Intusschen, Aspasia was ongeduldig; zij was zeer geneigd om ver

reikende plannen op te vatten, die natuurlijk eerst langzaam konden

rijpen, doch zij wenschte die door koene, snelwerkende maatregelen te

bereiken.

Zulk een doortastenden maatregel nu beproefde zij om de teugels der

heerschappij over haar geslacht te Athene zoo mogelijk in eens in hare

macht te brengen.

Onder de talrijke godsdienstige feesten der Atheners was er ook een,

dat uitsluitend door vrouwen gevierd werd en dat op strenge straffe

geen man bij mocht wonen. Dit was het Thesmophoriën-feest; ter eere van

Demeter, die niet alleen als de Godin van den akkerbouw, maar ook als

die van den echt werd vereerd, wegens de verwantschap, die de begrippen

van zaaien en voortbrengen, oogst en geboorte samen verbindt.

De heilige gebruiken van dit feest werden niet aan bepaalde

priesteressen opgelegd, maar aan vrouwen, die telkens uit de

verschillende stammen werden gekozen. Een zekeren tijd van te voren

moesten de vrouwen door onthouding zich tot de deelneming aan dit feest

voorbereiden. Zij sliepen op kruiden, welke men de kracht toeschreef

het bloed te verkoelen en de onthouding gemakkelijker te maken. Tot

deze behoorden de kuischlamstruik en een zekere soort van netels. De

viering zelve bestond in feestelijke omgangen, in vergaderingen in den

Thesmophoriën-tempel, benevens in overgeleverde gebruiken, waaronder

ernst en scherts en plagerijen elkander afwisselden.

Vier dagen lang duurde het feest. Op den eersten dag ging men naar het

kustplaatsje Halimus en vierde in een zich daar bevindende tempel van

Demeter zekere mysteriën. Op den tweeden dag keerde men naar Athene

terug; op den derden waren de vrouwen van het krieken van den dag tot

aan den avond in den Thesmophoriën-tempel vergaderd. Demeter en

Persephone en andere Godheden werden aangeroepen en haar ter eere

dansen uitgevoerd. In de pauzen zaten de vrouwen op kuischlam en andere

kruiden, zooeven vermeld, en onderhielden zich met gesprekken en

plagerijen, die bij deze gelegenheid gebruikelijk waren. Zij nuttigden

gedurende haar verblijf in den tempel geen spijs, maar stelden zich

voor deze onthouding schadeloos door het heerlijke offermaal, waarmede

den volgenden dag de geheele plechtigheid besloten werd.

Men denke zich de vrouwen van Athene, doorgaans opgesloten in de enge

omgeving van haren huiselijken kring, onder de oogen harer mannen, en

nu vier dagen lang met strenge uitsluiting der mannen aan zich zelven

overgelaten, tot eene geweldige schaar vereenigd, feestelijke omgangen

houdend, vervolgens in een tempel verzameld, met dansen en heilige

gebruiken bezig, op heilige kruiden zittend en babbelend naar

hartelust—men denke zich deze snaterende vrouwenvergadering en men zal

licht inzien, dat zij wel geschikt was niet alleen de vrouwelijke

tongen, maar met de tong tevens den vrouwelijken geest los te maken en

hem tegen de oudvaderlijke beperkingen in beweging te brengen.

Dit Thesmophoriën-feest nu was teruggekeerd.

Wederom zaten de vrouwen van Athene in de pauzen tusschen de dansen en

de feestzangen te babbelen op kuischlam in den Thesmophoriën-tempel.

