Doch met de betoovering van de schoonste Helleensche vrouw wist Aspasia

de gedachten in slaap te wiegen, die in de manlijke ziel van Pericles

oprezen. Haar oog verspreidde een magischen glans in de sombere

rotsgroeve, van hare wangen scheen een rozenrood schijnsel door het

geheele vertrek te lichten. De fakkel, die zooeven flauw had

geflikkerd, evenals wellicht die, welke eens bij de begrafenis van den

vermoorden Agamemnon haar licht had verspreid, scheen eensklaps

vroolijk op te vlammen als eene bruiloftsfakkel. Door den glans der

schoonheid, die in de donkere diepte schoot, scheen zelfs de groeve nu

in een bruidsvertrek herschapen en de eeuwige frischheid des levens en

der liefde verkreeg de overhand boven de huivering des doods en der

vergankelijkheid, boven het duizendjarig stof der Atriden.—

Toen Pericles en Aspasia de plaats hunner nachtelijke rust verlieten en

uit de sombere groeve naar buiten traden, straalde hun de morgen, met

zijn verkwikkenden dauw op alle velden en heuvels, vroolijk tegen. Maar

’t was ook in ’t schitterend licht van den dag niet minder eenzaam en

doodstil dan onder de bouwvallen van den Atriden-burg. Alleen een gier

zweefde onbeperkt met wijd uitgespreide vleugels boven Mycenae, hoog in

de blauwe lucht.

Terwijl daarop de reizigers van den medegebrachten voorraad en den

wijn, dien een slaaf in een geitelederen zak droeg, een en ander voor

een ontbijt nuttigden, vroeg Pericles aan Aspasia, of zij niet gedroomd

had gedurende haar slaap in de Atriden-groeve.

„Inderdaad,” hernam Aspasia, „heeft mij in den ochtendstond een droom

midden onder het gewoel der helden voor Ilium verplaatst. Ik heb

Achilles in levenden lijve gezien en hij zweeft mij nog steeds voor

oogen. Zijne gestalte was die van een onbeteugelden, schoonen

jongeling, schier daemonisch was zijn uiterlijk, hoog en slank, het

volkomen eironde gelaat door donkere lokken omgolfd, de oogen koolzwart

en bijna rond, wat zijn gelaat bij al den adel der trekken iets

Gorgonen-achtigs, iets huiveringwekkends gaf; de mond buitengewoon

klein, de lippen echter krachtig ontwikkeld—overal de trekken van

jeugdige schoonheid met de uitdrukking van woeste, bijna

bovenmenschelijke heldenkracht vereenigd. Zóó zag ik hem bij de schepen

staan, het hoofd in een lichtgloed gehuld, door zijn oorlogskreet

alleen reeds ontzetting aanjagend binnen de muren van Ilium.”

„Ook mij,” zeide Pericles, „heeft een droom ter zelfder tijd naar de

Homerische wereld gevoerd, maar zonderling, niet onder de helden;

integendeel: ik zag Penelope; en wat nog vreemder is, ik zag haar niet

zooals Homerus haar schildert, als Odysseus’ trouwe en geduldig

wachtende gade, maar als jeugdige bruid in het licht eener sage, die

mij nog zinrijker voorkomt, dan alles wat Homerus van haar gezongen

heeft. Ge kent zeker de overlevering omtrent de omstandigheden van

Odysseus’ vrijen: hoe de Spartaansche koning Icarius zijne dochter

Penelope aan Odysseus had beloofd, in de hoop hem daardoor te bewegen

zich in Lacedaemon neder te zetten. Toen dit hem echter niet gelukte

trachtte hij de teedergeliefde dochter van haar minnaar afkeerig te

maken, en toen Odysseus de bruid naar Ithaca wegvoerde, volgde haar

vader hen met tranen en gebeden, zoodat Odysseus haar ernstig afvroeg

of zij hem vrijwillig volgen of liever met haar vader naar Sparta wilde

terugkeeren. Toen Penelope niets antwoordde, maar zedig den sluier voor

het gelaat trok, liet Icarius haar ongehinderd gaan en richtte op de

plaats, waar dit voorgevallen was, een beeld op gewijd aan de

maagdelijke schaamte. Wat een liefelijk beeld is deze zwijgende

blozende Penelope; in maagdelijke schaamte het hoofd omhullende! En

juist in deze jonkvrouwelijke gestalte heb ik haar dezen nacht in den

droom gezien.”

