Niet om de Olympische wedloopers naar den eindpaal te zien vliegen,

niet om de worstelaars en vuistvechters in het zand te zien bijten,

niet om de duizendvoudige bijvalskreten van het volk der Hellenen te

hooren, waarmede zij de overwinnaars in den wedloop, in het worstel- en

vuistgevecht, in het springen, in het werpen met speer en schijf, in

den wapenloop begroetten, waren Pericles en Aspasia naar Elis gekomen.

Hunne harten verlangden vurig naar hun vriend Phidias, toen zij in den

glans van een heerlijken morgen de gevierde, door de wateren van den

heiligen Alpheüs doorsneden dalvlakte van Olympia bereikten. Alle

wegen, die van de Arcadische bergen of uit het zuiden van de

Peloponnesus over Messenië of van het noorden over Achaëe naar het

Elische strand voerden, boven alles echter de zoogenaamde heilige

feestweg, die langs den Alpheüs liep, wemelden van wandelaars; ook over

de golven der westelijke zee in de nabijheid zagen zij de bekranste

schepen van Italië’s en Sicilië’s kusten naderen.

Weldra bevonden zij zich in het gewoel van de karavanen der

feestgezantschappen, die zich naar het Pisatische strijdperk begaven;

geen enkele Helleensche staat van eenig belang had verzuimd zulk een

gezantschap te zenden. Waar zulk eene karavaan op den weg kwam, drong

zich de stroom der overige pelgrims te voet en met rijtuig opeen en

allen staarden verbaasd den stoet aan en hen, die in prachtgewaad,

bekranst op den bekransten wagen zaten en den wagen zelven die niet

zelden met schilderwerk versierd, verguld en met tapijten behangen was,

ook de heerlijke offerdieren, het kostbare offergereedschap, het

talrijke geleide.

Niet verre van de standplaats der tenten en winkels, ongeveer tegenover

den ingang van het woud, bevond zich eene groote

beeldhouwerswerkplaats. Ze was sedert jaren die van den vermaarden

Phidias; hier voltooide hij gemeenschappelijk met Alcamenes en andere

zijner leerlingen in de eenzaamheid der Elische vallei, wier rust

alleen om de vier jaar door het Olympische feestgewoel werd verstoord,

het grootste en diepzinnigste zijner beelden. De drukte van het

vroolijke Athene ontvloden, vrij van alle invloeden, die de vlucht

zijner gedachten met bloemenketenen naar de aarde zouden willen

trekken, schiep hij hier in de eenzaamheid, door de berglucht verkwikt,

onder het geklater van den heiligen stroom, zijn Olympischen Zeus.

Uit de werkplaats van Phidias ziet men twee mannen komen en den oever

van den Alpheüs stroomopwaarts bewandelen.

In een van deze mannen herkennen wij den vurigen Alcamenes. Zijn makker

is de beroemde Polycletus van Argos, door zijn marmeren en metalen

beelden met den Athener wedijverend, maar, met den kalmen en rustigen

geest van den Peloponnesiër, het menschelijke als zoodanig rein

trachtende op te vatten, en boven alles het mannelijke, ’t welk hij het

liefst in standbeelden van athleten uitdrukte. Zijne school was

Olympia: hier oefende en volmaakte hij zijn oog en geest aan de levende

omtrekken van een harmonischen, krachtigen lichaamsbouw.

Het verschil van richting in hunne kunst verwijderde, zij ’t ook schier

onbewust, Phidias en zijn Argivischen mededinger. Terwijl de Athener

geloofde, dat de eenvoudige kunst van den Argiver te hoog werd

aangeslagen, vond deze zich heimelijk gegriefd, dat men hem, den

Peloponnesischen kunstenaar, voorbij was gegaan en den Athener met

zijne leerlingen geroepen had, om het grootste en verhevendste

kunstwerk op Peloponnesischen bodem te voltooien. Dit was een dier

Atheensche triomfen, welke Aspasia Pericles had voorspeld, toen zij hem

zocht te bewijzen, dat een staat door de beoefening van het schoone

zijne mededingers kon overvleugelen...

