Hoe kwam het toch? Wanneer Socrates peinzend en, naar hij meende,

zonder doel, door Athene’s straten wandelde, vond hij zich ten laatste

onverwachts voor het huis van Pericles. Evenals in een labyrinth van

straten, scheen hij een labyrinth van gevoelens te doorkruisen, waar

hij geen uitgang vond en dat hem steeds weder op dezelfde plaats

terugbracht.

Zonder plan derhalve geschiedde het, als Socrates zijne schreden naar

die woning richtte. Doch wat deed hij daar, als hij er zijns ondanks

gekomen was? Verloor hij zich in huldebetoon? Gaf hij teekenen van een

inwendig liefdevuur, dat hem verteerde? Had hij, evenals Protagoras,

zich er aan gewend zijne wijsheid uit vreemde oogen te putten? Niets

van dat alles. Hij streed met Aspasia. Hij gaf haar fijne zetten. Eens

zelfs sprak hij in hare tegenwoordigheid uit—eene uitspraak, die sedert

dikwijls herhaald en door de overlevering gewoonlijk aan Pericles is

toegeschreven, die haar toch slechts aan Socrates had ontleend—: die

vrouw is de beste, over wie men het minst spreekt. Hij zei haar bittere

woorden en zelfs wanneer hij haar scheen te vleien, tintelde hij van

die fijne ironie, die een kenmerk van zijn spreektrant uitmaakte.

En Aspasia? Zij scheen des te zachter, vredelievender, beminnelijker en

innemender, naarmate Socrates zijne vrijmoedige luim meer den vrijen

teugel gaf. En omgekeerd: hoe zachter en verleidelijker Aspasia was,

des te ontevredener en stuurscher werd de wijze Socrates.

Wat wilden zij van elkander, deze beide zonderlingen? Streden zij samen

den overouden, hardnekkigen tweestrijd der wijsheid en der schoonheid?

Die zonderlinge strijd werd vooral gevoerd sinds de woordenwisseling,

welke Socrates met Protagoras in tegenwoordigheid van Pericles en

Aspasia gehouden had.

Aspasia deed het voorkomen dat zij geloofde dat Socrates ter wille van

zijn lieveling Alcibiades het huis van Pericles bezocht. Zij ging in

hare ondeugenden luim zoo ver, dat zij verzen tot hem richtte, waarin

zij hem als aan een minnaar raad gaf. Socrates nam dat alles

glimlachend op, zonder de minste gemelijkheid, of eene poging om zijne

moedwillige vriendin te loochenstraffen. Hij toonde ook nooit, dat de

schoone knaap, die nog steeds met eene bijna teedere liefde hem

aanhing, hem te veel was. Tegenover den knaap was hij open, opgeruimd,

vriendelijk, vertrouwelijk, zonder een spoor van die grilligheid en

ironie, waarmede hij goedvond de vriendelijkste bejegening van de

schoonste aller Helleensche vrouwen te beantwoorden.

Talrijke gesprekken voerde Aspasia nog altijd met den vrouwenhater

Euripides, die als treurspeldichter thans tot grootere beroemdheid

geraakte. Zijne ernstige, bespiegelende Muze vond weerklank en hij werd

weldra de lievelingsdichter van een tijdvak, dat zich van de

onmiddellijke en naïeve beschouwing der zaken meer en meer tot eene

ideale en verhevene opvatting gedreven gevoelde. Hij had rijke ervaring

opgedaan en zoo vloeide zijn mond altijd over van hetgeen hij in zijn

geest had doorleefd. Daarbij had hij een scherp, fier karakter, dat hem

open en vrijmoedig deed uitspreken, wat hij dacht. Hij gaf niemand iets

toe, zelfs niet aan het Atheensche volk, ’t geen ieder meende te moeten

vleien. Toen men eens een zijner verzen uitfloot, welks inhoud het

Atheensche volk niet beviel, trad hij op het tooneel om zich te

verdedigen, en toen men hem toeriep, dat men dit vers niet wilde

dulden, antwoordde hij, dat de dichter de onderwijzer van het volk was

en niet het volk de onderwijzer van den dichter.

