de gedachten in slaap te wiegen, die in de manlijke ziel van Pericles
oprezen. Haar oog verspreidde een magischen glans in de sombere
rotsgroeve, van hare wangen scheen een rozenrood schijnsel door het
geheele vertrek te lichten. De fakkel, die zooeven flauw had
geflikkerd, evenals wellicht die, welke eens bij de begrafenis van den
vermoorden Agamemnon haar licht had verspreid, scheen eensklaps
vroolijk op te vlammen als eene bruiloftsfakkel. Door den glans der
schoonheid, die in de donkere diepte schoot, scheen zelfs de groeve nu
in een bruidsvertrek herschapen en de eeuwige frischheid des levens en
der liefde verkreeg de overhand boven de huivering des doods en der
vergankelijkheid, boven het duizendjarig stof der Atriden.—
Toen Pericles en Aspasia de plaats hunner nachtelijke rust verlieten en
uit de sombere groeve naar buiten traden, straalde hun de morgen, met
zijn verkwikkenden dauw op alle velden en heuvels, vroolijk tegen. Maar
’t was ook in ’t schitterend licht van den dag niet minder eenzaam en
doodstil dan onder de bouwvallen van den Atriden-burg. Alleen een gier
zweefde onbeperkt met wijd uitgespreide vleugels boven Mycenae, hoog in
de blauwe lucht.
Terwijl daarop de reizigers van den medegebrachten voorraad en den
wijn, dien een slaaf in een geitelederen zak droeg, een en ander voor
een ontbijt nuttigden, vroeg Pericles aan Aspasia, of zij niet gedroomd
had gedurende haar slaap in de Atriden-groeve.
„Inderdaad,” hernam Aspasia, „heeft mij in den ochtendstond een droom
midden onder het gewoel der helden voor Ilium verplaatst. Ik heb
Achilles in levenden lijve gezien en hij zweeft mij nog steeds voor
oogen. Zijne gestalte was die van een onbeteugelden, schoonen
jongeling, schier daemonisch was zijn uiterlijk, hoog en slank, het
volkomen eironde gelaat door donkere lokken omgolfd, de oogen koolzwart
en bijna rond, wat zijn gelaat bij al den adel der trekken iets
Gorgonen-achtigs, iets huiveringwekkends gaf; de mond buitengewoon
klein, de lippen echter krachtig ontwikkeld—overal de trekken van
jeugdige schoonheid met de uitdrukking van woeste, bijna
bovenmenschelijke heldenkracht vereenigd. Zóó zag ik hem bij de schepen
staan, het hoofd in een lichtgloed gehuld, door zijn oorlogskreet
alleen reeds ontzetting aanjagend binnen de muren van Ilium.”
„Ook mij,” zeide Pericles, „heeft een droom ter zelfder tijd naar de
Homerische wereld gevoerd, maar zonderling, niet onder de helden;
integendeel: ik zag Penelope; en wat nog vreemder is, ik zag haar niet
zooals Homerus haar schildert, als Odysseus’ trouwe en geduldig
wachtende gade, maar als jeugdige bruid in het licht eener sage, die
mij nog zinrijker voorkomt, dan alles wat Homerus van haar gezongen
heeft. Ge kent zeker de overlevering omtrent de omstandigheden van
Odysseus’ vrijen: hoe de Spartaansche koning Icarius zijne dochter
Penelope aan Odysseus had beloofd, in de hoop hem daardoor te bewegen
zich in Lacedaemon neder te zetten. Toen dit hem echter niet gelukte
trachtte hij de teedergeliefde dochter van haar minnaar afkeerig te
maken, en toen Odysseus de bruid naar Ithaca wegvoerde, volgde haar
vader hen met tranen en gebeden, zoodat Odysseus haar ernstig afvroeg
of zij hem vrijwillig volgen of liever met haar vader naar Sparta wilde
terugkeeren. Toen Penelope niets antwoordde, maar zedig den sluier voor
het gelaat trok, liet Icarius haar ongehinderd gaan en richtte op de
plaats, waar dit voorgevallen was, een beeld op gewijd aan de
maagdelijke schaamte. Wat een liefelijk beeld is deze zwijgende
blozende Penelope; in maagdelijke schaamte het hoofd omhullende! En
juist in deze jonkvrouwelijke gestalte heb ik haar dezen nacht in den
droom gezien.”
Zoo vertelden Pericles en Aspasia elkander de droomen, die hun
verschenen waren boven het stof der Atriden, en zij overwogen half
schertsend, half ernstig of er soms een voorteeken, een verborgen zin
in deze droomgezichten verscholen mocht zijn.
