Nadat alzoo het nieuwe feesthuis van Athene door het Atheensche volk

onder bezielende liederen, begeleid door fluiten- en snarenspel, der

Godin was opgedragen en gewijd, en de rijke wijgeschenken aan hare

voeten waren neergelegd, begon de verdeeling der prijzen aan de

overwinnaars in de Panathenaeïsche kampspelen. De overwinnaars werden

door de prijsrechters opgeroepen, en daar ’t eerst aan de zegevierende

knapen, dan aan de jongelingen, eindelijk aan de mannen de prijzen

uitgereikt werden, was ’t de veertienjarige zoon van Clinias,

Alcibiades, die als overwinnaar onder de knapen, het eerst in het pas

geopend Panathenaeïsch feesthuis opgeroepen werd en den prijs ontving

uit de handen der rechters. Den fier en vroolijk rondzienden knaap viel

eene prachtig gevormde amphora [313] ten deel, waarop in schitterende

kleuren was voorgesteld, hoe de jonge Heracles de beide slangen

verworgde. De schoone vaas was echter gevuld met olie van de heilige

olijven van Pallas Athene in den tuin der Academie. Dergelijke

eergeschenken ontvingen de overwinnaars in de overige agonen; hun

echter, die in de musische [314] wedstrijden de zege hadden behaald,

werden gouden kransen toegekend.

Toen alzoo de verdeeling der prijzen had plaats gehad, geschiedde nog

onder de oogen van het volk het overbrengen van den Atheenschen schat

naar het achtergedeelte van het Parthenon. Dit gedeelte hetwelk mede

omgeven door de zuilen van het Parthenon, zich in westelijke richting

aan de tempelzaal aansloot, was eene rondom versterkte ruimte, zonder

vensters, en kon slechts door eene lamp verlicht worden; in haar

geheimzinnig schemerlicht zouden de gemunte en ongemunte schat van

Athene benevens kleinoodiën van allerlei aard, kostbare sieraden en

pronkstukken, ook hoogst gewichtige oorkonden van den staat voortaan

bewaard blijven onder het toezicht van den schatmeester van het

Atheensche volk.

Onder de scharen van het volk, dat over de hoogte der Acropolis zich

her- en derwaarts bewoog en den thans onthulden luister van het

Parthenon bewonderde, bevonden zich ook velen, die uit den vreemde

waren gekomen.

Onder hen ook een Spartaan.

Toen deze de nieuwe tempelzaal wilde betreden, werd hij door een

Atheensch jongeling, die hem reeds eenigen tijd met wantrouwende

blikken had vervolgd, bij den schouder gegrepen, terwijl hij hem

toeduwde:

„Weg van dezen drempel! Doriërs is het verboden hier binnen te treden!”

Inderdaad ontzegde eene oude orakelspreuk aan mannen van den Dorischen

stam de heiligdommen op den burg te Athene te betreden. En althans

tegenover verklaarde vijanden van Athene herinnerde men zich soms deze

orakelspreuk. Toen nu eene groote menigte volks zich om den Spartaan

drong en de Atheensche jongeling de schampere woorden herhaalde, trok

alles partij tegen den vreemdeling en werd hij gedwongen den burg te

verlaten.

Zoo flikkerde, zij het ook slechts in eene enkele bliksemflits, voor

een oogenblik, zelfs bij het feest des vredes, de vijandschap, die de

beide groote Hellenenstammen sedert overoude tijden verdeelde,

onheilspellend in het zwerk...

Doch er was ook een Athener op de Acropolis, die op het feestgedruisch,

dat bij het nieuwe Parthenon heerschte, met blikken van wrok en afgunst

neerzag. Deze Athener was Diopithes, de priester van Erechtheüs.

Wel is waar was naar oud en onveranderlijk gebruik de peplos naar het

Erechtheüm gebracht en aan het houten beeld van Athene Polias

opgedragen; maar dit was vluchtig en zonder feestelijk gerucht

geschied; naar den nieuw gebouwden tempel, het priesterlooze feesthuis

van Pallas Athene had het verzamelde volk der Atheners zich heengewend.