Hij vleide ook Aspasia niet, en niemand zou het gewaagd hebben op den

toon, dien hij aansloeg, met haar over de vrouwen te spreken.

Hij had zijne eerste vrouw verstooten en eene andere genomen: een feit,

dat Aspasia, zooals vermeld wordt, in een brief aan Pericles met sluw

overleg als een voorbeeld van mannelijken moed geprezen had.

Op een goeden dag kwam Aspasia met Euripides toevallig over deze zaak

te spreken, in tegenwoordigheid van haar echtgenoot en Socrates. Nadat

zij hem opnieuw over zijn moedig besluit had geprezen, vroeg zij hem

naar zijne nieuwe gade.

„Zij is het tegendeel van de eerste,” antwoordde Euripides wrevelig,

„maar daarom niet beter: zij heeft alleen de tegenovergestelde

gebreken. De eerste was een domme, maar eerlijke ziel, die mij met eene

huisbakken soort van liefde lastig viel; deze is een behaagzieke, die

door lichtzinnigheid en grilligheid mij tot vertwijfeling brengt. Ik

ben van den regen in den drop gekomen. Ik ben een ongelukskind en al

het bittere geven mij de Goden achtereenvolgens te smaken.”

„Ik hoorde van uwe vrouw zeggen,” hernam Aspasia, „dat zij schoon en

beminnelijk is.”—

„Ja wel, voor iedereen,” zei Euripides, „behalve voor mij. Zij zou het

natuurlijk ook voor mij zijn, als ik besluiten kon hare slechte

eigenschappen als even zoovele deugden te beschouwen.”—

„Welke zijn dan die slechte eigenschappen, die gij haar toekent?” vroeg

Aspasia.

„Zij verwaarloost het huishouden,” antwoordde Euripides: „het garen aan

den weefstoel vernielen de hoenders. Zij danst en houdt feestmalen bij

hare vriendinnen; zij heeft de onfatsoenlijkheid aan de huisdeur te

staan en op straat te gluren.”

„Is dat alles?” vroeg Aspasia.

„Neen!” antwoordde de dichter. „Zij is wispelturig, zij is luimig, zij

is ontrouw, zij is leugenachtig, zij is vol veinzerij, zij is valsch,

zij is boosaardig, zij is nukkig, zij is onbillijk, zij is wreed, zij

is wraakgierig, zij is nijdig, zij is eigenzinnig, zij is bijgeloovig,

zij is dwaas, zij is sluw, zij is babbelziek, zij is jaloersch, zij is

ijdel, zij is behaagziek, zij is gewetenloos, zij is ongevoelig, zij is

zielloos...”

„Houd op!” viel hem Aspasia in de rede. „Het zou u zwaar vallen, dit

alles afzonderlijk te bewijzen.”

„Dit alles en nog meer!” hernam Euripides.

„Wellicht betoont ge uwe vrouw te weinig liefde,” bracht Aspasia in ’t

midden, „en maakt gij haar daardoor van u afkeerig!”

