Het oog van Pericles was gevestigd op het stadion, dat uit de verte

zichtbaar was, met die belangstelling, die zulk een schouwspel elken

Griek steeds inboezemde. Hij had zich alleen ter liefde van Aspasia het

genot ontzegd zich van nabij onder de toeschouwers in het stadion zelf

te begeven. Niet met hetzelfde welgevallen richtte de Milesische het

oog naar de kampplaats, waar de lichaamskracht, door geweldigen, ja

schier moordlustigen ijver verhoogd, te midden van stof en brandende

hitte ten toon werd gespreid.

„Waarom laat gij uw oog bijna verachtend over die belangstellende

menigte dwalen?” vroeg Pericles.

„Heeft het niet den schijn,” zei Aspasia, „dat het Helleensche volk,

zoo groot geworden in vele dingen, die waarachtig schoon en heerlijk

zijn, den grootsten zijner eerepalmen voor de athleten te Olympia

bewaarde? Moet dan waarlijk de kracht der armen en de snelheid der

voeten als de hoogste aller voorrechten gelden op Helleenschen bodem?”

„Ik begrijp u,” hernam Pericles, „gij zijt de voorvechtster der

vrouwelijkheid en van al wat het leven verfijnt, veredelt en schooner

maakt. Hier echter viert de ruwe, manlijke kracht haar triomfen.”

„Een echt, verkwikkelijk schouwspel voor Doriërs,” zei Aspasia, „is

zulk een worstel- en vuistgevecht, waarbij de mannen tegen elkander

woeden, tot het bloed hun uit mond en neus stroomt. Gij hebt gelijk, ik

haat die spelen; want waar het manlijke haar doel voorbij streeft, daar

schijnt het mij niet ver van de barbaarschheid te zijn. Ik vrees, dat

de ruwe bekoorlijkheid van dit schouwspel het gemoed der menschen hoe

langer zoo meer verderft en hen opnieuw tot hunne vroegere verwildering

en ruwheid terug zal voeren.”

„Gij overdrijft!” hernam Pericles glimlachend.

De lijnrecht tegen elkander overstaande zienswijze van Pericles en

Aspasia over dit onderwerp zou nog vóór het einde van dezen dag door

een klein tooneel, dat zij bijwoonden, versterkt worden.

Toen namelijk Pericles en Aspasia aan den avond van denzelfden dag,

vergezeld door Polycletus en Alcamenes, in den omtrek van het stadion

wandelden en Aspasia de haar onbekende plaatsen beschouwde, gebeurde ’t

dat, terwijl zij juist op eene steenen bank zich nederzetten om te

rusten, een troep athleten, die aan den strijd dien dag deel hadden

genomen, een andere troep ontmoette, waarop de geheele schaar, die zich

deels op den grond neervlijde, in een levendig gesprek gewikkeld werd.

De gevechten van den eersten dag werden met woorden nog eens gestreden

en iedere overwinning aan eene scherpe critiek onderworpen. Zij, die

overwonnen waren, zetten uiteen door welk toeval hunne tegenstanders

hen onder gekregen hadden en hoe de overwinning maar aan een haar had

gehangen, of zij beschuldigden hunne kampioenen openlijk dat zij tegen

de regels van het gevecht gezondigd hadden. Doch het baatte hun

doorgaans weinig en zij moesten soms nog den spot hunner kameraden

verduren.

„Om het even, beste Theagenes,” klonk het, „gij moet de builen maar

dragen, die Nicostratus u geslagen heeft. Gij ziet er erbarmelijk uit,

met uwe olielappen om uw gewond hoofd en gij riekt als een

lantaarnpaal.”

„Spot maar!” hernam de aangesprokene, een nog jeugdig worstelaar en

vuistvechter, die deerlijk toegetakeld was en daarom zijn hoofd met een

in olie gedoopten doek had omwonden.