Niet het uit den hemel neergedaalde Palladium der stad Athene, niet de

Godin van zijn heiligdom, maar het ijdele pronkbeeld van Phidias hadden

de Atheners hunne hulde bewezen. Voor de voeten van deze nieuwe Pallas

Athene, niet in zijn tempel, waren de kostbare wijgeschenken

nedergelegd. De Goden van het Erechtheüm waren vertoornd en hun

priester met hen...

Evenals op dien dag, toen Pericles en de verkleedde Aspasia in

gezelschap van Sophocles op de hoogte van de Acropolis hadden

gewandeld, om de grondslagen te zien leggen van den luister, die thans

zich vertoonde, stond ook nu Diopithes in gesprek met zijn vertrouwde

aan de poort van het Erechtheüm. En zie, evenals toen, terwijl hij met

Lampon mokkend en spijtig over de bedorvenheid der tijden sprak, zag

hij ook thans plotseling den gehaten man met dezelfde Aspasia over de

hoogte van de Acropolis wandelen, vergezeld van Phidias, Ictinus,

Callicrates, Sophocles, Socrates en anderen van die uitnemende

Atheensche mannen, die met Phidias de Homerische zinspreuk in hunne

banier hadden geschreven:

„Pallas Athene gedoogt geen vrees in mij!”

Toen namelijk het uur voor het groote feestmaal was gekomen, waarbij

het vleesch van de honderd runderen der hecatombe en de overblijfsels

der vóóroffers aan het volk gemeenschappelijk werd aangeboden,

bevochtigd door de rijkelijke gaven van Bacchus, wandelde die

uitgelezen schaar op de thans stille Acropolis rond, om ongestoord het

voltooide werk in oogenschouw te nemen.

Het gelaat van Phidias was heden niet ernstig en gerimpeld, als anders;

een opgeruimde glans straalde over zijn hooggewelfd voorhoofd.

Ten hoogste verheugd sprak Pericles, hoe hij, na het begin en het

allengs vorderen van al deze werken te hebben nagegaan, thans, na eene

afwezigheid uit Athene van een jaar, verrast was door een voltooid

werk, welks luister hij niet had kunnen vermoeden. En wederom roemde

hij, hoe zooveel heerlijks in zoo’n kort verloop van jaren voltooid en

als ’t ware voortgekomen was uit één enkel hoofd.

Doch Phidias zeide, dat niet door het hoofd alleen, maar door de

duizende kunstvaardige handen, die dat hoofd ten dienste hadden

gestaan, het wonder was geschied. Zij hadden ook eigenlijk niet één

hoofd, maar één geest gediend, die in de schoonste harmonie allen

bezielde.

Terwijl de mannen alzoo in blijde, opgewekte stemming de sierlijkheid

der nieuwe scheppingen als met een vreugde-dronken oog genoten en hunne

gewaarwordingen in woorden lucht gaven, zag men Aspasia wel in

gespannen aandacht, met fonkelenden blik en gloeiende wangen, doch

zwijgend de werken van Phidias, Ictinus en de overige kunstenaars

beschouwen.

Haar zwijgen bevreemde zelfs Phidias, den grootsten zwijger onder de

mannen, en hij sprak eindelijk met den hem eigen ernstigen glimlach,

zich tot Aspasia wendend:

„Als mijn geheugen mij niet bedriegt, wordt sedert lang de schoone

Milesische te Athene door velen als de hoogste rechter beschouwd in

alle zaken, de kunst betreffende. Ook heeft zij, voor zoover ik mij

herinner, nooit geschroomd haar oordeel uit te spreken. Hoe komt het,

dat zij, eene vrouw, ons mannen heden door haar stilzwijgen beschaamt?”

