onbeschrijfelijk verheven ernst. De milde goedheid was met strenge
kracht en diepe wijsheid vereenigd. Machtig echter en overweldigend was
de uitdrukking der hoogste majesteit.
Aspasia verborg schier ontsteld het hoofd aan de borst van Pericles.
Een schier onaangename indruk maakte op haar deze schitterende,
overweldigende gestalte. Hier was niets vrouwelijks meer onder het
goddelijke gemengd, zooals in de gestalte van den jonkvrouwelijke
Pallas Athene. Hier was de manlijk ernstige, de strenge macht van den
beheerscher der Goden tot de hoogste uitdrukking gebracht.
Aspasia voelde bij dit gezicht eene diepe smart, die haar boezem
doorvlijmde...
Ook het Arcadisch meisje was in het eerste oogenblik hevig ontsteld:
spoedig daarop echter kwam zij tot zich zelve en staarde naar den God
met het vertrouwen van een kind.
Het onweder was zacht en langzamerhand nader gekomen. Men zag door de
opening van den tempel de bliksemflitsen door den hemel schieten en men
hoorde uit de verte den rollenden donder.
Aspasia wilde Pericles met zich medetrekken. Maar hij bleef in stomme
verbazing, als in den grond geworteld, verzonken. Ook hij was gewoon
van de beeldende kunst een liefelijken indruk te ontvangen. Hier echter
zag hij het verhevene tegenover zich in nooit geëvenaarde gestalte. Het
was, als lag er eene nieuwe openbaring in dit godsbeeld.
Daarbuiten rolde al nader en nader de donder.
Plotseling sloeg een bliksemstraal door de opening van het tempeldak.
Pericles en Aspasia verloren voor een oogenblik hunne bezinning.
Toen de helle gloed hunne oogen niet meer verblindde, zagen zij eene
marmeren plaat in de ruimte van den tempel, waarop de twaalf Olympische
Goden en reliëf waren afgebeeld, door den bliksem zwart gemaakt en
gebarsten...
Het gelaat van Zeus had in den rossen gloed des bliksems een oogenblik
eene vreeselijke, Titanische uitdrukking gehad. ’t Was, alsof zijne
hand den bliksem had geslingerd, die zijne Olympische medegoden had
verbrijzeld...
Maar nu schitterde het gelaat des Gods weder in rustige majesteit,
zoodat bij zijn aanblik de schrik dier bliksemflits was verzacht en
verdwenen. Zoo groot scheen de God dat de bliksemstralen hem slechts
als een onbeduidende, matte vonkenregen omgaven.
„Deze God van Phidias,” sprak Pericles, in diep gepeins verzonken, „is
te groot voor de tempels der Hellenen. Hij streeft met zijn hoofd
opwaarts naar het onbereikbare, naar het oneindige...”
Slechts noode volgde Pericles eindelijk Aspasia op haar dringend
verzoek.
Zij zochten Phidias op.
Deze echter had ongezien beiden nauwlettend gadegeslagen, terwijl zij
voor het beeld des Gods in stomme verbazing stonden.
Nu verliet hij den tempel, om zich aan hunne loftuitingen te
onttrekken.
Hij bleef voor hen verborgen.
Toen Pericles en Aspasia in diepe gepeinzen verzonken in hunne woning
waren teruggekeerd, schudde Aspasia den indruk van den ernstigen,
verheven indruk van hare ziel af, evenals een vogel de parelende
regendruppels van zijn lichte vederen afschudt.
Niet alzoo Pericles.
Doch Aspasia rustte niet, alvorens zij den Olympischen ernst van zijn
voorhoofd had verdreven.
Eindelijk trad ook bij hem het verbijsterend gevoel der verhevenheid
van den onder bliksem en donder gezienen God op den achtergrond, en de
bewondering van den onvergelijkelijken meester verkreeg in zijne
ontroerde ziel de overhand.