Zoo was Polycletus gedurende zijn oponthoud te Olympia verstoken van

den omgang met Phidias en zijne jongeren, met uitzondering van

Alcamenes, wiens openhartig, vroolijk en levendig karakter zich gaarne

over kleinigheden heen zette en die dan ook zooeven, bij eene

toevallige ontmoeting, een onbevangen gesprek met zijn Argivischen

kunstbroeder had aangeknoopt.

Polycletus, een ernstig, verstandig man, die met Phidias en zijne

school zonder eenige hartstochtelijke bitterheid naar den eerepalm

dong, vroeg naar Agoracritus, daar hij zich verwonderde waarom deze

zijn meester niet gevolgd was, om evenals op de Acropolis te Athene,

ook hier aan zijne zijde het roemvol werk te helpen voltooien.

„Te recht verwondert gij u,” zei Alcamenes, „dat juist de geliefdste

leerling van den meester hier ontbreekt, terwijl ik—die sedert de

overwinning, welke ik met mijne Aphrodite op hem behaald heb, mij

nauwelijks meer op de persoonlijke genegenheid van den meester mag

beroemen—deze toch herwaarts gevolgd heb en voortga aan zijne zijde te

arbeiden. Nu, als men samen leven en werken zal, komt het er niet

zoozeer op aan of men elkander meer of minder liefheeft, als wel daarop

of men een gemakkelijk karakter bezit. Ik voor mij zou den omgang met

Agoracritus, hoewel hij geweldig op mij gebeten is, best kunnen

uithouden; doch hij kan dit niet; en alleen om mijn gehaat gezicht niet

meer te zien, is hij sedert de voltooiing van het Parthenon heengegaan.

Hij heeft intusschen op zich genomen, een Zeus, die Coronea [344] hem

heeft opgedragen, te vervaardigen. Maar evenals hij des tijds, toen hij

zich voorgenomen had eene Aphrodite te beitelen, eene Nemesis schiep,

zoo hield men zijn Zeus, toen deze daar voltooid stond, voor een God

der onderwereld. Zoo verdiept hij zich altijd in het sombere, en daar

mijne kunst steeds eene tegenovergestelde richting heeft gevolgd, zijn

wij allengs zulke tegenvoeters geworden, dat wij volstrekt niet meer in

staat zijn aan de uitvoering van hetzelfde ontwerp met elkander te

arbeiden.”

„Uw levendige geest, Alcamenes,” hernam Polycletus, „doet u zulke

groote vorderingen in de kunst maken, dat uwe makkers u niet

gemakkelijk kunnen volgen.”

„Ik kan mij hier vrijer bewegen, dan bij de werken op de Acropolis te

Athene,” zei Alcamenes. „Daar moest in alles, naar een vast plan van

den meester, eene volstrekte eenheid heerschen; hier liet hij mij en

Paeönius, naar vrije verkiezing, de uiterlijke versiering des tempels

over; hij zelf echter bleef geheel en al verdiept in gepeinzen over

zijn Olympischen beheerscher der Goden.”

Toen Alcamenes deze woorden gesproken had, bleven zijne oogen

plotseling gevestigd op een verwijderd punt in ’t gedrang van hen, die

zich langs den oever van den Alpheüs bewogen. ’t Scheen, dat hij daar

iemand had herkend en zijn geheele wezen begon eene ongewone aandoening

te verraden. Hij keerde zich tot Polycletus en zeide:

„Ziet gij ginds dien statigen en eerwaardigen man, die aan de zijde van

eene dichtgesluierde vrouw van bekoorlijke gestalte zich in ’t gewoel

een weg zoekt te banen? Het is Pericles uit Athene, vergezeld van zijne

gade, de schoone Milesische Aspasia.”

„Ja waarlijk,” antwoordde Polycletus. „Ik herken Pericles; ik heb hem

vóór jaren in Athene gezien. Maar die schoone vrouw is mij geheel

vreemd.”

