„Welnu,” ging Diopithes voort, „gij ziet, dat de mannen die dit

Parthenon gebouwd hebben, schijnen te meenen, dat zij geen goede

voorteekens meer noodig hebben. Het getal dezer kleinere trappen is

even. Zij mogen nu werkelijk, hetzij in fieren trots of door de Goden

met verblinding geslagen, tegen den heiligen regel gezondigd hebben:

wat zij daar opgericht hebben doet zich reeds bij den eersten aanblik

voor als een goddeloos, den Goden ongevallig werk. En ik zeg u: het is

in zijn geheele ontwerp eene geringschatting, eene beleediging, eene

beschimping der Goden. Zie toch eens: sedert de Panathenaeën voorbij

zijn, sedert de overwinnaars in de wedstrijden hunne prijzen

weggedragen hebben, sinds het volk zich zat gegaapt heeft aan het

verkwiste goud en ivoor van Phidias’ standbeeld, is de feesttempel,

zooals zij dien noemen, weder gesloten, het beeld der Godin bedekt;

opdat het voor het volgende feest niet door het stof verontreinigd

mocht zijn, en, in plaats van priesters en hunne dienaren, ziet men dag

aan dag alleen de schatmeesters in- en uitgaan, die in het achterste

deel van het gebouw hunne bezigheden verrichtend, de gelden, die

inkomen en uitgegeven worden, natellen. En zoo klinkt, o hoon en

misdaad! in ’t oor der Godin, in plaats van den klank van vrome

woorden, alleen het gerammel van goud- en zilverstukken!”

Op deze ontboezeming van Diopithes begon de man, met wien de priester

zich onderhield en die door zijn uiterlijk bleek een vreemdeling te

zijn, onverschillig naar de hoeveelheid, de waarde en het bedrag der

gemunte en ongemunte schatten te vragen, die in dit huis onder de hoede

van Pallas Athene opgehoopt lagen, en Diopithes gaf bereidwillig alle

inlichtingen, die hij kon geven.

„Een mooie spaarpenning of liever een mooie buit is het,” merkte de

vreemdeling op, „dien gij Atheners daar opgestapeld hebt. Maar mij

dunkt gij zult dien voorraad wel spoedig uitgeput hebben, ook in

vredestijd.”

„Nog in langen tijd niet,” hernam Diopithes.

„Ik zie echter,” vervolgde de vreemdeling, „dat, nu deze kostbare

tempelbouw juist voleindigd is, men reeds met eene gelijke haast en

gelijken ijver hier boven een nieuw werk begonnen is, een prachtpoort

voor de Acropolis, voorzalen in den verhevensten stijl, niet minder

grootsch dan het Parthenon zelf—”

„En niet minder onzinnig, niet minder overtollig,” viel Diopithes hem

in de rede. „Dat is toch juist,” vervolgde hij, „de snoodheid van die

overmoedigen, die Athene’s lot tegenwoordig besturen. Zij laten het

heiligdom van Erechtheüs vervallen, dat zelfs de Pers slechts ten halve

waagde te vernielen, en richten daarentegen pronkzalen op, volgepropt

met de ijdele beelden van de uit heel Hellas saamgevloeide bent van

Phidias.”

„Maar is Pericles dan almachtig?” riep de vreemde. „Hoe komt het, dat

niet één van alle beroemde veldheeren en staatsmannen der Atheners,

zoover ik weet, het lot der verbanning is ontkomen, en Pericles

daarentegen eene zoo lange reeks van jaren zonder tegenkanting in zijne

oppermacht zich staande houdt?”

„Hij is de eerste staatsman,” zei Diopithes, „wien de Atheners den tijd

laten hen zelven te gronde te richten.”

„Dat verhoeden de Goden!” hernam de vreemdeling. „Ik ben een eenvoudig

man uit Euboeä en wensch den Atheners alles goeds toe.”

„Waarom veinst gij?” zeide Diopithes, terwijl hij den vreemdeling strak

in het gelaat keek. „Gij zijt de man uit Sparta, dien zij bij het feest

der Panathenaeën van den drempel van het Parthenon verdreven hebben. Ik

heb alles gezien en herkende u aanstonds weder, toen gij, over de

hoogte van de Acropolis wandelende, u met eenige vragen tot mij wendet.

