Snel werden de voorbereidingsmaatregelen voor de reis genomen, en

weldra kon de zuster van Cimon, die van alle dingen het eerst op de

hoogte was, aan het babbelziek Athene vertellen, dat Pericles op ’t

punt stond naar Olympia te vertrekken en dat de verwijfde held zijne

beminde Aspasia—die overigens wél deed zich aan de schande, waarmede

zij te Athene overladen werd, te onttrekken—niet missen wilde. Er waren

velen die zich vroolijk maakten over dat onafscheidelijk paar. Velen

echter waren er ook, die het in stilte benijdden....

Een licht voertuig bracht de beide getrouwen tot aan den Isthmus [328].

Slaven en muildieren waren tot aan Corinthe vooruit gezonden, om

vandaar in de reis over de moeilijke wegen van de Peloponnesus

behulpzaam te zijn.

Hoe vrij ademden beiden, toen zij het anders zoo geliefde Athene achter

zich hadden!—Zij wisten niet, dat zij, uit Athene, als ’t ware

vluchtend, het hun beschoren lot niet vertraagden, maar integendeel

bespoedigden...

Van de prachtige land- en zeegezichten, die in onafgebroken afwisseling

zich aan hun oog voordeden, tot aan de monumenten aan de kanten van den

weg, de Hermes-zuilen en het Hecate-huisje aan de kruiswegen was alles

voor het thans weder gelukkige paar opwekkend, alles belangrijk.

Zij vonden den breeden weg van Eleusis vol reizigers. Men zag vrome,

menschlievende lieden voor de beelden en kapellen der reisgoden

vruchten en andere spijzen nederleggen, opdat arme en hongerige

zwervers zich daaraan konden verkwikken. Hier en daar stonden

ooftboomen aan den kant van den weg geplant, wier vruchten eveneens

gemeen goed voor alle dorstigen waren. Ook aan herbergen ontbrak het

niet.

„Een reislievend volk zijn wij Hellenen,” zeide Pericles tot Aspasia.

„Alom aangeknoopte banden van gastvrijheid en vroolijke feesten lokken

van plaats tot plaats. Ook voor den reiziger is, zooals gij ziet, goed

gezorgd.”

Aan de berghellingen ter zijde van den weg ontsprong menige vroolijke

bron uit de rotsen. In den reuzenstam des populiers, die de bron

overschaduwde, had menig rustend wandelaar, om zijn dankbaar gemoed uit

te storten, eene spreuk of een vers gesneden, soms ook een wijgeschenk

aan de takken opgehangen.

Bloeiende, met tempels en zuilen prijkende steden en vlekken deden zich

aan de blikken der beide reizigers op. Eerst Eleusis, de heilige stad

der mysteriën, waar, op Pericles’ bemoeiing, juist een nieuw, fraai

gebouw voor het vieren der mysteriën verrees. Vervolgens Megara, de

stad der Doriërs, welks aanblik in Aspasia’s geest onaangename

herinneringen terugriep. Haar vriendelijk gelaat verduisterde; zij

zweeg, doch het onvergeten leed en de onverzoende smaad persten haar

een traan van weemoed en smart af. Pericles begreep haar en zeide:

„Troost u! Uwe vijanden zijn ook de mijne. Megara zal boeten, voor wat

het misdeed!”

Aangekomen in het van menschen wemelende Corinthe, begaf Pericles zich

naar het huis van zijn gastvriend Amynias, die hem en zijne gemalin met

de hoogste eerbewijzen ontving.