Nog één blik wierpen zij van de puinhoopen van Mycenae op de
Inachus-vlakte en het oude Archos. Daarna maakten zij zich gereed om
hun weg te vervolgen en hun zwerftocht uit de Argolische bergen naar de
Arcadische aan te vangen.
Pericles en Aspasia schepten er vermaak in, groote afstanden te voet af
te leggen en, als voor hun genoegen wandelend, op de paden van het
groene woudgebergte vertrouwelijke gesprekken te voeren.
Aspasia was tot dusverre gewoon alleen op kussens en tapijten te
rusten: nu ondervond zij, dat het mogelijk was ook op groene zoden, op
mos, kruiden en pijnboomnaalden zich ter ruste te vlijen. Wanneer zij
zich soms op eene liefelijke plek nederlieten, bracht een slaaf op
bevel van Pericles een der boekrollen, die de zangen van Homerus
bevatten, en Aspasia las haar echtgenoot op zijn verzoek plaatsen
daaruit voor met hare welluidende, heldere stem. Niet zonder deze
zangen hadden zij de overblijfsels van het oude Atriden-rijk willen
bezoeken, en inderdaad, sinds zij deze puinhoopen hadden gezien,
begrepen zij den dichter eerst ten volle.
Van tijd tot tijd rees er wel een kleine woordenstrijd wanneer Pericles
al te opgewonden den lof van den aartsvaderlijken heldentijd prees,
terwijl Aspasia het ideaal van het menschelijk leven liever in den
tegenwoordigen tijd of zelfs in de toekomst zocht.
„Bij Homerus,” zei Pericles eens, „geloof ik eene merkwaardige leer te
vinden; dat namelijk de mensch eens dier geweest en langzamerhand
mensch geworden is. Men ziet bij hem, namelijk in de Odyssee, hoe die
menschwording allengs heeft plaats gegrepen. Hij legt overal het
zwaartepunt op de zegepraal van de menschelijkheid over het ruwe en
dierlijke. Overal treft gij dezen strijd der menschheid aan met de nog
niet volkomen verwonnen overblijfsels der dierlijkheid. Hij toont ons
in de wilde Laestrygonen en Cyclopen, wat wij eens geweest zijn. Hij
schildert dan vol diepen zin deze wilde halfmenschen tegenover het
menschelijk edel gevoel, stelt de menscheneters tegenover de gastvrije
Phaeäken, en om het menschelijke voor den terugkeer tot het dierlijke
te bewaren, knoopt hij het zoo innig mogelijk aan het goddelijk vast.
Pallas Athene, de Godin van menschelijk verstand en beleid, van de door
menschelijkheid geadelde geestkracht, is de trouwe geleidsvrouw en
hulpe zijner helden. Menschelijkheid is het wat hij predikt,
menschelijkheid in tegenoverstelling van dierlijkheid. Bij hem is de
reine menschelijkheid uitgedrukt in reine poëzie. In den reinen,
helderen aether zweven bij hem alle voorwerpen. Welsprekender heeft de
verheven eenvoud uit geen mond gesproken dan uit den zijnen.”
Hier stuitte Aspasia Pericles in zijn lofrede.
„Met uw verlof,” zeide zij, „er is u een woord ontvallen, dat ik niet
onopgemerkt mag laten voorbijgaan en dat gij zelf wellicht gaarne zult
willen terugnemen. Homerus, is toch eenvoudig noch ongekunsteld, ten
minste niet in dien zin, als bij voorbeeld de beeldhouwers vóór Phidias
waren. Met Homerus sprong, om een oud beeld te gebruiken, de poëzie in
volkomen rijpheid uit het hoofd van Zeus. Zijne taal is breed, rijk,
vol. Zijne schilderingen zijn soms even prachtig als levendig, en er
zijn plaatsen in de Ilias en Odyssee, die geen later dichter in
rhetorische pracht en uitdrukking zal overtreffen. En zijne
welsprekendheid! Zijn de woorden, waarmede de toornende Achilles [334]
bewogen moet worden om terug te keeren tot den strijd, en het antwoord,
dat hij geeft, geen meesterstukken? En dit toch niet door hun
verhevenheid alleen; maar ook, door de schikking en de treffende kracht
der bewijsvoering, blijven zij modellen der hoogste welsprekendheid.”
„Wat gij daar te berde brengt, is waar,” hernam Pericles.