Nog met gesloten oogen, zag dien nacht in de sluimering het meisje van
Arcadië zich omgolfd door lichtstroomen, wonderbaar vermengd met den
gloed van goud, den glans van elpenbeen en het geflonker van den rossen
bliksem.
Pericles ontwaakte een paar maal verschrikt uit zijn slaap. Hij had
gedroomd, dat de zittende God van Phidias zich in zijne geheele grootte
had opgericht en met zijn hoofd het dak des tempels tot puin had
gestooten.
Aspasia had een anderen, even zonderlingen droom.
Zij zag den adelaar van Zeus, zooals hij van de punt des schepters
neervloog naar het voetstuk en daar met zijn snavel de duiven der
gouden, vroolijk lachende, zalige Aphrodite de oogen uitpikte...
XIX.
HET KIND DES LICHTS EN DE PRIESTERS DER DUISTERNIS.
Een zonderling contrast vormden gene Ionische uren van zaligheid en
deze Peloponnesische tochten van Pericles en Aspasia! Ginds, aan
Milete’s vroolijk strand, trok de zegevierende vrouwelijkheid met haar
zachten arm een tooverkring om den Atheenschen held; hier te midden van
statige bergkruinen openbaarde zich de mannelijke Dorische geest in
velerlei zaken, die geschikt waren het gemoed ernstig te stemmen in
Pericles’ ziel. Hier stortte de natuur zelve eene soort van ernstige
huivering in zijn gemoed; hier spraken tot hem eeuwenoude overblijfsels
van een heldhaftig verleden, tegenover welke de latere stervelingen
zich alleen als een zwak en verbasterd geslacht moesten gevoelen. Hier
werd op plaatsen wier sagen aan de oude heldenwereld onmiddellijk zich
aansloten, een eeredienst en een wedstrijd der mannelijkheid gehouden,
in staat, zooals Aspasia te recht gevoelde, om in de ziel van den Griek
gezindheden te wekken, aan te kweeken en te onderhouden, die de
overwinning der schoonheid en vrouwelijkheid op elk gebied des levens
eerder verhinderen dan bevorderen konden. In de bergachtige oorden der
herders had Pericles een eenvoudig, als men wil, een idyllisch leven
gezien, dat nog ongerept was door den adem der beschaving en dat
beschouwingen, gevoelens, verwachtingen koesterde, die wellicht den
ondergang van den echt Helleenschen geest afwachtten, om met een
grauwen, eentonigen nevel de vroolijke, Helleensche wereld te omhullen.
Hier had zelfs de kunst van den Athener, in den tempel van den
Olympischen Koning der Goden, haar hoogste en laatste schepping
gewrocht en den triomf van het ernstig verhevene over het bevallig
schoone, voor het oog van den Griek, zoo ’t scheen, voor eeuwig
bezegeld.
Bijna lijnrecht stond Aspasia tegenover deze aandoeningen en gevoelens,
die Pericles koesterde. Want hunne karakters waren niet geheel gelijk,
en hunne betrekking tot de buitenwereld was geheel verschillend.
Aspasia was de naar alle kanten werkende, gevende, bezielende;
Pericles, zonder afbreuk te doen aan zijne mannelijke kracht, was de
echte Helleen, die elken indruk rondom zich opving en opnam in zijne
edele ziel. Hij was, gelijk het Helleensche volk, met zijn ontvankelijk
gemoed tusschen de uitersten geplaatst; en evenals het Helleensche volk
en de Helleensche geest, doorleefde hij onder de afwisseling van deze
invloeden en uitersten, eene ontwikkeling, eene inwendige geschiedenis,
wier doel en einde nog niet te overzien waren; terwijl Aspasia
onwrikbaar en onveranderlijk vast stond op den hechten grond van haar
karakter als de betooverende voorvechtster van Helleensche levenslust
en de alverwinnende kracht van het schoone.