Aller blikken waren vol spanning op Aspasia gevestigd en ieder hechtte

voor zichzelven de grootste belangstelling aan de vraag van Phidias.

„Terecht,” sprak Aspasia, „herinnert gij er aan, o Phidias, dat ik eene

vrouw ben! Uit dien hoofde ben ik niet zoo spoedig gevat als gij,

mannen, en is in mijn gedachtengang minder strenge orde en

geleidelijkheid. Bewegelijk is het gemoed der vrouw en gij moogt wel

toezien, dat gij niet te veel waagt, als gij mij, eene vrouw, de eenige

van mijn geslacht, naar het schijnt, het recht toekent om vrij te

denken en vrij te spreken. Hier staat de nieuwe, heerlijke tempel,

groot als een berg en schoon als een bloem, en welk eene volheid van

het volkomene is daarmede tevens voor onzen blik ten toon gespreid en

onthuld! Dat alles is zoo bevallig in zijne waardigheid, zoo diepzinnig

in zijne natuurlijkheid, zoo menschelijk in zijne goddelijkheid, dat

ieder mannelijk gemoed daardoor in een toestand van hoogste

tevredenheid en volkomen voldaanheid moet gebracht worden. De aard der

vrouwen echter is, evenals die der kinderen, dat, als zij met de ééne

hand het gewenschte voorwerp aannemen, zij de andere reeds naar iets

anders uitstrekken en het oog wellicht reeds op een derde voorwerp

richten. Ware ik een man, ik zou mij in dit oogenblik tevreden stellen,

in geestvervoering Phidias als den eersten, als den grootsten van alle

Hellenen te prijzen. Als vrouw echter heb ik nog een onvervulden

wensch, ja zelfs eene aanklacht tegen u uit te spreken. Vreest gij niet

den toorn der gouden Aphrodite, o Phidias? Gij schijnt mij toe steeds

slechts het hooge, het reine, het goddelijke te zoeken, om het in

menschelijke gestalte te belichamen; en ware het goddelijke niet

toevallig altijd tevens schoon, gij zoudt, geloof ik, u om het schoone

niet bekommeren. Want nooit zoekt gij het; en wat de zinnen bekoort,

het hart ontvlamt, vindt geen weerklank in uwe ziel. De bekoorlijkheid

van het vrouwelijke om haar zelve voor te stellen, zooals de dichters

het doen in hunne geestdrift, als zij van Aphrodite zingen, versmaadt

gij. In een heiligen ernst is steeds uw gemoed verzonken, en uwe ziel

zweeft, den adelaar gelijk, alleen boven de toppen der bergen. O Eros,

hebt gij geen pijl voor dezen? Waarom, o Cyprische Godin, slaat gij

dezen niet in uwe gouden ketenen, opdat hij zijn beitel aan uwe

bekoorlijkheid wijde, opdat ook door hem eindelijk uw innigste wezen

zoo openbaar worde, als door hem het diepste wezen zijner Godin Pallas

Athene openbaar is geworden in dit goddelijk beeld?”

„Inderdaad,” zei Phidias, „heb ik tot nu toe tegen Eros’ peilen en

Aphrodite’s boeien beschutting gevonden onder het schild van Pallas

Athene, en haar heb ik het wel te danken, dat mijne kunst niet

weekelijk en verwijfd is geworden. Beschuldig overigens de Lemniërs, o

Aspasia, wanneer ik ook nu, nadat ik juist het beeld der

jonkvrouwelijke Godin voor het Parthenon voltooid heb, mijne kunst niet

aan de gouden Aphrodite kan wijden. Want het is geen Aphrodite, wat de

Lemniërs van mij verlangen, maar een metalen beeld van die zelfde

Pallas Athene vragen zij mij reeds langen tijd dringend voor hen te

vervaardigen.”