Wederom snaterden de stemmen luid en zacht door elkander. Waarover werd

al niet in de verschillende groepen der vrouwen, die op den grond

zaten, gesproken! Dezen onderhielden zich over de slechte gewoonten

harer mannen, genen over de ondeugden harer slavinnen of klaagden er

over, dat de kinderen van den tegenwoordigen tijd veel lastiger en

uitgelatener waren dan in vroegere tijden: sommigen kibbelden over de

beste manier om sesamus-koeken klaar te maken; anderen vertelden

elkander van toovermiddelen, om in het kraambed te gebruiken, of

deelden jongere lotgenooten raadgevingen mede over het bereiden van

liefdedranken; er waren er zelfs, die elkander heimelijk in het oor

fluisterden, hoe men zwangerschap huichelen en ter wille van den

echtgenoot een ander kind kon onderschuiven. Sommigen verhaalden

elkander spookgeschiedenissen of verhalen van Thessalische heksen of

sprookjes of de nieuwste familiegeheimen van deze of gene vriendin. Nog

anderen spraken over Aspasia en dit gesprek werd allengs het

levendigste, dat in den tempel gevoerd werd.

„Aspasia heeft gelijk,” zeide eene jonge, wakkere vrouw, wier frisch

uiterlijk gunstig tegen de verwelkte en geblankette gezichten der

meesten rondom haar uitkwam.

„Aspasia heeft gelijk, wij moeten de mannen dwingen ons zoo te

behandelen, als Pericles Aspasia doet.”

„Dat willen wij!” riepen eenige aanhangsters der Milesische. „Wij

moeten hen dwingen het huiselijk en het echtelijk leven met ons zoo in

te richten als Pericles met Aspasia doet.”

„Ik heb met mijn man reeds een begin gemaakt,” riep eene levendige,

kleine vrouw, Chariclea geheeten. „Mijn Diagoras heeft er zich reeds

aan gewend, mij telkens als hij thuis komt en uitgaat, een zoen te

geven, evenals met Pericles en Aspasia het geval is.”

„Ontvangt gij ook bezoeken van wijsgeeren en dient gij beeldhouwers ook

tot model?” vroeg op spottenden toon eene van die vrouwen, wier wangen

het meest verlept en geblanket waren.

„Waarom zouden Aspasia en Chariclea het niet doen, als hare mannen het

toestaan?” riep eene andere der vrouwen. „Ook wij zullen het doen en

onze mannen dwingen het goed te vinden.”

„Niet ieder man is tot hoorndrager geboren!” zei de eerste spreekster

met een boosaardigen lach.

„Wilt gij beweren,” riep Chariclea toornig, terwijl zij zich voor die

vrouw plaatste, met hare handen in de zijde, „wilt gij beweren, dat ik

mijn man tot een hoorndrager maak?”

„Nog zal ik het van u niet zeggen,” hernam gene, „maar uwe

leermeesteres Aspasia zal u dit wellicht nog leeren!”

Toen deze bittere woorden waren gevallen, trad eene gesluierde vrouw

van eene slanke en edele gestalte plotseling uit den kring van haar,

die getuigen van dit gesprek waren geweest, te voorschijn, sloeg stijf

vóór de vinnige spreekster den sluier terug en wierp een vlammenden

blik op haar.

„Aspasia!” riepen sommigen en snel verbreidde zich deze naam verder en

er ontstond eene opschudding, die tot in de verste kringen zich

voortplantte. De geheele Thesmophoriën-tempel geraakte in oproer. „Wat

is er te doen?” riepen de verst verwijderden. „Is er soms een man

binnengeslopen?”

„Aspasia!” klonk het antwoord. „Aspasia is hier!”

Op dit bericht drongen alle vrouwen zich om haar heen en weldra bevond

zich de Milesische in het middelpunt van de geheele vergadering.

Zij was gekomen, omgeven van de schaar harer geestverwanten, te midden

van welke zij, bovendien gesluierd om niet herkend te worden, voor de

oogen der groote menigte tot op dit oogenblik verborgen was gebleven.

Door deze geestverwanten werd zij ook nu als door eene lijfwacht

omgeven, toen zij met opgerichte gestalte een toornigen blik op de

vermetele vestigde.