„Eene even gevaarlijke en sluwe, als schoone vrouw,” hervatte

Alcamenes. „Men kan haar niet beminnen zonder haar te haten, en niet

haten, zonder haar te beminnen.”

Toen Pericles en Aspasia Alcamenes zagen, en bij hem Polycletus, en het

Atheensche paar genaderd was en de beide beeldhouwers elkander

hartelijk hadden begroet, vroeg Pericles aanstonds naar Phidias.

„Wij zijn,” zeide hij, „gisteren avond laat te Olympia aangekomen, niet

om de spelen bij te wonen, die voor mij de bekoorlijkheid der nieuwheid

al lang verloren hebben en die mijne gade, als vrouw, niet mag zien,

maar alleen om Phidias en zijn God, van wien men thans reeds met den

grootsten lof gewaagt. Nu zijn wij juist voornemens den meester op te

gaan zoeken en gij, Alcamenes, zult ons ongetwijfeld gaarne

begeleiden.”

„Hij bevindt zich in het heilige woud,” hernam Alcamenes, „in den pas

voltooiden tempel van Zeus. Hij heeft zich daar met zijne medearbeiders

opgesloten en wil niemand bij zich toelaten, deels om niet in zijn werk

gestoord te worden, deels om zijn gewrocht niet eerder aan de oogen der

menschen bloot te stellen, vóór het op de bestemde plaats en in al

zijne heerlijkheid voor hen staat. Eerst na den afloop der spelen zal

de tempel geopend worden. Hoe onverbiddelijk de afgetrokken en schier

menschenschuwe man allen ook van zich weert, zoo wil ik toch beproeven,

in den afgezonderden tempel tot hem door te dringen en hem gasten aan

te kondigen, die hij ongetwijfeld met groote vreugde zal ontvangen.”

„Neen, Alcamenes, doe dat niet,” zei Pericles, „ook door ons moet

Phidias niet in zijn arbeid gestoord worden en ook van ons zal hij

begeeren, dat wij zijn werk niet dan in den vollen luister zullen zien.

Wij zullen een weinig geduld oefenen. Doch de feestelijke opening van

den tempel denk ik niet met Aspasia af te wachten. Niet in ’t gedrang

van tallooze Hellenen zouden wij dat gezicht voor het eerst willen

genieten. Ik hoop ten minste, dat Phidias ons één dag van te voren in

de zalen van den nog eenzamen tempel zal toelaten en ons vergunnen zijn

volkomen afgewerkt godenbeeld in stilte te beschouwen.”

„Gij zult, Pericles,” hernam Alcamenes, „zeker hierdoor een vurigen

wensch van den meester zelven vervullen. Wilt gij derhalve Phidias voor

het oogenblik in zijn tempel ongestoord laten, stel u dan te vreden met

mij en den wakkeren Polycletus, die op den bodem van Olympia beter te

huis is dan nauwelijks eenig Helleen, en wiens metalen of marmeren

beeld ginds tusschen het loof der platanen en olijfboomen van het

heilige woud u toeblinken.”

Onder vriendelijke dankbetuiging namen Pericles en Aspasia het geleide

der beide groote kunstenaars aan.

Zij wandelden samen door het onafzienbare gewoel op de groote, vrije

ruimte, die zich uitstrekte tusschen den schaduwrijken oever van den

Alpheüs en het heilige woud Altis, waar de nieuwe feesttempel van den

Olympischen Zeus zich verhief, te midden van eene menigte metalen en

marmeren beelden.

Zij gingen langs de huizen, bestemd voor de tallooze personen, die tot

den dienst van den tempel behoorden, langs de herbergen, die op verre

na niet voldoende waren voor de vreemdelingen, langs de ruimten waar de

strijdwagens bewaard werden, langs de stallen, waarin de edele rossen

en muildieren hinnikten. Het grootste deel van het saamgestroomde volk

zagen zij in de open lucht onder tenten gelegerd.

