statigste mannen, om den grooten feestelijken optocht op te luisteren
en zij waren in hunne keuze zeer streng. Uitgelezen ook waren de
jongelingen en jonkvrouwen, die aan den optocht deelnamen; alleen kon
bij de bloeiende jeugd de keuze minder streng zijn, dan bij de ouderen
en grijsaards, om aan het oog slechts welgemaakte, schoone en edele
vormen te toonen.
Onder de wedstrijden behooren ook de kunsten der Muzen.
Pericles was het geweest, die, elke soort van voortreffelijkheid met
gelijke warmte aankweekende en bevorderende, ook het spel van snaren en
fluiten en danskoren in den kring der wedkampen bij de Panathenaeën had
opgenomen. Want onder de ambten en waardigheden, die hij bekleedde,
behoorde ook dat van leider der openbare spelen en feesten te Athene.
Toen nu de dag van het eigenlijke feest aanbrak, waarop de zoogenaamde
peplos naar oud gebruik aan de schutsgodin Athene in het Erechtheüm
gebracht en de overwinnaars in de Panathenaeïsche wedstrijden in het
nieuwe Parthenon gekroond zouden worden, werd de feeststoet in de wijk
der Ceramicus in orde geschaard.
De geheele wijk wemelde van drommen, die zich naar de
vereenigingsplaats begaven. Dit vereenigingspunt leverde echter een
even levendig, bont en schitterend tooneel van verwarring op. Hier
stond het ten offer bestemde, schoon gehoornde rund in zijne volle
kracht, daar ontlaadde zich de vurige, sterke, stalen aard der fiere
rossen, als ’t ware electrisch, in een vonkenspattenden hoefslag.
Nevens de ongeduldig steigerende rossen stonden jongelingen, die hen
met krachtige hand aan de schitterende teugels hielden of bezig waren
hen op te toomen of ook in kunstige wendingen hunne snelheid te
beproeven. En zoo verkwikte zich thans het oog aan levendige groepen,
aan beelden van kracht en welgemaaktheid.
Het bonte kluwen ontwarde zich. De feeststoet begon zich in orde te
scharen. Nadat dit geschied was, zette hij zich onder de muziek van
trompetten, fluiten en snareninstrumenten in beweging. Vooraf ging de
hecatombe der offerdieren, honderd uitgelezen, schitterende runderen,
bestemd om op de Acropolis ter eere van de Godin geslacht te worden en
vervolgens tot feestmaal te dienen: prachtige dieren, met vleezigen,
sterken nek, laag afhangende kwabben, de horens als de beide armen
eener lyra schoon gekromd, met bloemkransen getooid en aan de spits
voor een deel verguld. Zij werden geleid door krachtige jongelingen,
die met sterke hand de ongeduldige, weerbarstige dieren bedwongen.
Rammen volgden op de runderen, niet minder schoon en sterk, met schoone
horens en vachten. Achter deze dieren, benevens hunne drijvers,
offerdienaars en offerpriesters, gingen zij die verschillende andere
offergaven droegen: offerkoeken op platte schalen, vloeibare stoffen,
deels in zakken, deels in groote, schoon gevormde kruiken gedragen.
Nu volgde een schitterende stoet van Atheensche vrouwen en jonkvrouwen,
in rijk feestgewaad, die gouden en zilveren werken droegen, prachtige
pronkvaten, welke het geheele jaar door op eene daarvoor bepaalde
plaats bewaard en bij zulke feestelijke gelegenheden ten toon werden
gedragen. Sierlijke korfjes, gevuld met bloemen, vruchten, reukwerk,
droeg een deel der bevallig met goud versierde meisjes op de hoofden.
Uit Athene’s bloeiendste dochteren gekozen, teeder en statig,
bekoorlijk en waardig te gelijk, verrukten deze korfdraagsters ieder
oog door de zedige bekoorlijkheid harer uiterlijke houding en
bewegingen. Het waren knoppen, kuisch besloten, maar fonkelend van den
dauw der jeugdige frischheid. Het jaar door verborgen, evenals die
gouden pronkvaten, en aan het oog der wereld ontrukt in het binnenste
der vrouwenvertrekken, waren zij thans als ’t ware te voorschijn
gebracht om te schitteren in het licht van den feestdag. Het heerlijke
feest onthulde, wat anders voor de blikken verborgen was; het onthulde,
ontketende alles, wat schoon en schitterend was. Heden schoot de God
der liefde zijne schichten, heden ontmoetten elkander de blikken van
bekoorlijke jonkvrouwen en jongelingen, begeerig naar liefde. Jeugdige
ongedwongenheid werd getemperd door de aangeboren bekoorlijkheid, die
hare stralen vrij en vroolijk rondom zich verspreidde.