„Wat gij daar zegt,” hernam Aspasia na eene korte pauze, waarin zij

over het gezegde van Phidias had nagedacht, „vervult mij met grooter

verwachting dan gij zelf denkt! Ik vernam heden hoe Pericles tot het

volk sprak, er op wijzende hoe men van het onaanzienlijke, vormelooze

houten beeld opgeklommen was tot de geweldige Athene Promachos en van

deze tot de jonkvrouw van het Parthenon. Wie zou nu niet gelooven, dat

ook de Pallas der Lemniërs weder uit zal munten boven de jonkvrouw van

het Parthenon? Wie zou er aan twijfelen, o Phidias, dat, hoe meer gij

schept, des te warmer en te schitterender onder uwen tooverstaf de

„vuurbron” des levens en der schoonheid uit het marmer of het metaal

zal te voorschijn komen? Nadat gij de in de eerste gelederen strijdende

manvrouw en de diepzinnige jonkvrouw gebeiteld hebt, wat blijft u nu

overig dan de vrouw?”

„Of ik voorwaarts ga,” hernam Phidias, „dan wel van den rechten weg

afwijk, als ik naar de inblazingen eener schoone vrouw luister, weet ik

niet. Doch wat gij verlangt, schijnt op mijn weg te liggen.”

„Gij aan wien geen Hellenenvrouw hare bekoorlijkheid zou ontzeggen,”

vervolgde Aspasia, „moet de vrouw voorstellen en hare bekoorlijkheid,

en verkondigen als het hoogste en laatste aan het Grieksche volk:

„alleen in het kleed der schoonheid zal de wijsheid alle harten

veroveren!”

Zoo onderhield zich Aspasia met Phidias. Pericles echter begon nu met

Ictinus en Phidias het plan van de grootsche voorzalen te bespreken,

die aan het werk van den burgt aan de zuidzijde de kroon zouden

opzetten en die, naar de meening dezer mannen, niet minder verheven en

prachtig zouden worden, dan het Parthenon zelf. Steeds van nieuws af

aan keerde men vol aandacht en genot naar het voltooide terug, naar de

beeldwerken, naar de heerlijke wijgeschenken. De werken van den een of

anderen leerling van Phidias, op de gevels of friezen prijkend, werden

beoordeeld: hier werd Alcamenes geprezen, daar Agoracritus, en zoo

ieder der tallooze beeldhouwers, die met vurigen ijver aan dit

meesterstuk hunne krachten hadden gewijd.

Nu echter voerde Phidias Pericles en allen, die om hem waren, naar het

werk van den peinzenden zoon van Sophroniscus, naar de groep der

Chariten, die de waarheidzoeker als wijgeschenk voor de Acropolis had

vervaardigd.

Zij zagen de drie jonkvrouwen in marmer gebeiteld, elkander

omstrengelend, gelijkend op elkander en toch wederom van een

verschillend karakter. Bekoorlijk was de eene gebeiteld, edel en

gestreng de andere, peinzend de derde.

Toen de beschouwers zich over deze verscheidenheid verwonderden, zeide

de beeldhouwer met eene uitdrukking van lichte droefheid op het gelaat:

„Ik meende, dat gij u over deze verscheidenheid niet zoudt verbazen,

integendeel dat gij ze ten volle natuurlijk zoudt vinden. Waarom zou

men een drietal van Chariten aannemen, zoo zij alle drie geheel gelijk

waren en hetzelfde uitdrukten? Ik deed mijn best, om den diepen zin van

deze trits na te sporen en ik twijfelde niet of drie verschillende

eigenschappen moesten zich in het wezen der Charis vereenigen. Maar het

gelukte mij niet te weten te komen, welke de drie verschillende

bestanddeelen der Charis waren, totdat Alcamenes ons bij de schoone

Theodota bracht. De schellen vielen mij als ’t ware van de oogen, toen

de Corinthische achtereenvolgens in haren dans Aphrodite, Hera en

Pallas voorstelde. Wat is het karakter van Aphrodite anders dan het

lichamelijk schoone? Wat het karakter van Hera anders dan het schoone

naar de ziel, of het goede, het zedelijke? En wat heeft het karakter

van Pallas anders dan het geestelijk schoone of het ware? En zoo ervoer

ik toen, dat lichaam en ziel en geest te samen moesten werken om het

volkomen wezen der Charis uit te drukken...