Terwijl Aspasia zoo voor hare vijandin stond, drong eene van hare

partij zich voor haar en duwde de andere de volgende hoonende woorden

toe:

„Gij hebt gelijk! Niet ieder man is voor hoorndrager geboren. Gij moest

dat weten! Ik ken u precies! Gij zijt Critylla, die door uw eersten man

Xanthias verstooten zijt, omdat hij ontdekte, dat gij in het nachtelijk

uur een rendezvous met uw boel voor de deur hadt, bij den laurierboom

die het altaar van den stratenbeschermenden Apollo overschaduwt!”—

Het gelaat van Critylla werd met een donker rood overtogen en zij

maakte aanstalten, om hare vijandin aan te vliegen. Maar zij werd door

den aanhang van Aspasia teruggedrongen; daarop sprak deze het volgende:

„Deze vrouw heeft mijn echtgenoot gehoond—gehoond alleen daarom, omdat

hij de eerste is van alle Atheners, die de waarde der vrouw in zijne

gade eert en haar niet tot slavin vernedert. Wanneer mannen als

Pericles alleen ter wille van de liefde en de achting die zij hunne

vrouwen bewijzen, spot en hoon moeten verdragen, niet alleen uit den

mond der mannen, maar zelfs van den kant van het vrouwelijk geslacht,

hoe kunt gij dan hopen, dat uwe echtgenooten zullen besluiten het

voorbeeld van den edelsten der mannen te volgen?”

„Zoo is het inderdaad!” zeiden de vrouwen uit den kring, terwijl zij

elkander aanzagen. „Critylla heeft zich vergrepen, door Pericles en

Diagoras te beschimpen. Gaven de Goden, dat alle mannen waren als

deze!”

„De mannen zijn, zooals gij ze verdient!” vervolgde Aspasia. „Beproeft

het maar eens, den onweerstaanbaren invloed, die aan het vrouwelijke

geslacht verleend is, te gebruiken! Gij hebt tot heden verwaarloosd die

macht in u te ontwikkelen, ja, het schijnt mij, dat gij die niet eens

hebt gekend. Uwe slavernij is eene vrijwillige. Gij praalt met den

titel van meesteressen des huizes en gij wordt korter gehouden dan

slavinnen—want slavinnen mogen toch vrij zich op de straat of op de

markt vertoonen. Gij zijt gevangen! Is dat niet zoo?”

„Zoo is het inderdaad!” riep eene der vrouwen in den kring. „Mijn man

heeft eens, toen hij voor een paar dagen op reis was, mij in het

vrouwenvertrek opgesloten en de deuren daarvan met zijn cachet

verzegeld.”

„De mijne,” riep eene andere, „heeft een grooten Molosser-hond gekocht,

die aan de deur wacht moet houden, alleen opdat geen minnaar in zijne

afwezigheid binnen moge sluipen.”

„Niet eens het huishouden is u zonder voorbehoud toevertrouwd,” ging

Aspasia voort.

„Volkomen waar!” viel weder eene der vrouwen levendig in; „mijn man

draagt den sleutel der provisiekamer altijd bij zich.”

„Loopen zij niet zelven op de markt, om vleesch en groenten in te

koopen?” riep eene tweede.

„Ja, zelfs wanneer het oorlogstijd is,” riep eene derde, „en de mannen

gewapend loopen, kan men den een of ander van hen geharnast en met het

Gorgo-schild aan den arm op de markt om eieren en groenten zien

pingelen, of hij brengt te paard pekelvleesch in zijn metalen helm naar

huis.”—

„En daar zij u niet eens aan den huiselijken haard het gezag hebben

gelaten,” sprak Aspasia, het woord weder opvattende, „is het niet te

verwonderen, dat zij u nog veel minder veroorloven in openbare

aangelegenheden een woord mede te spreken. Komen zij van de Pnyx waar

over vrede en oorlog gehandeld is, durft gij het dan in uw hoofd

krijgen te vragen, wat daar beslist is?”

„Waarachtig niet!” riepen de vrouwen. „Wat raakt het u!” heet het dan.