Na weinige schreden trof hun blik de prachtige tent van het

feestgezantschap uit Sicyon, iets verder die van Corinthe, vervolgens

die van Argos, Samos, Rhodos en andere. Om deze tenten heerschte een

groote drukte, vooral van hen die landgenooten waren van de

verschillende gezanten. Dan klonk het: deze hier is de prachtige tent

van den rijken Periander uit Chios, die van den vermogenden Euphorides

uit Orchomenus [345], gene van den rijken Pauson van Eretria. De

bewoners der tenten stonden aan den ingang, druk en met levendige

gebaren zich onderhoudend; zij groetten hunne vrienden en noodigden hen

uit, onder de schaduw van hun purperen tent te komen uitrusten.

Vreemde, door de zon gebruinde jongelingen naderden hen en trachtten

met de helft van gebroken ringen, wier andere helft in de handen van

den toegesprokene zich bevond, zich als zonen en verwanten van oude

gastvrienden te doen erkennen. Winkels van allerlei aard sloten zich

bij de bonte tentenrij aan.

De volksmenigte woelde dooreen. Men hoorde de verschillende Helleensche

tongvallen door elkander. Men verstond elkaar niet altijd. Naast de

vrij harde taal van den Peloponnesiër, de breede van den Thebaan, de

platte van den Megarenser, klonken de weeke Ionische en Aeölische

tonen. In het gewoel der Hellenen waren boven allen, de levendige,

vroolijke Atheners herkenbaar, benevens de ernstige, sombere Spartanen.

Dikwijls wierpen zij elkander een blik van diepen haat en afgunst toe.

Ook de reusachtige gestalten der athleten, kon men daar zien

rondwandelen. Men wees hen met den vinger aan en noemden hunne namen en

hunne overwinningen.

Vóór de tent van het feestgezantschap uit Cios zagen Pericles en

Aspasia een weenenden knaap, dien een hoogbejaarde grijsaard, zijn

grootvader wellicht, te vergeefs zocht te troosten. Pericles vroeg naar

de oorzaak dezer tranen en vernam, dat de jongen, onder beschuldiging

van verwijfdheid, van den wedstrijd der knapen was uitgesloten, omdat

hij met lang haar [346] en een purperen kleed te Olympia gekomen was.

Met half spottende, half berispende woorden laakte Aspasia, zonder zich

te ontzien voor hen, die het hooren konden, de harde, oudvaderlijke

gestrengheid der Elische kamprechters; daarop streek zij den knaap

vertroostend over de donkere lokken en zei: „Schrei niet, beste jongen!

Pericles van Athene zal voor u een goed woord doen bij de

Hellanodiken.” [347]

Al meer en meer vulde zich de ruimte. Hier en daar verdrong zich de

opeengepakte massa. Pericles en Aspasia ontmoetten al voortwandelend

groepen, die zich verzamelden om beeldhouwers, welke hunne werken hier

openlijk ten toon stelden, of om rhapsoden [348], of om een man, die,

op een spreekgestoelte staande, aan het luisterend Helleensche volk de

door hem opgestelde geschiedenis van Grieksche staten en eilanden

voorlas, of om een voortreffelijk toonkunstenaar, of om mannen, die in

trotsche houding en purperen gewaad door de hen aangapende menigte

gingen, Sophisten die den roem van hun naam te Olympia nog verhoogen

wilden en bereid waren voor de hen omstuwende menigte eene schitterende

rede te houden over welk onderwerp men maar wilde, of om een

onaanzienlijk mannetje, op wiens kalen schedel onder de brandende

zonnestralen van Elis het zweet als morgendauw flikkerde en die een

sterrekundige fabel, een werk van scherpzinnige en ingewikkelde

berekeningen, ter algemeene bezichtiging stelde.

Een hoogbejaarde Spartaan, met sneeuwwitte lokken, zag met donkere en

onvergenoegde blikken naar al die eerzuchtige bedrijvigheid.