Al te verleidelijk blonk den aangekomenen de hoogte van de wijd en zijd

uitziende Acrocorinthes, de Acropolis der stad Corinthe, tegen, de door

bloemen en kruiden dicht bewassen rotsberg, steil afhellend naar de

stad, een wachtpost van het Helleensche land. Van zijne kruin

schitterde de oude, beroemde tempel van de Godin der liefde. Want

evenals het van geest tintelende Athene zich onder de bescherming van

de schrandere Pallas Athene had gesteld, zoo had de rijke,

genotlievende handelsstad tot schutsvrouw de vreugdeverspreidende

Aphrodite gekozen. Evenals Pallas Athene daar, was hier Aphrodite de

beheerscheres van den burg en gewapend stond zij in haar heiligdom. Van

de hoogste rotskruin schitterden hare tempeltinnen verre over de zee,

tevens als een baken voor de zeelieden. Duizend Hierodulen, dienaressen

der Godin, bekoorlijke en goedgunstige dochters der vreugde, woonden in

het tempelgebied op de berghoogte, die door aangelegde terrassen,

zuilengaanderijen, tuinen, priëelen, baden en gastverblijven op eene

zoo ver uitziende vlakte, tot een dubbel vriendelijk Eden omgeschapen

was.

Van deze hoogte nu, in het middelpunt van de Helleensche landen en

zeeën zich verheffend, overzagen Pericles en Aspasia al die grillig

gevormde, in eigenaardige kleurschakeering prijkende bergtoppen; zij

zagen in het noorden de besneeuwde kruin van den Parnassus en verder

oostwaarts den Helicon, zij begroetten Attica’s bergketens en met niet

geringe blijdschap zagen zij zelfs de liefelijke, bekende rotshoogte

van de Atheensche Acropolis door den reinen aether uit de verte

opdoemen. Zuidwaarts weidde hun blik over de hoogten van Noord-Arcadië.

Zij zagen tusschen de tallooze bergen en dalen de blinkende zeeboezems

en kusten, ook groenende of rotsgrauwe zeeëilanden, alles door de

bekoorlijkheid van een onvergelijkelijk licht overgoten.

In dit liefelijk gezicht werden Pericles en Aspasia eenigszins gestoord

door den zwerm van Hierodulen, die in de nabijheid van het tempelgebied

in de zuilengangen en priëelen omzwierven.

„Gij hebt te Athene,” zei de Corinthische gastheer, die het paar

vergezelde, terwijl hij een blik op deze schoonen sloeg, tot Pericles,

„gij hebt zulk een soort van eeredienst nog niet en gij zult wellicht

in deze priesteressen, die zich ten gunste van den tempelschat

prijsgeven, geen heilige personen zien. Bij ons staat zulk

priesterschap sedert langen tijd in hoog en eerwaardig aanzien. Deze

gulle, vroolijke meisjes, die den dienst van Aphrodite vervullend, zich

in haar gemoed tot de moeder der liefde zoeken te verheffen, zijn bij

offers en andere godsdienstige plechtigheden tegenwoordig, nemen aan de

feestelijke optochten der burgers deel en zingen daarbij een paeän ter

eere van Aphrodite. Men wendt zich tot haar om voorspraak bij de Godin,

de beschermvrouw onzer stad. Gij glimlacht? Nu, gij Atheners moogt

meenen dat gij aan Pallas Athene meer te danken hebt. Bij u is de staat

vermogend en invloedrijk, bij ons zijn het de enkele burgers. Ieder is

een Croesus een koning op zich zelven en verheugt zich in de door

handel en scheepvaart verworven goederen des levens. Wij streven niet

naar macht en invloed in Griekenland, wij verspillen onze schatten niet

aan den bouw van vestingwerken of vloten en dergelijke zaken, doch wij

leven prettig en gelooven dat per slot van rekening toch alleen de

individu leeft en het geheel maar een bloot begrip is. Het moge zijn,

zooals het wil, en gij Atheners moogt nog zoo minachtend op ons

nederzien, gij hebt toch den weg ingeslagen, die u nader tot ons

brengt. Gij bemint en beoefent het schoone, waarmede toch altijd de

liefde voor de aangenaamheden des levens gepaard gaat.”