„Spot maar!” zei hij; „ik heb nu eens geprobeerd, wat vleesch en been

kunnen verdragen. Slagen heb ik op mijn hoofd gekregen, die, geloof ik,

een rotsblok zouden verbrijzeld hebben. Maar meent gij, dat ik buiten

eene kleine gloeiing, eenigen last aan mijn hoofd merk? Op zijn hoogst

zijn een paar onschadelijke builen wat opgeloopen. Maar de rug begint

mij nu wat zeer te doen—’t kan wel van den geweldigen val komen,

waarmede ik in den worstelstrijd op den grond te recht kwam.”

„Men ziet, dat gij een nieuweling zijt!” zeiden de anderen, „daar gij

nog niet weet, dat het hoofd het minst gevoelige deel van den mensch

is, de rug echter het teerste!”

„Uw rug zal in drie dagen wel weer beter zijn,” zei een van hen; „maar

zie mij eens aan: vanwaar zal ik mijne tanden terugkrijgen? Had ik ze

uitgespogen, toen een vuistslag van Meleager mij trof, dan had ik mijn

verlies daarmede te kennen gegeven; daarom heb ik ze liever naar binnen

geslikt. Het is onpleizierig zijne tanden in plaats van in den mond in

de maag met zich te dragen.”

„Gij zult ze verteren!” zeide Boeötiër Cnemon. „Een athletenmaag moet

ook tanden kunnen verduwen.”

„Daarvan zal ik bezwaarlijk zooveel vleesch van op mijn lijf krijgen

als gij hebt!” voegde Theagenes hem toe.—Cnemon was inderdaad een

oudachtige, stoere kerel, die het merg van vele runderen, kalveren en

lammeren in zich had opgenomen. Zijne ooren waren gekwetst door

vuistslagen: van staal scheen zijn vleesch op zijn breede, gewelfde

borst en rug: hij geleek op een metalen standbeeld. De spieren lagen op

zijne armen rond en vast als steenen in de bedding eener rivier, die de

stroom door haar golven langen tijd voortgestuwd en rond gesleept had.

„Meent gij,” riep hij, „dat ik voor een uwer onderdoe, omdat ik een

weinig zwaarlijvig ben en niet zoo snel ter been als gij? Nu, een

hardlooper ben ik niet maar ik ben een kerel, dien men evenmin

omverwerpt als eene koperen zuil. Schoon de aarde zelve ook mocht

beven—blijf ik nog staan!”

Daarop lei Cnemon eene werpschijf op den grond, ging er op staan en

vervolgde:

„Welaan! is er één onder u, die mij er afwerpt?”

Te vergeefs beproefden de athleten, de een voor, de ander na, hunne

kracht aan den kolos. Nu liet Cnemon de werpschijf met olie begieten,

zoodat zij zeer glibberig was. Maar ook nu nog handhaafde hij zijne

stelling.

Toen strekte hij zijne rechterhand uit, eveneens de vingers en hield ze

vast tegen elkander gesloten. „Nu, beproef het eens,” riep hij, „om de

pink van de overige vingers los te trekken!”—

Zij beproefden het, maar de pink scheen als met staal aan de andere

vingers gesmeed te zijn.

„Dat beteekent nog niets!” riep snoevend de Argiver Sthenelus. „Ik

houd, als het moet, een vierspan in volle vaart tegen, door met de hand

in de spaken te grijpen!”

„En ik,” zei de Eleër Thermius, „ik heb te Pylus eens een hengst bij de

hoef gegrepen en toen hij zich losrukte hield ik de hoef in de hand.”

„Dat zijn sterke toeren,” zei de Thessaliër Euagoras, „maar doet het

mij eens na, wat ik te Larissa gedaan heb: ik heb den beroemden

hardlooper Cresilas in vollen ren de sandalen van de voeten gehaald!”

„Hoe?” riep de Spartaan Anactor, „de Thessalische hardlooper zal

tegenover mannen van de vuist zich durven beroemen? Wat helpen u uwe

snelle beenen, als ik u in het stof doe bijten?”

„Mijne vuisten zijn niet slechter dan mijne beenen!” riep de

Thessaliër, „en als ik u maar even aanraak, dan kunt gij uwe botten

hier uit het zand bijeen rapen!”

„Zwijg!” schreeuwde de Spartaan, „anders sla ik u de oogen uit, evenals

de kok den inktvisch!”