„Blijf bij uw spinnewiel en zwijg!”

„En als gij niet zwijgt?”

„Dan is het nog erger!”

„Mijn man,” zeide eene der vrouwen, „zeurt tot vervelens toe mij die

oude, flauwe spreuk voor: het schoonste sieraad der vrouw is

stilzwijgen!”

„Die kennen we ook, die spreuk! Zij is in den mond van alle mannen!”

klonk het in den kring.

„Waartoe hebben wij dan eene tong?” vroeg eene van haar en zij voegde

er bij: „Soms alleen tot kussen, likken en trekkebekken?”

De vrouwen lachten onbeschaamd over die woorden; want zij waren onder

elkaar.

Aspasia echter ging voort:

„Zij willen dat gij onontwikkeld en dom zult zijn; want dan alleen

kunnen zij u overheerschen. Van het oogenblik af, waarop gij verstandig

en wijs, waarop gij u van de macht bewust wordt, die aan het vrouwelijk

geslacht boven het mannelijke gegeven is, van dat oogenblik is het uit

met hunne tyrannie. Gij meent reeds alles gedaan te hebben, als gij uw

huis rein houdt, als gij uwe kinderen wascht en zoogt, als gij er op

let, dat de wol aan uw kleed niet door de mot verteerd en het garen aan

den weefstoel niet door de hoenders vernield wordt, en wanneer iemand

uwer nog iets wil doen om haar man te behagen, dan meent zij met een

crocusgeel kleed en puntschoenen, een doorzichtig oppergewaad en met

zalfdoosjes en eenige cinnaber [323] dit doel te zullen bereiken. Maar

alleen in de handen van haar, die ook een weinig geest bezitten, is

lichamelijke schoonheid en versiering een voor de mannen gevaarlijk

wapen. Waardoor echter kunt gij datgene, wat ik een weinig geest

noemde, verwerven, dan door een vrijer verkeer in de wereld, waarvan de

mannen als met een ijzeren muur u afsluiten? Het moet u in het vervolg

veroorloofd zijn de duffe gemoederen met den instroomenden adem der

vrijheid te reinigen en te verfrisschen, de buitenwereld op u te laten

werken en, evenals gij de indrukken der wereld en der gebeurtenissen in

u opneemt, moet gij wederkeerig in de wereld en het leven invloed

uitoefenen met de alles veredelende vrijheid van den ontwikkelden,

vrouwelijken geest. De vrouwelijke geest moet met den mannelijken in de

wereld zich tot eene vereende kracht verbinden. Dan zal niet alleen het

huwelijk en het geheele huiselijke leven hervormd worden, dan zullen de

kunsten tot haar schoonsten bloei geraken, dan zal de oorlog en al het

ruwe onder de menschen een einde nemen. Laat ons een verbond sluiten,

eene vreedzame samenzwering maken en elkander de gelofte afleggen, dat

wij met alles wat in ons is, voor het recht van ons geslacht willen

strijden, om die macht vrij te ontwikkelen, welke tot onze roeping

behoort.”

Eene levendige toejuiching begroette deze woorden van Aspasia van den

kant van een groot deel der vergadering; toen echter volgde zulk een

luid en verward geluid van stemmen, dat men niets duidelijks meer

onderscheiden kon, daar de vrouwen onder elkander het onderwerp met

heftigheid begonnen te behandelen en allen eensklaps tegelijk spraken.

’t Was alsof een trekkende troep luid snaterende en krijschende vogels

zich in den Thesmophoriën-tempel had neergelaten.

Eindelijk echter zag men eene spichtige, schoon nog levendige en

krachtige gestalte, door den dicht opeen gedrongen hoop met de armen

zich baan maken en zich naar het midden van den kring, waar Aspasia

stond, heendringen. De witte doek, die haar hoofd omhulde, verborg ook

het grootste deel van haar gezicht, zoodat men haar niet aanstonds kon

herkennen. Toen zij echter in ’t midden van den kring bleef staan en

haar oog met eene boosaardige uitdrukking op Aspasia vestigde, herkende

men de scherpe, schier manlijke trekken der fiere zuster van Cimon.