„Ik prijs den tijd gelukkig,” zeide hij tot een vriend aan zijne zijde,

„toen Olympia niets meer was dan de kampplaats voor ’t aan den dag

leggen van Helleensche manlijke kracht, terwijl zij nu veeleer tot eene

vertooning van vrouwelijke en verwijfde kunsten misbruikt wordt. Toen

ik nog een knaap was, was hier niets te koop dan onmisbare

levensmiddelen, alsmede benoodigdheden voor het feest zelf, als

sieraden, hoofdbanden, kransen. Thans pralen de winkels van ijdelen

opschik; wij hebben ten tijde van het feest hier eene groote kermis van

Hellas, waar de winkeliers van alle steden en eilanden hunne

verleidelijkste waren te pronk willen stellen. Het krioelt hier steeds

meer van raphsoden, toonkunstenaars, beeldhouwers, wijsheidsvrienden en

ander volk van dat slag. Na korten tijd zal het grootsche doel van het

overheilige Olympische feest onder de tentoonstellingen en vertooningen

van onmanlijken wedijver waarmede de Atheners en andere Hellenen van

het vlakke land, der eilanden en Ionische kusten elkander de loef

zoeken af te steken, verdwenen zijn. Eerzuchtige dwazen! Ieder wil met

iets pronken, ieder opgemerkt worden. Ginds, ziet ge, snijden eenige

Megarensers hunne namen in de schors der populieren aan den Alpheüs om

toch ook iets voor hunne onsterfelijkheid te doen!”

„Eenigen zie ik daar ook bezig,” hernam zijn makker, „met schoone,

bonte kiezelsteentjes uit het zand van den heiligen stroom te zoeken.

Ik moet daar ook eenige van verzamelen, om ze voor mijne jongens mee te

brengen...”

Na het uiten dezer woorden verdween de vriend van den Spartaan onder de

populieren langs den Alpheüsoever. Hoofdschuddend zag deze hem na.

Op dit oogenblik weerklonk weder de schelle, alles overheerschende stem

van den heraut, die van tijd tot tijd door de tentenstad en het gewemel

van menschen heenstappende de oogen en ooren van alle Hellenen voor een

oogenblik op zijn persoon vestigde. Hij was de algemeene mond der

Hellenen. Hij berichtte de meest verschillende zaken. „De Panormitanen

[349] en de Leontiërs [350] deelen plechtig allen Hellenen mede, dat

zij met elkander vrede hebben gesloten, na hunne geschillen door een

minnelijke schikking bijgelegd te hebben.” En wederom: „De Magnesiërs

[351] geven aan de Hellenen kennis, dat zij met de Larissaeërs [352] en

Demetriërs [353] een eeuwigdurend verdrag van onderlinge verdediging

hebben aangegaan.”

Nu echter verkondde zijne krachtige stem: „De Lechaeërs[353] betuigen

ten aanschouwe van het geheele Helleensche volk den Phliasiërs[353] hun

dank voor de hen betoonde hulp in den strijd met de Kenchraeërs[353].”—

„Dat was wel de moeite waard!” riep een Kenchraeër met een spottenden

glimlach. „Denken de Lechaeërs inderdaad, dat wij voor hen en de

Phliasiër bang waren? Bij Heracles! Zij zullen op het volgende

Olympische feest geheel andere mededeelingen door den heraut hooren

doen!”

„Niets dan snoeverij!” hernam hoonend een Lechaeër, die niet verre van

hen verwijderd stond. „Bluf maar! Wij hebben nog pijlen genoeg om er de

geheele stad der Kenchraeërs onder te bedelven!”

„En wij nog lansen genoeg,” hernam de Kenchraeër, „om de nieren van

alle Lechaeërs aan te spietsen!”

„Pak u weg!” schreeuwde de van toorn gloeiende Lechaeër, „anders zult

gij morgen uw gezicht in den spiegel niet meer herkennen!”—Tevens hief

hij dreigend de vuist op.