„Ja, waarlijk!” riep Euripides met een hoonenden lach; „als men de

vrouwen hoort, ontbreekt het den mannen altijd aan liefde. „Gij hebt

geen hart, mijn vriend!” zei de adder tot den geitebok. Juist het

tegendeel is waar! Ik zeg u, mijn ongeluk komt daar vandaan, dat ik

mijne vrouw niet zoo behandel, als de meeste Atheners hunne vrouwen

behandelen; dat ik mij te veel door haar laat beheerschen, dat ik mij

door haar laat kwellen. Want mak als lammeren zijn de vrouwen, zoolang

men ze kort houdt; doch aanstonds worden ze overmoedig, als men haar

aanleiding geeft tot de meening, dat zij onmisbaar zijn. Ja, er is maar

één enkel middel, om zich van eene vrouw, van haar hart, van hare

liefde, van hare hoogachting, van hare toewijding te verzekeren: dit

middel bestaat hierin, dat men haar verwaarloost. Wee den man, die

zijne vrouw laat merken, dat hij haar niet missen kan! Zij zal hem den

voet op den nek zetten. Eene vrouw lief te hebben is den boozen daemon

in haar op te wekken. Wie echter zijne vrouw met eene vriendelijke

koelheid te gemoet treedt en overigens zijn eigen weg gaat, wie haar

bewijst, dat hij haar missen kan, die wordt gevleid en geliefkoosd, die

wordt de wang gestreeld, die wordt de hand op den schouder gelegd met

de vraag: „Wat zal mijn lief mannetje van avond eten?” die wordt

vereerd als „de steun en heer des huizes en der familie,” hem wordt

roerend dank betuigd voor iedere kruimel van genade, die hij laat

vallen. Toonde echter dezelfde man zich teeder en verliefd, dan zou hij

haar binnen acht dagen vervelend toeschijnen, in een maand was hij

veracht en in een jaar dood gekweld.”

Glimlachend hoorden Pericles en Aspasia deze op gramstorigen toon

uitgebrachte ontboezeming aan. Euripides echter vervolgde met gelijken

wrevelen ernst en nadruk:

„De Parce van de man is de vrouw. Zij is het, die zijne levensdraden

spint—zwarte of gouden.”

Pericles schrikte schier bij deze laatste woorden. Aspasia glimlachte.

„Ik kan niet gelooven,” zeide Pericles, „dat de man in ’t algemeen zoo

afhankelijk is van de vrouw.”

„Hij zal het worden, als hij het nog niet is,” hernam Euripides. „Ik

voorspel de toekomst. De macht der vrouw is schrikbarend aan het

toenemen. Verstaat gij de dichters en beeldhouwers niet, die sedert

overoude tijden het fabelachtige beeld der Sphinx hebben voorgesteld,

eene raadselachtige vrouw, met zachten boezem doch scherpe klauwen? De

Sphinx is de vrouw. Het verleidelijke schoone gelaat, den verleidelijk

zachten boezem houdt zij ons voor, het overige echter van het lichaam

is een dier met tijgerpooten en moorddadige klauwen.”

„Zult gij het vrouwelijk geslacht niet overmoedig maken,” zei Aspasia,

„als gij haar karakter door zulke vergelijkingen den stempel van het

grootsche verleent?”

„Grootsche misdaden,” hernam Euripides, „van een man kunnen bewondering

wekken; eene vrouw met groote ondeugden boezemt altijd afschuw in. Want

de misdaden van den man kunnen soms uit eene overmaat van op zichzelf

roemrijke eigenschappen voortspruiten; de ondeugden eener vrouw echter

komen altijd voort uit eene kleingeestige, tot eene overmaat gedreven

zwakheid.”

„En toch zien wij de vrouwen met deze kleingeestige zwakheden

triomfeeren!” zeide Aspasia.

„Niet voor altijd!” voerde Euripides haar te gemoet. „De dag der wrake

komt, die, met de vlammen van een gezonden en rechtmatigen hartstocht,

de woeste flikkering van eene ziekelijke en zwakke neiging zal

uitblusschen. Slechts zoolang wij mannen ons zwak toonen, zijn de

vrouwen sterk. De vrouw is eene Sphinx; ja zeker! Doch men behoeft haar

slechts de klauwen af te snijden, om haar onschadelijk te maken. Met

onafgesneden klauwen is zij eene tijgerin; met afgesneden klauwen niets

meer dan eene kat. Onze vaderen hebben goed gedaan, dat zij de vrouwen

kort hielden. Wij mannen van dezen tijd zijn te weekelijk—ik zelf

behoor tot dat getal—wij laten de vrouwen de klauwen groeien. Dat is

niet goed...”

Het voorhoofd van Aspasia rimpelde zich een weinig, toen de vergramde

dichter deze woorden met krachtige stem uitstiet. Socrates bemerkte het

en zeide:

„Vergeet niet, mijn waarde, dat gij tot Aspasia spreekt.”