Elpinice was gevreesd in geheel Athene, gevreesd door al hare

geslachtgenooten. Zij heerschte door de macht harer tong, door hare

bijna manlijke wilskracht, door den wijden kring harer relatiën. Daarom

ontstond er onmiddellijk een angstig stilzwijgen, toen de zuster van

Cimon met de volgende woorden Aspasia te lijf ging:

„Met welk recht verstout zich hier de vreemdeling het woord te nemen in

den kring van geboren Atheensche vrouwen?”

Deze vraag van Elpinice maakte plotseling een diepen indruk, en vele

der vrouwen, goedkeurend met het hoofd knikkend, verwonderden zich dat

deze gedachte niet terstond bij haar opgekomen was.

Elpinice echter vervolgde:

„Hoe durft de Milesische het wagen ons de les te willen lezen? Wil zij

zich soms met ons op ééne lijn stellen? Is zij met ons opgegroeid?

Heeft zij onze zeden, onze gebruiken gevolgd, onze heiligdommen van

kindsbeen af met ons vereerd? Wij zijn Atheensche vrouwen; wij hebben

op ons achtste jaar het heilige gewaad der Arrhephoren gedragen, wij

hebben tien jaar lang het offermeel in den tempel van Artemis gemalen,

wij zijn bij het Braurons feest [324] als bloeiende jonkvrouwen aan die

zelfde Godin gewijd, wij hebben als korfdraagsters den feeststoet der

Panathenaeën gevolgd. En deze hier? Uit den vreemde is zij gekomen,

door geen Goden begeleid, zonder zegen van Goden, eene gelukzoekster,

misdadig en geslepen, en nu wil zij zich in onzen kring dringen, omdat

zij een Atheensch man zoo heeft weten te begoochelen, dat hij haar

tegen wet en zeden in zijn huis heeft opgenomen?”

Rustig, maar niet zonder een spottenden glimlach, antwoordde Aspasia:

„Gij hebt gelijk! Ik ben niet opgegroeid in de muffe eenzaamheid van

een Atheensch vrouwenvertrek; ik heb niet uw Braurons feesten in

saffraankleurig rokje medegevierd, ik heb niet bij uwe Panathenaeën

eene feestkorf over het hoofd en een snoer van verdroogde vijgen om den

hals gedragen, ik heb niet medegehuild op de daken bij uwe

Adonis-feesten [325]. Ik heb hier niet als Atheensche burgeres tot

Atheensche burgeressen, ik heb als vrouw tot vrouwen gesproken!”

„Mannenverleidster! Goddelooze slang!” riep Elpinice nog heftiger

vertoornd uit, „waagt gij het onze tempel te betreden, onze

heiligdommen met uwe tegenwoordigheid te ontwijden?”

Deze woorden werden met onstuimigheid uitgestooten. De korte haartjes

op Elpinice’s bovenlip rezen te berge. De vriendinnen van Elpinice, die

zich om haar vereenigd hadden, namen tegenover de Milesische eene

dreigende houding aan.

Maar ook Aspasia’s geestverwanten schaarden zich nauwer om haar

leidsvrouw, bereid om haar te verdedigen. En niet gering was het getal

dergenen in den Thesmophoriën-tempel, die nog de partij van Pericles’

gade kozen.

Wederom gonsde een verward, levendig rumoer van stemmen en menig heftig

woord dreigde een hartstochtelijken strijd der partijen aan te

wakkeren.

Toen wist de onverschrokken zuster van Cimon zich nogmaals gehoor te

verschaffen, om de krachtigste harer troeven uit te spelen.