Zoo vertelden Pericles en Aspasia elkander de droomen, die hun

verschenen waren boven het stof der Atriden, en zij overwogen half

schertsend, half ernstig of er soms een voorteeken, een verborgen zin

in deze droomgezichten verscholen mocht zijn.

Nog één blik wierpen zij van de puinhoopen van Mycenae op de

Inachus-vlakte en het oude Archos. Daarna maakten zij zich gereed om

hun weg te vervolgen en hun zwerftocht uit de Argolische bergen naar de

Arcadische aan te vangen.

Pericles en Aspasia schepten er vermaak in, groote afstanden te voet af

te leggen en, als voor hun genoegen wandelend, op de paden van het

groene woudgebergte vertrouwelijke gesprekken te voeren.

Aspasia was tot dusverre gewoon alleen op kussens en tapijten te

rusten: nu ondervond zij, dat het mogelijk was ook op groene zoden, op

mos, kruiden en pijnboomnaalden zich ter ruste te vlijen. Wanneer zij

zich soms op eene liefelijke plek nederlieten, bracht een slaaf op

bevel van Pericles een der boekrollen, die de zangen van Homerus

bevatten, en Aspasia las haar echtgenoot op zijn verzoek plaatsen

daaruit voor met hare welluidende, heldere stem. Niet zonder deze

zangen hadden zij de overblijfsels van het oude Atriden-rijk willen

bezoeken, en inderdaad, sinds zij deze puinhoopen hadden gezien,

begrepen zij den dichter eerst ten volle.

Van tijd tot tijd rees er wel een kleine woordenstrijd wanneer Pericles

al te opgewonden den lof van den aartsvaderlijken heldentijd prees,

terwijl Aspasia het ideaal van het menschelijk leven liever in den

tegenwoordigen tijd of zelfs in de toekomst zocht.

„Bij Homerus,” zei Pericles eens, „geloof ik eene merkwaardige leer te

vinden; dat namelijk de mensch eens dier geweest en langzamerhand

mensch geworden is. Men ziet bij hem, namelijk in de Odyssee, hoe die

menschwording allengs heeft plaats gegrepen. Hij legt overal het

zwaartepunt op de zegepraal van de menschelijkheid over het ruwe en

dierlijke. Overal treft gij dezen strijd der menschheid aan met de nog

niet volkomen verwonnen overblijfsels der dierlijkheid. Hij toont ons

in de wilde Laestrygonen en Cyclopen, wat wij eens geweest zijn. Hij

schildert dan vol diepen zin deze wilde halfmenschen tegenover het

menschelijk edel gevoel, stelt de menscheneters tegenover de gastvrije

Phaeäken, en om het menschelijke voor den terugkeer tot het dierlijke

te bewaren, knoopt hij het zoo innig mogelijk aan het goddelijk vast.

Pallas Athene, de Godin van menschelijk verstand en beleid, van de door

menschelijkheid geadelde geestkracht, is de trouwe geleidsvrouw en

hulpe zijner helden. Menschelijkheid is het wat hij predikt,

menschelijkheid in tegenoverstelling van dierlijkheid. Bij hem is de

reine menschelijkheid uitgedrukt in reine poëzie. In den reinen,

helderen aether zweven bij hem alle voorwerpen. Welsprekender heeft de

verheven eenvoud uit geen mond gesproken dan uit den zijnen.”