Deze woorden van den Corinthiër maakten een diepen indruk op Pericles,

zonder dat hij er veel acht op scheen te slaan. Hij staarde naar de

bergen van de Peloponnesus en sprak na eenigen tijd met een lichten

glimlach, zich tot Aspasia richtend:

„Het is opmerkelijk, dat ons juist hier, als ’t ware aan den drempel

van den ernstige, strenge Peloponnesus, nog het beeld van de hoogste

weelderigheid van het Helleensche leven tegenstraalt. Wie zou kunnen

gelooven, wanneer men van het vroolijke, kunstlievende, gedachtenrijke

Athene komt, of als hier in het genotlievende Corinthe door

verleidelijke Hierodulen omgeven, op de hoogte van den Aphrodite tempel

staat, dat op zoo’n geringen afstand aan gene zijde van den Isthmus en

die somber zich verheffende bergen, op Arcadië’s hooglanden, een

onbedorven herdersvolk in oudvaderlijken eenvoud leeft? Dat tegenover

die plaatsen van een schoonen genotvollen lediggang, daar boven aan

genen kant der bergen de ruwe Spartaan en de sombere, mokkende

Messeniër, ruigharigen leeuwen of wolven gelijk, in afschuwelijke

kloven of donkere wouden op leven en dood elkander bekampen? Welk een

worstelplaats van wilde heldhaftige kracht is van overoude tijden die

strook lands aan gene zijde der opdoemende bergen! Uit burgten, gebouwd

uit op elkander gestapelde rotsblokken, trokken de Argivische vorsten

tegen Ilium op. Op de paden van de Peloponnesus betraden Heracles en

Perseus hun heldenbaan, doodden leeuwen en bestreden het slangengebroed

in de kloven en de verderfaanbrengende vogels in de lucht. En worstelt

niet nog ten huidigen dage op de velden van Pelop’s schiereilanden, op

den Isthmus te Nemea, te Olympia, mannelijke kracht en moed om den

prijs? Stroomen niet derwaarts de mannen van geheel Hellas, tuk op den

lauwertak van lichaamskracht? Somber, dreigend en ruw schijnt deze

Peloponnesus, en de wateren van den Styx [329] besproeien niet te

vergeefs zijn woest bergland. Maar wij willen hare verschrikkingen

trotseeren, wij willen ons in het hol van den leeuw wagen. En als wij

weekelijk en verwijfd worden, willen wij met nieuwen kracht ons sterken

in die ruwere lucht.”

„Sedert wanneer,” zei Aspasia glimlachend, „is Pericles een

bewonderaar, ja zelfs een benijder van de ruwe en eenvoudige mannen van

gene zijde van den Isthmus geworden? Troost u maar, dierbare vriend!

Laat hen daar worstelen en strijden, zooveel zij willen. Over hunne

sombere berghoogten schittert niet als over Athene’s Acropolis het

zegevierende licht van Pallas Athene!”—

Onder een sterk geleide braken de reizigers den volgenden morgen van

Corinthe op, om met blijden moed hun tocht door het Dorische land over

de Argolische bergen te beginnen. Aspasia weigerde doorgaans van den

draagstoel gebruik te maken, dien Pericles uit liefderijke zorg voor

haar had laten gereed maken en die door slaven of muildieren over de

moeilijke plaatsen van het gebergte kon gedragen worden. Zij gaf er de

voorkeur aan, om op een muildier naast haar echtgenoot te rijden. En

zoo trokken zij dan, onder vertrouwelijken kout, door de suizende

bergwouden, den loop der beken te gemoet, die zich in de kloven

nederstortten, bereikten over steile hellingen en boschrijke toppen de

vrije bergvlakten, soms ook door bergpassen en dalen, waar oleander- en

lentiscusstruiken en wilde pereboomen over het donkere pad hun

schaduwrijke twijgen in elkander strengelden.