„Dat was het, wat ik toen van Theodota leerde en verzweeg, toen gij

daarnaar vroegt; want ik voelde mij gedreven, niet in woorden, maar in

een beeld, evenals Phidias, den indruk van mijn geest levendig voor te

stellen. Maar het is mij niet gelukt. Want ware het mij gelukt, dan zou

deze verklaring niet noodig zijn geweest. Ik heb mij van het marmer

bediend en toch moest ik tot woorden mijne toevlucht nemen. Gij echter,

o Aspasia, behoeft geen woorden, om mij uw oordeel kenbaar te maken;

want ik lees het in uw blik!”

„En wat leest gij dan?” vroeg Aspasia.

„Gij zegt mij: keer terug, o droomer, van de beelden en levendige

vormen tot de gedachten, begrippen en woorden!—Ik wil het doen! Ik wil

van dezen dag af den beitel uit de hand leggen of liever hem zelven, in

plaats van een werk mijner hand, aan de wijze Godin aanbieden als

wijgeschenk. En dit beeld mijner gebrekkige kunst wil ik in stukken

slaan, tevreden, als de gedachte leeft, die het geschapen heeft en als

het, in plaats van in dood marmer belichaamd wordt in den geest, het

gemoed en het leven der Atheners!”

„Wijd gij gerust, o Socrates,” zeide Pericles, „uw beitel aan de Godin

als wijgeschenk, om voortaan alleen te volvoeren, wat uwe ware roeping

is en wat niemand zoo goed verstaat als gij. Maar dit wijgeschenk moet

niet verbrijzeld worden; zij het ook minder met kunstenaarshand dan

door den geest van den wijze gevormd, toch stelt deze groep de

schoonste bestemming van den Helleenschen geest voor oogen: lichaam,

gemoed en geest vereenigd in de hoogste harmonie tot den schoonsten

bloei der Charis! Edeler kan ons aller trouw streven niet uitgesproken,

waardiger niet aangespoord worden tot nieuwe werkzaamheid en

scheppingskracht!

„Hier voor dit beeld is het de plaats elkander de hand te reiken tot

vernieuwing van het bond, dat ons allen vereenigt. Hier ook is het,

naar mij dunkt, de plaats, hier voor het beeld der Chariten, onze edele

Aspasia te danken voor datgene, wat zij in vereeniging met ons heeft

volbracht, niet zoozeer door hare woorden aansporende, als wel door den

gloed, die er van haar wezen uitstraalde, ons onmiddellijk

ontvonkend.—Want haar wezen, gij weet het allen, dringt als een

lichtstraal tot in de gemoederen door en doet altijd iets nieuws en

schoons ontbranden. Vorm uwe Pallas, o Phidias, naar haar beeld! Want

zij zegt het u niet alleen, zij heeft het aan u en aan ons allen met

der daad bewezen, dat de wijsheid onoverwinnelijk is in het kleed der

schoonheid!—

„Vluchtig is anders het spoor van het schoone,” ging Pericles voort:

„het komt en gaat als de straal van het gesternte, als de bevruchtende

regenwolk. Maar de onvergelijkelijke bekoorlijkheid, die er van

Aspasia’s wezen uitstraalt, zal ons als een kostbare schat steeds

bijblijven. Niet meer eene vreemdelinge ziet gij voor u, op wie men

ongestraft zijne hatelijke pijlen kan afschieten of die men mag

beschimpen met onteerende namen. Zij is van dezen dag af mijne wettige

gemalin. In vrede is de echtverbintenis, die mij met Telesippe

vereenigde, verbroken. In hare plaats heerscht voortaan Aspasia als

meesteres aan mijn huiselijken haard. Ik weet, dat de Athener met

onvriendelijk oog den medeburger beschouwt, die eene buitenlandsche

vrouw als wettige gade zijn huis binnenvoert. Ik weet, dat onze wet den

spruiten uit zulk een echt zelfs het Atheensche burgerrecht weigert.

