden de mysten door de poort gevoerd om in waarheid ziende te

worden. Hier werd voor hen het nog onuitgesproken gedeelte der

geheimenissen onthuld. Hier verscheen hun, nochtans aan ieder naar de

eigen kracht zijner oogen, in luisterrijken glans: het volle, heilige

licht van Eleusis.—

Op den dag, die op de inwijding van Aspasia in de Eleusinische

geheimenissen, aan de zijde van haar gemaal Pericles met een groot deel

der mysten, volgde, bevond de Milesische zich in een verwarde,

eigenaardig veranderde stemming. Haar geheele wezen was door ontroering

aangegrepen, haar zenuwgestel geschokt, zij was schier koortsachtig. In

een levendig gesprek met Pericles over hetgeen zij met hem gezien en

gehoord had, zocht zij de gestoorde harmonie van haar gemoed weder te

verkrijgen. Want evenals er nachtvogels zijn en ander nachtgebroedsel,

wier oog de duisternis liefheeft en den helderen straal van licht niet

kan verdragen, zoo zijn er van den anderen kant ook kinderen des

lichts, die zich alleen in den gouden glans van het hun bekende en

verwante element wel bevinden en niet in de donkere afgronden van den

nacht kunnen staren. Tot dezen behoorde Aspasia. Een blik in de

duisternis echter, een staren in den zwarten nacht, kwam haar die tocht

voor, en wat zich het heilige licht van Eleusis noemde, scheen haar

geen licht, integendeel eene andere soort van duisternis; want het was

somber en voerde door somberheden heen. Zij echter kon zich het licht

alleen vroolijk denken. Voor haar gold als licht alleen datgene, wat

schitterde en tot opgewektheid stemde te gelijk. Het vale, kille,

spookachtige schemerdonker, waarna het oogverblindend schelle licht,

dat de Hiërophantes van Eleusis in de diepten des levens deed vallen,

scheen haar een snood contrast met het ware, rooskleurige licht.

Goochelspel en ijdele bangmakerij noemde zij de aan tooverij grenzende

phantastische kunsten der Eleusinische priesters.

Zoo gevoelde zij zich dus aangedaan en geschokt, door eene pijnlijke

onrust aangegrepen en meer dan ooit tot tegenspraak geprikkeld.

’t Was intusschen in het van vreemdelingen, voornamelijk van Atheners,

wemelende Eleusis geen geheim gebleven, dat Aspasia aan de zijde van

haar gemaal zich in de mysteriën had laten inwijden. Maar ook van de

bijkomende omstandigheden dezer wijding waren zij, die met het scherpe

oog der afgunst het doen en laten der Milesische naspeurden, al heel

spoedig onderricht. De ergsten hare vijandinnen, nog onlangs op nieuw

beleedigd en tot wraak aangezet, vertoefden te Eleusis, en Lampon liet

zich niet onbetuigd, de brave, vol-ijverige Lampon, die het vertrouwen

en de vriendschap van Telesippe in nog hoogere mate had weten te

winnen, sedert zij de gade van een opperpriester was geworden, en die

zich voortreffelijk leende tot een werktuig van de wraakzuchtige vrouw

en haar intrigeerende vriendin. Den argeloozen mystagoog had Lampon

weldra het geheim van het vermetel waagstuk ontlokt, waardoor Aspasia

tegen alle heilige regelen in de mysteriën was binnengeleid. Door hem

werden de vijandinnen op de hoogte dier zaak gebracht.

Weldra werd de Archon Basileus, de handhaver der heilige wetten, van

deze misdaad verwittigd en een onweder pakte zich samen boven het hoofd

van Aspasia en haar medeplichtige, Hipponicus, die haar tegen de

heilige gebruiken, tot hare wijding de behulpzame hand had geleend.

Nog wist Aspasia niets van het dreigend gevaar, en eer zij daarvan in

kennis werd gesteld, wedervoer haar ten huize van den daduchus een

onaangenaam geval van gansch anderen aard.