„Ik maal u tot gruis,” duwde hem de Thessaliër toe, „zoodat de mieren u

bij kruimels kunnen wegdragen!”

„Gij vecht met woorden,” riep de Boeötiër Cnemon daar tusschen in. „Dat

is geen gebruik bij ons athleten. Laten wij het liever met daden

bewijzen.”

„Dat willen wij doen!” riepen beiden.

„Uitstekend!” zei de dikke Thebaan: „maar wat wilt gij eigenlijk? Wilt

gij om het hardst loopen of wilt gij elkaar met de vuisten te lijf? Dat

zijn volstrekt geen te verachten toeren. Evenwel, weet gij wat het

meesterstuk is van den athleet en waarin zich alle athleten, hetzij

hardloopers of vuistvechters of wat ook, op een gelijk terrein

bevinden?”

„Wat dan?” vroegen de Spartaan en de Thessaliër te gelijk.

„De beste proef van den athleet,” zei de Thebaan, terwijl hij zich over

zijn buik streek, „blijft de kracht der verduwing. Denkt eens aan

Heracles: hij verworgde de leeuwen bij dozijnen in het gebergte, doch

hij was ook de man, die een stier in één maal opat. Dat noem ik

mannenwerk! Laat, ik wil niet zeggen een rund—want wat zou Heracles

beteekenen, als hij niet de eenige in zijne soort bleef?—maar toch een

grooten, vetten hamel braden, deelt dien in twee gelijke helften en eet

hem in éénmaal op! „Wiens maag het eerst den dienst weigert, die moet

zich overwonnen geven; want hij is de zwakste van u beiden.”

„Bravo!” klonk het in de ronde. „Anactor en Euagoras zullen de groote

athletenproef voor onze oogen nemen! Wij laten onmiddellijk een hamel

halen en hem aan het spit braden.”

Anactor en Euagoras namen de voorwaarden aan. En aanstonds verwijderden

zich eenigen, om den zwaarsten hamel, die te vinden was, uit te zoeken.

Zoover was het tooneel ten aanhoore van Pericles en zijne vrienden

gekomen, toen Aspasia van hare zitplaats opstond en zeide: „Laat ons

gaan, Pericles! ik heb niet langer de kracht deze Olympische

wedstrijden aan te zien!”—

Lachend verlieten nu ook de overige mannen hunne zitplaatsen en sloegen

met Aspasia den weg naar huis in.

„Het gevoel van Aspasia tegenover deze athleten,” sprak Alcamenes,

„schijnt mij niet meer en niet minder te zijn, dan het gevoel van eene

vrouw, die gezond is van lichaam en ziel en die door eene natuurlijke

en billijke aandrift geleid wordt. Waartoe dienen eigenlijk die

krachtige mannen? Zijn zij in den krijg geduchter dan anderen? Maaien

zij rijen van vijanden neder als de Homerische helden? Neen! De

ervaring leert het tegendeel. Zijn zij de rechte mannen, om zich

omtrent de verbetering van het menschenras verdienstelijk te maken?

Wederom, neen! Ook dat wordt door de ervaring tegengesproken. Zij

deugen tot niets, dan tot hetgeen zij in het stadion onder de luide

bijvalskreten der toeschouwers uitrichten.”

„Inderdaad,” hernam Pericles, „niet uit de personen der athleten zelven

blijkt het nut der kunst, die zij uitoefenen. Maar groot en

onwaardeerbaar is de winst, die uit de tentoonspreiding van goed

ontwikkelde kracht en uit de daarvoor ruim bewezen eer voortvloeit, in

zoo verre, dat daardoor het Helleensche volk ten levendigste er aan

herinnerd wordt, dat men de gave des lichaams niet minder dan die des

geestes kan ontwikkelen en der volkomenheid nader brengen. Grooter is

het gevaar, dat de mensch zijne lichamelijke dan zijne geestelijke

gaven veronachtzamen zal; want tot geestelijke ontwikkeling en

werkzaamheid gevoelt hij zich aanhoudend door een innerlijken drang en

door de noodzakelijkheid gedreven. De ontwikkeling echter van zijn

lichaam pleegt hij aan de natuur over te laten, zoo hij niet buitenaf

daartoe wordt aangespoord.”