Toch heb ik Aspasia tot vrouw genomen. Doch het is eene verbintenis van

geheel anderen aard, die ik met haar sluit; een nieuwe vorm van den

echt zweeft ons beiden voor den geest, zooals hij tot nu toe—ik weet

niet of de schuld aan de mannen of aan de vrouwen ligt—nog nooit

verwezenlijkt is. Groote verandering heeft onze staat in den laatsten

tijd ondergaan: wanneer nu het algemeene leven zich vernieuwt, waarom

zou dan ook niet het burgerlijke, het huiselijke naar eene

wedergeboorte streven? Voor mij en deze vrouw zal de huidige dag, die

het Atheensche volk op zijn glanspunt heeft getoond, te gelijkertijd

een keerpunt zijn en een hoogtij van ons persoonlijk lot. Athene en

geheel Hellas streeft onder een nieuw gesternte nieuwe doeleinden te

gemoet; wij beiden doen hetzelfde in den engen kring van het huiselijke

leven. Hier, evenals daar, is de drijvende geest, gemoed en gedachte

dezelfde. En hier als daar zal, naar ik meen, het gelijke zich op

gelijke wijze openbaren!”

Voordat een der vrienden de aandoening, die door deze woorden van

Pericles bij allen te weeg gebracht was, in woorden lucht kon geven,

greep Aspasia de hand van haar nieuwen gemaal en sprak:

„Het is zooals gij zegt, o Pericles; ik heb mij de kracht des woords

noch de diepte der wijsheid aangematigd. Als ik in vereeniging met u

iets heb tot stand gebracht, dan was de werking, die van mij uitging,

die der vrouwelijkheid alleen, wie het voor de eerste maal vergund was

zonder de boeien der geslachts zich vrij en ongedwongen te uiten. Ben

ik een apostel, dan ben ik die der vrouwelijkheid. Wellicht moet uit de

vrouwelijkheid de wereld, die tot nu toe in de boeien der ruwe

mannelijkheid was, herboren worden, om ieder overblijfsel van

barbaarschheid van den vroegeren tijd weg te nemen. En als eene vrouw

van den Ionischen stam ben ik ondanks mij zelve, de voorvechtster van

het Ionische karakter tegenover den ernstigen, strengen geest van den

Dorischen stam, die de schoonste bloesems van het Helleensche leven

verstikken zou, als hij de overwinning behaalde. Wee den schoonen Goden

van Hellas, als hij ooit in de wereld de overhand krijgt!—Ben ik

inderdaad geroepen en machtig voor eene zaak te werken en te strijden

en heb ik mij, zooals gij zegt, altijd beijverd bij de meesters der

beeldende kunst, om het schoone en het vrouwelijke te bevorderen, dan

zou ik voortaan, ook in andere richtingen des levens mij bewegend, een

openlijken krijg willen verklaren aan ieder vooroordeel, aan elke

onzinnige overlevering, aan iedere bekrompen of ongezonde

levensbeschouwing, aan iedere den mensch onwaardige denkwijze. Ik zal,

naar bondgenooten zoekend, mij tot de leden van mijne kunne wenden. Zij

zullen naar mij hooren, want ik ben de gade van Pericles den Olympiër!”

Zoo sprak Aspasia. De vrienden luisterden naar hare woorden vol

aandacht en namen hartelijk deel in haar geluk.

Ook de Erechtheüs-priester vernam die woorden in het schemerlicht,

achter de zuilen verborgen. Zijne lippen trilden en plooiden zich tot

een hoonenden lach. Een vurige blik van den innigsten haat bliksemde in

zijn oog en viel op de Milesische.