„Maar toch bezit Homerus in een zekeren zin weder datgene, wat ik
verheven eenvoud noem. Wellicht bestaat het geheim der hoogste kunst
daarin, dat zij, door den prachtigen stijl heen, toch dien hoogen
eenvoud laat doorschemeren, met de rijpheid van het tegenwoordige de
natuurlijke frischheid van den voortijd vereenigt.”
Na hun tocht eenige dagen te hebben voortgezet, bevonden de reizigers
zich te midden van de ruwe bergachtige streken van het herdersland
Arcadië. Zij togen onder een geleide van inheemsche herders, die hun
niet alleen als gidsen dienden maar ook, met knotsen en sterke lansen
gewapend, te gelijk als beschermers en verdedigers. Zij zagen in de
eenzame bergen boven zich de adelaars in de wolken zweven, zij zagen
andere vogels met scherpe klauwen en kromme snavels op steile rotsen
onder luid gekras elkander bestrijden, zij zagen zwermen kraanvogels,
spreeuwen en kraaien voor den havik vluchten, die van de toppen der
bergen op hen nederschoot. Hier en daar dreunden bijlslagen uit de
diepte van het woud en het gekraak van eeuwenoude stammen onder de
handen der houthakkers. Van verscheurende dieren, die meestal alleen
des nachts hunne holen verlaten, ontmoetten zij niet één op hun pad.
Alleen vonden zij den bodem van Arcadië’s wouden met schildpadden
bedekt, die moeilijk tusschen de kruiden en steen voortwaggelden of in
de zon zich koesterden.
Zoo zwierven Pericles en Aspasia door de stille dreven, en terwijl zij
het vreemde en nieuwe met kalmte als iets toevalligs en voorbijgaands
meenden te moeten opnemen, oefende toch alles op hen een beslissenden,
onmerkbaren invloed uit en voegde het zich als eene vooraf bepaalden
schakel in hun bestaan; zonder het te bemerken of te vermoeden gingen
zij groote veranderingen en gebeurtenissen in hun leven en lot te
gemoet.—
Over bergvlakten, die tot aan de wolken reikten, voorttrekkend, hadden
de reizigers dikwijls zeldzame gezichten op de geheele uitgestrektheid
van Hellas. Aan den versten gezichtseinder zagen zij soms de kruinen
van met sneeuw bedekte bergen glinsteren. Op zekeren dag waren zij vóór
het krieken van den morgen opgebroken en trokken over het nog in nacht
gehulde gebergte.
„Gij rilt van den koelen morgenwind?” vroeg Pericles aan Aspasia, die
huiverde.
„Ik ril voor die donkere, ledige eenzaamheid der bergen,” antwoordde
zij. „Mij is het te moede, alsof wij niet meer op Helleenschen bodem
wandelen en alsof wij door alle Goden van Hellas verlaten zijn.”
Op dit oogenblik vestigde het oog van Pericles zich op een gouden
wolkje, dat aan den rand van den horizon in het verre noorden zichtbaar
werd. Hij wees ook Aspasia daarop. Het gouden wolkje nam grootere
afmetingen aan, maar bleef onveranderd op zijne plaats en stak
zonderling af bij de overige, grauwe tint van den nachtelijken hemel.
Langzamerhand verkreeg de oppervlakte van het wolkje eene merkwaardige
duidelijkheid en bepaalder omtrekken, die in het geheel niet meer als
die van eene wolk schenen. Het zag er uit als eene gouden landouwe in
de verte, waarop zalige Goden zich vermeiden. En inderdaad, toen de
morgen grauwde en de lijnen van bergketens in de verte zichtbaar
werden, verbreidde die glans zich sterker en de wandelaars bemerkten,
dat het niet eene onbewegelijke lichte wolk geweest was, wat zij gezien
hadden, maar de besneeuwde kruin van een verren berg in het noorden,
beschenen door de stralen van de nog niet zichtbare zon.
„Het is, geloof ik, de top van den Thracischen Olympus, den Godenberg!”
zeide Pericles opgewekt tot Aspasia. „Ziet ge, dat de Goden van Hellas
ons nog niet verlaten hebben? Verre weg van den zetel, waar zij in
eeuwige zaligheid tronen, zenden zij door eene spleet van het
hooggebergte ons een groet in deze onverkwikkelijke eenzaamheid.”
„Zij willen ons zeggen,” hernam Aspasia glimlachend: „vergeet ons en al
het schoone niet geheel in het sombere land der Doriërs!”