„Tot Aspasia,” hernam Euripides, snel gevat, „maar niet van Aspasia. Ik

spreek over de vrouwen. Aspasia is eene vrouw, maar de vrouwen zijn

geen Aspasia’s...”

Socrates liet het, zooals gemeld is, in zijne gesprekken met Pericles’

gade niet aan scherpe woorden ontbreken. Maar nooit was hij in den toon

van Euripides vervallen. Wij gevoelen ons echter verplicht te zeggen,

dat Euripides in zijne gesprekken met Aspasia het geheele vrouwelijke

geslacht hoonde en onrecht aandeed, doch steeds Aspasia zelve met

bereidwillige hoffelijkheid daarvan uitzonderde; terwijl Socrates

omgekeerd zijne pijlen steeds alleen tegen de persoon van Aspasia

afschoot, het geheele geslacht echter gaarne verdedigde.

En zoo nam hij dan ook nu het schoone geslacht in bescherming tegenover

den vrouwenhater Euripides, terwijl hij zeide:

„Het komt mij een zonderling, maar onomstootelijk feit voor, dat ieder

man, als hij van de vrouw in het algemeen spreekt, toch altijd slechts

zijne eigene op het oog heeft. Men moest alzoo, dunkt mij, alleen aan

zulke mannen toestaan om over de vrouwen in het algemeen te spreken,

die niet getrouwd zijn. Ik beroem mij een van die laatstgenoemden te

zijn; en hoe verre mijn vriend Euripides in andere wijsheid mij achter

zich moge laten, heb ik, omdat hij getrouwd is, het voordeel van

grootere onpartijdigheid op hem vooruit. Daar voorts Pericles ook

gehuwd en Aspasia zelve eene vrouw is, ben ik hier de eenige, die

geroepen schijnt de partij op te nemen voor het door Euripides zoo fel

gehoond geslacht. Mij ontbreekt het wel is waar aan welsprekendheid en

ik zou Protagoras gaarne hier wenschen: deze zou niet in gebreke

blijven ons de vrouw te prijzen als de schenkster der zoetste vreugde,

als de bereidster van het schoonst geluk, als de beschermster van den

goddelijken schat der schoonheid en van het genot op aarde, als de

troosteres van den man, als de artsenij zijner kwalen. „Welk een

pronkstuk,” zou hij uitroepen, „is eene schoone vrouw! Met ieder atoom

harer persoonlijkheid verrukt zij. Geluk en zaligheid stralen uit van

haar wezen...” Zoo zou Protagoras spreken. Euripides daarentegen

beweert: de vrouwen zijn Sphinxen, zij hebben een bekoorlijk gelaat en

een zachten boezem, doch scherpe klauwen. Zou het niet geoorloofd zijn

omgekeerd te zeggen: de vrouwen hebben wel is waar scherpe klauwen,

maar een bekoorlijk gelaat? Waarom zou men den grootsten nadruk niet

liever op het goede der vrouwen, dan op het kwade leggen?—„Men moet

haar de klauwen afsnijden,” zegt Euripides. Maar zou haar dit, behalve

de mogelijkheid om te schaden, ook hare vijandelijke gezindheid

ontnemen? Zou het niet veel practischer zijn, rechtstreeks op de

verbetering harer gezindheden te werken? De klauwen worden dan van zelf

onschadelijk. Hoevele deugden kan eene vrouw niet ontwikkelen! Hoevele

zegeningen weet zij niet om zich te verspreiden! Niet alleen door

hetgeen, wat zij uitvoert of zegt of doet, maar reeds door hetgeen, wat

zij is. De natuurlijke kampioenen van het schoone zijn de vrouwen: doch

daar zij elke zaak, waarvoor zij strijden, doen triomfeeren—hoe

heerlijk zou het zijn, als wij haar ook tot kampioenen van het goede en

het ware konden winnen? Zoolang het licht van eene hoogere opvatting

het hoofd der vrouwen niet verheldert, volgen zij natuurlijk alleen de

aandrift van haren physischen aanleg, en deze aandriften zijn altijd

ruw en baatzuchtig. Wellicht zullen de mannen in de toekomst er naar

streven, om de vrouwen, door eigene overweging in plaats van slavinnen

van onbestemde natuurdriften te zijn, tot priesteressen van het schoone

en het goede te maken!”