In bezielde taal begonnen nu de vrienden hunne blijdschap te betuigen

en prezen de voornemens van het edele paar.

Alleen Socrates zweeg nog, zooals hij dikwijls uit bescheidenheid deed,

wanneer hij zich in een kring van uitgelezen mannen bevond.

Toen vroeg Pericles aan den mijmerende met vriendelijken glimlach:

„Wat denkt onze wijsheidsvriend van het bond, dat hier ten aanschouwe

zijner Chariten is gesloten?”

„Mij is slechts dit ééne helder,” antwoordde de zoon van Sophroniscus,

„dat ons Athene de gezegendste zal zijn onder alle steden der bewoonde

wereld. Al het andere is mij onbekend en in duisternis gehuld. Maar wij

willen in alles het beste hopen van de gunst van den albesturenden

vader Zeus en zijne onvolprezen dochter Pallas Athene.”

XV.

UILEN OP DE ACROPOLIS.

Als het waar mocht zijn, zooals de sage bij den verheven dichter der

Euminiden [315] meldt, dat de diefstal van het vuur uit den hemel en de

gave daarvan aan de menschen door Prometheus op de Acropolis heeft

plaats gehad, dan is het niet te verwonderen, dat bij het noemen van

den naam Acropolis te Athene velen slechts eene hoogte voor den geest

zweeft, geheel in verblindend licht gehuld, gekroond door de marmeren

tinnen van het Parthenon.

Doch er waren ook uilen op de Acropolis....

Er waren uilen te Athene—er waren er zoovele dat de uitdrukking „uilen

naar Athene zenden” [316] de beteekenis kon krijgen van een overbodigen

arbeid.

En deze vogels waren zelfs aan Pallas Athene geheiligd. Zij behoorden

bij haar, als de vogels van den gedachtenvoortbrengende, geheimzinnigen

nacht. Want de nacht zelf is donker, maar hij is zwanger van licht en

beter dan de drukke dag doet hij de gedachte ontkiemen en rijpen in het

wakkere hoofd der menschen. Niet zelden echter tracht de nacht iets

zelfstandigs te zijn en meer dan het licht, dat uit hem geboren wordt,

en stelt zich dan vijandelijk tegenover het licht.

Zoo komt het, dat ook de vogels van den nacht, de uilen, vijanden van

het licht geworden zijn.

Er waren er dan, zooals gezegd is, vele op de Acropolis en zij

nestelden het liefst in de ruimte tusschen de kroonlijst en het schuine

dak van het oude, eerwaardige Erechtheüm, gezamenlijk met hagedissen,

muizen en slangen.

Zij zijn daarom de lievelingsvogels van den Erechtheüs-priester

Diopithes, die ginds juist, onmiddellijk vóór de trappen van het

Parthenon, in een levendig gesprek met een man gewikkeld is en zich

tevens eenigszins zonderling beweegt.

Hij loopt namelijk vóór de oogen van den anderen man met eene zekere

opgewondenheid de trappen van het Parthenon op en af. Voor den ingang

des tempels zijn, om het binnentreden gemakkelijker te maken, in de

breede, hooge trappen kleinere gehouwen. Deze kleinere trappen klimt

Diopithes op en telt ze onderwijl en spreekt het getal met hoorbare

stem uit.

En nadat hij zóó gaande en luid tellend aan den anderen man het getal

der trappen heeft aangeduid, zegt hij tot hem het volgende:

„Gij weet welke wet voor het aantal trappen van een tempelstoep door

den vromen en welberaden geest der Hellenen sedert eeuwen is

vastgesteld geworden. Oneven is naar den ouden regel het getal dezer

trappen, opdat, als een gunstig voorteeken, de eerste en de laatste

trede door de rechter voet zou kunnen worden betreden.”

„Ja, zoo is het inderdaad,” hernam de man, tot wien Diopithes sprak.

Aspasia(#64986) · 第 29 / 57 段