Ja, gij zijt een Lacedaemoniër en als gij zegt, dat gij den Atheners

alles goeds toewenscht, spreekt gij onwaarheid. Maar vrees daarom niets

van mij! Er zijn Atheners, die mij gehater zijn dan het geheele

Spartaansche volk. En het is ongetwijfeld wel bekend, dat hier te

Athene de tegenstanders van al die nieuwigheden, de vrienden der oude

tucht, Laconisten genoemd worden. En niet ten onrechte.”

Schier onwillekeurig reikte de man uit Sparta den Erechtheüs-priester

de hand.

„Geloof niet,” ging deze voort, „dat het aantal dergenen, die op

Pericles verbitterd zijn, in zijn nieuw Athene gering is. Kom mede! Ik

zal u eene plaats wijzen, waar niet minder dan om het Erechtheüm,

onverzoende wraakgeesten zweven.”

Na het uiten dezer woorden voerde Diopithes den Spartaan naar den rand

van den westelijken heuvel van de Acropolis en wees hem met de hand

naar een steilen, somberen, woesten rotsheuvel, die tegenover den

burgt, alleen door eene kloof daarvan gescheiden was, doch lager dan

deze zich verhief.

„Ziet gij dien steilen heuvel, welks rotsblokken als door Titanen

handen op elkander gestapeld zijn?” vroeg Diopithes. „Ziet gij de in de

rots gehouwen trappen, die naar eene vierkante ruimte voeren? Van deze

plaats echter leidt een andere trap, ook in de rots gehouwen, naar eene

diepe, donkere kloof, waaruit een zwart water ontspringt. In die kloof

staat het heiligdom der sombere wraakgodinnen, der Erinnyen met

slangenlokken en die vierkante ruimte op de hoogte van den berg is de

verzamelplaats van het overoude, eerwaardige, door de Goden zelven

ingesteld gericht, dat wij den Areopagus plegen te noemen. Den grijzen

rechters van dit gericht is de hoede van dit heiligdom der Erinnyen

toevertrouwd: in hunne handen zijne overoude inzettingen en

heiligdommen gegeven, die in een geheimzinnig duister gehuld zijn en

waaraan het heil van den staat is vastgeknoopt. Zij alleen weten, wat

de stervende lijder Oedipus in het oor van koning Theseus gefluisterd

heeft, toen hij op den heuvel van Colonus in het woud der Eumeniden het

doel van zijn langen zwerftocht had gevonden. Tusschen bloedige offers

worden de strijdenden geplaatst, over wier zaak deze rechters

beslissen, en een eed leggen zij af met afschuwelijke verwenschingen

tegen zich zelven en tegen de hunne, als zij anders dan naar de

strengste rechtvaardigheid mochten uitspraak doen. Zwijgend leggen zij,

nadat zij de zaak hebben aangehoord, hun vonnis in twee urnen, in de

urn der barmhartigheid of in de urn des doods. Opzettelijken moord te

vonnissen was van den beginne af hun ambt. Maar ook zedeloosheid,

nieuwigheden in den staat en in den dienst der Goden te straffen,

behoorde oorspronkelijk tot hunne taak; in den intiemsten kring van het

familieleven door te dringen was hun veroorloofd, om de meest verborgen

misdaad aan het licht te brengen. Zij straften den vadermoorder, zij

straften den brandstichter, zij straften den man, die een onschuldig

dier zonder noodzaak had gedood, zij straften den knaap, die

meedoogeloos een jongen vogel de oogen had uitgestoken. Protest aan te

teekenen tegen besluiten van het geheele volk, was hun vergund. Is het

te verwonderen, wanneer deze plaats der oude tijden, deze op de rots

van den Ares-heuvel gegrondveste burg der vrome tucht, den machthebbers

van het nieuwe Athene al lang een doorn in het oog is geweest? Pericles