Was het niet te vreezen, dat door deze zachte tegenstelling, tot heden
onder de rozengaarde der liefde en van het geluk verborgen, de schoone
harmonie van het leven der liefde, dat het edele, schoone paar ten
toppunt van geluk voerde, eenmaal zou kunnen worden verstoord?
Wèl hing dat gevaar boven hunne hoofden, maar de rozen der liefde
schenen voor dit paar onverwelkelijk te zijn en een onvergankelijken
toovergeur te verspreiden.
Nog altijd immers bleef Pericles de ontvankelijke en ontvangende,
Aspasia de zegevierend werkende, de gevende.
In hunne gesprekken hadden zij wel is waar dikwijls verschil en niet
zelden geloofde Pericles de geliefde vrouw tot zijne meening
overgehaald en in zijne stemming gebracht te hebben, doch ten laatste
bemerkte hij gewoonlijk, dat zij het was, die hem van gevoelen en
stemming veranderd had, dat het onmogelijk was de machtige betoovering,
die in de hand dezer onvergelijkelijke vrouw gelegd was, geheel en al
van zich af te weren. Steeds liet hij zich door de schoone terugvoeren
tot het standpunt van eene meer vrije en opgeruimde levensbeschouwing.
Steeds opnieuw werd de schoone harmonie der beide zielen weder
hersteld, steeds opnieuw verwezenlijkten zij het ideaal van het
Helleensche leven op zijn glanspunt, en boden een schouwspel aan,
waarop de Olympiërs met trots en blijdschap nederzagen.
Aspasia verstond het voortreffelijk, om de nevelen weg te vagen van ’t
voorhoofd van haar echtgenoot. Of zij voor altijd in staat zou zijn de
nieuw ontspruitende kiemen van zijn inwendig leven te verstikken, den
gang zijner innerlijke ontwikkeling tegen te gaan, dit was natuurlijk
voor ’t oogenblik onmogelijk uit te maken.
Zeker is ’t echter, dat Aspasia de gave had om de scherts van
Anacreon’s liederen betooverend in den ernst te mengen, waarmede de
hymnen van Pindarus Pericles hadden bezield, en te zorgen, dat tusschen
hen beiden de echte Grieksche zin nog steeds zijn recht handhaafde.—
In het kleine voorval met Alcamenes had het verleden eene vluchtige
schaduw op het huwelijksgeluk van Pericles geworpen. Aspasia ademde
ruimer, toen zij met haar gemaal, terugkeerende van Olympia naar
Athene, den bodem van Peloponnesus achter den rug had. Zij vermoedde
niet, welk verdriet haar op Attica’s bodem zelf, onmiddellijk vóór het
bereiken van hun doel wachtte.
Terwijl Phidias te Olympia zijn Zeus voor geheel Hellas schiep, gelijk
hij vroeger te Athene de Pallas Athene alleen voor de Atheners had
gebeiteld, was zijn vroegere makker en vriend Ictinus in de Attische
mysteriënstad Eleusis werkzaam geweest, werwaarts hij ontboden was, om
een nieuwen tempel voor Demeter te bouwen, ter viering der groote
mysteriën.
Daar de dagen voor de viering der mysteriën niet ver meer af waren,
bevond zich Hipponicus, die bij deze plechtigheid de in zijn geslacht
erfelijke waardigheid van daduchus bekleedde, juist te Eleusis, waar
hij een landgoed bewoonde, zooals ook andere rijke Atheners in de
omstreken van het schoon gelegen Eleusis bezaten. Want de stad lag niet
ver van het strand nabij de vaart van Salamis en vlak tegenover dit
eiland. Tegen de heuvels aan lagen de woningen der burgers en de groote
tempelgebouwen met hun uitgestrekt en heilig gebied, waarin zij
stonden.
Pericles nam bij Hipponicus zijn intrek gedurende den tijd, dat hij te
Eleusis zou vertoeven.