Op zulke sombere wegen sloeg nochtans de moedige Aspasia soms een

angstig bespiedenden blik in het struikgewas, om te zien of niet de

donkere gestalte van een roover daaruit te voorschijn zou springen. Dan

glimlachte Pericles en zeide, met een blik op het goedgewapende met de

wegen vertrouwde gevolg van inlanders, die hij tot begeleiding door het

gebergte had medegenomen:

„Vrees niets, Aspasia! Reeds sedert lang zijn de wilde reuzen op deze

paden uitgeroeid, en geveld is reeds lang de pijnboombuiger Sinis

[330], de snoode wreedaard. Alleen voor de slangen van deze hoogten en

dalen moeten wij op onze hoede zijn: want gij herinnert u wel, wat hier

zeer nabij op Nemea’s grondgebied geschiedde, toen de voedster het

knaapje in het gras legde, om voor de langstrekkende „Zeven tegen

Thebe” [331], op hun verzoek, een dronk verkwikkend water te halen.”

Na eene vermoeiende dagreis bevonden zich de reizigers aan het begin

van de Inachus-vlakte en zagen tusschen twee grauwe, spitse bergen den

in de sagen beroemden heerscherszetel van Agamemnon, den overouden

wachter dezer bergpassen, den burg van Mycenae, loerend op zijn

rotskruin liggen—„in den hoek van Argos”, naar de woorden van het

Homerisch lied. Ter rechter zijde verhief zich de kale kegelvormige

berg met den ouden burg Larisa, de Acropolis der stad Argos, welke aan

den voet van den berg over eene ruime uitgestrektheid in de vlakte

gelegen, nog steeds bloeiend en niet minder sterk bevolkt was dan de

stad der Atheners. Over de uitgebreide strandvlakte van het

„paardenvoedende Argos” [332] schitterde de blauwe zeeboezem van

Nauplia. Bergketens, in de tinten van de ondergaande zon gedoopt,

hieven hier hunne veelgetakte kruinen ten hemel en liepen ginds met

groote krommingen tot aan de zee. Ook aan gene zijde van de blinkende

golf doemden de nevelachtige omtrekken van geweldige bergkruinen op.

Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich van de reizigers meester.

Hunne blikken hingen aan het grauwe rotsgevaarte van Mycenae, de sporen

van den koningsburg der Pelopiden zoekend en al de andere

onvernietigbare overblijfsels van Cyclopische schathuizen, graven,

muren en gewelven van den voortijd.

Toen zij Mycenae zelve hadden bereikt, was de duisternis ingevallen.

Zij stonden op de rotshoogte, waar het grauwe muurwerk, uit

reusachtige, loodrecht gehouwen rotsblokken opgestapeld, door mos en

klimop overdekt, in de schemering schier dreigend en beangstigend zich

verhief. Nochtans versmaadden zij het, naar beneden te gaan tot de

woonplaatsen der weinige Myceners, die in de reeds lang vervallen en

schier uitgestorven heerscherstad der Atriden [333] nog woonden.

Pericles en Aspasia besloten den lauwen zomernacht in de nabijheid van

deze eerwaardige overblijfsels van het verleden onder eene tent door te

brengen. Thans ging de maan op en baadde het muurwerk en de hoogte

zelve, met alle bergkruinen van Argos rondom en de vlakte daartusschen

tot aan de verre golf, in haar zilveren licht. Hoewel vermoeid, konden

Pericles met Aspasia de bekoring van dit tooverachtig, heldere

maanlicht niet weerstaan. Zij putten nieuwe kracht uit de zonderlinge

opgewektheid hunner gemoederen. Voor weinige dagen nog omgaf hen het

woelige Athene en thans stonden zij op Mycenae’s puinhoopen, door de

huiveringwekkende stilte van den sterrenhelderen nacht omgeven, in de

sombere eenzaamheid der Argolische bergen. De geest van Homerus kwam

over hen. In het ruischen van den wind, in het suizen der bergtoppen

vernamen zij iets, wat hun als een zwakke nagalm klonk van zijn

onsterfelijk heldenlied. Het licht der volle maan, dat rondom op Argos’