was het, die het eerst deze heilige macht durfde trotseeren, die hare

voorrechten beperkte, haar aanzien verminderde, haar den onaangenamen

invloed op de staatsaangelegenheden besnoeide. Te vergeefs! Evenals

over dezen zelfden Ares-heuvel de brandende pijlen der Perzen tegen den

burg en tegen den ouden tempel der Acropolis vlogen, zoo vliegen

heimelijk thans van daar de gramstorige blikken der Areopagiten,

zwanger van onheil, naar den nieuwen tempel van Pericles!”—

„Maar de groote massa der Atheners houdt toch van Pericles,” zei de

Spartaan—„zij houden hem voor een oprechten vriend der

volksheerschappij.”

„Ik houd Pericles voor niet onnoozel genoeg,” hernam Diopithes, „om een

oprecht vriend der volksheerschappij te zijn. Een man, uitnemend in

geestesbeschaving, is nooit een eerlijk vriend der volksheerschappij.

Want hoe zou het hem voldoen, de macht, die hij de onverstandige

menigte ontwrongen heeft, vrijwillig weder met haar te deelen, en zich

in zijne beste plannen, in zijne schoonste ondernemingen door bekrompen

hoofden te laten storen en dwarsboomen? Pericles vleit, als alle

volksmannen, de massa, om zich van haar tot volvoering zijner

eerzuchtige plannen te bedienen. Wellicht blijft hem uit den gouden

schat in het achtergebouw van het Parthenon ten laatste zooveel over,

dat hij zich daaruit eene kroon kan doen vervaardigen, die hij zich op

een feest der Panathenaeën, ten aanschouwe van het verzamelde volk en

aan de voeten der Godin van Phidias, op het hoofd zet. Bereidt er u op

voor, gij Lacedaemoniërs, om den Hellenen koning en zijne koningin

Aspasia, door het geven van eene kluit Spartaanschen grond en eene

kruik water uit den Eurotas, te helpen huldigen!”

Bij deze laatste woorden zag de priester om. „Laat ons heengaan,” zei

hij tot den Spartaan, „ik zie menschen naderen, die hier boven den

grond voor de nieuwe voorzalen afbakenen. Men zou mij een samenspanning

met Lacedaemon ten laste leggen als men ons te zamen zag spreken.”

Zoo sprak de Erechtheüs-priester en verdween weldra met de man uit

Sparta achter de zuilen van het Erechtheüm, waar beiden nog een

tijdlang zich vertrouwelijk onderhielden.

Weinige dagen na het feest der Panathenaeën had Telesippe, door

minnelijke schikking van Pericles gescheiden, het huis van haar gemaal

verlaten en Aspasia was in hare plaats als wettige gemalin daar binnen

geleid.

Niet verootmoedigd verliet Telesippe het huis van haar echtgenoot, maar

met fier opgeheven hoofde; want zij ging een lot te gemoet, waarvoor

zij zich toch geboren waande, welks vervulling echter zij niet meer had

durven hopen.

Altijd was het begin harer klachten geweest: „Ik had de gade van den

Archon Basileus kunnen wezen!”

Toen het besluit om van Telesippe te scheiden in Pericles gerijpt was,

kon hij niet nalaten er op te peinzen, hoe hij het smartelijke van den

indruk zou kunnen verzachten, die deze beslissing noodwendig op zijne

gade moest maken. Hij herinnerde zich hoe dikwijls zij van den Archon

Basileus had gesproken. Hij, die thans het ambt van Archon Basileus

bekleedde, was een vriend van Pericles, een man van tamelijk

gevorderden leeftijd, doch ongehuwd. Pericles begaf zich tot hem en

vroeg hem, of hij niet genegen zou zijn te huwen. De Archon Basileus

was een stil, eenvoudig mensch en zeide, dat hij niet ongenegen was in

het huwelijk te treden, als er zich maar een geschikte bruid voor hem

opdeed.

