In een wijden kring zeilde de Atheensche vloot om deze gevaarlijke,

zuidelijke kaap van Attica, koers zettende naar de prachtige Saronische

golf, ter rechter zijde het vaderlandsche strand en de glinsterende

tinnen van Athene, links de bergen van de Peloponnesus, waarachter de

zon onderging. Toen was alles, van verre en op een afstand, door een

gouden rozensluier bedekt. De bergtoppen en de aether daarboven, de zee

en de schepen zelve, zij alle waren gehuld in het tooverlicht der

laatste uren van den dag. Alles was purper en schitterde als goud.

Alleen in het zuidwesten hadden zwarte wolken zich samengepakt.

Plotseling schoten de bliksemstralen daaruit te voorschijn en de bergen

van Argos stonden in eene zee van vuur. Rustig en grootsch verhieven

zich daar tegenover ter rechterzijde de hoogten, die Athene omgeven: de

lange bergketen van den Hymettus, de pyramidaal oploopende Pentelicon,

de stout verrijzende rotsklomp van den Lycabettus.

Thans echter verscheen de heilige, aan ieder Atheensch oog dierbare

hoogte van de Acropolis, omgeven door de wijd uitgestrekte stad. Aller

blikken wendden zich daarheen. Maar veranderd vonden zij de heilige

hoogte; de marmerwitte tinnen, vreemd aan de zoo langen tijd afwezigen,

schitterden door den lichten nevel heen in de laatste stralen der

ondergaande zon.

Niet naar het van verre wenkende hoofd en de flikkerende lansspits der

reusachtige Athene Promachos richtte, als anders ditmaal de Atheensche

schepeling van het boord van zijn schip het oog naar Sunion’s hoogte,

maar aller oogen wendden zich naar die nieuwe, sneeuwwitte tinnen, die

door de schemering heenblonken van den top der Acropolis.—

En uit één mond klonk de kreet van boord tot boord: „Het Parthenon! Het

Parthenon!”——

Ter zelfder ure, dat de blikken der terugkeerende overwinnaars naar de

hoogte van de Acropolis waren gericht, greep juist daar, in het

eerwaardige Erechtheüm nabij de stoute tinnen van het nieuwe Parthenon,

eene geheimzinnige en bijna wondervolle gebeurtenis plaats.

Het grootste en heerlijkste, om de vier jaren gevierde feest der

Atheners, de Panathenaeën, naderde. Op dit feest werd aan de

schutsgodin van Athene, de eeuwenlang vereerde Athene Polias, naar

oudvaderlijk gebruik een schoon geweven kleed, de zoogenaamde peplos

[298] ten geschenke gebracht. Deze peplos werd op de Acropolis zelve,

in het heiligdom van Athene Polias, hetwelk gemeenschap had met het

oude Erechtheüm, geweven. Vier meisjes van jeugdigen, bijna nog

kinderlijken leeftijd werden uit de aanzienlijkste familiën van Athene

gekozen, om die heilige peplos te helpen weven en bovendien nog eenige

maanden lang in het gebied van den tempel te verblijven, ten einde

onderscheidene andere heilige gebruiken te verrichten, die met den

ouden, deels geheimzinnigen eeredienst in het Erechtheüm op den burg

samenhingen. Twee dezer meisjes wierden gekozen om op een bepaalden

nacht niet lang vóór de feestviering der Panathenaeën, van de Acropolis

zich langs een geheimen onderaardschen weg iets onbekends, iets

geheimzinnigs, dat niemand zien mocht en dat, naar het heette, zelfs de

priesters niet kenden, naar eene grot in het heiligdom, nabij den

Illisus gelegen, te dragen en vandaar iets even geheimzinnigs,

onbekends naar het heiligdom van Athene Polias op den burg terug te

brengen.