De eerste dag was gewijd aan de bezichtiging van den nieuwen, grooten,
door Ictinus voltooiden tempel, die, voor de viering der mysteriën
ingericht, vele onderaardsche vertrekken en labyrinthische gangen van
ontzettende grootte bevatte; plaatsen bij uitnemendheid geschikt voor
die geheimzinnige plechtigheden, die het alleen den ingewijden
veroorloofd was te aanschouwen.
De Eleusinische mysteriën waren nu een onderwerp, waartegen Aspasia
zich terstond op de meest beslissende wijze met al de scherpte van haar
geest en vernuft verklaarde. Haar scheen alles, wat zich aan het licht
onttrok, wat de duisternis zocht, wat zich hulde in den sluier van het
geheimzinnige, gepaard te gaan met bijgeloof en dweeperij, en zoo zag
zij ook in deze mysteriën een gevaar voor den vrijen, naar het licht
strevenden geest der Hellenen.
Toen zij de vereering en het heilig ontzag der Atheners voor deze
mysteriën laakte, zei Pericles: „Misschien is dit ontzag der Hellenen
de zich heimelijk openbarende vereering van den menschelijken geest in
’t algemeen voor de geheimen, die nog onopgelost in de diepte van zijne
eigen ziel sluimeren. Wie weet, hoe vele openbaringen de menschelijke
geest nog te voorschijn brengt uit deze heilige diepte!”
„Ik wil niets hooren van openbaringen in de toekomst!” hernam Aspasia.
„De openbaring van het tegenwoordige is de openbaring van het schoone
menschelijke, en alles wat zou kunnen volgen, zou slechts iets minders
zijn. Klemmen wij ons met hart en ziel en alle vezelen van ons wezen
vast aan het schoone, vroolijke heden!”—
Pericles wees Aspasia op den daduchus Hipponicus, en vroeg haar of dan
deze man, wiens lichaamsgestalte al ronder en ronder werd en wiens blos
zich al schitterender en schitterender voordeed, soms een spoor van
dweepzucht vertoonde? En toch was hij niet alleen een ingewijde, maar
zelfs bekleedde hij eene priesterwaardigheid te Eleus en behoorde tot
hen, die de inwijding der mysten [361] voltrokken.
Aspasia antwoordde, dat zij, welke anderen in het rijk van bijgeloof en
dweepzucht binnenvoeren, niet zelden van een geheel andere meening
waren, dan die zij anderen trachten op te dringen. „Somwijlen echter,”
zeide zij, „gelijken ook de dragers en verkondigers van heilige
geheimzinnigheden op de muildieren, die hier en daar volgens een oud
gebruik tot drager van heilig tempelgereedschap of godenbeelden
gebezigd worden en op wie niets van den goddelijken zegen nederdaalt,
dien zij voor anderen op hun rug dragen en uitdeelen. De „onschuldige
Hipponicus,” voegde Aspasia er bij, „schijnt mij tot deze laatste soort
te behooren.”
Hipponicus was trotsch op zijne waardigheid van daduchus, omdat daaraan
inderdaad eene eer onder het Helleensche volk verbonden was. Doch wat
overigens er mede gepaard ging en wat ze van hem eischte, daartoe
gevoelde hij zich waarlijk niet door eene innerlijke aandrift
gedrongen, noch door een persoonlijke neiging geroepen; de
omstandigheid alleen, dat hij tot het geslacht behoorde, waaruit de
daduchen van Eleusis plachten gekozen te worden en dat die keuze hem te
beurt gevallen was, had hem met de priesterlijke waardigheid bekleed.
Hij verdedigde tegenover Pericles’ gade de mysteriën, doch als eene
zaak, die hij wel is waar vertegenwoordigde, maar zonder er zich veel
aan gelegen te laten liggen.
Afkeerig van wijsgeerige beschouwingen, stelde hij zich tevreden met
Aspasia op een schilderij te wijzen, die den wand zijner eetzaal
versierde. Deze schilderij was van de hand van Polygnotes en stelde het
bezoek voor, dat de zwerver Odysseus in het rijk der schaduwen bracht.