Weldra echter geraakten de reizigers van de kale bergvlakten in het
boom- en bronrijke westen van het Arcadische land. Hier storten zich
talrijke beekjes, bekoorlijk om te zien, nu eens ruischend, dan weder
zacht murmelend van de boschachtige hellingen naar beneden. Op de
weilanden stond, zelfs in den zomergloed, het weelderig uitspruitend
groen altijd frisch en onverdord. Hemelhoog verhieven de olmen, de
beuken, platanen en eiken hun groenende takken en statige stammen
omhoog. Van het geloei der kudden runderen weerklonken de dalen. Overal
bemerkten de reizigers, dat zij in het gebied van den forsch gebouwden
God [335] zich bevonden, om wiens schouders het vel van den los hing,
ter wiens eere op alle hoogten in den omtrek het purperen offerbloed
schuimde uit de harige borst van den ram.
Overal vond men zijn eenvoudig beeld opgericht, uit het hout van den
olmboom gesneden, overal trof men sporen van hem aan. Hier was een
borstelig evervel te zien, hem ter eere aan een plataan gehangen, daar
het forsch getakt gewei van een hert, uit dankbaarheid voor hem aan een
beuk gespijkerd. Aan de bronnen echter zag men nimfenbeelden, door de
herders opgericht, daarnaast wijgeschenken opgehangen.
Pericles en Aspasia wandelden door hooge eikenwouden, die de op- en
ondergaande hemellichten met eene zee van gouden glans overtogen, en
waar de zon door de kruin van een boom als een karbonkel glinsterde,
lange stralen werpend, die men wanen zou met de handen te kunnen
grijpen. Dat alles was hun zoo nieuw, zoo verrassend. Zij hadden op
dergelijke zaken nooit hunne aandacht gevestigd.
Op zekeren dag vernamen de pelgrims, terwijl zij een woud, waardoor hun
weg vele uren leidde, doortogen, een ongewoon en sterk ruischen in de
takken.
„Ik herinner mij,” merkte Pericles op, „van een Arcadisch eikenbosch
gehoord te hebben, dat Pelagos [336] genoemd wordt, wegens het sterke
ruischen zijner tallooze kruinen, evenals de zee. Het is wellicht dit
woud waar wij thans doortrekken.”
De inheemsche gidsen echter, de begeleiders der zwervelingen,
verklaarden dat dit ruischen in het diepe woud geen gewoon verschijnsel
was en wezen te gelijk naar den hemel boven hen, die straks nog geheel
helder was geweest en thans zoo dof was als beslagen staal. De
Arcadiërs voorspelden een naderenden storm. De reizigers verhaastten
hunne schreden, om nog voor het losbreken daarvan de plaats te
bereiken, waar zij voornemens waren te overnachten. Weldra echter ging
het ruischen van het woud over in een wild huilen en de toppen begonnen
te kraken. Enkele kleine, doch gitzwarte en van regen zwangere wolken
joegen, door den wind gezweept, door het donkergrijze zwerk. De straks
nog gouden zon stond vaalgeel boven de kruinen der bergen, die nog
schitterden in haar bleek schijnsel. Van de toppen der boomen schoten
rukwinden op den grond en zweepten loof, stof en kleine takken dwarlend
voor zich op. Nu begonnen enkele droppels te vallen en weinige
oogenblikken later stortte een regenvloed, in den beginne met
hagelsteenen vermengd, kletterend neder. IJlings vluchtten de reizigers
onder het breede beschuttend dak van een reusachtigen eik. Plotseling
deed een vreeselijke donderslag het gebergte dreunen. En van toen af
volgde bliksemstraal op bliksemstraal; de van onweer zwangere wolken
schenen van verschillende hemelstreken tegen elkander te botsen. De
rosse bliksemstralen kruisten elkander boven de hoofden der verschrikte
zwervelingen en de donderslagen werden door de honderden dalen en
bergen weerkaatst. Daarbij plaste de regen onophoudelijk in stroomen
neder, de storm loeide, de roofvogels krijschten en uit de verte
weerklonk het gehuil van den wolf.
Met angstige blikken aanschouwden de reizigers uit hunne schuilplaats
onder het bladerdak van den eik het vreeselijk onweer, dat rondom hen
van alle kanten woedde.
