toonde hun zijne stallen en zijne graanzolders, benevens zijne
gladgeboende melkemmers, de tot den rand toe met melk gevulde vaten en
de korven, met kaas gevuld. Hij voerde hen ook naar de in hun kotten
achtergebleven zeugen en biggen met hun glinsterend witte tanden, prees
hun malsch vleesch en voederde ze voor hunne oogen met steeneikels en
roode kornoeljes. Nauwelijks gaf Aspasia te kennen, dat zij vermoeid
was en wel eens wilde rusten of de herder was aanstonds met een
gespikkeld gemzenvel gereed, om het voor haar uit te spreiden en lachte
daarbij met eene sluwe uitdrukking op zijn gelaat, alsof hij wilde doen
merken, dat hij wel wist, welke behandeling verkleede Godinnen van de
stervelingen vereischten.
Huiden en koppen van gedoode roofdieren waren aan de omheining van den
hof, alsmede aan de boomen, die hem omgaven, in grooten getale
opgehangen, en nadat Pericles en Aspasia ook deze beschouwd hadden,
ademden zij, in de vrije natuur wandelend en aan zichzelven
overgelaten, ruimer de geurige lucht der kruiden op de berghelling in.
In het frissche groen, als door de geweldige regen schoongewassen,
glinsterde de berg in de stralen der morgenzon. De bedauwde grashalmen
schitterden op hunne naar de zon gekeerde zijde als blank geslepen
klingen. Een zwerm kraaien vloog in volle vaart over de dreven, streek
op een eenzaam staanden boom neder, vloog na weinige oogenblikken even
haastig weder op en verloor zich in den blauwen aether. Over de
verwijderde bergtoppen zag men herders met hunne kudden trekken. De
valleien daartusschen waren geheel met een witten nevel en damp gevuld,
die als de zee golfde, en waarin de van de hoogte wijdende kudden
schenen ondergedompeld te worden en te verdwijnen. Lammeren en runderen
zag men in alle dalen grazen en vlugge geiten klauterden tegen de
rotshellingen op. Hier en daar klonk de toon der syrinx [338], alsmede
gezang, het tijdverdrijf der herders op het veld. Van zekeren kant
vernamen de beide wandelaars tonen, die hun bijzonder liefelijk in de
ooren klonken. Zij sloegen den weg in, vanwaar het geluid kwam en
vonden eene groep herders, die luisterend zich om den voortreffelijken
fluitspeler hadden geschaard. Weldra echter trad uit het midden der
luisterende schaar een herder, die zich met hem in een wedstrijd wilde
meten. Toen Pericles en Aspasia naderden, viel beiden fluitblazers de
schalmei uit den mond, ja bijna uit de handen, en alle herders rondom
stonden getroffen door de vreemde verschijning. Toen Pericles echter
hen vriendelijk verzocht hun wedstrijd voort te zetten en hun zeide,
dat zijne gemalin en hij Atheners waren, die, op hunne reis naar Elis,
door een geweldig onweder overvallen, hier eene schuilplaats hadden
gezocht, begonnen de beide kunstvaardige herders met nog grooter ijver
dan straks hun wedstrijd opnieuw en verzochten den Athener en zijne
gemalin het rechtersambt te vervullen.
Pericles en Aspasia waren opgetogen over de verrukkelijke tonen der
herdersfluiten. Zij verbaasden zich dat onder zulke ruwe, onbeschaafde
menschen, als deze bergbewonende Arcadiërs, eene, zij het ook
gebrekkige kunst tot zulk eene hoogte en volkomenheid kon geraken.
Aspasia vroeg de herders, of zij ook niet in nimische dansen met
elkander konden wedijveren. Toen wezen zij op den jongste onder hen,
een slanken knaap, die op Pericles’ verzoek te voorschijn trad en half
koddig, half bekoorlijk een landelijken dans ten beste gaf, waarin hij
verschillende werkzaamheden van het landleven in nimische dansen wist
voor te stellen.