„Ja, dat ontbrak er nog maar aan, dat de slangen vleugels kregen!” riep

Euripides met een spottenden lach. „Niet te verwonderen is het

overigens,” ging hij voort, „dat deze hoop op verbetering der vrouwen

uitgesproken wordt door een man, die in ’t algemeen alle menschelijk

geluk van het verstand en van heldere begrippen verwacht. Ik zeg u

echter, dat de waarde en de adel der vrouw niet in de ontwikkeling van

haar verstand, maar in de ontwikkeling van haar hart, van haar gevoel

berust!”

„Dat kan wel zijn,” hernam Socrates, „maar nu doet zich de vraag op, of

het hart en zijne gewaarwording ooit door zichzelf kan gevormd worden,

dan wel of daartoe niet de invloed van een tot op zekere hoogte

ontwikkeld verstand gevorderd wordt?”—

Pericles drukte zijne ingenomenheid met Socrates’ woorden uit. Aspasia

zweeg en toonde terstond minder belangstelling; want hoezeer ook enkele

punten, die Socrates had aangeroerd, met hare eigene meening

overeenstemden, kwam het haar toch voor, als had de droomer onder het

masker zijner bescheidenheid zich durven vermeten, haar een lesje te

geven. Voor eene bevrijding van den geest, voor eene veredeling van

haar geslacht te werken, was immers sinds lang haar streven geweest.

Had zij niet openlijk zich zelve en haren vrienden op de Acropolis de

gelofte gedaan, dit doel met alle krachten te bevorderen, nadat zij de

gade van Pericles geworden was?

Zij had woord gehouden. Het leven en de positie der vrouwen geheel en

al te herscheppen was sinds dien tijd haar moedig pogen.

Om dit doel echter te bereiken, had zij moeten trachten invloed te

krijgen op de vrouwen van Athene, de rol van zuurdeeg moeten vervullen

bij deze trage massa, degenen, die haar dwarsboomden, verzoenen, ze tot

aanhangsters, leerlingen, vriendinnen moeten maken.

Pericles had hare bedoelingen gesteund: want hij beminde haar. Hij

verschafte haar gaarne elk soort van genoegen. Hij leidde haar, wanneer

deze uitdrukking veroorloofd is, in de Atheensche kringen binnen. De

Atheensche vrouwen waren van het gezelschap der mannen uitgesloten;

maar zij hielden een vrij druk verkeer onder elkander. Schijnbaar

argeloos mengde Aspasia zich in dit verkeer.

Onder de schoone en waarlijk verstandige vrouwen, wien het gegeven is,

de mannen in hare netten te lokken, worden er aangetroffen, wien het

bovendien verleend is, trots den nijd, den haat, de ijverzucht, die zij

opwekken, toch ook personen van haar eigen geslacht aan te trekken en

voor zich in te nemen. Zooals van zelf spreekt, bereikten zij dit niet

door overmatige vriendelijkheid en lieftalligheid of door praatjes en

opgedrongen beleefdheden, maar door den eenvoud, waarmede zij den

gevaarlijken glans harer voorrechten vrijwillig schijnen te temperen,

en door de nauwkeurigste kennis der eigenaardigheden en grillen van

haar, die zij voor zich willen winnen. Aspasia zocht vertrouwen in te

boezemen; ongelijk aan de onverstandigen van hare sekse, wist zij, dat

eene schoone vrouw in de meeste gevallen het zekerst door een

verstandig, rustig, kalm, waardig gedrag zoowel mannen als vrouwen

inneemt. Zij richtte haar streven in de eerste plaats daarop, dat men

gedwongen werd haar te achten; beminnelijk te schijnen zou dan vanzelf

het geval zijn.