Onderwijl hadden de wandelaars juist het heilige woud bereikt en

stonden opnieuw tegenover eenige standbeelden van overwinnaars,

gebeiteld door de hand van Polycletus.

Met den blik op de beelden gevestigd, sprak Aspasia het volgende:

„Als ik de werken van Polycletus hier beschouw, dan schijnt het mij,

dat de kunstenaar in dit geschil aan mijne zijde staat. Want noch de

bovenmatige kracht noch de buitengemeene ontwikkeling der ledematen

heeft de kunstenaar zich verwaardigd af te beelden; integendeel beelden

en typen van de gewone maat, de harmonische, vol en rein ontwikkelde

gestalte stelt hij ons voor oogen. Steeds komt het mij voor, dat de

voortreffelijke Polycletus allen lof verdient, omdat hij niet als

Phidias de sterfelijke natuur schier veracht, maar haar de eer geeft,

die haar toekomt en dat hij, gelijk Phidias het goddelijke het

verhevenst voorstelt, het zuiver menschelijke op de getrouwste wijze

heeft nagebootst.”

Een minder aangenamen indruk dan Aspasia dacht, maakte deze uitspraak

op Polycletus.

„De kunstenaar,” sprak hij, „is afhankelijk van de wenschen en

behoeften dergenen, die van zijne kunst willen genieten. Dat in Hellas

alleen aan Phidias de gave verleend is de Goden waardig af te beelden,

schijnen althans ook de Eleërs te meenen, daar zij hem naar Olympia

ontboden hebben. Niet alzoo echter de Argivers, die het met mij, den

inboorling, willen beproeven en mij opgedragen hebben het gouden en

ivoren beeld van Hera in haren grooten tempel te Argos te

vervaardigen.”

Zoo sprak Polycletus en het gelukte Aspasia niet, de zichtbare

ontstemdheid van den meester weg te nemen. Hij verwijderde zich niet

lang daarna onder het een of ander voorwendsel.

„Gij hebt, Aspasia,” zei Alcamenes lachend, „nu ook Polycletus een

spoorslag gegeven, om zijn best te doen, dat de Hera van Argos den Zeus

van Olympia waardig zij.”

„Een voortreffelijk werk moge hij in wedijver met Phidias tot stand

brengen,” zei Aspasia, „doch evenals Phidias, nadat hij met zijne

Lemnische Pallas tot de aarde was neergedaald, spoedig weder opsteeg

naar den Olympus en sedert dien tijd boete doet aan de voeten van den

Olympischen Zeus, zoo geloof ik, dat Polycletus van den Olympus snel

weder naar de aarde en tot zijn eigen gebied zal terugkeeren. Het valt

niet te ontkennen, dat de prozaïsche Peloponnesiër in zijne beelden de

verhevenheid en diepte van het zieleleven weinig uitdrukt, maar laten

ook de Atheensche kunstenaars in dat opzicht nog niet veel te hopen en

te wenschen over? Mag ik het u bekennen, dat ik somwijlen in den droom

godengestalten zie, die tot dusverre geen Phidias, geen Alcamenes, geen

Polycletus met den beitel heeft kunnen scheppen? Verleden nacht

verscheen mij Apollo, mij de liefste van alle Goden, de God des lichts

en der toonen. Hij verscheen mij in de wondervolle, slanke gestalte

eens jongelings, vermetel en toch liefelijk, fier in het bewustzijn

zijner zege en toch bevallig. Doodelijk getroffen kromden zich, alleen

voor zijn aanblik en voor den boog in zijne uitgestrekte hand, de

draken der duisternis. „Wie beitelt mij den God, zooals ik hem gezien

heb? Zelfs gij niet, Alcamenes! En toch zijt gij de vurigste onder de

beeldhouwers en met altijd jeugdige, ontvankelijke ziel geeft gij u

over aan het leven en zijne bekoorlijkheid. Daarom ontsluit ook het

leven voor u zijn geheim en zijn machtigste adem trilt in uwe

scheppingen en verwekt de rustige kalmte der reine vormen.”