Een Athener greep zijn arm vast. „Wat moet dat?—Laat den Kenchraeër met

rust, of gij hebt met mij te doen!”—

„Ei, kijk hem eens!” sprak een Samiër onder de toeschouwers, die zich

om de twistenden heen gedrongen hadden; „de Atheners willen zich zelfs

in de gunst der Kenchraeërs dringen, en men weet, waar het met al hunne

vriendelijkheden op uitloopt!”—

„Ja wel, dat weten we!” riepen eenige Argivers en Spartanen. „Sedert

eenigen tijd,” sprak een der Argivers, „geven de Atheners zich wonder

veel moeite, om in goede verstandhouding te staan met de bewoners van

den Isthmus en de passen van de Peloponnesus!”

„Hebben zij dan daarvoor den tijd?” riep een der Spartaners met een

grijnslach. „Is dan de groote Pericles, de Olympiër, al gereed met

zijne groote, prachtige tempels en propylaeën en Pallasbeelden van goud

en ivoor? En behaagt het de Hera van den Atheenschen Olympiër haar rijk

ook aan gene zijde van de pijnboomwouden, van den Isthmus uit te

breiden?”

„Hare vrienden en voorvechters heeft zij immers reeds vooruit

gezonden!” riep de Argiver, met den vinger over zijn schouder naar de

werkplaats van Phidias wijzend.

De Atheners, die aanwezig waren, wilden zich die spotternij niet laten

welgevallen. Wilder en heftiger dreigde de woordenstrijd te ontbranden.

Daar klonk plotseling eene geweldige en welluidende mannenstem, zoo

wonderlijk doordringend, dat oogenblikkelijk allen daarnaar luisterden.

„Aan welken Helleen behoort de tong,” riep de machtige redenaar, „die

daar durft spotten met de nieuwe tempels en godsbeelden der Atheners?

Wat er roemrijks te Athene geschapen is dat is gewrocht ter eere van

den gemeenschappelijk en Helleenschen naam! En bedenkt, dat sedert

eeuwen altijd vrede is gehouden door onze vaderen, van welken stam zij

ook waren, op deze plaats, waar de heilige wateren van den Alpheüs de

maat klateren voor de Olympische feestreien van het gansche Helleensche

volk. Tot een vreedzamen wedstrijd zijn wij steeds herwaarts gekomen;

hier was het heilige grond, hier de godsvrede. In het tempelgebied van

den gemeenschappelijken God Zeus vereenigt ons het feest der

Panhellenen [354]. Houd vrede, Hellenen, op de Pisatische landauwen!

Hier moeten geen wapenen getrokken worden, hier mag geen

metaalgekletter gehoord worden, dan de klank der halve ringen, die

tegen elkander gehouden worden; hieraan kunnen Helleensche gastvrienden

van alle oorden elkander herkennen!”—

De kreet „Pericles” weerklonk na deze woorden door de menigte:

„Pericles van Athene! Pericles, de Olympiër!” Vaders hieven hunne

jongens op, om hun Pericles te toonen. Slechts door weinigen was hij te

voren herkend geworden. Thans, nu hij gesproken had, nadat zijne

donderende welsprekendheid had weergalmd, herkende hem het gansche

Helleensche volk. En nog vond, wat hij gesproken had, weerklank in de

harten der bewegelijke, licht ontvlambare Hellenen. Kreten van

toejuiching weerschalden tot over den Alpheüs en de wateren van den

stroom schenen bruisend in te stemmen in den algemeenen bijval.

Pericles onttrok zich aan de menigte door zich met Aspasia en zijne

vrienden naar het heilige woud Altis te begeven, waar hij zich verloor

tusschen de tempels en heiligdommen van allerlei soort, de

standbeelden, drievoeten en gedenkzuilen, waar het gebladerte der

olijfboomen, platanen en palmen ritselde. Van de gevelspits van den

nieuwen Zeus-tempel schitterden hun eene vergulden Zegegodin tegen,

tusschen twee eveneens vergulde vaten, in oogverblindenden glans. Zij

beschouwden op den achtergevel de beelden van Alcamenes. Hij had daar

den strijd der Lapithen [355] en Centauren voorgesteld en daarin zijne

voorliefde voor bewegelijkheid en veelvuldige afwisseling van houding

en gebaren, meer dan op de Acropolis, den vrijen teugel gelaten.

