Alcibiades zocht den nieuwen makker voor zich te winnen en hem in te

nemen door zijne beminnelijke uitgelatenheid. Het gelukte hem niet.

Manes was liefst alleen, legde geene schitterende gaven des geestes aan

den dag, verdiepte zich echter met ijver in alle vakken van wetenschap,

die hem tegelijk met de jongens van Pericles onderwezen werden.

Pericles zelf begon van hem te houden, Aspasia echter vond hem

zonderling en de jonge Alcibiades maakte hem tot het doelwit van zijne

spotternijen en overmoedige scherts.

Het deed aan het geluk van Pericles geen afbreuk, dat zijn huis thans

meer dan vroeger voor zijne vrienden open stond, en dat Aspasia met

opzet, tegen ’t gebruik der Atheensche vrouwen, in het gezelschap van

haar echtgenoot deel nam aan de gesprekken der mannen. Voor het geluk

van minnenden is het toch een nieuwe prikkel, wanneer zij voor eenige

oogenblikken zich in eene grootere omgeving als ’t ware verliezen, om

later dubbel gelukkig elkander weder te vinden.

Van de oudere vrienden van Pericles trad Anaxagoras thans meer op den

achtergrond; hij werd verdrongen door den schitterenden Protagoras, die

zich in Aspasia’s gunst mocht verheugen en wiens frissche,

onbevooroordeelde, gezonde, vrijzinnige levensbeschouwing hem tot een

natuurlijken bondgenoot van de Milesische maakte. Opmerkelijk was het,

dat de dichter der „Antigone” zelden het huis van Pericles bezocht:

hetzij, omdat hij met den hem eigen fijne takt de ijverzucht, die zijn

vriend tegen hem had opgevat, niet opnieuw wilde wekken, hetzij, omdat

hij meende eene bij hem zelven ontwakenden, onedelen hartstocht te

moeten onderdrukken; misschien ook omdat eene andere bekoorlijke vrouw

zijn hart had veroverd en hem aan zijne oude vrienden ontroofde. Niet

onmogelijk is het, dat al deze redenen te zamen zijne bezoeken minder

talrijk maakten....

Was het dus eene zeldzaamheid, dat de vroolijke Sophocles zich daar

vertoonde, des te meer zocht de sombere Euripides, zijn mededinger op

het gebied van het treurspel, het gezelschap van Aspasia. Met hem kwam

Socrates, wiens vriendschap en trouw onveranderd waren gebleven. De

belangen van zijn beroep voerden Phidias soms naar het huis van

Pericles, en Aspasia genoot den triomf te zien, dat hij haar gezelschap

niet vermeed. Tegen hem wist zij eene lieftalligheid aan den dag te

leggen, die op zijn eigenaardig karakter berekend was. Altijd weder

kwam zij in hare gesprekken met hem op zijne Lemnische Godin terug. Zij

wond zich dan op, ja geraakte zelfs in vuur. Naar hare meening stond

Phidias thans op een kruisweg, en zij hoopte invloed te oefenen, op de

richting die hij zou kiezen. Zij wilde alles er op zetten, om zijne

stijfhoofdigheid in de opvatting zijner kunst te breken.

Herhaaldelijk wierp zij hem voor de voeten, dat hij de bekoring der

vrouwelijke schoonheid niet genoeg tot haar recht liet komen.

Phidias versmaadde inderdaad de zoogenaamde modellen. Hij droeg in zich

zelven de volmaakte afbeeldingen van alle schoone vormen. Zoo bleef

zijn kunstenaarsoog het liefst naar binnen gericht en hoe ouder hij

werd des te meer vertrouwde hij op zijn eigen talent. Hij was te fier,

om de werkelijkheid eenvoudig na te volgen en in steen of metaal over

te brengen. Dit echter was het juist, wat Aspasia van hem verlangde.

Toen zij even weder een levendig gesprek van dezen aard met Phidias had

gevoerd en deze zich verwijderd had, zeide Pericles glimlachend:

„Gij schijnt zeer verstoord te zijn op Phidias, omdat hij niet meer bij

de schoone natuur ter schole wil gaan?”