De oogen van Alcamenes gloeiden van geestdrift bij deze woorden.

„Sedert langen tijd,” sprak hij, „zijn de Arcadiërs voornemens voor uw

lievelingsgod een grooten tempel te bouwen, en zij wendden zich tot

Phidias, om den fries met beeldwerken te versieren. Deze verwees hen

naar mij. Maar de Arcadische mannen wikken en wegen lang en zij zullen

nog menig jaar wachten, totdat misschien de God met zijne doodelijke

pijlen hen hunner gelofte indachtig maakt. Als zij dan echter hun plan

volvoeren en zich tot mij wenden, dan zullen de beeldwerken van den

fries voor alle volgende tijden getuigenis afleggen van mijn

kunstgevoel, waaraan ik, op uwe aansporing, Aspasia! den vrijen teugel

liet.”

„Wees geheel u zelf,” hernam Aspasia, „luister niet naar het woord der

koele en strenge mannen, en gij zult iets scheppen, dat zelfs zij, die

uwe manier afkeuren, in verbazing en bewondering zal brengen.”

Van dit oogenblik af verdoofde de laatste vonk van wrok tegen Aspasia

in het hart van Alcamenes.

Hij zocht telkens opnieuw haar gezelschap, sprak met haar over zijne

plannen en ontwerpen, werd door hare woorden ontvonkt en onderricht, en

zij weigerde hem haar raad niet, dien hij ijverig zocht.

Den volgenden dag was Pericles door een toeval verplicht zonder Aspasia

een uitstapje te maken en haar in ’t gezelschap van Alcamenes,

Polycletus en eenige andere vrienden, die hij te Olympia had gevonden,

achter te laten. Na een vrij lang gesprek verwijderden zich al de

mannen, behalve Alcamenes, die het onderhoud met zijne gewone

levendigheid voortzette.

Steeds opgewondener werden de woorden van Alcamenes, steeds vuriger

zijne blikken.

Maar niet alleen toonde zich Alcamenes hartstochtelijk tegenover de

gade van Pericles, toen hij zich met haar alleen bevond, maar hij sloeg

ook ongemerkt, en naar ’t scheen, onwillekeurig een toon aan, die

eenigszins aan de vroegere vertrouwelijkheid herinnerde. Gaf hem

daartoe de welwillendheid recht, waarmede eens de door kunstzin

bezielde Milesische in een vriendschappelijk verkeer hem bejegend had,

hem den begaafdsten van Phidias’ jongeren?

Aspasia nam dien toon van vertrouwelijkheid op, met een gevoel van

gekrenkten trots.

De hartstochtelijke Alcamenes begon vergelijkingen te maken tusschen de

vormen van haar vroegeren, jeugdigen bloei en die van thans, sprak

daarbij van die vormen, zooals men over dingen spreekt, waarmede men

bijzonder vertrouwd is.

Ook dit beleedigde de hooghartige Aspasia.

Alcamenes greep hare hand, beschouwde ze met kennersoog, prees de

bekoorlijkheid daarvan en zeide, dat deze hem eene onuitputtelijke bron

was voor zijn kennis op het gebied der kunst.

Aspasia trok hare hand terug en merkte aan, dat Theodota niet minder

onuitputtelijk was in dit opzicht, door hare bekoorlijkheden.

„Gij zijt boos op mij, omdat ik Theodota geprezen heb!” riep Alcamenes.

„Heb ik u dat ooit laten voelen?” hernam Aspasia koel; „hebt gij mij

vijandig tegen u bevonden, toen wij elkander hier weder ontmoetten? Heb

ik opgehouden verwachtingen, die u tot eer verstrekken, omtrent u te

koesteren en u als den bekwaamsten tot het streven naar het ideale aan

te sporen? Ik wist, dat gij mij haattet, maar mij zijn de kunst van

Alcamenes en Alcamenes zelf van elkander gescheiden. Ik heb noch de

liefde noch den haat van Alcamenes beantwoord.”