„Ik ken eene vrouw,” zei Pericles, „die geknipt is voor een man als

gij; het is mijne eigene vrouw. Voor mij zelven heeft ze te weinig van

die opgeruimdheid, waardoor een staatsman bij zijne tallooze

beslommeringen afleiding en opwekking kan erlangen, en te veel van die

strengheid, van die deftige waardigheid, die een ernstig man, met het

priesterlijk gewaad omhangen, als gij, ongetwijfeld moet aantrekken. Ik

sta op het punt, om van Telesippe te scheiden, doch ik zou mij zeer

gelukkig achten, als ik wist, dat zij uit mijn huis in dat van een

beter man overgaat, en dat zij daar, waar zij heengaat, datgene zou

vinden, wat zij in mijn huis miste.”

De Archon Basileus nam deze woorden zoo ernstig op, als zij gemeend

waren. Over het bezwaar, dat een Archon Basileus doorgaans alleen met

eene jonkvrouw huwde, deed Pericles hem heenstappen, door hem te

beloven, dat hij al zijn invloed bij de Atheners zou aanwenden, om de

schending van dit oud gebruik onopgemerkt te laten. Daarop gaf de

Archon ten laatste de verklaring, dat hij bereid was Telesippe uit het

huis van haren tegenwoordigen echtgenoot in het zijne als wettige gade

binnen te leiden.

Pericles deelde zijne gade te gelijkertijd zijn besluit mede van haar

te scheiden en het voornemen van den Archon Basileus met haar te willen

huwen.

Telesippe vernam de beslissing koud en ongevoelig: zij uitte geen enkel

woord, doch trok zich terug in haar vrouwenvertrek. Toen zij daar

echter de beide knapen zag, die zij nu verlaten moest, trok zij hen tot

zich en schreide bittere tranen op hun hoofd. Zij dacht er aan, hoe zij

Hipponicus kinderen had gebaard, hoe hij haar had verstoten en hoe zij

de vrucht van haar schoot voor altijd had moeten verlaten: hoe zij

voorts Pericles kinderen had geschonken en ook dezen verlaten en van

hen moest scheiden en aan een nieuwen echtgenoot zich verbinden. Zij

scheen zich zelve toe van alle recht beroofd, hulpeloos van huis tot

huis verjaagd....

Maar de echtgenoot van den Archon Basileus! Het doelwit harer eerzucht!

Het eens verloren en nu toch bereikte geluk haars levens! Ja,

waarlijk—alleen der verstootene gade was daarmede voldoening gegeven,

niet der moeder. Door den dwazen trots der vrouw heen voelde zij altijd

door de angstige slagen van het onverzoende moederhart.

En toen nu het oogenblik was gekomen, waarop Telesippe het huis van

haar echtgenoot zou verlaten en op het voorhoofd harer zonen den

laatsten kus drukte, om voor altijd van hen te scheiden, werd ook

Pericles plotseling door een zonderling gevoel overweldigd: het scheen

hem toe, dat men toch geen heiligen band, die eens twee menschenharten

had vereenigd, ooit kon verbreken zonder iets van het hartebloed

daarmede vergoten werd.

Telesippe had hem kinderen gebaard, kinderen, die zijne trekken, zijne

gelijkenis op ’t gelaat droegen. Hoe zou niet voor altijd eerwaardig en

heilig voor den man zijn de vrouw, die hem kinderen had geschonken, die

zijne trekken droegen? Op het voorhoofd der kinderen was de stempel

gedrukt der ontwijde moedereer. Deze erfenis liet zij bij haar scheiden

hare kinderen en haar echtgenoot achter. Pericles was zich daarvan

helder bewust, toen Telesippe zijn huis verliet.

Straks reeds had hij met een koelen, ernstigen handdruk van haar

afscheid genomen; thans greep hij nog eenmaal de hand zijner vrouw, de

moeder zijner kinderen, en een traan bevochtigde die. En toen Telesippe

reeds lang zich verwijderd had, stond Pericles nog geruimen tijd in

gepeins verzonken, met eene vraag zich bezig houdend, die geene

menschelijke wijsheid ooit zal oplossen....

Zonderling en raadselachtig zijn de plichten der menschen en hunne

rechten met elkander in strijd....

Voor Pericles en zijn huwelijksleven was de teerling geworpen.