„Zoo is het,” zeide Aspasia; „in zijne ziel worden alleen de idealen

eener, om zoo te zeggen, onbewuste en ernstige schoonheid gevonden. Het

is tijd, dat hij de ten volle ontwikkelde, bewuste bekoorlijkheid en

lieftalligheid niet versmaadt aan de natuur te ontleenen.”

„Naar welke vrouw echter,” hernam Pericles, „zoudt gij hem verwijzen,

om deze volle en betooverende bekoorlijkheid, als uit de zuiverste bron

te putten? Daar Phidias de Homerische Helena niet uit den Hades kan

oproepen en de schoonste van alle thans levende Helleensche vrouwen,

naar het eenstemmig oordeel van alle menschen, gij zelve zijt, zoo zou

ik wel gaarne willen weten, wat gij Phidias zoudt antwoorden, als hij u

vraagt, naar welke vrouw gij hem verwijst?”

„Ik zou hem naar eene vrouw verwijzen,” hernam Aspasia, „die geheel

haar eigen meester is.”

„Maar als hij er op stond zich tot eene vrouw te wenden, die niet haar

eigen meester is?” vroeg Pericles.

„Dan zou hij zich natuurlijk,” hervatte Aspasia, „tot dengene moeten

wenden, wien zij behoort: tot haar heer als zij eene slavin is, of tot

haar echtgenoot, als zij de vrouw is van een Atheensch man.”

„En gelooft gij,” zeide Pericles, „dat een Atheensch man ooit zou

kunnen besluiten, de vrouw, die hem toebehoort geheel en al aan de

blikken van een ander prijs te geven?”

„Waarom doet gij mij eene vraag,” zeide Aspasia, „die gij beter in

staat zijt te beantwoorden dan ik zelve?”

„Welaan dan,” antwoordde Pericles, „ik zal ze beantwoorden. De

Atheensche man zal de vrouw, die hem toebehoort, nooit ongesluierd aan

de blikken van een ander prijs geven. De eerbaarheid der vrouw mag geen

ijdele klank zijn, en wanneer de jonkvrouw van een zedig karakter is,

moet de vrouw, die een man toebehoort, dubbel zedig zijn uit liefde

omdat zij door het prijs geven harer eerbaarheid niet zich zelve alleen

onteert.”

„Uwe meening is achtenswaardig,” zeide Aspasia, „en ongetwijfeld juist.

De grond echter, dien gij er voor aanvoert, schijnt mij niet volkomen

afdoend te zijn. Het komt toch niet zelden voor, dat gij, mannen, uwe

vrouwen aan de oogen en handen der geneesheeren toevertrouwt, zij het

dan ook in eigen tegenwoordigheid. Derhalve komt het mij voor, dat de

eerbaarheid niet de voornaamste reden is en dat niet elke ontsluiering

op zich zelve onzedig is.”

Zoo ver waren Pericles en Aspasia in hun gesprek gevorderd, toen zij

plotseling door het bezoek van twee mannen werden gestoord, wier

gelijktijdig binnentreden in hun huis hen zeer verraste.

De beide mannen waren Protagoras en Socrates.

„Wel, hoe komt het,” vroeg Aspasia glimlachend na de eerste begroeting,

„dat twee uitgelezen mannen, van wie ik sedert het feestmaal bij

Hipponicus altijd gevreesd had dat zij vijandig tegen elkander over

zouden staan, heden zoo vreedzaam te zamen tegelijker tijd dit huis

betreden?”