„Zoudt gij ook niet eens een dans met uw tweeën kunnen uitvoeren?”
vroeg Aspasia den knaap.
„Als Cora maar wilde—” sprak hij op bijna treurigen toon en met
zwaarmoedige oogen voor zich uit ziende.
„Cora?” riepen de andere herders lachend. „Malle jongen! wat spreekt ge
van Cora? Cora wil niets van u weten!”
De knaap zuchtte en sloop weg.
Verder wandelend bereikten Pericles en Aspasia eene lammerweide, die
aan het oog onttrokken door boomen aan alle kanten omgeven was. Hier
vonden zij Cora te midden van hare lammeren zittend. Eenige der jonge
witwollige schaapjes vergaten het malsche gras en lieten, liever om
Cora liggend, hunne koppen op hare knieën rusten. Cora zelve echter zat
met gebogen hoofd geheel en al verdiept in de beschouwing van eene
schildpad, die op haar schoot lag en die het meisje met hare schoone,
heldere en schrandere oogen aankeek.
„Waar hebt gij dit dier gevonden?” vroeg Pericles, die met Aspasia
genaderd was. Het meisje was zoo geheel in gedachten en mijmering
verzonken, dat ze de beide vreemdelingen eerst bemerkte, toen zij voor
haar stonden. Nu keek zij op, mat beide met een blik uit hare groote,
ronde, kinderlijke oogen en zeide:
„Uit het bosch hier nabij komen deze dieren van zelf tot mij kruipen.
Vooral deze hier komt altijd terug en is zoo weinig schuw, dat zij haar
hals en kop, in plaats van ze in te trekken, altijd zoo ver mogelijk
uitsteekt en mij onophoudelijk met hare heldere oogen aankijkt. De oude
Baubo zegt, dat Pan soms zelf in de gedaante van eene schildpad zich
verbergt. Ik geloof,” ging het meisje zacht voort, „dat ook deze iets
geheimzinnigs in zich verbergt; want sinds zij altijd tot mij uit het
bosch komt en den dag bij mij en de lammeren doorbrengt, vermeerdert en
gedijd de geheele kudde op een wonderlijke wijze.”
Toen zij eenmaal aan het praten was, liet het Arcadisch meisje zich
gaarne door Aspasia’s vragen verleiden voort te gaan met haar
zonderling en kinderlijk gesnap. Liefelijk was het te hooren, hoe het
herdersmeisje met hare ernstige oogen van den woud- en herdersgod Pan
vertelde, hoe zijn fluitspel uit de verte in de eenzame bergen
weerklonk, hoe hij zich nu eens genadig, dan weer luimig toonde. Zij
verhaalde ook van de Satyrs, met hunne bokspooten, die de wouden
doorzwierven, niet alleen de Nimfen, maar ook de herdersmeisjes plagend
vervolgden, en van éénen, die ook haar had nagezet, tot zij hem met een
brandend hout verjoeg, dat zij uit een wachtvuur in het bosch had
genomen; voorts van de Nimfen, die zich evenals de Satyrs in de wouden
ophouden en die soms den mensch bij het maanlicht ontmoeten; wat echter
een ongeluk is, want wie eene Nimf in het woud ziet, wordt met waanzin
geslagen en is voor altijd verloren.
De ziel van het meisje was geheel vervuld van de wonderlijken sagen en
sprookjes van haar Arcadisch geboorteland. Zij sprak van diepe poelen
en huiveringwekkende bergkloven, van door de Goden gevloekte meren in
het woud, in welker wateren geen visch kon leven, van holen, waarin
booze geesten hunne schuilhoeken hadden, van merkwaardige heiligdommen
van Pan op eenzame, sombere berghoogten. En hoe huiveringwekkender de
verhalen van het meisje waren, des te wijder zette zij hare kinderlijk
beangstigde oogen open.