Daar sloeg plotseling voor hunne oogen uit een zwarte wolk, die boven
den kam van eene puntige rots hing, de bliksem in een der hoogste
boomen van het woud. In huiveringwekkende pracht baadde de reuzenstam
zich in een zee van vuur en was in één oogwenk tijds van de kruin tot
den voet in vlammen gehuld: een vonkenregen spatte neder uit de
knetterende takken. Een zwavellucht doortrok den aether. Van den
brandenden eik echter kronkelden de vlammen zich naar andere boomtoppen
en bedreigde weldra de schuilplaats der reizigers. De Arcadische mannen
beloofden de zwervelingen naar de naaste hoeve te voeren, waar zij
zouden overnachten. Voorwaarts langs ongebaande wegen spoedden zij
zich, hunne gidsen volgend.
Na eenigen tijd had de geweldige regen uitgewoed; maar men hoorde het
doffe gebruis van gezwollen beken, die van de hoogten zich
nederstortten in de dalen en kloven, puin en zand, gebroken takken en
rotsblokken zelfs, door de woudstroomen weggespoeld, in den afgrond met
zich sleepend.
Intusschen was de avond gevallen en terwijl de reizigers door het woud
in allerijl hun weg vervolgden, bedaarde het onweder. Weldra werden de
wolken door de winden uiteen gedreven en de maan ging rustig op over
het woud en de hoogten, die nog zooeven hadden gedaverd van den wilden
strijd der elementen.
Nu bereikten de vluchtelingen eene groote opene plek in het bosch, eene
met kruiden bewassen vlakte, die over eene zachte helling zich naar
beneden uitstrekte. Een groot verrassend panorama deed zich hier in de
stilte van den nacht aan hunne blikken op. Heinde en ver verhieven zich
de toppen der bergen en puntige kruinen in het zilveren schijnsel der
maan, die nu eens geheel helder aan den reinen hemel stond, dan weder
beneveld door voorbij drijvende wolkjes haar licht verspreidde. Het oog
had veel te aanschouwen en de vermoeiden wandelden als in een wakenden
droom voort. Daartusschen bruisten de woudstroomen met machtig geweld.
Midden in die open plek lagen eenzaam de hoeve en hof van een herder.
Toen de reizigers zich gereed maakten daarop toe te treden, trad hun
plotseling een man in den weg, die gewapend en met dierenhuiden bedekt
was en die klaarblijkelijk het erf tegen de nachtelijke aanvallen van
wilde dieren bewaakte. Een paar geweldige honden liepen blaffend aan
zijne zijde.
Spoedig brachten de inheemsche gidsen hem op de hoogte van de zaak. Zij
verlangden gastvrijheid voor de Atheensche reizigers. De wachter voerde
de vreemdelingen, nadat hij de blaffende honden met steenen tot rust
had gebracht, achter den met hagedoorn omschutten muur, die de hoeve
omgaf en eene ruime plaats vormde, waar in het midden een wachtvuur
brandde. De eigenaar der hoeve, een eenvoudig herder, naderde en heette
de gasten welkom, zonder naar hun afkomst of naam of naar het doel
hunner reis te vragen. Hij liet een hamel slachten, om dien voor het
onthaal zijner gasten bij het vuur te braden.
Nadat hij de reizigers alzoo had verkwikt, wees hij de slaven hun
nachtleger in de schuren aan; aan Pericles en Aspasia echter stond hij
de kamer van zichzelven en van zijne vrouw af en liet voor hen een
helder leger spreiden, terwijl hij rijshout en dorre kruiden op den
grond strooide en dit met zachtwollige schapenvachten bedekte. Tot dek
gaf hij hun eenige geitenvellen en bovendien zijn mantel.
De afwisselende wederwaardigheden, de kleine avonturen, ja zelfs de
ongemakken eener reis vermeerderen het genot van reizenden, in plaats
van dit te verminderen. De onophoudelijke afwisseling van beelden en
gebeurtenissen verschaft ten laatste een onuitsprekelijk genoegen en
uit de vrije lucht des hemels stroomt den vermoeiden niet alleen nieuwe
kracht en verfrissching toe, maar ook eene blijmoedige stemming.
Pericles had zich nooit opgewekter gevoeld dan hier in de hut van den
herder bij het gezicht van dat armoedig leger. De zilveren klank van
Aspasia’s lach mengde zich zelfs eigenaardig bij het idyllisch geloei
der runderen uit de dampende stallen....