„Ik zal u vertellen hoe het komt,” antwoordde Socrates, „als gij het

volstrekt wilt weten. Wij beiden, Protagoras en ik, ontmoetten elkander

van verschillende kanten komend, voor de deur van dit huis. Ik voor mij

stond reeds een poos voor den drempel en aarzelde binnen te treden,

omdat mij juist op het oogenblik, waarop ik binnen wilde gaan, eene

gedachte inviel, die ik maar niet uit mijn hoofd kon zetten. Terwijl ik

daar zoo stond, met de oogen naar den grond geslagen, kwam Protagoras

van den anderen kant. Hij zag mij aanvankelijk evenmin als ik hem, daar

hij, terwijl ik in gepeinze verdiept naar den grond keek, met

opgerichten hoofde zijn oog in de wolken en in den onmetelijken aether

liet ronddwalen. Zoo liepen we elkander tegen het lijf; ik herkende

Protagoras en hij mij, en daar wij beiden bemerkten, dat ieder onzer

van plan was hier binnen te gaan, wilden wij ieder terugkeeren en den

andere het veld ruimen. Maar toen wij wederkeerig verklaarden, dat we

elkander de baan vrij wilden laten en geen van beiden elkanders aanbod

wilden aannemen, kwamen wij eindelijk tot den inval, op goed geluk te

zamen het huis binnen te treden.”

Pericles en Aspasia glimlachten en zeiden, dat zij in deze ontmoeting

een goed voorteeken zagen, des te meer omdat zij juist in een soort van

wijsgeerig gesprek verdiept waren. Zij waren, zeiden zij, met een vraag

bezig tot welker oplossing twee mannen, die wel is waar verschillende

meeningen waren toegedaan, maar toch onbetwist wijzen waren, zeker wel

het hunne konden bijdragen.

Toen nu Protagoras en Socrates vroegen, welke de bedoelde vraag was,

maakte Pericles geen bezwaar om de beide mannen de zaak uiteen te

zetten.

„Wij wierpen de vraag op,” zei hij, „of een man bereid zou kunnen zijn

de ongesluierde schoonheid der vrouw, die hij liefheeft, aan het oog

eens beeldhouwers tot model prijs te geven. Ik ontkende dit. Aspasia

echter wees mij er op, dat wij, mannen, onze vrouwen toch wel aan de

oogen en handen der geneesheeren prijs geven, zij het dan ook in onze

eigen tegenwoordigheid; dat wij derhalve soms geneigd zijn andere

gronden hooger te achten, dan die der zedigheid. Dat u nu juist het

toeval hierheen voert is eene bestiering der Goden, die u als wijze

mannen tot beslissing dezer zaak geroepen hebben.”

„Ongetwijfeld,” zei Protagoras, „zijn er gronden, die hooger staan dan

de zedigheid, en beweegredenen, die de schijnbare kwetsing der

zedigheid kunnen verontschuldigen. Een dier beweegredenen heeft Aspasia

reeds aangevoerd. Ik voeg er bij: wat zou er van de beeldhouwkunst

worden wanneer het schoonste zich uit preutschheid aan het oog des

beeldhouwers onttrok? De schoonheid heeft plichten niet alleen

tegenover zich zelve. Wat de natuur haar met kwistige hand heeft

geschonken, dat moet zij der kunst ten goede laten komen. Het schoone

toch behoort in een zekeren zin steeds aan het algemeen en dit laat

zich zijn recht daarop niet ontnemen. Bovendien is de schoonheid,

volgens hare natuur, iets vluchtigs, iets dat op zich zelf alleen voor

het tegenwoordig geslacht aanwezig is en dat niet anders tot de

nakomelingschap gebracht en daarvoor vereeuwigd kan worden, dan doordat

de dichters het in hunne zangen verheerlijken, zooals Homerus de gade

van Menelaüs, of dat een beeldhouwer de levende bekoorlijkheid des

lichaams in marmer of metaal aan de komende geslachten, zoo ver

mogelijk, overlevert.”

„Naar uwe meening,” hernam Pericles, „moet dus eene schoone vrouw als

gemeen goed beschouwd worden, die niemand geheel voor zich alleen mag

bezitten?”

„Alleen hare schoonheid—niet zij zelve,” antwoordde Protagoras.

„Evenals het bij alles, wat in de wereld geschiedt, op de aard en

wijze, waarop dit plaats vindt, aankomt op de omstandigheden, waaronder

het gebeurt, zoo kan ook, mijns inziens, het ten toon stellen van de

vrouwelijke bekoorlijkheid ter bevordering van een grootsch doel, de

kunst, op een aard en wijze en onder omstandigheden plaats grijpen, die

het bedenkelijke der zaak ten volle wegnemen.”