„Op den Stymphalos,” zeide ze, „daar hangen onder het tempeldak de
doode Stymphalische vogels, zooals de held Heracles [339] ze had
geveld. Mijn vader zelf heeft ze gezien. Achter in den tempel staan
marmeren beelden van jonkvrouwen met vogelpooten. Die doode
Stymphalische vogels zijn zoo groot als kraanvogels en zij vlogen op de
menschen aan, toen zij nog leefden en verbrijzelden hun de hoofden met
hunne snavels en aten hen dan op. Hunne snavels waren zoo sterk, dat
zij zelfs koper daarmede konden doorbijten.”
Van de door de Goden vervloekte meren in het woud, waarin geen visch
kon leven en waarin zelfs de vogels, die er toevallig over heen vlogen,
dood neervielen, kwam zij op het verschrikkelijke water van den Styx,
dat in de somberste bergkloof van Arcadië hoog van de woeste rotsen
neerdruipt; en van de akelige wateren op de wilde dieren der bergwouden
en de jachten, die de Arcadische mannen daarop maakten. Toen echter
verloor haar oog de kinderlijk angstige uitdrukking en eene moedige
ziel straalde uit haar blik. Zij verhaalde, hoe de herders, wanneer een
roofdier in de nabijheid der hoeve zich ophield, menigen stormachtigen
nacht onder den blooten hemel moesten doorbrengen, hoe men op grooten
afstand schitterende vuren in de hoeven onderhield, hoe men het luide
gebrul van het hongerige roofdier in de stilte des nachts van verre uit
het woud kon hooren en hoe dan alles zich opmaakt om zijn spoor te
vervolgen, of hoe men het in eene hinderlaag opwacht, en, wanneer het
zijn sprong over den ringmuur van het erf wagen wil, men plotseling uit
den schuilhoek op het dier losgaat met het werpen van speren en steenen
en brandende houten, totdat het bezwijkt, overweldigd door de schaar
zijner bespringers.
Pericles en Aspasia waren verrast over de uitdrukking van moed en
belangstelling, die bij deze verhalen uit de blikken en gebaren van het
herdersmeisje sprak, in wier gemoed zooeven nog, buiten het bijgeloof
en de verhalen en sprookjes van haar geboortegrond, voor niets anders
ruimte scheen overgelaten.
„Het komt mij voor,” zeide Aspasia, „dat gij aan zulke gevechten niet
ongaarne deel zoudt willen nemen.”
„O, dol graag!” riep het meisje. „Ik heb behalve dien boozen,
overmoedigen Satyr ook reeds tweemaal een wolf, die mijn kudde wilde
bespringen, met een brandend hout verjaagd.”
„Het meisje herinnert mij,” zeide Pericles tot Aspasia, „zooals zij in
dit oogenblik voor ons staat, aan die beroemde dochter van het
Arcadische land, Atalante [340] die, door haar vader als kind te
vondeling gelegd, omdat hij geene dochters, alleen zonen wilde hebben,
door eene berin gezoogd en door jagers opgevoed werd en vervolgens in
de Arcadische wouden met speer en boog gewapend rondzwierf, een schrik
der wilde dieren, een stoute, maagdelijke jageres, die van geen
zachtere aandoening iets weten wilde.”
„Zijt gij altijd zoo alleen bij uwe lammeren?” vroeg Aspasia. „Is er
niets, waar ge van houdt en wat ge altijd om u zoudt willen hebben?”
„Wel zeker!” riep Cora en zag de vraagster weder met die kinderlijk
verbaasde uitdrukking harer oogen in het gelaat. „Ik houd veel van deze
schildpad, met hare schrandere oogen, die mij altijd aankijkt en die
misschien plotseling eens van gedaante verandert en met mij begint te
spreken, want ik droom soms ’s nachts van haar en dan spreekt zij
altijd. Ik houd ook veel van de lammeren; en ook die welbekende,
ritselende boomen rondom mij heb ik lief en uren lang hoor ik naar hun
geritsel. Ik houd ook van den zonneschijn; doch de op de bladeren
kletterende regen is mij insgelijks lief, als mede de donder, die zoo
statig door het gebergte rolt. Ook van de vogels houd ik, zoowel de
grootere, de adelaars en de kraanvogels, die hoog boven mijn hoofd
vliegen, als van de kleinere die op de takken zingen. Het meest echter
heb ik de verre bergen lief, vooral des avonds, als de ondergaande zon
hen met eene rooskleurige tint overdekt, of in den nacht, als hunne
toppen, terwijl alles stil, doodstil is, zoo rustig daar staan door het
witte maanlicht omschenen.”