Begeleid door Polycletus en Alcamenes beschouwden Pericles en Aspasia

daarop de overige tallooze wonderen van het heilige woud.

Ten laatste bestegen zij eene vrije trap, die uit Altis noordwaarts

naar een groot, breed terras leidde. Dit terras breidde zich langs den

zuidelijken voet van den Cronos-heuvel tot aan het stadion [356] uit.

Op die vlakte verhief zich eene lange rij van zoogenaamde schatkamers

van verschillende steden, waarin deze hunne naar Olympia gezonden

wijgeschenken bewaarden.

Van de schatkamers van den Cronos-heuvel opwaarts gaande, bezichtigden

Pericles en Aspasia de heiligdommen, die dezen heuvel versierden. Van

den top daarvan hadden zij het schoonste gezicht op Olympia. Zij zagen

onder zich het heilige woud Altis met zijne tempels en standbeelden in

zijne volle uitgestrektheid; zij zagen aan gene zijde van Altis den

majestueuzen stroom, den Alpheüs, door de vlakte heenschieten; zij

zagen ter rechter zijde de rivier Cladeüs, die op de Pisatische bergen

ontspringend, zijne wateren met die van den Alpheüs vermengt; zij zagen

ter linker zijde het stadion en den hippodromos [357], de plaatsen voor

de Olympische wedstrijden, die het heilige woud begrensden. Rechts van

den Cronos-heuvel, nabij den noordelijken uitgang van Altis, zagen zij

gebouwen, die het middelpunt van het bestuur van Olympia uitmaakten en

waar zoowel de kamprechters als de athleten zelven, vóór het standbeeld

van den met den dubbelen bliksem gewapenden Zeus Horkios [358], de

wetten van den strijd bezwoeren. Verder was van alle kanten niets te

zien dan de krans van hooge bergen, in wier hoede het heilige

feestterrein van Olympia lag.

Het oog der mannen weidde met welgevallen over deze tafereelen. Aspasia

echter begon over de geweldige hitte te klagen en over de vele muggen,

die haar kwelden.

„Hoe komt het toch,” zeide zij, „dat de Hellenen voor hunne athleten

wedstrijden het warmste van den zomer en deze muffe, drassige vallei

van den Alpheüs hebben gekozen?”

„De stichter Heracles heeft aan de muggen niet gedacht,” zei Alcamenes

lachend.

„En wij mannen tot heden ook nog niet,” voegde Pericles er bij. „Maar

nu ik er eenmaal opmerkzaam op gemaakt ben, moet ik u gelijk geven,

Aspasia. Die tallooze bloedzuigers zijn geweldig lastig.”

Door Altis terugkeerend, vertoefden Pericles en Aspasia alleen nog bij

de standbeelden van Polycletus.

Steeds levendiger werd inmiddels in den loop van den dag het gewoel en

de drukte tusschen Altis en den Alpheüs. Talrijker offers werden des

avonds op de met bloemen bekranste altaren der Goden gebracht. Men zag

de athleten de ingewanden der offerdieren beschouwen, hopende daaruit

een gunstig voorteeken voor den strijd te zullen vinden. De grootste

schare van toeschouwers stroomde naar het plechtige brandoffer op het

overoude beroemde aschaltaar van Zeus.

De verrichtingen van deze heilige plechtigheden duurden tot diep in den

nacht, onder de tonen der muziek en bij het schijnsel der maan, die

bijna vol was. Alles had plaats op eene hoogst ernstige wijze, in eene

schoone orde en eene eerbiedwekkende stilte. Te middernacht eerst

werden de fakkels in het heilige woud uitgebluscht en de laatste

vlammen op de altaren verdoofden allengs. Nu echter stormde reeds een

niet onaanzienlijk deel van het volk naar de renbaan, om daar, na eene

goede plaats bemachtigd te hebben, het krieken van den dageraad en het

begin der spelen af te wachten.

Den volgenden morgen bestegen Pericles en Aspasia wederom den

Cronos-heuvel.

Aspasia(#64986) · 第 37 / 57 段