Onder de jonge meisjes, die ditmaal tot het ambt van Arrhephoren—want

zoo werden zij genaamd—verkozen waren, bevond zich het dochtertje van

Hipponicus, Hipparete, van wier bevalligheid en zedigheid Hipponicus

gesproken had toen hij bij gelegenheid van het feestmaal ter eere

zijner choregie aan Pericles had voorgesteld, dit lieve kind voorloopig

reeds aan den schoonen Alcibiades te verloven. Inderdaad was Hipparete

het toonbeeld van een echt Attischen, hoewel niet volkomen ontloken

knop, die ondanks haar kinderlijkheid reeds iets verstandigs en

waardigs ten toon spreidde.

Met hare overige vriendinnen, die tot een gelijken dienst aan de Godin

geroepen waren, vertoefde Hipparete nu op de Acropolis in het

tempelgebied der Godin. De meisjes werden hier verpleegd als tot den

tempel behoorende. Er was ook eene bijzondere ruimte, waar zij zich

door het balspel vermaken konden. De priesteres van Athene Polias had

het opzicht over haar. Daar echter het heiligdom der Godin met dat van

Erechtheüs vereenigd was, leefden de meisjes ook onder het oog van

Diopithes, den Erechtheüs-priester; zelfs was de priesteres van Athene

Polias nevens hem slechts een onbeduidende schaduw in het gebied van

het Erechtheüm.

Hij gaf de meisjes talrijke aanwijzingen en vermaningen, het liefste en

het meeste onderhield hij zich met het dochtertje van Hipponicus. Haar

boven allen scheen hij zijne gunst te bewijzen, haar roemde hij steeds

boven hare vriendinnetjes. Niet zelden sprak hij met haar in langdurige

gesprekken over zaken, die haar vader, zijne huiselijke aangelegenheden

en het verkeer met zijne gasten betroffen. Hipparete antwoordde hem met

de onbevangenheid van een kind. Toen hij haar eens schertsend vroeg, of

haar vader nog geen echtgenoot voor haar had gekozen, noemde zij zeer

ernstig den pleegzoon van Pericles, den jongen Alcibiades, en zeide,

dat haar vader haar aan dezen wilde verloven.

„Aan den pleegzoon van Pericles?” riep Diopithes en zijne vriendelijke

trekken namen plotseling eene afkeurende, schampere uitdrukking aan.

De vijandelijke gezindheid jegens Pericles en allen, die hij als

vrienden, raadgevers en dienaars van dezen man beschouwde, was sedert

dat gesprek met den ziener Lampon onophoudelijk versterkt geworden.

Door de priesteres van Athene Polias, die een werktuig in zijne hand

was, stond hij in betrekking met de zuster van Cimon en met de

echtgenoote van Pericles, en vernam door haar steeds, wat er in de

omgeving van zijn tegenstander voorviel.

De avond, waarop het geheimzinnige gebruik zou verricht worden, was

aangebroken. De beide uitverkoren meisjes Hipparete, en Lysiske werden

uitgedost in kostbare, witte, met goud gestikte kleederen, die hare

vaders voor dit doeleinde moesten bekostigen en die, wanneer zij

gebruikt waren, het eigendom van het heiligdom bleven.

Zoo rijk versierd werden de beide meisjes in het binnenste van het

heiligdom van Athene Polias geleid en ontvingen daar van de priesteres

in tegenwoordigheid van den Erechtheüs-priester, benevens diegenen, die

gekomen waren om de heilige plechtigheid als toeschouwer mede te

vieren, onder verscheidene ceremoniën de beide bedekte kruiken, om ze

van hier langs den geheimzinnigen weg naar de grot in het heiligdom te

dragen. Met de linkerhand hielden zij de aarden kruiken tegen de borst,

in de rechter droegen zij eene aangestoken fakkel. Vóór zij zich op weg

begaven, gaf de Erechtheüs-priester haar nauwkeurige aanwijzingen over

hetgeen zij te doen hadden, vermaande haar iedere misdadige

nieuwsgierigheid naar den inhoud der kruiken uit haar gemoed te

verbannen en zich over niets, wat haar op weg of in de grot mocht

ontmoeten, te beangstigen of in haren heiligen dienst te doen storen.