Aspasia zat met Pericles en hun gastheer Hipponicus aan het ontbijt.

Het heilig gebruik verordende in den tijd der viering van de mysteriën

eene zekere onthouding; des te meer vermaak schepte Aspasia er in, den

ouden drinkenbroer Hipponicus door vroolijke drinkliederen en scoliën

op te wekken, ten einde hem meer aan den bezielenden God Iacchus dan

aan de strenge Persephone te doen denken. Hij sprak den beker vlijtig

aan en al vuriger en vuriger begonnen zijne oogen te schitteren,

terwijl de bekoorlijke vrouw tegen den somberen ernst der mysteriën te

velde trok en tegen al wat somber was in ’t algemeen, ook tegen het

sombere begrip van plicht, waartegen zij het vroolijk recht des levens

en der vreugde plaatste.

Pericles verwijderde zich om een ambtgenoot, die zich te Eleusis

bevond, op te zoeken en Aspasia begaf zich naar haar vertrek.

Plotseling stond de dronken Hipponicus voor haar en begon haar

verwijtingen toe te voegen.

„Vrouw!” riep hij uit met dubbelslaande tong, „uw naam is ondank! Heb

ik u niet te Megara uit moeilijke verwikkelingen gered? En wat was mijn

loon daarvoor? En heb ik mij nu niet weder onverschrokken voor u in

gevaar gestort, door u, tegen alle heilige gebruiken, in de groote

mysteriën binnen te smokkelen? En zal ik ook daarvoor geen dank

inoogsten, zelfs niet den geringsten? Eilieve, daar gij toch zoo

vrijzinnig zijt, waarom zijt gij dan tegenover mij zoo preutsch? Vreest

gij misschien uw man? Die is afwezig. Of het sombere begrip van plicht?

Daar hebt gij zooeven nog den spot mee gedreven. Ben ik u soms niet

jong of mooi genoeg? Neem dan dezen ring met dien kostbaren steen! Hij

heeft twee talenten aan baar zilver gekost!—Weet gij dan, dat Pericles

altijd van u houden zal? Zal hij u misschien niet eens evenals

Telesippe verstooten? Alles in de wereld wentelt en draait bont

dooreen! Verlaat u toch op niets! Tast toe! Neem den ring, mooi wijfje!

Neem den ring met den steen, die twee talenten gekost heeft! Weet gij

dan, lieve, hoe lang gij nog bekoorlijk zult zijn? Nog zijt gij het

ontegenzeggelijk, maar de tijd komt, waarop gij oud en leelijk zult

zijn!—Neem den ring, schatje, en geef er mij een kus voor!”

Aspasia stiet, gloeiend van toorn, den dronken man naar de deur. Toen

werd Hipponicus woedend en stotterend schreeuwde hij:

„Wie zijt gij toch eigenlijk? Zeg, wie zijt gij dan toch? Een licht

dametje uit Milete; bij Demeter! Een dametje uit Milete? Sedert wanneer

wilt gij eene Spartaansche vrouw zijn, eene eerzame, deftige

matrone?—O, gij preutsche, die toch eens den jongen Alcamenes zonder

eenige preutschheid tot model hebt gediend!”—

Aspasia beefde en verbleekte van toorn om den dronken, schaamteloozen

beleediger. Nogmaals duwde zij den waggelende achteruit, wierp snel

haar oppergewaad om en ijlde uit het vertrek en uit het huis, haar

echtgenoot Pericles te gemoet.

Zij had nauwelijks het huis verlaten of de geslepen vriend van

Diopithes, de ziener Lampon, trad het binnen.

Hij was door Diopithes gezonden, die den vorigen dag te Eleusis was

aangekomen.

Toen zij, met doodelijken haat tegen Pericles en Aspasia bezield, het

eerst de tijding van Aspasia’s onwettige inwijding vernamen, hadden zij

onmiddellijk besloten, zoowel Aspasia zelve als den daduchus bij het

heilige gerecht aan te klagen, en de meesten waren verheugd, dat zij

thans, behalve de gehate vrouw, ook den zeer benijden Hipponicus in het

verderf zouden kunnen storten.