Het keerpunt in zijn huiselijk leven had een tweeledig aanzien, zooals

bijna alle menschelijke zaken. Op het ernstig afscheid van Telesippe

volgde de blijde intocht van Aspasia. Hare intrede verdreef gemakkelijk

de donkere schaduw op het diepzinnig voorhoofd van Pericles. Zij

verspreidde licht en glans tot in den diepsten hoek des huizes. Aspasia

kwam begeleid door alle lachende lentegeesten. Eene geurige, frissche

lucht verjoeg de tot nu toe dompige atmosfeer van het huis.

De oude, eerwaardige huisgoden waren met Telesippe heengetogen, Aspasia

bracht nieuwe mede. Zij plaatste in het peristylium den vreugderijken

Dionysus en de lachende Aphrodite en den gelokten, schitterenden

beschermgod van den Ionischen stam, den met pijl en lyra gewapenden

aanvoerder der Muzenreien, Apollo. Ook ontbraken van nu af niet de

Chariten aan het altaar van dit huis, waar het passend offer haar zoo

lang was geweigerd.

De geest van vernieuwing, die Aspasia’s schreden overal volgde,

begeleidde haar ook in het huis van Pericles. Binnen korten tijd was

dit huis op vroolijke en weelderige wijze ingericht. Niets leelijks,

niets onedels duldde Aspasia rondom zich. Wijken moest, wat geen genade

vond in haar oog, wat niet overeenstemde met haar schoonheidsgevoel.

Schoonheid werd verklaard als de hoogste wet, ook aan den huiselijken

haard. Kunstenaarshanden moesten de muren der vertrekken met

bekoorlijke beelden versieren. Uit kunstenaarshanden moest voortaan

niet alleen voortkomen, wat het leven siert en schoonheid geeft, maar

ook wat slechts moest dienen voor dagelijksche behoeften.

Eenvoudig was tot heden het huishouden van Pericles; nu mishaagde hem

dezen eenvoud zelven. Niets is aangenamer voor den minnende, dan het

verblijf der geliefde zoo bekoorlijk mogelijk in te richten. Geen man

versiert voor zich zelven het huis, voor eene geliefde vrouw echter

wordt zelfs de vrek een verkwister. Met blijdschap hielp Pericles zijne

beminde Aspasia de woning van zijn nieuw geluk in een tempel der

schoonheid herscheppen.

Den fijn ontwikkelden zin voor hetgeen het oog bekoorde, voor het

smaakvolle en harmonische, die den vrouwen eigen is en dien zij in hare

sieradiën, in hare kleeding aan den dag leggen, bezat Aspasia in zoo

ongemeene mate, dat Pericles zich als in de macht eener toovenares

bevond en zijne geliefde smeekte, dat zij toch ook niet hem zelven, als

alles rondom haar, zou veranderen. Maar hij was reeds veranderd. Zonder

verwijfd geworden te zijn, ontwikkelde hij nu in zich een zin, die tot

heden in den rusteloos werkzamen man geheel gesluimerd had. De

geliefde, of liever de liefde zelve, leerde hem de diepe en niet te

verachten poëzie kennen en waardeeren, van hetgeen hij tot nu toe niet

had opgemerkt. Wat waren hem vroeger paarlen en edelgesteenten geweest?

Thans kon hij een juweel, dat in een gouden band aan den leliewitten

arm der geliefde fonkelde, een zeer langen tijd beschouwen en zich in

zijn bont flikkerend licht, als in eene zonderlinge openbaring,

verdiepen. Wat waren hem vroeger geurige zalven, wat was hem al het

reukwerk der wereld geweest? Thans was zijn zin ontwaakt voor iederen

fijnen, geurigen adem, die in de nabijheid der geliefde hem omgaf en

iedere kleurmengeling bracht eene aangename gewaarwording in zijne

ziel. Wat waren hem tot heden kleuren geweest? Eene vluchtige bekoring

op zijn hoogst, waarvan hij zich nauwelijks bewust was. En thans? Wat

een leven, welk eene betoovering kreeg voor zijn oog het gloeiend rood,

het vlammend geel, het verrukkelijk blauw, het liefelijke, zachte

groen, als het om het lichaam der geliefde golfde of wanneer hare

schoone, blanke leden daardoor te meer uitkwamen.