Hier stuitte Aspasia Pericles in zijn lofrede.

„Met uw verlof,” zeide zij, „er is u een woord ontvallen, dat ik niet

onopgemerkt mag laten voorbijgaan en dat gij zelf wellicht gaarne zult

willen terugnemen. Homerus, is toch eenvoudig noch ongekunsteld, ten

minste niet in dien zin, als bij voorbeeld de beeldhouwers vóór Phidias

waren. Met Homerus sprong, om een oud beeld te gebruiken, de poëzie in

volkomen rijpheid uit het hoofd van Zeus. Zijne taal is breed, rijk,

vol. Zijne schilderingen zijn soms even prachtig als levendig, en er

zijn plaatsen in de Ilias en Odyssee, die geen later dichter in

rhetorische pracht en uitdrukking zal overtreffen. En zijne

welsprekendheid! Zijn de woorden, waarmede de toornende Achilles [334]

bewogen moet worden om terug te keeren tot den strijd, en het antwoord,

dat hij geeft, geen meesterstukken? En dit toch niet door hun

verhevenheid alleen; maar ook, door de schikking en de treffende kracht

der bewijsvoering, blijven zij modellen der hoogste welsprekendheid.”

„Wat gij daar te berde brengt, is waar,” hernam Pericles.

„Maar toch bezit Homerus in een zekeren zin weder datgene, wat ik

verheven eenvoud noem. Wellicht bestaat het geheim der hoogste kunst

daarin, dat zij, door den prachtigen stijl heen, toch dien hoogen

eenvoud laat doorschemeren, met de rijpheid van het tegenwoordige de

natuurlijke frischheid van den voortijd vereenigt.”

Na hun tocht eenige dagen te hebben voortgezet, bevonden de reizigers

zich te midden van de ruwe bergachtige streken van het herdersland

Arcadië. Zij togen onder een geleide van inheemsche herders, die hun

niet alleen als gidsen dienden maar ook, met knotsen en sterke lansen

gewapend, te gelijk als beschermers en verdedigers. Zij zagen in de

eenzame bergen boven zich de adelaars in de wolken zweven, zij zagen

andere vogels met scherpe klauwen en kromme snavels op steile rotsen

onder luid gekras elkander bestrijden, zij zagen zwermen kraanvogels,

spreeuwen en kraaien voor den havik vluchten, die van de toppen der

bergen op hen nederschoot. Hier en daar dreunden bijlslagen uit de

diepte van het woud en het gekraak van eeuwenoude stammen onder de

handen der houthakkers. Van verscheurende dieren, die meestal alleen

des nachts hunne holen verlaten, ontmoetten zij niet één op hun pad.

Alleen vonden zij den bodem van Arcadië’s wouden met schildpadden

bedekt, die moeilijk tusschen de kruiden en steen voortwaggelden of in

de zon zich koesterden.

Zoo zwierven Pericles en Aspasia door de stille dreven, en terwijl zij

het vreemde en nieuwe met kalmte als iets toevalligs en voorbijgaands

meenden te moeten opnemen, oefende toch alles op hen een beslissenden,

onmerkbaren invloed uit en voegde het zich als eene vooraf bepaalden

schakel in hun bestaan; zonder het te bemerken of te vermoeden gingen

zij groote veranderingen en gebeurtenissen in hun leven en lot te

gemoet.—

Over bergvlakten, die tot aan de wolken reikten, voorttrekkend, hadden

de reizigers dikwijls zeldzame gezichten op de geheele uitgestrektheid

van Hellas. Aan den versten gezichtseinder zagen zij soms de kruinen

van met sneeuw bedekte bergen glinsteren. Op zekeren dag waren zij vóór

het krieken van den morgen opgebroken en trokken over het nog in nacht

gehulde gebergte.

„Gij rilt van den koelen morgenwind?” vroeg Pericles aan Aspasia, die

huiverde.