Maar Diopithes zelf, het eigenlijke hoofd dezer vijandelijke partij,

was van eene andere meening. Hij verzon een plan, dat zijn sluwheid eer

aandeed. Gaarne had hij Hipponicus de aanklacht en een veroordeelend

vonnis gegund, maar hij berekende, dat de niet aangeklaagde en niet

veroordeelde Hipponicus hunne partij nuttiger kon zijn, dan zoo hij

aangeklaagd en veroordeeld was.

„Als wij hem onmiddellijk aanklagen,” sprak hij, „zal de machtige

Pericles hem met zijn geheelen invloed ter zijde staan, en hij zal, zoo

al niet er ongestraft afkomen, dan toch veel lichter straf krijgen, dan

wij wel wenschen. Wellicht zal hem eene geldboete opgelegd worden,

hetgeen den rijksten man van Athene niet veel schaden zal. Hij zal die

betalen en dezelfde blijven, die hij is. Anders evenwel wordt de zaak,

als wij hem niet onverwijld tot verantwoording van zijn gedrag

noodzaken, maar de aanklacht voorloopig als eene altijddurende

bedreiging boven zijn hoofd doen zweven. Wij zullen hem doen weten, dat

wij zijn geheim kennen en dat het in onze macht is hem in het verderf

te storten, zoodra wij willen. Dit zal hem bereidwillig en gedwee in

alles maken. Hij zal als een man, die een behagelijke rust boven alles

liefheeft en wien geen prijs te hoog is, om eene verlegenheid of

verwikkeling te ontkomen, alleen uit angst voor ons, een werktuig,

zonder eigen wil, zijn. Zijn invloed te Athene en de macht van zijn

rijkdom is groot: beter is het dit water op ons rad, dan op dat van

onze tegenstanders te leiden.”—Zoo sprak de snoode, sluwe

Erechtheüs-priester tot zijne makkers en zond Lampon naar de woning van

Hipponicus.

De ziener trof den daduchus in een zonderlingen toestand aan. Hij vond

hem dronken en tevens in den hevigsten toorn ontstoken, tengevolge van

hetgeen zooeven tusschen hem en Pericles’ gade had plaats gehad.

Desniettemin begon Lampon een gesprek met Hipponicus en zei hem

ronduit, dat het bekend was geworden, hoe hij de gade van Pericles op

eene wijze, die tegen de heilige regelen streed, in de mysteriën had

binnengeleid.

Bij deze woorden verschrikte de dronken Hipponicus zoozeer, dat hij

bijna nuchter werd. Doch met verdubbelde heftigheid barstte zijn toorn

tegen de Milesische los. Hij begon haar jammerend te verwenschen, als

eene verleidster, die hem in het verderf wilde brengen.

„Grijp haar!” riep hij, „radbraak haar, vil haar, doe met haar, wat gij

wilt, zij verdient het!”—

Met innig welgevallen vernam Lampon de uitdrukkingen van gramschap

tegen Aspasia uit den mond van Hipponicus, en nadat hij eerst nog op

eene sluwe wijze den toorn en de angst van den man tot het uiterste had

doen stijgen, kwam hij met de verklaring voor den dag, dat zij, die van

plan waren hem in staat van beschuldiging te stellen, bereid waren zich

in het geheim met hem te verstaan. Hij vroeg hem of hij de uitnoodiging

aannam, welke die mannen hem deden, om met hen over de zaak in

onderhandeling te treden. Hipponicus haalde weder ruimer adem en

beloofde reeds vooruit alles wat men van hem mocht verlangen.

Onmiddellijk werd nu tusschen hem en Lampon plaats en uur voor het

onderhoud vastgesteld.

Terwijl dit gesprek tusschen Lampon en Hipponicus voorviel, ijlde

Aspasia door de straten van Eleusis. Weldra echter moest zij haar

snellen gang vertragen door de groote drukte en gewoel. ’t Kon niet

anders of zij werd opgemerkt en herkend. Zij zag zich weldra het

voorwerp der algemeene aandacht, ’t geen haar natuurlijk in

verlegenheid en verwarring bracht.