„Hoe veel zonderlings bescheren ons de Goden, aan wie wij ons op onzen
zwerftocht hebben toevertrouwd!” zeide Pericles. „Vóór weinige dagen
hadden wij tot slaapvertrek eene eeuwen-oude koningsgroeve, die ons
midden in de Ilias verplaatste, en heden schijnt het, dat wij de
avonturen der Odyssee zullen beleven. Die geest van Homerus omzweeft
ons, sinds wij den Isthmus hebben overschreden; ik denk, dat wij door
ons zwerven geheel zullen veranderen en als wij teruggekeerd zijn
kwalijk meer passen bij de verfijnde, schier verwijfde Atheners!”
Toen Pericles en Aspasia, vroegtijdig gewekt door het geblaf der honden
en het krachtig geloei der runderen, van hun leger verrezen en in den
ruimen hof naar buiten traden, zagen zij de boersche herdersknechten
zich naar de stallen begeven. Een groote, ruigharige hond speelde met
eene schildpad, die hij in het nog natte gras had gevonden. Hij greep
haar onder luid geblaf en allerlei sprongen nu eens met den poot, dan
eens met den bek en trok haar om en om, tot zij dood op den rug lag.
Een andere hond vocht of liever speelde met een bok. De bok stiet hem
met de horens, de hond echter hapte naar den baard van den bok en
trachtte hem te bijten. Aan de bron zat een naakt kind en wierp met
steentjes naar de schitterende zonneschijf, die zich in de oppervlakte
van het water spiegelde.
Nu kwam uit de stallen de kudde runderen met zwaren tred aanwaggelen:
vooraan, fier in het bewustzijn zijner kracht, de springstier; de
kalveren sprongen blatend om hunne moeder. Twee knechts volgden met
kromme herdersstaven in de hand, van twee geduchte honden vergezeld.
Vervolgens kwamen de blatende geiten, door jongens geleid. Den vooraan
loopenden geitebok vatte de herder bij zijn harigen kin en streelde
hem. „Deze trouwe bok,” zei hij tot Pericles en Aspasia, „kondigt in
donkere nachten den wolf of den los, die het erf besluipt, aan, zelfs
wanneer de honden slapen en verzuimen het roofdier te bespringen.”
De blatende kudde lammeren echter vereenigde zich om een donkerbruin
meisje, wier hoofd door een breedgeranden hoed overschaduwd werd en die
een herdersstaf in de hand hield. Het meisje had iets over zich, wat in
het eerste oogenblik de aandacht trok en een indruk te weeg bracht,
waarvan men zich niet onmiddellijk rekenschap kon geven. Zag men echter
nauwkeurig toe, monsterde men hare gestalte en het schamel gewaad, dat
haar bedekte, dan bemerkte men, dat het een herdersmeisje was, zich ter
nauwernood van andere onderscheidende, en men zag niets bijzonders aan
haar, dan blonde haarvlechten en oogen van eene vreemde soort. Deze
oogen namelijk waren merkwaardig diep en mijmerend, en schenen zelfs in
deze, haar welbekende en alledaagsche omgeving met eene soort van
kinderlijke verbazing rond te staren.
De lammeren verdrongen zich blatend om haar en sprongen tegen haar op.
Een der jongste, glinsterend wit, likte liefkozend de uitgestrekte hand
van het meisje.
Toen de geheele kudde lammeren de poort van den hof, door het meisje
geleid, uitgetrokken was, naderde de gastvrije herder Pericles en
Aspasia en zij vernamen van hem, dat de jonge herderin zijne dochter
was, zijn eenig kind, en dat zij Cora [337] heette. Hij zette hun nu
verscheidene versnaperingen uit zijn landelijken voorraad tot een
ontbijt voor, waarin zijne vrouw Glycaena hem de behulpzame hand bood.
Pericles vroeg den herder of hij wilde toestaan met de zijnen een dag
lang bij hem rust te houden, omdat zij na de inspanning van den
laatsten tocht zeer vermoeid waren.
Met blijdschap willigde de herder dit verzoek in, liep naar zijne vrouw
en zeide met geheimzinnig gebaar:
„Glycaena, ik geloof bepaald, dat die beide vreemdelingen die in onze
hoeve gekomen zijn, geen stervelingen zijn. Wat hun uiterlijk en
schoonheid van gestalte betreft, schijnen zij mij verkleede Goden toe,
zooals die toch menigmaal bij arme herders hun intrek hebben genomen.
Ook roeren zij bijna de spijzen niet aan, die men hun voorzet.”
„En de slaven,” vroeg Glycaena, „houdt gij die ook voor Goden?”
„Neen,” zei de herder, „die eten en drinken als gewone menschen. Maar
die beiden—nu om het even! Onthaal ze maar, zoo goed gij kunt.”