„Koel en verstandig,” zeide Alcamenes, „mogen uwe woorden klinken, maar

zij zijn door heimelijke verbittering scherp en vlijmend. Gij zijt nog

gebeten op mij, ter oorzake van Theodota! Vergeef mij, wat ik tegen u

heb misdreven! Wat gij mijn haat noemt, het was de wraak der liefde!”

„Lang vóór uw haat mij openlijk bleek,” hernam Aspasia, „zeide ik u

reeds, wat ik u zooeven herinnerde: dat de deelneming van eens menschen

geest voor iets, geheel afgescheiden is van ’t geen zijn hart gevoelt.”

„Ook bij de vrouw?” vroeg Alcamenes met een ondeugenden glimlach. „Ik

herhaal u: gij zijt nog verstoord op mij ter wille van Theodota! En een

werk der wraak was ’t wellicht ook, dat gij in mij de oude vlam weder

hebt aangeblazen!—Nog eens, vergeef mij! Veroordeel in dit oogenblik

het vuur niet, dat gij zelve overigens in ’t karakter van Alcamenes

hebt geprezen!”

Bij deze woorden omvatte de onstuimige jongeling, in steeds heftiger

hartstocht ontgloeid, de vrouw van Pericles.

De fiere schoone trof den aanrander met een blik, die hem weder tot

bezinning bracht.

Op dat oogenblik trad Pericles binnen.

Hij las, wat er voorgevallen was, op ’t gelaat van Alcamenes.

Deze nam in verwarring afscheid en ijlde weg, met opnieuw veranderde

gezindheid, beschaamd en vervuld van wrok tegen Aspasia.

Pericles was bleek.

„Behoeft het nog opheldering?” zei Aspasia; „gij hebt alles in de

trekken van Alcamenes gelezen.”—

„Het schijnt,” hernam Pericles, „dat Alcamenes u behandeld heeft,

zooals men eene vrouw doet, die men...”

„Spreek het niet uit, bid ik u!” zei Aspasia.

„Ik weet,” vervolgde Pericles, „welke grenzen gij trekt, naar de

opvatting van Protagoras, tusschen uwe bekoorlijkheden en uw persoon.

Ik ken die leer, volgens welke de sluier eener vrouw zich mag inkrimpen

tot een vijgeblad. Gij ziet, Alcamenes heeft een andere meening dan gij

over de onschendbaarheid van het vijgeblad. Hij dwaalt, zegt gij; maar

men moet zijne handelwijze naar zijne opvatting der zaak, en niet naar

de uwe beoordeelen. Gij kent het niet onedel maar hartstochtelijk

karakter van den man. Hij zal van nu af dubbel op u gebeten zijn; hij

zal het aantal uwer openbare tegenstanders vermeerderen.”

„Hij vindt, naar ’t schijnt, bij die vijandschap een onverwachten

bondgenoot!” zei Aspasia.

Nog een paar bittere woorden werden er gewisseld. Pericles verliet het

vertrek van Aspasia.

Van spijt bevend stampte Aspasia op den grond.

„Die verwenschte bodem van de Peloponnesus,” sprak zij, „brengt mij

onheil aan.”

Weldra echter vatte zij nieuwen moed. ’t Is een licht wolkje, dacht

zij, dat zonder schade langs den helderen hemel der liefde trekt.

Vroolijker flikkert de gloed bij eene nieuwe verwarming, dan vóór de

verkoeling.

Aspasia bedroog zich niet.—Maar blijft na die vroolijk opflikkerende

vlammen geen onaangename asch in de borst achter? En vergeet de liefde

alles wat zij vergeeft?—

Pericles en Aspasia waren te Olympia de gastvrienden van Phidias. Hij

had hun eenige vertrekken in eene der groote ruimten zijner werkplaats

ter bewoning afgestaan. Hij zelf echter bleef onzichtbaar.

Onophoudelijk was hij in den tempel met de voltooiing en oprichting van

zijn reusachtig gouden en ivoren beeld bezig. Hij weigerde iederen

omgang, maar hij had Alcamenes laten zeggen, dat Pericles en Aspasia de

eersten van het geheele Helleensche volk zouden zijn, voor wie hij het

grootste werk zijner handen zou onthullen.