Achter deze schitterende offergaven werden de nog heerlijker
wijgeschenken gedragen, wier getal nooit grooter geweest was dan thans:
prachtig vaatwerk, fonkelende gouden en zilveren schilden, drievoeten
van den bekoorlijksten vorm, rijkelijk versierd, ook beeldwerken van de
hand der beste meesters. Dat alles, openlijk gedragen, schitterde
oogverblindend in de stralen der zon.
Aan den stoet van jonkvrouwen sloten zich de liefelijke, teedere, nog
kinderlijke meisjesgestalten der Arrhephoren aan, in den feestdos, dien
zij bij hare heilige verrichtingen op de Acropolis gedragen hadden en
onder haar de lieve, kinderlijk vrome, moedige Hipparete.
Nu volgden de dragers en geleiders van die geschenken en offers, die
aan de Godin van de Atheensche koloniën of van de met Athene verbonden
steden en eilanden gebracht werden.
Nu echter kwam eerst van alle wijgeschenken het belangrijkste, het
glanspunt van den geheelen feeststoet, het groote, rijke, prachtige
weefsel, de peplos. Niet door menschenhanden werd het gedragen: als een
zeil was het over een soort van prachtschip gespannen, dat in den
feesttrein zich op raderen voortbewoog. Dit gevaarte, een werk van
buitengewone schoonheid en grootte, moest het niet in de rijen, die de
Atheensche grootheid en macht te kennen gaven, aan de heerschappij ter
zee der Atheners herinneren en aan den zeegod tegelijk, wiens
eeredienst sinds overoude tijden in verband stond met dien van
Erechtheüs en Pallas op den burg? En dat de peplos in plaats van het
prachtschip hoofdzaak was geworden in den optocht der Panathenaeën,
herinnerde het niet aan de overwinning van de Godin des lichts Pallas
Athene in den kamp met den donkeren drietandzwaaier [303]. Het aandeel
door de Godin des lichts aan den strijd der Goden tegen de Giganten
[304] genomen, was voorgesteld in schitterend goudstiksel, kunstig op
den purperen of saffraan-gelen grond van het weefsel aangebracht. Boven
den mast van het prachtschip uitgespannen, zag men eene afbeelding van
dien kamp der lichtgoden tegen de ruwe natuurmachten in goud weefsel
voorgesteld, die hoog in de lucht zich verheffend, het volk heinde en
verre duidelijk tegenschitterde in den glans der zon.
Achter het prachtschip met de peplos liepen de overwinnaars in de
Panathenaeïsche wedstrijden, met fieren tred: de citherspelers en
fluitblazers met hun muziekinstrumenten, de overwinnaar in den
fakkelloop, met de brandende fakkel in de hand, waarmede naar oud
gebruik het vuur voor de groote feestoffers der Godin op de Acropolis
werd aangestoken, de overwinnaars in den wedren der rossen en wagens,
met hun prachtige vierspannen, op elk de menner en zijn makker met helm
en schild: voorts, met olijftakken in de handen, die stoet van schoone,
eerbiedwekkende grijsaards, die in den wedstrijd van mannelijke
welgemaaktheid de overwinning hadden weggedragen. Als op edele
voorbeelden staarde de Atheensche jongelingschap op deze mannen, met
hun zilveren lokken, die eene eerwaardige schoonheid en frischheid van
lichaam en ziel tot op den laten ouderdom hadden bewaard. Op hen volgde
de trein der epheben, Athene’s mannelijke jeugd, slanke gestalten,
donker gelokt, met vurigen blik, op de edele rossen als goed geoefende
ruiters zittende. Door de strategen en taxiarchen [305] aangevoerd,
marcheerde achter de epheben de strijdbare manschap van Athene: de
zwaargewapenden en de ruiterij der Edelen [306] in schitterende
wapenrusting op de schoonste en vurigste rossen—want te paard verscheen
de rijke en voorname Athener in feestelijken optocht als in het
veld—vervolgens in eene eindelooze reeks de burgerij, met de overheden
aan het hoofd; het volk naar gemeenten [307] ingedeeld, mannen en
vrouwen in feestgewaad, met myrthentakken in de hand, achter de burgers
de vreemdelingen, die het burgerrecht hadden verkregen, hunne vrouwen
met eikentwijgen in de hand, als smeekelingen van Zeus Xonios, den God
der gastvrijheid. Andere vrouwen en dochters dier vreemdelingen liepen
achter de Atheensche burgeressen, wier bescherming zij genoten en
droegen zonneschermen in de hand, om haar, als de trein in de brandende
zon stilhield, boven het hoofd te houden of stoelen zonder leuning,
klein en sierlijk van vorm, waarop hare beschermvrouwen zich dan konden
neer laten.