Pericles en Aspasia glimlachten. „Het schijnt, dat wij ons op nieuw
hebben vergist,” zeide Pericles, „daar wij een herdersmeisje, dat van
zoovele dingen houdt, onvatbaar hielden voor alle zachtere
aandoeningen.”
Aspasia trok Pericles ter zijde en sprak:
„Wat voor oogen zou dit eenvoudig, Arcadische herdersmeisje opzetten,
dat met de schildpad op den schoot zit en meent, dat het dier zich in
een God zal herscheppen, wanneer men haar plotseling in Athene
verplaatste! Hoe koddig zou zij zich aanstellen, als ik haar bij die
beide, mij toevertrouwde meisjes bracht, die ik tot mij heb genomen en
die men reeds in Athene mijne school begint te noemen!”
„Zij zou als een raaf onder de duiven zijn!” hernam Pericles.
Altijd weer opnieuw voelden zich beiden aangetrokken door het gekeuvel
van het meisje, waarin een zonderlinge phantasie en eene even
eigenaardige soort van gevoel zich openbaarden. Weldra echter begon
Aspasia met de Arcadische van rol te verwisselen, daar zij van
toehoorderes zelve ging vertellen. Zij begon het herdersmeisje van
Athene te verhalen, tot Pericles haar verzocht een einde aan ’t gesprek
te maken, daar hij gaarne had, dat zij met hem den ingeslagen weg
vervolgde. Weldra verdwenen de wandelaars in het bosch. Het was middag
geworden, de zon had de vochtigheid van den morgen opgetrokken en het
struikgewas verwarmd en al zijne heerlijke geuren doen ontwikkelen. Op
de open weiden in het woud en in de houtspleten stonden hoog
opgeschoten, bloeiende heesters, welker geuren vereenigd met de aroma’s
van de boomhars de berglucht verkwikkend, ja bijna bedwelmd maakten.
Van cicaden [341] wemelde het hout onder de brandende zon.
Toen de wandelaars in de eenzaamheid van het woud uitrustten, kropen
ook naar hen de schildpadden toe, waarvan Cora zooveel hield; ook boven
hunne hoofden vlogen de groote vogels en zongen de kleine in de takken;
het ritselen der toppen, waarnaar Cora uren luisterde, ruischte over
hen en Cora’s geliefde zonneschijn speelden om hen heen.
„Het diep geruisch dezer Arcadische wouden,” zei Pericles, „dat als van
een oneindigen afstand schijnt te komen en zich in een oneindigen
afstand weder verliest, vervult mij met eene zonderlinge huivering.
Iets dergelijks heb ik nooit in mijn leven ondervonden. Ik heb nooit
naar de stemmen van een woud geluisterd; onverschillig ben ik
verschijnselen voorbij gegaan, die mij nu plotseling iets schijnen te
willen zeggen. Zie ginds eens dien fijnen, in de zon schitterenden
draad, die van den top van den haverhalm tot aan de bloem van dat
blauwe klokje gespannen is: hebt gij wel eens het wonderfijne, zilveren
weefsel der spin met aandacht beschouwd? Dit Arcadische meisje leert
ons, dat men ook dingen beschouwen kan en liefkrijgen, die men
gewoonlijk ter nauwernood opmerkt en die men onbewust geniet, zonder
dat men er dankbaar voor is, evenals men ademhaalt.”