„Denkt aan Telesippe!” riep zij met luider stemme; „herinnert u, hoe

deze vreemde gelukzoekster, deze Milesische hetaere eene Atheensche,

wettige vrouw van haar haard, van de vrucht van haren schoot, van haar

echtgenoot heeft verdrongen! Wie uwer gelooft zich veilig tegen de

boeleerkunsten van deze vrouw, als het haar in den zin komt ook de

mannen van andere vrouwen te verleiden? Vóór gij luistert naar het

gesis van deze slang, herinnert u, dat zij gif in haar mond verbergt!—

„Ziet haar ginds,” viel Elpinice zich zelve in de rede, de oogen naar

een hoek van den tempel wendend, „ziet ginds Telesippe! Ziet haar in

rouw en droefheid verzonken—ziet haar bleek gelaat—ziet hoe haar de

tranen langs de kaken rollen alleen bij de herinnering aan hare

kinderen!”—

De hoofden van alle vrouwen keerden zich om en volgden Elpinice’s

blikken, en zij zagen naar de verstooten vrouw van Pericles, die op

eenigen afstand stond en bleek van gramschap en spijt naar Aspasia

blikte.

Elpinice echter ging voort:

„Weet gij, wat zij van ons Atheensche vrouwen denkt? Behoef ik het u te

zeggen? Heeft zij zelve het u niet gezegd? Zij houdt ons voor dwaas,

voor onwetend, voor onervaren, de liefde van een man onwaardig, en

genadig wil zij zich vernederen om ons te leeren, zich in haren trots

zeker bewust, dat wij toch nooit kunnen worden als zij zelve de

schoone, de wijze, en onvergelijkelijke, de alles betooverende

Milesische, met wie zelfs de schoonsten van u zich nimmer kunnen

meten!”

Deze taal van Elpinice had eene ongeloofelijke uitwerking op de geheele

vergadering der vrouwen. Veranderd was plotseling de stemming, zelfs in

de harten dergenen, die tot nu toe Aspasia genegen waren geweest.

Elpinice nam opnieuw het woord:

„Weet gij, wat hare vrienden, de trouwe aanhangers van Pericles, van

haar zeggen, en wat reeds alle mannen van Athene onder elkander

herhalen? Aspasia is de beminnelijkste vrouw van Athene—ja, de eenige

beminnelijke vrouw van Athene—naar Milete moet men gaan, zeggen zij,

als men schoone en betooverende vrouwen vinden wil!”

Bij deze woorden brak de woede der vrouwen en hare met boosaardige

sluwheid aangewakkerde gramschap in lichte vlammen uit. Men begon met

woest getier, met opgeheven armen op Aspasia los te gaan. Deze echter

stond rustig en richtte hare fiere, ongebogen gestalte nog hooger op;

zij sprak, bleek van toorn, doch met een blik van onbeschrijfelijke

minachting:

„Bedaart wat, gij knollen-, peterselie- en komkommerwijven! Bedaart

wat, gij appel-, kaas- en boterwijven!—Waarom schreeuwt en tiert gij

zoo, waarom dringt gij op mij aan? Denkt gij mij ook nog te krabben en

te bijten?”

De weinige trouw en moedig gebleven volgelingen van Aspasia wierpen

zich tusschen beiden, er ontstond een wild rumoer en bijna eene

vechtpartij onder de vrouwen. Eenigen van Elpinice’s partij maakten

aanstalten, om Aspasia de oogen met de nagels uit te krabben; anderen

trokken de scherpe gespen van hare kleederen en gingen daarmede

dreigend op de vijandin los. Deze echter verliet onder de bescherming

dergenen, die zich nog dapper om haar schaarden, haastig den

Thesmophoriën-tempel.

Zóó eindigde de poging van Aspasia om de vrouwen van Athene door den

geest te bevrijden.

XVII.

HET MEISJE UIT ARCADIË [326].