„En welke zouden die omstandigheden zijn?” vroeg Pericles.

„Dit is eene zaak,” hernam Protagoras, „die eenigszins moeilijk is uit

te maken. Zooals Aspasia naar aanleiding van uw vroeger gesprek, dat

gij ons medegedeeld hebt, reeds herinnerd heeft, plegen wij immers eene

vrouw, die zonder getuigen de vertrouwelijke nabijheid van den

hulpbiedenden geneesheer zoekt, voor schaamteloos en onzedig te houden,

doch wij vinden in die soort van vertrouwelijkheid niets bedenkelijks,

als zij plaats grijpt onder de oogen van den man. Daarom mag men eens

en voor goed vaststellen, dat er omstandigheden zijn, waarin de man

zijne vrouw zonder schande of onteering aan een vreemd oog kan prijs

geven...”

„Natuurlijk,” zeide Pericles, „zou ik die prijsgeving eener vrouw,

wanneer het door omstandigheden of door een grootsch doel geboden was,

alleen onder die voorwaarde kunnen billijken. Ik hoop dat gij ook nog

de voorwaarde er bij voegt, dat de vrouw den beeldhouwer alleen zal

geven, wat aan haar voor den beeldhouwer belangrijk is, en dat de

eerbaarheid zich alleen zal terugtrekken tot één punt, maar dit punt,

om zoo te zeggen, tot op den laatsten droppel bloeds zal verdedigen.

Intusschen, herinnert gij u niet de geschiedenis van dien Oosterschen

koning, die door de bekoorlijkheid zijner vrouw betooverd, op den inval

kwam haar geheel naakt aan zijn gunsteling te toonen [319]? Als ik mij

goed herinner, verloor deze koning troon en vrouw en leven door den

gunsteling, die ontvlamd door die bekoorlijkheid, niet rustte, tot hij

bezat wat hem zoozeer had verrukt.”—

„Met andere oogen,” sprak Protagoras, „met andere gezindheid, met

andere gedachten beschouwt een beeldhouwer de naakte schoone gestalte,

als de verwijfde gunsteling eens Oosterschen konings. Gene merkt, als

hij heerlijk ontwikkelde ledematen beschouwt, zóóveel op, dat juist

zijn kunstenaarsoog bezig houdt en eene groote bron van kennis welt

daaruit voor hem op, dat er weinig plaats meer overblijft in zijn

gemoed voor wulpsche gedachten. En die welke soms nog mochten opkomen,

heeft hij leeren te beheerschen. De gewoonte ook heeft voor de grovere

bekoorlijkheid der onthulling hem ongevoelig gemaakt. En wat nu den

ouden, eerwaardigen Phidias betreft—is dat een man? Neen, veeleer eene

door de Godheid gekuste, doch geslachtlooze beeldhouwersziel, die

alleen een lichaam, eene hand heeft, om den beitel te kunnen voeren—dat

is iemand, voor wien alles in de wereld alleen vorm is, nooit stof.”—

„Protagoras’ meening kennen wij nu,” sprak Pericles. „Laat ons hooren

wat Socrates aangaande deze zaak in het midden te brengen heeft. Wat

denkt gij, Socrates? Is het eene vrouw veroorloofd tot bereiking van

een grootsch kunstenaarsdoel, hare eerbaarheid ter zijde te stellen?”

„Dit schijnt mij,” hernam Socrates, „hiervan af te hangen of in de

wereld het schoone een hoogeren rang inneemt dan het goede. En dit is

juist, als ik mij wel herinner, de vraag, die wij al zoo lang trachten

op te lossen en wier oplossing ook bij het feestmaal van Hipponicus

weder werd afgebroken.”—

„Bij alle Olympische Goden,” viel hem Aspasia glimlachend in de rede,

„gij zult mij zeer verplichten, beste Socrates, als gij er heden van

afziet deze vraag uitvoeriger te behandelen en als gij mij voorloopig

vergeeft, dat ik niet inzie, waarom de zedelijkheid de voorkeur zou

hebben boven de schoonheid. Wanneer het eene wet is, dat alles in de

wereld goed en zedelijk moet zijn, dan is het ook eene wet, dat alles

in de wereld naar schoonheid streeft en in haar den bloei van zijn

wezen, het doel zijner ontwikkeling vindt. Bijgevolg kan toch de eene

zoowel als de andere lezer beide wetten alleen eene subjectieve, van

den mensch zelf afhankelijke wet zijn. Daarbij, meen ik, kunnen wij het

voor heden laten berusten.”