Eerst nadat Aspasia door zulk eene houding, die bij haar volstrekt niet

gemaakt maar eene zaak van haar vrouwelijke natuur was, den bodem voor

hare ondernemingen had voorbereid, was zij met hare bedoelingen en

plannen meer openlijk voor den dag gekomen.

Na eenigen tijd waren de Atheensche vrouwen tegenover de gade van

Pericles in een tal van partijen verdeeld.

Er waren onverzoenlijken, die haar haatten en die met alle middelen van

vrouwelijke vijandelijkheid zich openlijk en in het geheim tegen haar

verzetten. Er waren er, die Aspasia eene soort van persoonlijke

genegenheid niet weigerden, maar van meening waren, dat hare plannen te

vermetel en onbepaald waren; er waren anderen, die wel is waar de

persoon van Aspasia met afgunstige oogen beschouwden, doch door een

innerlijken drang gedreven werden, om haar voetspoor te volgen en in

vele opzichten te doen als zij. Doch er waren er ook, die zich geheel

en al door Aspasia hadden laten overtuigen en winnen, doch die niet

alleen den moed bezaten zich openlijk met hare leidsvrouw te verbinden

tot een strijd voor de vertrapte rechten der vrouw.

Tot de onverzoenlijkste en nog steeds gevaarlijkste vijandinnen van

Aspasia behoorden, zooals licht te begrijpen is, de verstooten gemalin

van Pericles en de zuster van Cimon.

Deze laatste was gewoon als ’t ware boek te houden van het leven en de

handelingen van Aspasia; zij vorschte uit en verbreidde wat Aspasia tot

andere vrouwen sprak en niet zelden geschiedde het, dat deze woorden

verdraaid van mond tot mond gingen, om de gemoederen der Atheners tegen

de gade van Pericles op te hitsen.

Zoo geschiedde het op zekeren dag, dat Aspasia met eene pas gehuwde

vrouw zich in tegenwoordigheid van haar echtgenoot onderhield. Het

jeugdige paar verlangde van haar te vernemen, waarop het zekere geluk

der liefde en van den echt berustte.

Aspasia voelde den lust in zich opkomen, om eens den Socratischen

redeneertrant te beproeven.

„Wanneer uwe buurvrouw,” zeide zij tot de jonge vrouw, „een schooner

kleed heeft dan gij, welk zoudt gij verkiezen: het uwe of het hare?”

„Het hare,” antwoordde de jonge vrouw.

„En wanneer uwe buurvrouw schooner kleinoodiën bezit dan gij,”

vervolgde Aspasia, „aan welke zoudt gij de voorkeur geven?”

„Aan de hare natuurlijk,” hernam de jonge vrouw.

„En wanneer zij een beteren man heeft dan gij, aan welken zoudt gij de

voorkeur geven, den uwen of dien van haar?”

De jonge vrouw bloosde over deze onverwachte, verbijsterende vraag.

Aspasia echter zei glimlachend:

„In den natuurlijken loop der dingen zal de vrouw den beteren man, de

man de betere vrouw voortrekken. Mij schijnt dus de zekerste waarborg

voor het geluk in de liefde en den echt, dat de man trachte in ’t oog

zijner vrouw de beste aller mannen, de vrouw wederkeerig in ’t oog van

haar man de beste aller vrouwen te zijn. Velen vorderen van anderen de

liefde als een plicht, wat zeer onbillijk is. Men moet ze trachten te

verdienen en er naar streven ze voortdurend levendig te houden.”

Wat Aspasia met deze woorden het jonge paar te denken gaf, was zeker

niet zonder gezonden zin. Doch hoe werden zij niet verwrongen in den

mond van Elpinice en consorten? Het onderhoud van Aspasia met het jonge

echtpaar maakte eenige dagen lang bij de Atheners de ronde. Maar men

vertelde niet, dat Aspasia als eenigen waarborg voor onwankelbaar

echtgeluk verklaard had, dat de man zijne vrouw voor de beminnelijkste

aller vrouwen, de vrouw haar man voor den besten aller mannen moest

houden; neen, men zeide, dat Aspasia de jonge Hipparchia in

tegenwoordigheid van haar gemaal had opgezet, aan een vreemden man

boven haar eigen echtgenoot de voorkeur te geven, als geene haar beter

beviel.