Eenige jaren waren zoo voorbijgegaan. Aspasia had moedig gestreden,

maar zij mocht zich niet beroemen gezegepraald te hebben. Het

onstuimige tooneel in den Thesmophoriën-tempel was in de stad bekend

geworden en Aspasia had de vernedering te verduren, die onder alle

omstandigheden met eene nederlaag gepaard gaat. Het ontbrak overigens

ook niet aan dezulken, die haar aanhingen: het grootste deel echter van

haar geslacht was door nijd, verblinding en de boosaardige

uitstrooisels harer vijandinnen op haar gebeten.

Eene zwaarmoedige stemming maakte zich soms van Pericles meester. Hij

dacht aan het onbewolkt geluk, dat hij met de Milesische in de korte,

maar zalige, eenzaamheid aan het Ionische strand had gesmaakt. Soms

maakte zich een gevoel van hem meester, als moest hij nogmaals de

zorgen van den dag afschudden en wegvluchten uit het woelige Athene,

waar zijn beste oogenblikken door den hatelijken laster der menschen,

die als het gegons der bijen zijn hoofd omzweefden, verbitterd werden.

Toen de tijding te Athene kwam dat Phidias in Elis zijn gouden en

ivoren standbeeld van den Olympischen Zeus had voltooid, het grootste

en verhevendste zijner werken, hoe bekoorde toen Pericles het denkbeeld

om met Aspasia een kort uitstapje te maken naar het Dorische land! Maar

Aspasia scheen de tocht al te moeilijk door het bergland van Argos en

Arcadië, en slechts als een aangename scherts beschouwde zij de

gedachte aan zulk eene reis, toen zij voor het eerst tusschen hen beide

ter sprake gebracht werd.

In het Atheensche volk was langzamerhand die afkeer tegen de gade van

Pericles binnengeslopen, waarmede schoone en invloedrijke vrouwen, wier

lot met dat van een hooggeplaatst man verbonden is, bijna altijd te

kampen hebben. Men ging voort haar geheimen invloed op de politieke

plannen en ondernemingen van Pericles toe te schrijven en te beweren

dat zij Pericles opzette zich tot tyran van geheel Hellas op te werpen.

De uitgelatene blijspeldichters, aan wier spits Cratinus, de vriend van

Polygnotus, stond, die nog sedert het feestmaal van Hipponicus op de

Milesische gebeten was, spitsten hunne pijlen tegen haar al scherper en

scherper. De Attische Muze geleek op de bij: zij droop van honig, doch

zij verborg ook een scherpen angel.

Pericles werd toornig en trachtte den overmoed der comedie te beperken.

Deze poging werd ten aanschouwe der heele wereld aan den invloed van

Aspasia toegeschreven.

„Houden zij mij voor een ouden leeuw,” zeide Cratinus, „wien de tanden

zijn uitgevallen en die alleen nog kwijlen kan?”

En in zijne volgende comedie slingerde hij onbeschaamd voor de oogen

der gezamelijke Atheners een gemeen scheldwoord naar Aspasia’s hoofd.

Het schimpwoord van Cratinus was gruwzaam beleedigend, bijna

vernietigend. De afgunst der geheime en openlijke vijanden van Aspasia

kon schier geen erger bedenken. De spotzieke menigte ving het begeerig

op en herhaalde het. De grond van Athene begon te gloeien onder de

voeten der Milesische...

Van dien dag af was de reis naar Elis tusschen Pericles en Aspasia eene

uitgemaakte zaak. Minder bezwaarlijk vond de diep gekrenkte thans, het

Pelops-schiereiland [327] te betreden, dan op den brandenden bodem van

Athene te vertoeven.

Te Athene was de Milesische te zeer door belangstellenden en

nieuwsgierigen omgeven, die als ’t ware in de stralen van haren geest

en van hare schoonheid zich koesterden. In de ernstige, stille beemden

van Argos, op de idyllische hoogten van Arcadië, zelfs in het gewoel

van Olympia zou zij, naar Pericles’ meening, wederom geheel en al

uitsluitend voor zijn en haar geluk leven.

Aspasia(#64986) · 第 33 / 57 段