„Uw gemoed, dierbare Pericles,” hernam Aspasia, „is naar ’t schijnt,
zeer ontvankelijk voor nieuwe indrukken. Thans heeft een Arcadisch
herderskind u eene geheel nieuwe en ongewone liefde ingeboezemd, eene
liefde voor boomen en drijvende wolken en hoog vliegende vogels, en de
geur der Arcadische bergkruiden, schijnt u wellicht reeds welriekender,
dan die van alle rozenpriëelen van Milete!”
„Gij zult toch toe moeten geven,” hervatte Pericles, „dat deze geurige
woudlucht het hart verkwikt en dat daarentegen de bedwelmende geur der
rozen de geestkracht van den mensch ten laatste verslapt. Inderdaad, ik
voel mij hier door den adem van een vernieuwd leven bezield. Toen wij
eens op de Acropolis in de Pangrot stonden en gij over den herdersgod
den neus ophaaldet, vermoedden wij niet, dat deze God ons later eens
zoo vriendelijk te gast nooden, zoo heerlijk onthalen zou. Vreedzaam
geluk omgeeft ons hier, en wanneer ik mij in den geest uit deze
voorwereldlijke stilte in het woelig Athene terug verplaats, dan
schijnt mij het onstuimig jagen en drijven dier menschen schier ijdel,
tegenover de goddelijke rust dezer herders op hunne eenzame bergen.”
„Ik deel maar ten halve uwe ingenomenheid met de genietingen, die de
gastvrijheid van den herdersgod ons hier bereidt,” zeide Aspasia. „Deze
menschen zijn plomp en eenvoudig, de verre sneeuwkruinen doen mij
huiveren en het gebergte in de nabijheid beangstigt mij, als zou het
mij onder zijne toppen bedelven. Het ernstig, eentonig ruischen van die
hooge, rijzige dennen doet mij onaangenaam aan, en schijnt mij juist
geschikt om in het menschelijk gemoed een somber, naargeestig en
dweepend gevoel aan te kweeken. Ik voor mij bemin zonnige dreven,
bloeiende velden, stranden met een ruim gezicht op zee. Ik verkies die
oorden, waar de van vernuft tintelende geest zich in schoone rijpheid
ontwikkelt. Gij zoudt, dunkt mij, gaarne bij deze herders willen
achterblijven; ik daarentegen zou ze allen wel van hier willen
wegvoeren, om ze tot menschen te vormen. Welaan, doe, zooals Apollo
deed, wien het insgelijks eens behaagde zich onder de herders te
begeven en kudden te weiden [342]. Blijf hier! Gij kunt dan als eene
cicade leven: wijs, zonder leed en bloed. En lust het u soms nog nuttig
werkzaam te zijn, dan kunt ge krekelvallen vlechten of lijmstokken
behendig tusschen de boomtakken steken, om vogels te vangen, of met
steenen door den slinger geworpen, de spreeuwen en kraanvogels van de
zaadvelden verjagen. Of gij kunt de lammeren van Cora hoeden, die mij
naar Athene zal vergezellen.”
Pericles glimlachte. „Denkt gij dus inderdaad,” zeide hij, „Cora met u
te nemen?”
„Wel zeker, denk ik dat te doen!” hernam Aspasia, „en ik hoop, dat gij
uwe toestemming daartoe niet weigeren zult.”
Pericles was verrast. „Mijne toestemming,” zei hij, „zal u niet
geweigerd worden, maar welke bedoeling hebt gij daarmede?”
„’t Is louter eene aardigheid,” antwoordde Aspasia. „Dit Arcadische
meisje zal mij gewis vermaken. Ze doet mij lachen, als ik in hare
groote, ronde, angstig rondkijkende oogen zie.”
’t Was, zooals Aspasia zeide: zij wilde zich met dat meisje vermaken,
zij wilde er genoegen in scheppen te zien, hoe zonderling het
bijgeloovig, onervaren herderskind zich gedragen zou, wanneer men het
plotseling in het oververfijnde Athene verplaatste.
De ziekte van een zijner slaven noodzaakte Pericles nog een tweeden dag
de gast van den herder te blijven.