Deze stoet bewoog zich van den buiten-Ceramicus door de schoonste
straten der stad, tot op de Agora, die met eikenloof bestrooid,
overigens ook feestelijk was versierd: het werk der slaven voor dien
dag. Hier hield de trein derhalve voor het eerst halt en het eskadron
der voorname Atheners in zijne schitterende wapenrusting voerde op de
ruime plaats bewegingen en manoeuvres uit, die bijna het prachtigste
deel van de geheele feestviering uitmaakten.
Terwijl de stoet op de Agora verwijlde, had een deel der geleiders van
de offerdieren met eenige der dieren zich daarvan afgescheiden, om
vooraf de beide gebruikelijke offers, het ééne op den Areopagus, het
andere bij het altaar van Athene Hugieia te brengen.
Nadat deze vóóroffers gebracht waren, zette zich de feesttrein met de
hecatombe en het prachtschip weder in beweging. Hij nam zijn weg ook
verder door de voornaamste straten en trok langs de beroemdste
heiligdommen, waar men een poos stilhield, om den God te vereeren door
offers of door het aanheffen van een paeän.
Toen men de plaats bereikt had, waar de weg naar den heuvel van de
Acropolis voerde, werd van de paarden en wagens achtergelaten, wat
langs den breeden maar steilen weg den stoet niet volgen kon, of wat op
de hoogvlakte van den burgt geen genoegzame ruimte zou gevonden hebben.
Doch het ontbrak niet aan koene ruiters noch aan wagenmenners, die met
hunne moedige paarden toch in den trein bleven, terwijl zij zich
zooveel mogelijk op het midden van den breeden weg hielden, omdat daar
door geribd pleister het gevaar van uitglijden, zoowel voor paarden als
voor raderen, verminderd was.
Op de Acropolis gekomen, maakte de stoet halt tusschen het Erechtheüm
en het pas voltooide heiligdom van Pallas Athene. De peplos werd in het
Erechtheüm gebracht en het groote offer der hecatombe begon onder het
aanheffen van een paeän voor een in de open lucht staand altaar aan de
oostzijde van het Parthenon.
Maar geen blik der menigte drong tot in de schemerende zaal van het
Erechtheüm door, waar het overoude, houten beeld van Athene, op een met
bloemen bekransten troon staande, zijne gewone schatting, de peplos,
ontving. Onopgemerkt bleef ook het heilige offer: ieder oog richtte
zich op de pracht van den schitterenden tempel, welks poorten zich
heden voor het eerst voor de blikken van het Atheensche volk ontsloten.
De eerste indruk, dien het nieuwe feestgebouw maakte, was
onbeschrijfelijk. Alles was schitterend marmer, van de blokken der
grondvesten tot aan de sierlijk gemetselde hoogste tinnen. En wat geen
marmer was, stralend in zijne jonkvrouwelijke reinheid, was goud of
heldere kleurenpracht.
Van het westen naar het oosten, in een langwerpig, van zuilen voorzien
vierkant, verhief zich fier en vrij de heerlijke tempel, door het
zonlicht omstraald, op zijne hoogte. Edel, regelmatig in zijne
afmetingen scheen hij toch van zijne geweldige fundamenten met
wondervolle bekoorlijkheid schier reusachtig naar boven te streven. De
grondvesten zelven met de opwaarts voerende marmertrappen verhieven
zich boven het hoofd van den toeschouwer. De tempel zelf echter met
zijn woud van marmeren zuilen, met het versierde beeldwerk zijner
rondomloopende friezen, met de kolossale marmergroepen, vol leven, die
de breede gevels als ’t ware met eene schare van heerlijke gestalten
bevolkten, stralend van goud en de schitterendste kleuren, hier en daar
den glans van het witte Pentelische marmer doende verbleeken, scheen
van de verlichte hoogvlakte als ’t ware tot de maagdelijke Godin zich
te verheffen in haar rijk des lichts, den daar geheiligden aether.