bergtoppen scheen, herinnerde hen aan de wachtvuren, die eens hier van

den eenen bergtop tot den anderen flikkerden, om de mare van de zege

der Hellenen over zee en gebergte herwaarts te brengen tot aan den burg

van Agamemnon, waar de woeste Clytemnaestra, aan de zijde van haar

minnaar Aegisthus, den terugkeer van den zegevierenden

Hellenen-aanvoerder met in ’t geheim geslepen moordstaal verbeidde. En

binnen deze verlaten puinhoopen, die daar vóór hen lagen, in de

doodstille, nachtelijke eenzaamheid, werd dit moordstaal getrokken.

Achter deze muren verstierf dof het doodsgerochel van den huiswaarts

gekeerden heerscher der volkeren...

Pericles en Aspasia liepen langs den geweldigen muur, die den kant van

den steilen burgtheuvel met talrijke hoeken en bochten omgaf. Zij

bereikten de overoude, beroemde leeuwenpoort, den eerwaardigen ingang

van den Atriden-burg, waarboven het oudste beeldwerk van het werelddeel

prijkte. Door deze poort betraden zij de burgtruimte en stonden voor de

binnenmuren, waarachter eens de Atriden tegen elken aanval veilig

leefden; doch alleen de grondvesten wezen hun de plaats der eigenlijke

vorstenvertrekken. Zij zetten hunne wandeling voort en bereikten

verder, niet meer op de hoogte van den berg, maar op zijne helling, het

eerwaardige, ongeschonden, ronde gebouw, dat een schatkamer en de

grafkelder tevens der Pelopiden was.

Toen Pericles en Aspasia dit gebouw naderden, verschikte hen de

gestalte van een reusachtig man, die vóór de poort lag en die bij de

nadering der vreemdelingen zich halverwege oprichtte. De man herinnerde

hen aan de reuzengestalten van Hemorus, die tegen elkander rotsblokken

slingerden, wier gewicht de latere stervelingen niet meer van den grond

konden opheffen. Pericles sprak hem toe en bemerkte na eene korte

woordenwisseling, dat hij met een in de bergen van Argos ronddolenden

bedelaar te doen had. Zijne leden waren karig met lompen bedekt, zijn

donkergebruind gelaat was als verweerd door wind en regenjachten. Zóó

wellicht zal de zwaar beproefde zwerver Odysseus er uitgezien hebben,

op het oogenblik, dat hij als schipbreukeling het vasteland bereikte,

nadat hij dagen lang zwemmend met de zee had geworsteld en het scherpe,

zilte nat zijn leden had geteisterd.

De grijze, zonderlinge, reusachtige bedelaar beweerde, dat hij den

schat van Atreus bewaakte en zonder zijne toestemming niemand de poort

van het gebouw mocht naderen. Van ongehoorde, gouden schatten begon hij

te bazelen, die in geheime hoeken van deze rotskamers nog altijd

verborgen lagen en die den vinder tot den rijksten aller stervelingen,

tot aanvoerder en koning in Hellas, tot erfgenaam en opvolger van den

Hellenen vorst Agamemnon zouden maken.

Glimlachend zei Pericles tot Aspasia: „Wel was Mycenae in overoude

tijden beroemd als de stad, die het rijkst was aan goud, van alle

Helleensche steden; maar ik denk, dat het goud van Mycenae reeds lang

naar Athene is gevloeid en wij behoeven het niet meer te zoeken. Toch

trekt mij deze zonderlinge rotsgroeve der Atriden onweerstaanbaar aan.

„Voer ons heden nog in het gebouw, dat gij bewaakt,” vervolgde

Pericles, tot den reus zich wendend. „Wij zijn Atheners en naar de

bergen van Argos gekomen, om aan het stof der goddelijke Atriden onze

hulde te bewijzen.”