De in Eleusis verzamelde menigte was door de vijanden en vijandinnen

van Aspasia op alle mogelijke wijze tegen Pericles’ gade opgeruid. De

geruchten over hare onwettige wijding maakten de ronde onder het volk.

Er waren bovendien menschen, die zich verstoutten luide te zeggen, dat

Aspasia voorheen eene hetaere te Milete en te Megara was geweest, dat

zij uit de laatste plaats met schimp en schande was weggejaagd en dat

reeds om deze misdaad alleen hare inwijding eene goddelooze zaak was.

Overdrijving en sprookjes van de zotste soort liepen, naar gewoonte,

over haar van mond tot mond, en zaaiden minachting, ja zelfs

verbittering in de gemoederen.

Van dergelijke gezindheden was de menigte vervuld, door welke de gade

van Pericles in angstige haast zich een doortocht trachtte te

verschaffen.

’t Ontbrak niet aan brutale lieden, die nieuwsgierig hare schreden

volgden, ja zelfs, achter haar loopende zich beleedigende woorden

lieten ontvallen, die haar oor bereiken en haar krenken moesten.

„Wat is er voor nieuws in Athene?”—

„Niets dan dat de vrouw daar speer en schild draagt, en dat de mannen

verwijfd zijn.”—

„Ja, ’t valt niet te ontkennen, dat Athene door eene vrouw bestuurd

wordt.”—

„Door Pallas Athene bedoelt ge?”—

„Neen, door eene Milesische hetaere. Pericles zal, zoo men zegt, weldra

haar beeld op de Acropolis laten plaatsen.”—

„Die arme Pericles! De vrouwen heeft hij nooit kunnen weerstaan. Hij is

immers ook Elpinice’s minnaar geweest en men weet dat deze hem nog met

hare verwelkte bekoorlijkheden betooverd heeft.”—

„Is die Milesische dezelfde, met wie hij voor jaren eenmaal in

Klein-Azië heeft rondgezworven?”—

„Ja wel, dezelfde; ’t heette, dat hij met haar een bedevaart deed naar

den onderrok van de heldenbedwingende Omphale [381], welke rok, zooals

men weet, in den tempel van Artemis te Ephese is opgehangen.”—

„Maar hoe kwam ’t hem toch in de gedachte om diezelfde vrouw thans met

zich naar de ruwe Peloponnesus te voeren, waar zij zich toch onmogelijk

recht tehuis kan vinden? Het poesje, zegt een spreekwoord, ligt graag

zacht.”

„Inderdaad, men zegt, dat haar de muggen in Elis zeer lastig geweest

zijn, en ik wed, dat de paardevliegen van Eleusis haar nog minder

zullen aanstaan.”—

„Waarachtig het gegons van deze schijnt haar zeer slecht te bevallen.”—

„Ach, die teedere hoentjes uit Paphia’s [382] nest, die van hunne jeugd

af op purperen dons hebben geslapen, die Ionische vrouwen met hare

smeltende oogen en mollige armen, zonder beenderen in het lichaam,

geheel molligheid en liefelijkheid—wat zouden zij in het krijgshafte

Olympia of in het ernstige Eleusis te zoeken hebben?”—

Zoo klonken de scherpe woorden en smaadredenen, met opzet gesproken, in

het steeds toenemend gewoel achter Aspasia.

Toen dit een geruimen tijd zoo geduurd had, stond Aspasia plotseling

stil en nam een snel besluit; zij sloeg den sluier, die haar gelaat

bedekte, op, zoodat haar gezicht geheel zichtbaar was en wierp een

kalmen en waardigen blik uit hare fonkelende oogen op de schare rondom

haar.

Toen opende zij den mond en sprak op de volgende wijze tot het haar

omringend en haar aangapend volk:

Aspasia(#64986) · 第 40 / 57 段