„Natuurlijk!” riep Protagoras: „evenals ieder mensch waarheid noemt,

alleen datgene wat hem persoonlijk waar voorkomt, zoo is ook goed en

schoon voor ieder, alleen datgene wat hem alzoo toeschijnt. Eene op

zichzelf vaststaande zedelijkheid bestaat er evenmin, als eene absolute

waarheid.”

De goedige trekken van Socrates namen eene ietwat spotachtige

uitdrukking aan en hij zeide:

„Gij beweert altijd, Protagoras, dat er geene absolute waarheid is en

gij zijt toch zelf de man, die over alles, wat men ook vragen mag, de

meest afdoende en onomstootelijke beslissing kunt geven!”

„Zijne meening openlijk uit te spreken,” hernam Protagoras, „is beter

dan in valsche bescheidenheid voor te geven, niets te weten en toch

altijd en eeuwig alles beter te willen weten, dan anderen.”—

„Ik tracht naar het weten,” zeide Socrates, „dat ik niet bezit. Gij

echter loochent de mogelijkheid daarvan. Moeten wij den menschelijken

arbeid der gedachte reeds als ijdel opgeven, nadat wij dien pas eerst

hebben begonnen?”

„Altijd nog beter,” antwoordde Protagoras, „dan de frischheid en

harmonie van het Helleensche leven door eene sombere en ontevreden

beschouwing te willen vervangen.”

„Ik begrijp nu,” hernam Socrates, „dat er menschen zijn die, omdat zij

de kunst van het denken geringschatten, de kunst van het spreken des te

sterker beoefenen. Want daar de gedachten, die zij uitspreken, naar

hunne eigen verklaring geen onbetwistbare waarde hebben, zoo kunnen het

alleen schitterende woorden zijn, waardoor zij op het gemoed hunner

toehoorders werken.”

„Er zijn ook menschen,” sprak Protagoras, „die de kunst van spreken

geringschatten, omdat zij gelooven, dat men achter hun geveinsden

eenvoud diepzinnigheid, achter hun stamelen de wijsheid van een orakel

en achter hunne bescheiden vragen het afdalen van een verheven geest

zal zoeken.”—

„Het komt mij beter voor,” zei Socrates, „de menschen door vragen, die

hun gemakszucht storen, tot denken te dwingen, dan hen door snel

gevatte, altijd gereede antwoorden, die den vrager hoogst aangenaam

zijn, tot gedachteloosheid te brengen.”—

„Beter is gedachteloosheid,” hernam Protagoras, „dan den bodem der

werkelijkheid te verlaten, op wolken en nevelbeelden te rijden en zich

in het oneindige te verliezen. Intusschen is zulk een zich verdiepen in

de wereld van den onbegrensden gedachtennevel dikwijls verklaarbaar. Er

zijn er toch, die gedwongen worden, jacht te maken op begrippen, omdat

hun de goddelijke gave van stoffelijke kunstgewrochten te scheppen

ontzegd werd.”—

„Ook zijn er sommigen,” antwoordde Socrates, „die met beelden pronken,

omdat hun de gave zich reine en klare begrippen te vormen, niet gegeven

is.”

„Die ellendige droomers,” zeide Protagoras, „zij juist zijn het, die de

deugd gehaat maken, omdat zij met hunne woorden er altijd op

terugkomen.”—

„Bewonderenswaardiger zijn voorzeker zij,” hervatte Socrates, „die de

deugd geheel en al ter zijde laten liggen, om nooit uit de atmosfeer

eener schoone liederlijkheid te geraken.”—

„Zoo lang de liederlijkheid schoon en beminnelijk is,” hernam

Protagoras, „is het beter dan de noodzakelijke onthouding van hen, die

op het gebied der schoonheid en van het genot het onkruid van den

angstvalligen twijfel zaaien, omdat zij zelven niet tot schoonheid en

genot geroepen zijn.”—

„Zulk een ben ik,” hervatte Socrates kalm. „Gij echter, Protagoras,

schijnt mij een van diegenen te zijn, die de vrije gedachte tot datgene

willen maken, wat zij zelven zijn, tot dienstknechten der zinnen!”