Toen beval hij eenigen slaven fakkels aan te steken. De bedelaar, op

wien de persoonlijkheid van Pericles eene zekere macht scheen uit te

oefenen, toonde zich zwijgend bereid, als gids te dienen. Met forsche

hand schoof hij, zijne reuzenkracht aanwendend, een groot rotsblok ter

zijde, dat voor den ingang lag en dien geheel en al versperde. Maar

zelfs toen was het nog niet gemakkelijk over steen en gruis heen door

de half geopende poort den weg naar het binnenste gedeelte van het diep

in de aarde zich uitstrekkende gewelf te volgen.

Langs een uit geweldige blokken gevormden weg bereikten Pericles en

Aspasia het hooge, sombere ronde gewelf, welk wanden niet op de gewone

wijze opgetrokken waren; in steeds nauweren kring vonden zij de

steenlagen op elkander gestapeld en van boven door een kegelvormig

gewelf afgesloten. Zij vonden de sporen van oude metaalbekleeding aan

de wanden: eene geliefde wandversiering, waarvan Homerus gewag maakt.

Hoe zal voorheen in de vorstenvertrekken de gepolijste, blanke koperen

wand in den weerschijn der flikkerende fakkels geschitterd hebben! Maar

gewelddadig waren hier reeds de koperen platen afgerukt, onbekleed

grijnsden de grauwe steenmassa’s der machtige op elkander gestapelde

kringen den beschouwer tegen.

Uit het ronde gebouw traden Pericles en Aspasia door eene nauwere poort

in eene vierkante ruimte, die geheel in de levende rots uitgehouwen

was.

Peinzend stonden zij beiden daar. Slechts schemerachtig verhelderde het

sobere licht der brandende fakkels de donkere steengewelven.

„Eene stoute gedachte zou het zijn,” sprak Pericles ten laatste, „in

deze huiveringwekkende steengroeve ons nachtverblijf te houden!”

Aspasia huiverde een weinig, doch in het volgend oogenblik glimlachte

zij weder en kon de betoovering niet van zich weren, die de

huiveringwekkende en toch verleidelijke gedachte op haar uitoefende, om

een nacht door te brengen in de duizendjarige Pelopiden-groeve, om te

rusten boven het stof van Atreus en Agamemnon.

Menig bezwaar werd nog geopperd, eindelijk echter besloot men de stoute

gedachte ten uitvoer te leggen. Tapijten werden op den steenen vloer

van de kleinere rotskamer door slaven nedergelegd en daarop een leger

gespreid. In het gewelf strekte de reusachtige bedelaar zich uit om te

slapen, de slaven legerden zich bij den buitensten ingang.

Nu vonden Pericles en Aspasia zich alleen in het huiveringwekkend,

geheel in de rotsen gehouwen vertrek. Het onzekere schijnsel der in den

grond gestoken fakkels speelde spookachtig op de grauwe, vensterlooze

rotswanden. Om hen heen heerschte de stilte des doods. Het was

werkelijk de rust des grafs, die hen omgaf.

„In dezen nacht,” zei Pericles, „en in deze omgeving dringt zich de

gedachte aan vergankelijkheid en vernietiging schier in lichamelijke

gestalte met Titanisch geweld aan mij op. Hoe zwak en wisselvallig

schijnt al het levende, en hoe hecht en sterk trotseert de tand des

tijds datgene wat wij het doode plegen te noemen! Atreus en Agamemnon

zijn sinds lang niet meer en wij zuigen misschien de onzichtbare atomen

van hun stof in met onzen adem. Deze doode muren echter, welke die

menschen opgebouwd hebben, omringen ons nog heden en zullen wellicht

ook hen nog omsluiten, die de atomen van ons stof over duizend jaren

zullen inademen!”—

„Ik ben het niet geheel met u eens, Pericles,” hernam Aspasia, „om het

onvernietigbaar bestaan van het doode te verheffen boven het vluchtige

leven van den mensch. Het neerstortende rotsblok begraaft de bloemen,

maar de bloemen keeren terug met iedere lente en slingeren hare

stengels om den steen en ten laatste verteert na duizende jaren de

steen, terwijl de bloemen er echter altijd nog zijn. Zoo ligt het leven

ook begraven onder puinhoopen van steden, maar tusschen de puinhoopen

kruipt het zachtkens te voorschijn en omstrengelt den steen, die toch

eens verbrokkelen zal: ’s levens krachtig groen wast zelfs door de rots

en doet ze springen, en zoo is ten laatste toch alleen het schijnbaar

vluchtige en vergankelijke waarachtig eeuwig.”