Ook dezen dag bracht het Atheensche paar meest in het gezelschap van
het bruine herdersmeisje door. Weder snapte Cora, vertelde
herdersgeschiedenissen, ja zij zong zelfs eenige zonderlinge,
kinderlijke liederen, die zij zelve gemaakt had, zooals het volgende:
Het beekje komt van ’t rotsgebergt’
En stort zich in het woud;
Er grazen reeën in het dal,
Het lachend ze aanschouwt.
’t Besprenkelt bloem en blad met dauw
En lescht der dieren dorst,
En komt de barre winter aan,
Wordt het met ijs omkorst.
Zij vertelde ook van den verliefden Daphnis [343], die van
zwaarmoedigheid en verlangen wegkwijnde en dien daarna alle dieren
betreurden. Dit droevig verhaal beviel echter aan Aspasia niet: zij
luisterde er naar met een spottenden glimlach om de rozelippen en
teekenen van afkeuring...
Toen zij voortwandelende aan eene bron kwamen, door sappige kruiden
omgeven, waaruit een kristalhelder beekje gevormd werd, en Aspasia zich
daarin wilde spiegelen trok Cora haar angstig terug en waarschuwde
haar, zeggende, dat iemand, die zich in eene bron spiegelt, somwijlen
plotseling een ander beeld dan het zijne daarin ziet, namelijk dat van
eene Nimf, die hem uitlacht, en dan was hij verloren.
Toen de zon in het zenith stond en de toon eener syrinx in de broeiende
middagstilte vernomen werd, zei Cora: „Pan zal weder boos worden; hij
wil niet, dat men hem op den middag, als hij rust, door syrinxen of
andere geluiden uit zijne sluimering zal wekken.”—De muziek echter kwam
van den herdersknaap, die den vorigen dag, op Pericles’ en Aspasia’s
verzoek, een landelijken dans had uitgevoerd. Wel wist de knaap, dat
Pan van den klank der syrinx in het middaguur niet hield; maar hij
bespeelde altijd de syrinx, als hij bemerkte, dat Cora in de nabijheid
was, omdat hij meende haar daarmede genoegen te doen. Cora echter
berispte den armen jongen. En toch had zij een week gemoed. Zij redde
voor Pericles’ en Aspasia’s oogen een cicade die zich in het web eener
spin verward had.
Ernstig en aandachtig luisterde het meisje weder, toen Aspasia haar
opnieuw van Athene begon te vertellen.
Met opzet schilderde Aspasia in de gesprekken, die zij met Cora nog in
den loop van den dag hield, het leven in de stad der Atheners in
verleidelijke kleuren. Zij verstoorde den vrede dezer idyllische
natuur, zij verwekte een wanklank in de harmonische wereld van dit
kinderlijk hart. Eindelijk vroeg zij Cora of zij met haar naar Athene
wilde gaan. Het herdersmeisje zweeg, maar scheen in diepe gedachten
verzonken.
Aspasia wendde zich tot de ouders van Cora en verklaarde hun, dat zij
Cora gaarne met zich mede naar Athene wilde nemen, en hunne dochter
daar een gelukkig lot zou verbeiden.
„Dat mogen de Goden geven!” zei de eerlijke herder. „Dat mogen de Goden
geven!” herhaalde de herderin. Maar zij zeiden niet ja.—En zoo dikwijls
Aspasia de vraag om hunne toestemming herhaalde, zeiden beiden altijd
dit ééne:
„Dat mogen de Goden geven!”
Men zag, dat het aan het vaderlijk en moederlijk hart zwaar viel, hun
eenig kind, zij het ook voor het gelukkigst lot, van zich te laten
gaan.