De band der liefde en eene onbeperkte toewijding moge twee harten nog

zoo lang en gelukkig vereenigd hebben, de band die Hymen om hen slaat,

bereidt hen toch een nieuw, tot nu toe onbekend geluk. De echt heeft,

evenals de liefde, zijne eigenaardige zaligheid. Dagelijks opnieuw zich

te verliezen en dagelijks opnieuw zich terug te vinden mogen aan de

zalige oogenblikken der liefde haar aantrekkelijkheid geven; maar ook

het bewustzijn zijn hoogste geluk altijd in zijne nabijheid te hebben,

is benijdenswaard.

Wie op het huwelijk laag neerziet kent de liefde niet.—

Iedere dag had thans voor Pericles zijn eigenaardigen lust, zijn

eigenaardigen glans, zijne eigenaardige bekoorlijkheid. Altijd was

Aspasia voor Pericles alles en toch iederen tijd iets anders: des

morgens zijne rozenvingerige Eos, des avonds zijne Selene [317], zoete

sluimering op zijne oogleden droppelend, des daags zijne Hebe, die hem

den beker des levens aanbood. Zij was de Hera van den „Olympiër,” maar

zij behoefde nooit den toovergordel eerst van de gouden Aphrodite te

ontleenen. Nog meer: in menig oogenblik scheen zij hem eerwaardig toe

als zijne moeder en op andere tijden beminde hij haar met de liefde,

waarmede men een kind liefheeft.

Wanneer reeds doode sieraden, edelgesteenten, paarlen, geurige balsems,

schitterende kleuren door de liefde eene nieuwe betoovering verkrijgen,

in den minnende een nieuw, tot nu toe onbekend gevoel opwekken, welk

verhoogd leven, welke nieuwe betoovering moet dan de poëzie, moet de

muziek minnenden harten instorten? Welk een volheid en weelde van

bekoorlijkheid en genot moest de betooverende Aspasia niet uit deze

bronnen weten te scheppen en te putten!

Zong Aspasia Pericles een lied voor bij de luit of las zij hem gelijk

zij als kind aan Philammon had gedaan, uit boekrollen voor, zoo wist

hij niet, wat hem meer verrukte: wanneer zij met gloeiende wangen

geheel opging in het vuur harer kunst of van den dichter, dien zij las,

of wanneer zij in moedwillige dartelheid haar lied of voordracht met

kinderlijk gekeuvel, overbodige liefdesvragen, met vriendelijk gevlei

telkens afwisselde...

De Atheners hadden in den regel geen eigenlijk tehuis. Zij leefden

buitenshuis. Pericles echter bezat thans een tehuis.

Dat de knapen Xanthippus en Paralus de zoons van Pericles, niet van

Aspasia waren, kwam dit niet juist het echtgeluk van Pericles ten

goede? Hij behoefde Aspasia’s liefde niet met hen te deelen.

Wanneer aan beiden nog iets ontbrak, was het wellicht alleen het

geheele, volle bewustzijn van hun geluk. Want eigenlijk begrijpen niet

de gelukkigen zelven, maar alleen zij, die het missen, geheel en ten

volle het geluk der gelukkigen. Met goede bedoeling mengen de Goden

gaarne een droppel alsem in iederen vreugdebeker: want slechts het

verstoorde of bedreigde geluk komt tot klaar bewustzijn.