De met spanning verwachte ure was genaderd.

Op een gloeienden zomerdag was een van onweer zwangere avond gevolgd.

Donkere wolken vlogen door het zwerk en hadden zich eindelijk boven de

hemelhooge kruinen der bergen samengepakt. Toen er volkomen duisternis

heerschte kwam een slaaf van Phidias aan Pericles berichten, dat hem

opgedragen was hem en Aspasia naar het binnenste van den Zeus-tempel te

geleiden. In hun gezelschap bevond zich, op verzoek van Aspasia, het

meisje uit Arcadië. Zij volgden den slaaf en wandelden door het heilige

woud van Altis, dat onder den nachtelijken hemel in diepe schaduwen

zich uitstrekte. Eenzaam was het rondom en slechts een zacht geritsel

trilde door de toppen der boomen.

Nu bereikten zij den tempel. De slaaf ontsloot de poort en voerde hen

het gebouw binnen. Daar leidde hij hunne schreden naar eene eenigszins

hoogere plaats in den achtergrond, waar zij zich konden nederzetten.

Vervolgens verwijderde hij zich, sloot opnieuw de poort achter zich en

liet hen met hun drieën in het donker. Eene flauwe lichtschemering viel

neder uit den nachtelijken, bewolkten hemel door de opening van het

tempeldak. Maar zij drong niet door tot de uiterste hoeken.

Zonder een woord te spreken, bijna angstig wachtten Pericles, Aspasia

en het herdersmeisje. Eensklaps scheurde vóór hunne oogen de sluier der

duisternis en zij verschrikten, verblind door eene plotselinge,

schitterende verschijning. Het voorhangsel, dat den achtergrond van het

tempelvertrek van het voorportaal had gescheiden, was weggetrokken en

zij zagen in het heldere licht vóór zich den gouden en ivoren kolos van

den Olympischen God. Op een schitterenden, rijkversierden troon was hij

zittend voorgesteld en toch reikend tot aan het dak des tempels met dat

verheven hoofd, dat, in goddelijke rust, enkel door een beweging zijner

lokken, naar ’t woord des zangers, de hoogte van den Olympus doet

daveren [359].

Om de ivoren ledematen van den koning der Goden golfde de gouden

mantel, die den linker schouder benevens den arm en het onderste deel

des lichaams omhulde. In bont émail fonkelde het goud van den mantel;

met een tooi van kleine figuren en bloeiende leliën was zijne

oppervlakte bezaaid. Van groen geëmailleerd goud was op de lokken van

den Olympiër een olijfkrans gedrukt. In de linkerhand hield hij den uit

verschillende edele metalen kunstig bewerkten schitterenden schepter.

Op de uitgestrekte rechterhand droeg hij eene zegegodin van dezelfde

stof, als waaruit de gestalte des Gods zelven was gevormd. Op vier

zuilvormige pooten, waartusschen nog kleine kolommen stonden, verhief

zich de sierlijke troon, prijkend in bonte afwisseling, in een glans

van goud en marmer, ebbenhout en elpenbeen. Donkerblauw was de vlakke

voorzijde van den troon geverfd; een donkere achtergrond deed den glans

van het goud en het ivoor te beter uitkomen.

Vol diepen zin omgaf van alle kanten rijk beeldwerk de gestalte van den

God en den troon. Op de punt van den schepter zat een adelaar, gouden

leeuwenbeelden versierden de bank, waarop de voeten van den beheerscher

der Goden rustten, Sphinxen droegen de leuningen van den troonzetel,

zinnebeelden van de onnaspeurlijke raadsbesluiten van Cronion [360]. Op

de zijvlakken van den troonzetel schitterden, door de hand van Panaenus

geschilderd, in hellen kleurengloed de daden van Heracles, den

beroemden zoon van Zeus. Andere heldendaden prijkten er nevens: alsmede

de afbeeldingen van verschillende wedstrijden te Olympia.

Op de breede vlakte van het voetstuk echter, waarop de troon zich

verhief, steeg de heerlijkste dochter van Zeus, de gouden Aphrodite,

uit het schuim der zee.

Aspasia(#64986) · 第 38 / 57 段