Niets echter boeide in deze eerste oogenblikken der beschouwing het oog
des Atheners zoo zeer als de groote in kolossale marmergroepen
voorgestelde tooneelen, die de breede velden der beide gevels vulden.
Dit gezicht was overweldigend. Want de heerlijke gestalten, zooals zij
rustend, staande, loopende, niet slechts in verheven beeldwerk, maar
als standbeelden losgemaakt van den achtergrond, zich in fijn
aangegeven betrekking tot elkander vertoonden, zij schenen uit hunne
lijsten te voorschijn te willen treden en af te dalen onder het volk
der door de Goden geliefde Atheners. Hunne houding en beweging hadden
de juiste maat, maar toch waren zij vol gezond, heerlijk, bloeiend
leven in zinrijke vorm afgebeeld.
De Athener zag op den oostelijken gevel het oogenblik voorgesteld na de
geboorte der Godin uit het hoofd van Zeus: in het midden den God, de
Godin en den Titan Prometheus, die het hoofd Gods heeft gekloofd, om de
Godin des lichts te doen geboren worden: van daar naar beide kanten
heenspoedend met de blijde boodschap Nike [308] en Iris [309], haar
tegemoet snellend, Godinnen en heroën, die met vreugde de tijding
vernemen; links in den gevel Helios met zijne vurige paarden
opstijgend; rechts de Godin van den nacht met haar span nederdalend in
de stroomen van Oceanus. Den strijd van Poseidon echter met Pallas
Athene om het bezit en het beschermheerschap van het Attische land,
bevatte de westelijke gevel: in het midden de beide strijdende
godheden: de onstuimige Poseidon, die zooeven met den drietand de
heilige bron uit de rots heeft geslagen, tegen hem over Pallas Athene
en de op haar bevel ontstane olijfboom; naast haar het hoog steigerende
span voor den zegetocht; godheden en heroën van het Attische land zich
bij de Godin aansluitend, bij Poseidon het gevolg zijner zeegoden. Van
deze gestalten, allen meer dan levensgroot uit het marmer gebeiteld,
dwaalde het oog naar de kleinere beeldwerken van den fries boven de
zuilen, waar in de lange rijen der metopenvelden, kampstrijden der
Grieken met woeste Centauren waren voorgesteld; vandaar door de zuilen,
die rondom den tempel liepen tot aan het beeldwerk van den inwendigen
fries, die den buitensten marmeren wand van den tempel omgaf. En door
het gezicht daarvan begon het oog van den Athener nog vuriger te
stralen, want hier aanschouwde de levendige feeststoet zijn eigen
beeld, uit marmer gehouwen: tooneelen uit den optocht der Panathenaeën
en wat daaraan vooraf was gegaan: afbeeldsels van schoone, zedige
jonkvrouwen, van krachtige jongelingen op steigerende rossen, fier
stuivende spannen en voorstellingen van hippische agonen [310] het
overreiken der peplos en, te midden van al dat menschelijk schoone,
Olympische Goden, uit hunne onzichtbare en ongenaakbare gewesten
nedergedaald als getuigen van het heerlijke feest. Zoo eenvoudig, zoo
onopgesmukt en edel scheen hier bij alle schoonheid iedere gestalte,
dat zij uit het marmer tot het Atheensche volk voor alle volgende
tijden scheen te zeggen: „Houd de schoone maat en laat uw leven steeds
in zulk een edelen eenvoud, in zulk eene schoonheid en reinheid
bloeien, als het hier zich aan u vertoont in de marmeren beelden uit de
werkplaats van den diepzinnigen Phidias!”
Ten aanschouwe van het ongeduldige volk betraden thans, nadat het offer
der hecatombe was verricht, in plechtigen stoet de eerste
overheidspersonen van Athene de trappen van den tempel. Zij schaarden
zich daar aan weerszijden van de poort. In hun midden stond Pericles en
de Archon Basileus.