„Ik betreur het,” viel hier Pericles de twistenden in de rede, „dat gij

met deze woordenwisseling de zaak, die hier behandeld werd, niet tot

beslissing hebt gebracht, maar u, naar mij voorkomt, in een

onvruchtbaren, heeten woordenstrijd hebt begeven.”

Socrates zeide:

„Ik weet, dat ik hier slechts de overwonnene kan zijn!”

Na het uiten dezer woorden verwijderde hij zich kalm, zonder een spoor

van opgewondenheid in zijne trekken.

Spoedig daarop ging ook Protagoras heen, echter niet zonder alvorens

zijn opgewekt gemoed door eenige bittere woorden lucht te hebben

gegeven.

„Deze beide wijze mannen,” zeide Pericles tot Aspasia, „schijnen mij

volkomen tegen elkander opgewassen te zijn. Zij gingen elkander te

lijf, als kunstmatig geoefende kampvechters, en het is moeilijk te

zeggen, wie van beiden op de eer der overwinning aanspraak mag maken.”

Aspasia glimlachte slechts en ook toen Pericles haar reeds alleen

gelaten had, zweefde nog die glimlach om hare lippen. Zij wist zeer

wel, wat den strijd der beide mannen tot zulk een felheid had gedreven

en wat daar zelfs van den kant van den zachten Socrates zooveel

snijdends en bitters onder gemengd had. Zij las evengoed in het hart

van den droomer, als in dat van den schitterenden sophist, die geen

woord sprak, waarvan hij niet wist, dat het aan het oor der schoone

Milesische welgevallig zou zijn.

Tegen Socrates ontstond, sedert zijn woordenstrijd met Protagoras, in

Aspasia een toenemend gevoel van afkeer en bijna zonder zich er van

bewust te zijn, ontkiemde in hare ziel het plan om met vrouwelijke

arglistigheid de wijsheid van den man, die op „de vrije gedachte”

altijd hamerde en „de slavin der zinnen” verachtte, zoo mogelijk aan

hem zelven te schande te maken.

XVI.

DE VROUWEN OP HET THESMOPHORIËNFEEST [320].

„Dat is de schoonheid zelve!” riepen de Atheners, toen Phidias zijn

nieuw metalen beeld van Pallas, dat de Lemniërs hem opgedragen hadden,

voltooid had, en het voor de eerste maal voor de blikken der Atheners

onthulde. Een roep van verbazing en verrassing klonk door geheel

Athene.

Wat wilde Phidias nu? Zooals hij de Godin in zijn jongste werk had

voorgesteld, had geen Griek haar gedacht.

Zij was zonder helm en zonder schild. Vrij golfden de krullende lokken

om haar fier, maar niet minder liefelijk opgericht gelaat. Wonderschoon

was de omtrek van dit gezicht; onvergelijkelijk teeder waren de wangen

gevormd. Men meende haar te zien blozen. De beide geheel naakte armen

waren, evenals de handen, modellen van den fijnsten en edelsten vorm.

De opgeheven arm liet een deel der rechterzijde onbedekt zien, slechts

licht plooide zich het gewaad om de heupen en hier als overal liet het

de omtrekken der gestalte in volmaakte zuiverheid uitkomen.

Zoo eenstemmig de Atheners in den lof der schoonheid van deze nieuwste

schepping van Phidias waren, even eenstemmig waren zij in hunne

bewering, dat voor deze Pallas, Aspasia den kunstenaar tot model moest

gediend hebben.

Niet geheel dwaalden zij met deze bewering.