Het huwelijk van Pericles en Aspasia gaf den Atheners onuitputtelijke

stof tot gesprekken. Men behandelde het op de Agora, men vertelde in

alle gaanderijen, in alle worstelplaatsen, in alle werkplaatsen der

handwerkslieden en in alle barbierswinkels van gansch Athene, dat

Pericles zijne gade kuste, zoo dikwijls hij van huis ging en wederom

als hij terug kwam. Een man verliefd op zijne vrouw! Men sprak van de

witte Sicyonische paarden en het schitterende rijtuig, waarmede de

nieuwe vrouw van Pericles soms door Athene’s straten reed. Men sprak

van de omkeering, die in het eens zoo eenvoudige huis van Pericles had

plaats gegrepen. Men sprak van de nieuwe, prachtige muurschilderingen,

waarmede het versierd was, in het bijzonder van eene, die de plundering

van den Olympus door de Eroten voorstelde. Getooid met den buit trokken

zij jubelend voort: deze met den bliksem van den Cronide [318], gene

met den boog van Apollo, een derde met den helm en het schild van Ares,

weer een andere met Heracles’ knots, met den thyrsus van Bacchus, met

de fakkels van Arthemis, met de gevleugelde sandalen van Hermes.

Men zeide nu zelfs, dat Aspasia de redevoeringen opstelde, die Pericles

voor het volk hield. Pericles, de Olympiër, de sedert zoo langen tijd

gevierde redenaar, liet zich dit glimlachend welgevallen en erkende,

dat hij zijne gelukkigste gedachten aan Aspasia te danken had. Aspasia

bezat eene betooverende, zoetvleiende, krachtige taal, zooals men soms

bij vrouwen aantreft, waaraan zich een liefelijke, zilveren klank van

stem paarde; en zoo maakte zij op de mannen den indruk, als ware zij

met groote gave van welsprekendheid bedeeld en eene vrouw, van wie men

veel leeren kon.

Echter werd er ook onder het volk gemompeld, dat Aspasia Pericles zocht

te verleiden naar de koninklijke waardigheid te streven. Men zeide, dat

zij niet achter hare landgenoote Thargelia wilde staan, wie het ook

gelukt was de gade van een koning te worden.

Steeds nog stond de eerwaardige Elpinice aan de spits dier

nieuwigheidsventers. Zij was de levende en wandelende kroniek van

Pericles’ huis te noemen. Van haar afkomstig was het verhaal van den

kus, welke Pericles bij het uitgaan en terugkeeren aan zijne vrouw gaf.

Zij wist het, welke gezindheid Aspasia jegens de kinderen van Pericles

koesterde en jegens den jongen Alcibiades.

Zij wist te vertellen, dat Aspasia niet van Paralus en Xanthippus

hield, dat zij zich weinig aan hen liet gelegen liggen, hen overliet

aan de zorg van den paedagoog, doch zich als eene moeder den jongen

Alcibiades aantrok, hem vertroetelde, dat onder hare handen de zoon van

Clinias verwijfd en nog wat ergers zou worden.

Was het te verwonderen, dat Aspasia voor den heerlijk begaafden

pleegzoon van Pericles partij trok tegen zijne zoons, die wel is waar

des vaders trekken op het gelaat droegen, doch in karakter de

evenbeelden hunner moeder Telesippe waren?

Behalve Alcibiades, Paralus en Xanthippus groeide nog in het huis van

Pericles een andere knaap op, die wel niet tot de huisgenooten van

Pericles behoorde, maar toch ook niet onder de slaven gerekend kon

worden. Pericles had hem uit den Samischen oorlog mede naar Athene

gebracht. Men wist niets meer van zijne afkomst, dan dat hij de zoon

van een Thracische of Scythischen of een ander Noordsch koning was, dat

hij door eene vijandelijke hand als kind aan zijne ouders ontroofd was

en vervolgens als slaaf was verkocht. Pericles vond hem op Samos. Zijne

deelneming werd opgewekt door het droevige lot en het ongemeen

uiterlijk van den knaap; hij kocht hem en voerde hem met zich naar

Athene. Hier liet hij hem opvoeden met zijne eigen kinderen. Zijn naam

was Manes. Hemelsbreed verschilden zijne trekken van de fijnheid en

adel der Helleensche vormen, hij herinnerde veeleer een weinig aan de

Scythische huursoldaten op de Agora. Maar hij had uitnemend schoon,

bruin, glanzend haar, heldere oogen en eene zeer blanke huid. Hij was

stil in zich zelven gekeerd en verried in vele zaken een eigenaardig

karakter.

Aspasia(#64986) · 第 30 / 57 段