Thans openden zich de breede, sierlijke metalen deuren des tempels. Het
inwendige deed zich met zijne schitterende zuilen aan de oogen voor en
Phidias’ nieuw, schoon beeld van Pallas Athene vertoonde zich in al
zijn luister prijkend voor de eerste maal in de heilige schemering aan
het volk der Atheners.
Thans hieven de feestgenooten een lofzang aan ter eere van de Godin.
Toen die klanken weggestorven waren, trad Pericles te voorschijn en
sprak van de trappen des tempels aldus tot de verzamelde menigte:
„In overoude tijden had Pallas Athene de volheid aller aardsche
zegeningen over de wieg van het Atheensche volk uitgestort en als de
geefster van de voedzame olijf, als de schenkster der voornaamste
goederen, als zij, die de welvaart van het Attische land had
gegrondvest en bevorderd, werd zij vereerd in dat eerwaardige, doch
ruwe houten beeld van het Erechtheüm. Toen echter was de tijd gekomen,
waarop Athene zich het zwaard aangordde, aan de spits van Hellas de
Barbaren bekampte en, in de zegepralen gestaald, tot den bloei zijner
macht zich verhief. Als herinnering van dien tijd stond op den burg het
over land en zee, heinde en ver zichtbare reusachtige beeld der Athene
Promachos. Nu echter was de tijd aangebroken, waarop het innigste en
diepste wezen van de Godin en daarmede het schoonste deel harer
zegeningen over het Attische land en volk werd uitgebreid. Nu wilde zij
zich ten volle openbaren als de Godin van den lichtenden aether, in
welks glans de nacht verdwijnt, als de nadenkende, schrandere, om wier
voorhoofd de vrije gedachte in schoone klaarheid zweeft, als de steun
van alle kunsten en wetenschappen en alle zegen, die voortspruit uit
den geest. Als zoodanig had Phidias haar thans voorgesteld, een Pallas
Athene des vredes. En over deze nieuwe gestalte der Godin had men het
nieuwe, harer waardige tempelgebouw gesticht, geen priesterlijk huis
voor offergaven, maar een Panathenaeïsch feesthuis der Godin, waarin
zij het waarachtig licht en de waarachtige macht van haar wezen,
losgemaakt van alle priesterbekrompenheid, vermocht te openbaren.
Zinrijk omgaf dit tempelhuis de Godin, uitdrukkend de openbaring van
haar wezen zelf en tevens die van het volk, dat zij beschermt. En zoo
wilde men dan ook in het vervolg nog de peplos aanbieden aan het
overoud eerwaardige, houten beeld van de schutsgodin der stad, de oude,
heilige zeden der vaderen eerende: doch doel en middelpunt van het
feest der Panathenaeën moest voortaan het Parthenon zijn. Hier zouden
van nu af de overwinnaars in de agonen hunne prijzen uit de hand der
kamprechters, zittende aan de voeten der Godin, ontvangen, en tot de
beeldwerken van het schitterend feesthuis zou het volk zich wenden, om
die uitstraling van het innerlijk wezen der Godin in zich op te nemen,
zijn gemoed te vervullen met het grootsche en heerlijke, dat hier van
de wanden en gevels en friezen in marmeren taal sprak. In deze beelden
zou de Athener de geschiedenis lezen van zich zelven, lezen het in
steen gehouwen heldenlied der zege des lichts en des geestes over al
het duistere en ruwe. Zich zijner kracht bewust, moest de geest in den
Helleen ontbranden van edele begeerte om altijd het gedenkteeken
waardig te blijven, dat hij hier voor alle volgende tijden zich zelven
had opgericht.”
Door deze woorden van Pericles geraakte het volk in vervoering en door
duizende stemmen werd opnieuw de paeän aangeheven ter eere der
jonkvrouwelijke Godin; onder dit gezang en onder de muziek van fluiten
en snareninstrumenten, die den feeststoet begeleiden, betrad, op den
wenk van den Archon Basileus en door hem geleid, voor het eerst de
stoet der jonkvrouwen de trappen en ging door de geopende poorten van
het Parthenon. Door maagdelijken voet zou het nieuwe heiligdom der
maagdelijke Godin het eerst betreden worden. Op de jonkvrouwen volgden
de jongelingen en terwijl genen zich in het binnenste van den tempel
ter rechter, dezen ter linker zijde van het beeld der Godin schaarden,
onder het voortdurend gezang van de paeän, betraden zij, die
wijgeschenken in den feesttrein droegen, het feesthuis en legden de
geschenken aan de voeten der Godin neder. Andere wijgaven, bijzonder
blinkende, gouden en zilveren schilden, werden opgehangen aan de zuilen
des tempels. Nu werden de overwinnaars in de Panathenaeïsche
wedstrijden over den drempel geleid benevens de kamprechters en zij,
die in Athene de hoogste waardigheden bekleedden.