„Ik ril voor die donkere, ledige eenzaamheid der bergen,” antwoordde

zij. „Mij is het te moede, alsof wij niet meer op Helleenschen bodem

wandelen en alsof wij door alle Goden van Hellas verlaten zijn.”

Op dit oogenblik vestigde het oog van Pericles zich op een gouden

wolkje, dat aan den rand van den horizon in het verre noorden zichtbaar

werd. Hij wees ook Aspasia daarop. Het gouden wolkje nam grootere

afmetingen aan, maar bleef onveranderd op zijne plaats en stak

zonderling af bij de overige, grauwe tint van den nachtelijken hemel.

Langzamerhand verkreeg de oppervlakte van het wolkje eene merkwaardige

duidelijkheid en bepaalder omtrekken, die in het geheel niet meer als

die van eene wolk schenen. Het zag er uit als eene gouden landouwe in

de verte, waarop zalige Goden zich vermeiden. En inderdaad, toen de

morgen grauwde en de lijnen van bergketens in de verte zichtbaar

werden, verbreidde die glans zich sterker en de wandelaars bemerkten,

dat het niet eene onbewegelijke lichte wolk geweest was, wat zij gezien

hadden, maar de besneeuwde kruin van een verren berg in het noorden,

beschenen door de stralen van de nog niet zichtbare zon.

„Het is, geloof ik, de top van den Thracischen Olympus, den Godenberg!”

zeide Pericles opgewekt tot Aspasia. „Ziet ge, dat de Goden van Hellas

ons nog niet verlaten hebben? Verre weg van den zetel, waar zij in

eeuwige zaligheid tronen, zenden zij door eene spleet van het

hooggebergte ons een groet in deze onverkwikkelijke eenzaamheid.”

„Zij willen ons zeggen,” hernam Aspasia glimlachend: „vergeet ons en al

het schoone niet geheel in het sombere land der Doriërs!”

Weldra echter geraakten de reizigers van de kale bergvlakten in het

boom- en bronrijke westen van het Arcadische land. Hier storten zich

talrijke beekjes, bekoorlijk om te zien, nu eens ruischend, dan weder

zacht murmelend van de boschachtige hellingen naar beneden. Op de

weilanden stond, zelfs in den zomergloed, het weelderig uitspruitend

groen altijd frisch en onverdord. Hemelhoog verhieven de olmen, de

beuken, platanen en eiken hun groenende takken en statige stammen

omhoog. Van het geloei der kudden runderen weerklonken de dalen. Overal

bemerkten de reizigers, dat zij in het gebied van den forsch gebouwden

God [335] zich bevonden, om wiens schouders het vel van den los hing,

ter wiens eere op alle hoogten in den omtrek het purperen offerbloed

schuimde uit de harige borst van den ram.

Overal vond men zijn eenvoudig beeld opgericht, uit het hout van den

olmboom gesneden, overal trof men sporen van hem aan. Hier was een

borstelig evervel te zien, hem ter eere aan een plataan gehangen, daar

het forsch getakt gewei van een hert, uit dankbaarheid voor hem aan een

beuk gespijkerd. Aan de bronnen echter zag men nimfenbeelden, door de

herders opgericht, daarnaast wijgeschenken opgehangen.

Pericles en Aspasia wandelden door hooge eikenwouden, die de op- en

ondergaande hemellichten met eene zee van gouden glans overtogen, en

waar de zon door de kruin van een boom als een karbonkel glinsterde,

lange stralen werpend, die men wanen zou met de handen te kunnen

grijpen. Dat alles was hun zoo nieuw, zoo verrassend. Zij hadden op

dergelijke zaken nooit hunne aandacht gevestigd.

Op zekeren dag vernamen de pelgrims, terwijl zij een woud, waardoor hun

weg vele uren leidde, doortogen, een ongewoon en sterk ruischen in de

takken.