„Gij hebt gelijk,” zeide Pericles, „het leven zou weldra vermoeiend en

vervelend worden, als daaraan de onveranderlijkheid van het doode

beschoren was. Onvergankelijk is reeds één met het doode, alleen

afwisseling is leven.”

„Herleeft niet,” sprak Aspasia, „de heldenzin van Agamemnon in duizend

helden? En de liefde van Paris en Helena, wordt zij niet in tallooze

verliefde paren opnieuw gevoeld?”

„Ongetwijfeld, het leven komt en gaat,” hernam Pericles, „en in eeuwige

verandering keert het weder. Zijn wij echter zeker, dat het bij dit

komen en gaan ten laatste niet iets van zijne oorspronkelijke kracht

verliest? Zou het groote in de wereld niet eenigszins op de

steenkringen gelijken in het gewelf dezer groeve, die van boven wel is

waar aan elkander sluiten, maar steeds enger worden?—De heldengeest van

Agamemnon schijnt teruggekeerd te zijn: wij hebben de Perzen verslagen,

maar toch komt het mij voor, dat wij tegenover de helden van Homerus

een weinig ingekrompen zijn.”

„Vele dingen,” hervatte Aspasia, „mogen zwakker worden als ze herhaald

worden; maar ontkent gij, dat veel nog krachtiger en heerlijker zich

vernieuwt? De kunst, die met deze bouwvallen onderging, is teruggekeerd

en heeft de met beelden prijkende, marmeren tinnen van het Parthenon

gebeiteld!”

„Wanneer echter,” zei Pericles, „ook die met beelden prijkende tinnen

eens in stof zullen zijn verkeerd—wanneer het heerlijke vierspan van

Pallas wellicht van den gevel van het Parthenon naar beneden stortend,

met donderend geraas op de rotshelling wordt verbrijzeld, zijt gij dan

zeker, dat de kunst nog eens en steeds heerlijker zal wederkeeren? Of

zal er een tijd komen, welks roem alleen nog teert op het vertoon van

onsterfelijke bouwvallen?”

„Dit zij eene zorg voor de latere geslachten!” antwoordde Aspasia.

„Gij hebt ook van de liefde van dat schoonste paar uit den voortijd

gesproken,” vervolgde Pericles, „en hoe die in tallooze paren zich

hernieuwt?”

„Twijfelt gij daaraan?” zei Aspasia.

„Neen!” riep Pericles, „en ik geloof, dat de liefde en juist alleen de

liefde, steeds bestaat met dezelfde kracht, met dezelfde

levensfrischheid, met dezelfde bron van zaligheid!”

„De liefde en het genot!” viel Aspasia hem met een betooverenden

glimlach in de rede.

„Ja, zeker!” sprak Pericles. „Wel is waar, moet ik met een gevoel van

schaamte op deze plaats wandelen en wellicht ben ik niet waardig zelfs

één enkelen nacht boven het stof van Homerische helden te rusten. Maar

schoon ik ook met smartelijke benijding afstand moet doen van den

heldenroem van Achilles, deel ik toch het geluk van Paris: het bezit

van de schoonste Helleensche vrouw!”—

De gelaatstrekken van Pericles waren niet in volkomen overeenstemming

met de woorden zelve. Zijn gelaat scheen twijfel uit te drukken of het

den man wel betaamde afstand te doen van den roem van Achilles, en zich

te vreden te stellen met het geluk van Paris.—

Aspasia(#64986) · 第 34 / 57 段