Luider klonk de muziek van fluiten en cither, bezielender schalde de
paeän door de marmeren portalen, toen het prachtige beeld der Godin
onmiddellijk zich voor de oogen der in de tempelzaal aanwezigen en
steeds toestroomende Atheners vertoonde. Daarop waren alle blikken
gericht.
Oogverblindend als de tempel, schitterde ook de kolossale
godengestalte: van ivoor waren de onbedekte deelen gevormd, van goud al
het overige; diepzinnig voor zich heen staarde het ernstige, schoone
hoofd, bedekt door den zwaren helm, waaronder weelderige lokken
neergolfden. De trekken van het gelaat hadden eene peinzende
uitdrukking, maar het diepzinnige scheen zich in eene vriendelijke
opgeruimdheid op te lossen. Ter linkerzijde van de Godin rustte het
schild vreedzaam staande, niet meer krijgshaftig opgeheven. De lans was
niet langer strijdvaardig in hare hand geklemd. Niet als kampioen
verscheen zij meer doch wel als overwinnares. Op hare uitgestrekte
rechterhand droeg zij eene gevleugelde zegegodin, evenals men eene duif
of valk draagt. De gevleugelde zegegodin bood haar een van goud
stralenden krans aan. Onder de bescherming van het schild kronkelde
zich de heilige burgtslang, zinnebeeld van de eerstgeboren, door de
Goden bewaakte kracht van het Attische land en volk. Over de borst der
Godin hing het Aegispantser [311] met het versteenend Gorgonenhoofd.
Onder het breedgewelfde, hoog verheven sieraad van haar helm was eene
Sphinx zittende afgebeeld, ter rechter en linker zijde daarvan
griffioenen, zinnebeelden van diepzinnigheid, scherpzinnigheid en
waakzaamheid. Nog ander verschillend beeldwerk trachtte het wezen van
de Godin duidelijk uit te drukken: op de buitenzijde van het schild de
strijd tegen de wilde Amazonen [312], op den binnenkant de trotsche
Giganten, op den rand der sandalen de ruwe Centauren; en zoo overal
strijd tegen de woeste, donkere machten.
Waardig welfde zich het prachtig huis over het heerlijke beeld der
Godin. In eene dubbele rij liepen de schitterende zuilen, met
bloemkransen feestelijk omwonden, door de tempelzalen, ze in drie
schepen verdeelend. Bij de zijschepen echter vormde eene tweede
zuilengaanderij boven de eerste eene bovenverdieping, een open omgang.
Eene groote, vierkante opening was er in het midden van het platte dak,
dat op die bovenste zuilenrij rustte, zoodat het licht in den tempel
viel, die niet van vensters voorzien was, en het beeld der Godin
bescheen. Aangrijpend was deze van boven binnenstroomende heldere
aether in de eerbiedwekkende en goddelijke stilte des tempels: het
gemoed werd door den blik naar die licht verspreidende opening en den
blauwen hemel, die zich daarboven welfde, verlicht van den
overweldigenden indruk van het prachtige en grootsche pronkstuk. De
valken en de adelaars, het vurig span van Helios en de donderwolken van
Zeus trokken daarover heen en bij het afwisselend spel van licht en
schaduw, nu eens door een gouden glans, dan eens door een wit
zilverlicht omstraald, dan weer in eene halve schemering gehuld, scheen
het gelaat der Godin als met veranderde trekken ernstiger of zachter
van hare hoogte neer te zien. In de edele majesteit van den tempel was
niets, wat het oog van de Godin kon afleiden; alles voerde tot haar
terug, zelfs de rij der schoon gevormde, schitterende wijgeschenken
tusschen de zuilen. Niets was daar aanwezig van die verstrooide en
verstrooiende pracht, waarmede andere tijden en andere volken de huizen
hunner Goden trachtten te versieren. Eenzaam stond in den geheimzinnig
stillen marmeren tempel, zich badend in licht en glans, het
reusachtige, verheven schoone beeld der Godin.