De Hades was afgeschilderd met al zijne verschrikkingen, en onder de
bleeke schimmen bewoog zich onvervaard de nog levende vorst van Ithaca.
[362]
Toen Pericles met Aspasia de schilderij beschouwde, bemerkte hij als
ingewijde aanstonds, dat sommige bijzonderheden toespelingen bevatten
op de Eleusinische mysteriën. Hipponicus bevestigde dit en sprak tot
Aspasia.
„Zoo veel is mij wel geoorloofd te zeggen, dat de weg naar het heilige
licht van Eleusis door den Hades voert en door de verschrikkingen des
„erebos”. Wat echter de profanen betreft en hen, die hardnekkig
versmaden zich te laten inwijden, hun lot in de onderwereld is voor de
deskundigen op deze schilderij zeer aanschouwelijk voorgesteld.”
Zoo sprak Hipponicus en ried Aspasia ernstig aan zich te laten
inwijden; hij herinnerde haar tevens, dat, naar de algemeene
overtuiging der Hellenen, zij die in de mysteriën van Demeter te
Eleusis ingewijd zijn, na hun dood in zalige gewesten zullen wandelen:
terwijl daarentegen den niet ingewijden beschoren is ten eeuwigen tijde
in akelige duisternis en eenzaamheid te smachten.
„Ik heb dit dikwijls hooren beweren,” zei Aspasia, „en ’t klonk mij
steeds in de ooren, alsof iemand op eene slecht gestemde cither
onharmonische tonen aanslaat of over eene glasplaat met een puntig
ijzer heen en weder krast. Het is verbazend, waaraan zelfs Helleensche
ooren zich kunnen gewennen. Ik weet, dat er menschen zijn, die, als zij
’t einde van hun leven voelen naderen, zich nog spoedig doen inwijden,
en velen haasten zich zelfs hunne kinderen reeds in prille jeugd dit
heil deelachtig te doen worden.”
„Ik ben zelf,” zei Pericles, „zooals bijna alle Atheners een ingewijde
en gaarne zou ik bereid zijn, ook deze geheimzinnigheden evenals alle
andere u mede te deelen.”—
„Ik begrijp,” hernam Aspasia, „dat voor de dwazen het bijgeloof, voor
de verstandigen de nieuwsgierigheid een voldoende reden is, om zich te
laten inwijden. Op het recht van nieuwsgierigheid echter heb ik als
vrouw dubbele aanspraak. Wat moet ik doen, Hipponicus, om de wijding
deelachtig te worden?”
„De zaak is eenvoudig,” zei Hipponicus. „Gij meldt u in het volgende
jaar bij de viering der kleine Eleusinische mysteriën te Athene aan,
gij ontvangt daar op de voorspraak van een reeds ingewijde, de kleinere
wijding en begeeft u een half jaar later met den Eleusinischen
feeststoet van Athene herwaarts naar Eleusis, om hier de groote wijding
deelachtig te worden en de eigenlijke geheime plechtigheden te
aanschouwen.”
„Hoe?” riep Aspasia, „moet ik zoolang mijne nieuwsgierigheid bedwingen?
Moet ik de kleine Eleusiniën afwachten en dan nog een half jaar zien
verloopen, voor de geheimen mij geopenbaard zullen worden? Zijt gij
niet daduchus, Hipponicus, en kunt gij als zoodanig voor mij de gunst
niet verkrijgen, dat ik de kleinere wijding nu hier tegelijk met de
grootere ontvang?”
„Onmogelijk!” hernam Hipponicus.
„Wat verhindert u daarin?” vroeg Aspasia.
„De tijd tusschen de beide wijdingen is vastgesteld door het heilige
gebruik,” antwoordde de daduchus.
„Gij kunt mij over dat heilige gebruik heen helpen!” bracht Aspasia in
het midden.