„Ik herinner mij,” merkte Pericles op, „van een Arcadisch eikenbosch

gehoord te hebben, dat Pelagos [336] genoemd wordt, wegens het sterke

ruischen zijner tallooze kruinen, evenals de zee. Het is wellicht dit

woud waar wij thans doortrekken.”

De inheemsche gidsen echter, de begeleiders der zwervelingen,

verklaarden dat dit ruischen in het diepe woud geen gewoon verschijnsel

was en wezen te gelijk naar den hemel boven hen, die straks nog geheel

helder was geweest en thans zoo dof was als beslagen staal. De

Arcadiërs voorspelden een naderenden storm. De reizigers verhaastten

hunne schreden, om nog voor het losbreken daarvan de plaats te

bereiken, waar zij voornemens waren te overnachten. Weldra echter ging

het ruischen van het woud over in een wild huilen en de toppen begonnen

te kraken. Enkele kleine, doch gitzwarte en van regen zwangere wolken

joegen, door den wind gezweept, door het donkergrijze zwerk. De straks

nog gouden zon stond vaalgeel boven de kruinen der bergen, die nog

schitterden in haar bleek schijnsel. Van de toppen der boomen schoten

rukwinden op den grond en zweepten loof, stof en kleine takken dwarlend

voor zich op. Nu begonnen enkele droppels te vallen en weinige

oogenblikken later stortte een regenvloed, in den beginne met

hagelsteenen vermengd, kletterend neder. IJlings vluchtten de reizigers

onder het breede beschuttend dak van een reusachtigen eik. Plotseling

deed een vreeselijke donderslag het gebergte dreunen. En van toen af

volgde bliksemstraal op bliksemstraal; de van onweer zwangere wolken

schenen van verschillende hemelstreken tegen elkander te botsen. De

rosse bliksemstralen kruisten elkander boven de hoofden der verschrikte

zwervelingen en de donderslagen werden door de honderden dalen en

bergen weerkaatst. Daarbij plaste de regen onophoudelijk in stroomen

neder, de storm loeide, de roofvogels krijschten en uit de verte

weerklonk het gehuil van den wolf.

Met angstige blikken aanschouwden de reizigers uit hunne schuilplaats

onder het bladerdak van den eik het vreeselijk onweer, dat rondom hen

van alle kanten woedde.

Daar sloeg plotseling voor hunne oogen uit een zwarte wolk, die boven

den kam van eene puntige rots hing, de bliksem in een der hoogste

boomen van het woud. In huiveringwekkende pracht baadde de reuzenstam

zich in een zee van vuur en was in één oogwenk tijds van de kruin tot

den voet in vlammen gehuld: een vonkenregen spatte neder uit de

knetterende takken. Een zwavellucht doortrok den aether. Van den

brandenden eik echter kronkelden de vlammen zich naar andere boomtoppen

en bedreigde weldra de schuilplaats der reizigers. De Arcadische mannen

beloofden de zwervelingen naar de naaste hoeve te voeren, waar zij

zouden overnachten. Voorwaarts langs ongebaande wegen spoedden zij

zich, hunne gidsen volgend.

Na eenigen tijd had de geweldige regen uitgewoed; maar men hoorde het

doffe gebruis van gezwollen beken, die van de hoogten zich

nederstortten in de dalen en kloven, puin en zand, gebroken takken en

rotsblokken zelfs, door de woudstroomen weggespoeld, in den afgrond met

zich sleepend.

Intusschen was de avond gevallen en terwijl de reizigers door het woud

in allerijl hun weg vervolgden, bedaarde het onweder. Weldra werden de

wolken door de winden uiteen gedreven en de maan ging rustig op over

het woud en de hoogten, die nog zooeven hadden gedaverd van den wilden

strijd der elementen.