Aan den avond van dienzelfden dag werd Cora plotseling gemist, nadat
zij toch met hare lammerenkudde reeds naar huis was teruggekeerd en
langen tijd werd zij te vergeefs gezocht. Eindelijk zagen Pericles en
Aspasia, niet verre van den ingang van het hof staande, het meisje de
helling afkomen. Maar zij kwam in zeer zonderlinge houding. Zij had
namelijk de handen stijf tegen de ooren gedrukt. Op eenigen afstand van
Pericles en Aspasia stonden, buiten de hoeve, de slaven van Pericles in
eene groep bijeen. Toen het meisje deze groep genaderd was, nam zij
plotseling de handen van de ooren weg en scheen naar de woorden der
slaven, die onder elkander praatten, te luisteren. Bijna op hetzelfde
oogenblik scheen zij te ontstellen, drukte de hand tegen de borst en
bleef een oogenblik als in den grond geworteld staan. Pericles en
Aspasia gingen naar haar toe en vroegen naar de oorzaak van hare
ontsteltenis.
„Ik heb Pan gevraagd,” antwoordde zij, „of de Goden wilden, dat ik met
u naar Athene zou gaan.”
„Hoe dan?” vroegen beiden.
„Ginds onder in het dal,” zeide het meisje, „ligt eene grot, aan Pan
geheiligd. Daar staat het beeld van den God, uit eikenhout gesneden, in
de spelonk. Derwaarts begeven zich alle herders, als zij iets
geheimzinnigs te vragen hebben. Men fluistert den God de vraag stil in
het oor, houdt vervolgens zijne eigene ooren met de handen dicht,
totdat men onder menschen komt, die juist met elkander spreken. Dan
trekt men de handen plotseling weg en het eerste woord, dat men
verneemt, is de orakelspreuk van Pan, het antwoord van den God op de
vraag, die men hem in het oor heeft gefluisterd.”
„En welk woord hebt gij het eerst onder die slaven gehoord?” vroeg
Aspasia.
„Het woord Athene!” hernam Cora en beefde daarbij van aandoening.
„Pan wil derhalve, dat ik naar Athene ga,” vervolgde zij zuchtend.
„Hij staat u toe uwe lievelings-schildpad mede te nemen,” zei Aspasia
glimlachend.
De ouders van Cora kwamen nader.
„Pan wil, dat ik naar Athene zal gaan,” zei het meisje op treurigen,
maar beslisten toon. En zij deed nog eens het verhaal, hoe zij in de
grot van Pan zijn orakel had geraadpleegd.
De herder en zijn vrouw luisterden naar hare mededeeling, zagen
elkander ontroerd aan en herhaalden toen, op niet minder treurigen toon
dan het meisje, de woorden:
„Pan wil, dat Cora met de vreemdelingen naar Athene zal gaan!”—
Toen gingen zij naar hun weenend kind, drukten het in hunne armen en
kusten het.
„Cora zal beloond worden voor hare gehoorzaamheid aan den God,” zei
Aspasia. „Zij zal dikwijls boden zenden, die u berichten en geschenken
van haar zullen brengen en als gij oud zijt geworden, zal zij u bij
zich noodigen, om het overige uwer dagen rustig bij haar te slijten.”
„Gisteren reeds wedervoer ons een voorteeken in ons huis,” zei de
herder ernstig, „doordien eene slang die het nest eener zwaluw onder de
kroonlijst wilde besluipen, door het rookgat midden op den haard naar
beneden is gevallen.”
Aspasia sprak nog eenigen tijd met het herderspaar, om het te
bemoedigen en te troosten, en zwijgend, schoon met gebroken hart,
voegde het zich in den wil van den God.
Treurig weerklonk in de verte de syrinx van den verliefden
herdersknaap, terwijl hij in de schaduwen der stille paden van het
landelijk erf ronddoolde.
Nu gingen allen te zamen in de hoeve, om daar den nacht door te
brengen, die voor Pericles en Aspasia de laatste was in de Arcadische
bergen. Want met het krieken van den morgen waren zij voornemens op te
breken en hunne reis naar Elis voort te zetten, waar grootere dingen
hen verbeidden dan hier in het stille herdersland.
XVIII.
DE NIEUWE GOD EN ZIJN BLIKSEMSCHICHT.