Aspasia besloot de Socratische methoden in hare gesprekken in het

vervolg te laten varen en nog zorgvuldiger dan vroeger er op te letten,

met welk soort van personen zij zich onderhield. De vijandinnen van

Aspasia gingen echter zoover, dat zij opzettelijk met haar gesprekken

aanknoopten, om haar onder den schijn van genegenheid uitspraken te

ontlokken, die haar in de achting der Atheners zouden kunnen doen

dalen. Aspasia doorzag zulk een plan gemakkelijk en wist de aanslagen

dezer vijandinnen soms op eene wijze te verijdelen, die haar, behalve

de voldoening haar doel bereikt te hebben, nog eene soort van

vermakelijk genot verschafte.

Zoo drong zich op een goeden dag een zekere Clitagora met geveinsde

bewondering aan haar op. Aspasia echter wist, dat Clitagora tot de

clique van Telesippe en de zuster van Cimon behoorde.

Zij stelde Aspasia de vraag voor, door welke kunsten eene vrouw haar

echtgenoot het best aan zich zou kunnen boeien?

„De krachtigste van alle kunsten, waardoor eene sluwe vrouw den

argeloozen echtgenoot aan zich en aan den huiselijken haard boeien

kan,” hernam Aspasia met gewichtig gelaat, „is de kookkunst. Mij is

eene vrouw bekend, die als eene Godin door haar man wordt vereerd,

alleen om de lekkernijen, die zij hem dagelijks voorzet. Haar

meesterstuk is de zachte en lichte sesamee [321], die zij uit

sesamusmeel met honig en olie in de pan gereed maakt. Zij neemt gepelde

gerst, stampt ze fijn in een vijzel, schudt het meel in een pot, giet

er olie bij, roert deze brij, terwijl zij langzaam kookt, bestendig om,

besproeit ze van tijd tot tijd met bouillon van hoenders of geiten- en

lamsvleesch, ziet toe dat zij niet overkookt en wanneer ze gaar is,

laat zij ze opdragen. Ook hare hazenpasteien van bastaardnachtegaals en

andere kleine vogels zijn voortreffelijk. Welk man zou zich aan de

verleiding van zulke dingen kunnen onttrekken? Er zijn ook mannen, die

met de zoogenaamde Cappadocische [322] koeken dweepen. Men kneedt ze

het best met honig, snijdt het deeg in dunne platen, die, als ze de pan

maar ruiken, oprollen. Deze rolletjes worden dan in wijn gedoopt en

moeten geheel heet op tafel komen.”

Op die wijze ging Aspasia voort de regels van eene lekkere keuken

uiteen te zetten tot verbazing van een deel harer toehoorderessen en

tot ergernis van een ander deel, dat in deze uitweidingen niets vond,

wat dienen kon, om Aspasia in de openbare meening te schaden en den

roep van hare lichtzinnigheid of hare gevaarlijke beginselen te

bewijzen.

De onaangename tegenstand, die de pogingen van Aspasia in de

vrouwenwereld van Athene voor een deel ondervonden deed haar des te

liever de gelegenheid aangrijpen, die zich voordeed, om een paar

verweesde dochtertjes van haar oudere, te Milete gestorven zuster bij

zich aan huis te nemen. In deze teedere, doch gunstig begaafde en

ontwikkelde meisjes, Drosis en Prasina geheeten, van welk de eene

vijftien jaar en de ander slechts een jaar telde, geloofde Aspasia

geschikte voorwerpen te vinden voor de verwezenlijking harer gedachten

over de vorming van de Helleensche vrouw tot geestelijke en

persoonlijke vrijheid. Men mocht gelooven, dat zij eens de school,

waaruit zij kwamen, eer zouden aandoen en de zaak van Aspasia, die

tegelijk de zaak van het geheele vrouwelijke geslacht was, tot

overwinning zou helpen voeren.

Aspasia(#64986) · 第 32 / 57 段