„De hiërophantes [363] is een van die strenge en ernstige mannen,
zooals Diopithes te Athene,” hernam Hipponicus. „Zou ik mij den toorn
van dien opperpriester op den hals willen halen?”
Aspasia bleef bij haar verzoek volharden, maar de daduchus herhaalde
zijn: „Onmogelijk.” Hij was een vijand van verwikkelingen en
moeilijkheden. Hij gevoelde niet den minsten lust de gansche
Eleusinische priesterkaste tegen zich in ’t harnas te jagen. Hij hield
van vrede en behagelijke rust.
Den volgenden dag kwam de Eleusinische optocht van Athene naar Eleusis.
Pericles en Aspasia bevonden zich met Hipponicus onder hen, die als
toeschouwers de schare ontmoetten, toen deze bij vele duizenden den
heiligen weg langs trok. Terwijl de blikken van Aspasia zweefden over
de in den optocht gedragen heilige voorwerpen en over de schaar der
mysten zelve, allen met mirt en klimop omkranst, korenaren en
akkergereedschappen dragend, ter eere van Demeter, die de graanvruchten
doet gedijen, ontmoetten haar eensklaps—want de aankomst van den
Eleusinischen stoet greep in het schemerend avonduur plaats—in de bonte
menigte van gezichten, de matte oogen en de slap hangende wangen van
Telesippe.
Telesippe’s gemaal, die door den invloed van Pericles telkens opnieuw
tot Archon Basileus was gekozen, wien ook de leiding van de
Eleusinische mysteriën was opgedragen, liep te midden der Atheensche
priesters en overheidspersonen; Telesippe stapte als Basilissa [364] en
deelgenoote zijner godsdienstige waardigheden en verrichtingen, met
fier opgericht hoofd aan zijne zijde.
Vol waardigheid schreed de vrouw van den Archon Basileus voort in al
den omvang harer welgedane gestalte, en toen haar blik, trotsch ter
rechter en linker zijde dwalend, op haar vroegeren gemaal en de
Milesische naast hem viel, toen richtte zij het hoofd nog hooger op en
een trek van innige verachting vertoonde zich om hare dikke lippen. Zoo
plechtig was haar uiterlijk, als stond zij nu wederom op het
Lenaeën-feest als „de mystische gade van den God” in den tempel van
Dionysus, aan het hoofd harer onderdanige priesteressen, geheimzinnige
gebruiken volvoerend, die geen mannenoog mocht aanschouwen en
waaromtrent zij de deelgenooten allerplechtigst de gelofte van
stilzwijgendheid afnam.
Toen Aspasia de vrouw zag, zoo fier in het bewustzijn harer
priesterlijke waardigheid, en een pijl van de diepste minachting uit
hare afgunstige oogen afschietend, ontwaakte de oude haat weder en de
bittere spotlust in het gemoed van de Ionische.—
„Zie eens,” zeide ze lachend tot Pericles, „zie eens, hoe zij daar
praalt, met dat glimmend vet op hare ledematen, de waardige Telesippe!
Nadat zij de echte vrouw van twee sterfelijke mannen is geweest, is zij
nu zelfs de mystische gemalin van den God Dionysus geworden! ’t Zou mij
echter zeer verwonderen, als de jeugdige God haar niet spoedig ook aan
een ander overdeed en wel aan Silenus zijn dikbuikigen makker: want
voor dezen schijnt zij geheel als geschapen!”
Eenige woorden van deze bittere spotternij drongen door tot Telesippe’s
oor. Nog beter echter werden zij gehoord door Elpinice en den ziener
Lampon, die achter Telesippe in den optocht gingen, en die, evenals
zij, op Pericles alsmede op de Milesische in ’t voorbijgaan scherpe en
loerende blikken gevestigd hadden. Blikken van met moeite onderdrukte
verbittering werden op de vermetele geworpen, en eene stilzwijgende
gelofte om de lang gezworen wraak te bespoedigen, rees tegelijkertijd
in de drie gekrenkte gemoederen op.