Inderdaad, als reeds Theodota het verstond haar lichaam als eene

kunstenaarsstof te behandelen, de gedaante van verscheidene Godinnen

daarin op verrassende, indrukwekkende wijze voor te stellen voor deze

verrichtingen in den dienst der kunst geheel Athene tot getuige had,

zoo wist Aspasia dezelfde kunst in nog edeler en verhoogde mate ten

toon te spreiden. Maar de eenige getuigen van de ontplooiing dier gaven

waren Pericles en Phidias geweest.

De ernstige Phidias ging zelfs zoo ver om voor een oogenblik toe te

geven, dat de natuur menigmaal het ideaal nabij kon komen.

In de Pallas van Aspasia echter had Phidias reeds niet meer de bloote

natuur voor oogen. Wat hij daar zag was een schepping der nabootsende

kunst, eene vreeselijke gestalte, uit den geest wedergeboren. Aspasia

drukte op de natuurlijke stof harer schoonheid met

kunstenaarsbewustzijn evengoed een bepaalden stempel, als Phidias naar

eene bepaalde, inwendige beschouwing en bedoeling het marmer beitelde.

Terwijl Phidias de bekoorlijke lieftalligheid van de schoone en wijze

Aspasia in duurzaam metaal vereeuwigde, luisterde hij inderdaad naar de

vermaning van Pericles om de wijsheid voor te stellen in het

betooverende, alverwinnende gewaad der schoonheid.

Reeds Alcamenes had iets nieuws en wonderschoons bereikt, toen hem

vergund was, uit de levende bron van Aspasia’s schoonheid te putten.

Phidias loste dezelfde vraag op, doch hij loste ze op als aller groote

meester, als de verhevene, de onvergelijkelijke.

Wat Phidias in zijne laatste Pallas gaf, was Aspasia, maar verheven tot

eene zoo reine en bovenmenschelijke hoogte, dat zij te gelijk als een

ideaal zich voordeed, als een belichaamde droom der edelste

beeldhouwersziel.

Toen Socrates dit nieuwe beeldwerk zag, sprak hij op zijne zinrijke

wijze:

„Uit dit beeld zou de schoone Aspasia evenveel van den meester Phidias

kunnen leeren, als de meester Phidias geleerd heeft van de schoone

Aspasia.”

Zonderling was het, dat de loftuitingen, waarmede de Atheners de

Lemnische Pallas van Phidias overlaadden, hem ontstemden en knorrig

maakten. Hij hoorde er niet gaarne van spreken. Hij had dit werk

wellicht daarom minder lief omdat hij het niet geheel uit zich zelf

geschapen had. Hij had, naar het scheen, met eene soort van half

onbewusten onwil zich van zijne taak, die hem van buiten af opgedragen

was, gekweten, en met wier volbrenging hij alleen zich van eene onrust

zocht te bevrijden, die als door eene vreemde betoovering, in hem

opgewekt was geworden.

Nu scheen hij des te dieper in zich zelven te willen terugkeeren.

Stiller en ernstiger dan ooit wandelde hij rond en verloor zich in de

beschouwing van een verheven beeld, dat in de verborgen diepte zijner

ziel hem tegenstraalde. Hij was weder geheel en al zich zelf geworden.

Hij vermeed Aspasia, hij verkeerde nauwelijks meer met Pericles en op

een goeden dag verliet hij stil en heimelijk Athene, om naar Elis te

gaan, ten einde daar de grootsche gedachten zijner groote ziel te

verwezenlijken.

De onverzadelijkste en onvermoeidste bewonderaar der Lemnische Pallas

bleef Socrates. Hij scheen zijne liefde voor de Milesische op de Godin

van Phidias over te willen brengen. De natuurlijke Aspasia kwam hem

niet meer volkomen voor, van het oogenblik af, waarop hij haar hooger

ideaal in steen belichaamd zag. En toch kon men toen van hem zeggen,

dat hij zijn tijd tusschen die Pallas en haar levend model verdeelde.

Dagelijks zag men hem zijne schreden naar de woning van Pericles

richten, zelfs op gevaar af daar den welsprekenden Protagoras te

ontmoeten.

Aspasia(#64986) · 第 31 / 57 段