Nu bereikten de vluchtelingen eene groote opene plek in het bosch, eene

met kruiden bewassen vlakte, die over eene zachte helling zich naar

beneden uitstrekte. Een groot verrassend panorama deed zich hier in de

stilte van den nacht aan hunne blikken op. Heinde en ver verhieven zich

de toppen der bergen en puntige kruinen in het zilveren schijnsel der

maan, die nu eens geheel helder aan den reinen hemel stond, dan weder

beneveld door voorbij drijvende wolkjes haar licht verspreidde. Het oog

had veel te aanschouwen en de vermoeiden wandelden als in een wakenden

droom voort. Daartusschen bruisten de woudstroomen met machtig geweld.

Midden in die open plek lagen eenzaam de hoeve en hof van een herder.

Toen de reizigers zich gereed maakten daarop toe te treden, trad hun

plotseling een man in den weg, die gewapend en met dierenhuiden bedekt

was en die klaarblijkelijk het erf tegen de nachtelijke aanvallen van

wilde dieren bewaakte. Een paar geweldige honden liepen blaffend aan

zijne zijde.

Spoedig brachten de inheemsche gidsen hem op de hoogte van de zaak. Zij

verlangden gastvrijheid voor de Atheensche reizigers. De wachter voerde

de vreemdelingen, nadat hij de blaffende honden met steenen tot rust

had gebracht, achter den met hagedoorn omschutten muur, die de hoeve

omgaf en eene ruime plaats vormde, waar in het midden een wachtvuur

brandde. De eigenaar der hoeve, een eenvoudig herder, naderde en heette

de gasten welkom, zonder naar hun afkomst of naam of naar het doel

hunner reis te vragen. Hij liet een hamel slachten, om dien voor het

onthaal zijner gasten bij het vuur te braden.

Nadat hij de reizigers alzoo had verkwikt, wees hij de slaven hun

nachtleger in de schuren aan; aan Pericles en Aspasia echter stond hij

de kamer van zichzelven en van zijne vrouw af en liet voor hen een

helder leger spreiden, terwijl hij rijshout en dorre kruiden op den

grond strooide en dit met zachtwollige schapenvachten bedekte. Tot dek

gaf hij hun eenige geitenvellen en bovendien zijn mantel.

De afwisselende wederwaardigheden, de kleine avonturen, ja zelfs de

ongemakken eener reis vermeerderen het genot van reizenden, in plaats

van dit te verminderen. De onophoudelijke afwisseling van beelden en

gebeurtenissen verschaft ten laatste een onuitsprekelijk genoegen en

uit de vrije lucht des hemels stroomt den vermoeiden niet alleen nieuwe

kracht en verfrissching toe, maar ook eene blijmoedige stemming.

Pericles had zich nooit opgewekter gevoeld dan hier in de hut van den

herder bij het gezicht van dat armoedig leger. De zilveren klank van

Aspasia’s lach mengde zich zelfs eigenaardig bij het idyllisch geloei

der runderen uit de dampende stallen....

„Hoe veel zonderlings bescheren ons de Goden, aan wie wij ons op onzen

zwerftocht hebben toevertrouwd!” zeide Pericles. „Vóór weinige dagen

hadden wij tot slaapvertrek eene eeuwen-oude koningsgroeve, die ons

midden in de Ilias verplaatste, en heden schijnt het, dat wij de

avonturen der Odyssee zullen beleven. Die geest van Homerus omzweeft

ons, sinds wij den Isthmus hebben overschreden; ik denk, dat wij door

ons zwerven geheel zullen veranderen en als wij teruggekeerd zijn

kwalijk meer passen bij de verfijnde, schier verwijfde Atheners!”

Toen Pericles en Aspasia, vroegtijdig gewekt door het geblaf der honden

en het krachtig geloei der runderen, van hun leger verrezen en in den

ruimen hof naar buiten traden, zagen zij de boersche herdersknechten

zich naar de stallen begeven. Een groote, ruigharige hond speelde met

eene schildpad, die hij in het nog natte gras had gevonden. Hij greep

haar onder luid geblaf en allerlei sprongen nu eens met den poot, dan

eens met den bek en trok haar om en om, tot zij dood op den rug lag.