In den nacht stroomden langs het strand van den Eleusinischen zeeboezem
de feestreien, aangevoerd door den God Iacchus met brandende toorts.
Hier flonkerde het nachtelijk schijnsel over de met bloemen bezaaide
dreven, en rondom den God slingerde zich de bezielde schare, den bodem
stampend in den dans, de golvende lokken schuddend, doorstrengeld met
den mirtekrans, en de zwellende, rijpende druif in dien krans. In
tallooze bochten kronkelde zich de rei met de hoog gezwaaide fakkels.
Een myst gaf telkens de fakkel aan den anderen. De mystische
fakkelglans werd als heilig beschouwd en de daaraf spattende vonken als
een louteringsmiddel van de zielen dergenen, die zij troffen.
Met het aanbreken van den avond, die aan de voorafgaande feestviering
een einde maakte en vóór de geheimenissen in den wijtempel plaats
grepen, moesten de mysten zich door tal van reinigingen, geloften,
gebeden en ander heilige gebruiken voor de wijding voorbereiden.
Onophoudelijk had Aspasia inmiddels bij Hipponicus den wensch
hernieuwd, om door zijne bemiddeling in de mysteriën te worden
ingewijd.
Hipponicus herinnerde haar, dat de viering der mysteriën onder het
toezicht stond van den Archon Basileus, den echtgenoot van Telesippe,
en dat, evenals de Archon Basileus het oppertoezicht over de
Eleusinische priesters had, zoo zijne gemalin over de priesteressen van
Eleusis als Basilessa gesteld was, tijdens de viering der mysteriën.
Dit alles scheen de eigenzinnigheid van Aspasia nog meer te prikkelen:
en toch zou ’t haar bezwaarlijk gelukt zijn den tegenstand van
Hipponicus te verwinnen, ware ’t hem thans niet tegenover de gade van
Pericles gegaan, als Alcamenes te Olympia. Niet te vergeefs koesterde
hij in zijn huis den gloed, die zijn hart reeds eenmaal had verzengd.
Aspasia, gedachtig aan het voorval met Alcamenes, zou anders wel op
hare hoede geweest zijn, om dit vuur opnieuw aan te blazen en een
gevaar te vermijden, dat haar om Pericles’ wil noodlottig had kunnen
zijn, maar zij had zich nu eenmaal in ’t hoofd gezet, datgene, wat zij
wilde bestrijden, nauwkeurig te onderzoeken, ten einde het met te
grooter kracht te kunnen aantasten. Zij zag met voldoening den
minnegloed van Hipponicus, dien zij overigens verachtte, opnieuw
opvlammen; het was haar immers een waarborg, dat hij ten laatste haar
vurig verlangen zou inwilligen.
En zoo geschiedde het ook. De daduchus gaf eindelijk toe, om de
kleinere wijding, die Aspasia reeds vóór een half jaar moest ontvangen
hebben, haar thans toe te dienen. Hij wist den zoogenaamden mystagoog
[365] voor zich te winnen, wiens plicht het vooral was bij de kleinere
Eleusiniën te Athene de „duisterlingen” voor te bereiden en in den
„tempel” binnen te leiden. De daduchus liet Aspasia, nadat de
reinigings-ceremoniën afgeloopen waren, op de vacht van een aan Zeus
geofferd lam staan, vervolgens onderrichtte haar de mystagoog in zekere
gebruiken en formulieren, die zij in den tempel noodig had, om te
bewijzen, dat zij ingewijd was, opdat haar de toegang met de mysten tot
het binnenste van ’t heiligdom niet geweigerd zou worden. Eindelijk
liet hij haar zweren, dat zij omtrent alles, wat zij in het huis der
groote wijding zien en hooren zou, een onverbreekbaar stilzwijgen voor
eeuwig zou in acht nemen.
Niet te gelijk werden, toen de dagen der wijding gekomen waren, alle
mysten binnen geleid, maar de eene afdeeling volgde op de andere.