Een andere hond vocht of liever speelde met een bok. De bok stiet hem

met de horens, de hond echter hapte naar den baard van den bok en

trachtte hem te bijten. Aan de bron zat een naakt kind en wierp met

steentjes naar de schitterende zonneschijf, die zich in de oppervlakte

van het water spiegelde.

Nu kwam uit de stallen de kudde runderen met zwaren tred aanwaggelen:

vooraan, fier in het bewustzijn zijner kracht, de springstier; de

kalveren sprongen blatend om hunne moeder. Twee knechts volgden met

kromme herdersstaven in de hand, van twee geduchte honden vergezeld.

Vervolgens kwamen de blatende geiten, door jongens geleid. Den vooraan

loopenden geitebok vatte de herder bij zijn harigen kin en streelde

hem. „Deze trouwe bok,” zei hij tot Pericles en Aspasia, „kondigt in

donkere nachten den wolf of den los, die het erf besluipt, aan, zelfs

wanneer de honden slapen en verzuimen het roofdier te bespringen.”

De blatende kudde lammeren echter vereenigde zich om een donkerbruin

meisje, wier hoofd door een breedgeranden hoed overschaduwd werd en die

een herdersstaf in de hand hield. Het meisje had iets over zich, wat in

het eerste oogenblik de aandacht trok en een indruk te weeg bracht,

waarvan men zich niet onmiddellijk rekenschap kon geven. Zag men echter

nauwkeurig toe, monsterde men hare gestalte en het schamel gewaad, dat

haar bedekte, dan bemerkte men, dat het een herdersmeisje was, zich ter

nauwernood van andere onderscheidende, en men zag niets bijzonders aan

haar, dan blonde haarvlechten en oogen van eene vreemde soort. Deze

oogen namelijk waren merkwaardig diep en mijmerend, en schenen zelfs in

deze, haar welbekende en alledaagsche omgeving met eene soort van

kinderlijke verbazing rond te staren.

De lammeren verdrongen zich blatend om haar en sprongen tegen haar op.

Een der jongste, glinsterend wit, likte liefkozend de uitgestrekte hand

van het meisje.

Toen de geheele kudde lammeren de poort van den hof, door het meisje

geleid, uitgetrokken was, naderde de gastvrije herder Pericles en

Aspasia en zij vernamen van hem, dat de jonge herderin zijne dochter

was, zijn eenig kind, en dat zij Cora [337] heette. Hij zette hun nu

verscheidene versnaperingen uit zijn landelijken voorraad tot een

ontbijt voor, waarin zijne vrouw Glycaena hem de behulpzame hand bood.

Pericles vroeg den herder of hij wilde toestaan met de zijnen een dag

lang bij hem rust te houden, omdat zij na de inspanning van den

laatsten tocht zeer vermoeid waren.

Met blijdschap willigde de herder dit verzoek in, liep naar zijne vrouw

en zeide met geheimzinnig gebaar:

„Glycaena, ik geloof bepaald, dat die beide vreemdelingen die in onze

hoeve gekomen zijn, geen stervelingen zijn. Wat hun uiterlijk en

schoonheid van gestalte betreft, schijnen zij mij verkleede Goden toe,

zooals die toch menigmaal bij arme herders hun intrek hebben genomen.

Ook roeren zij bijna de spijzen niet aan, die men hun voorzet.”

„En de slaven,” vroeg Glycaena, „houdt gij die ook voor Goden?”

„Neen,” zei de herder, „die eten en drinken als gewone menschen. Maar

die beiden—nu om het even! Onthaal ze maar, zoo goed gij kunt.”

Aspasia(#64986) · 第 35 / 57 段