Hij zei haar, dat zij onder de bescherming van den God Erechtheüs zich

bevonden, den pleegzoon van de Godin van den dauw Herse, naar wier

heiligdom zij zich begaven, en vermaande haar niet te versagen, ook al

mocht de God zelf, zij het ook in slangengedaante, als reeds eenmaal in

vroegere tijden aan de Arrhephoren, zich op haar weg vertoonen. Alleen

dan, wanneer zij het heilige geheim schonden of haar heiligen plicht

niet stipt verrichtten, hadden zij den toorn van den God te duchten. In

elk ander geval echter hadden zij slechts gunst en heil van hem te

wachten.

De beide meisjes begaven zich op weg. In groote spanning en kinderlijk

geloof had Hipparete naar de woorden van den priester geluisterd en was

vol blijde hoop en vertrouwen. Minder goedsmoeds ging de jongere

Lysiske naast haar. Zoo daalden zij beiden den onderaardschen weg af,

waarin vele trappen gehouwen waren. Angstig zag Lysiske om zich heen,

Hipparete sprak haar moed in.

Eindelijk vroeg Lysiske wat er toch wel in die heilige kruiken

verborgen mocht zijn.

„Wat wij terug zullen brengen,” antwoordde Hipparete, „kan ik mij

voorstellen. Wat kan de dauwgodin Herse anders geven dan dauw? Wellicht

dus met dauw besproeide twijgen of bloemen.”

„Maar wat wij daarheen brengen?” vroeg Lysiske weder.

„Ik weet het niet,” hernam Hipparete. „Als wij iets vochtigs naar boven

dragen, dan brengen wij vermoedelijk iets droogs of vurigs naar

beneden; want evenals het daar beneden in de diepte vochtig is, zoo dor

en droog is het op den bergtop.”

„Neen,” zei de kleine Lysiske angstig, „wij dragen zeker een grooten

uil naar beneden, zooals die daar boven in het metselwerk van het

Erechtheüm krassen en brengen eene schrikkelijke slang terug, omdat de

slangen zich gaarne in vochtige laagten ophouden.”

„Wees niet bang voor slangen,” zei Hipparete, „gij weet toch, dat in

hare gedaante zich de God Erechtheüs verbergt en dat deze ons beschut

en ons zegent op dezen tocht.”

De beide meisjes waren de talrijke trappen afgedaald, hadden het doel

van haar tocht bereikt en traden nu door eene in de rotsen gehouwen

poort het heiligdom binnen. De grot was verlicht door een lamp, die,

vóór een steenen beeld der dauwgodin geplaatst, met eene roode vlam

brandde.

Onder de ceremoniën, die men haar geleerd had, legden de beide meisjes

hare kruiken vóór de Godin neder en waren op ’t punt de gereedstaande,

eveneens dicht omhulde kruiken, op te nemen en weg te dragen.

Juist sloegen de meisjes haar blikken naar den achtergrond der grot;

daar zagen zij bij het schemerlicht eene reusachtige slang ineengerold

liggen, met den kop half opgeheven.

Lysiske schrikte, verbleekte, sidderde en wilde vluchten, Hipparete

hield haar terug en gaf haar de kruik in de hand, waarmede deze beangst

en zonder om te zien, haastig wegliep. Toen nam Hipparete de andere

kruik en maakte zich gereed de grot te verlaten. Nu echter kwam uit den

achtergrond der grot een sterke tocht, waardoor de fakkel van Hipparete

en tevens de lamp werden uitgebluscht, zoodat het meisje in het

pikdonker stond. Nu zou de vrees ook haar om het hart zijn geslagen,

zoo niet op hetzelfde oogenblik uit den achtergrond eene vriendelijke

stem haar in de ooren had geklonken, die haar vermaande onverschrokken

te blijven, zooals zij tot nu toe geweest was.

„Voor uw edelen moed en uwe vrome trouw,” klonk de stem, „verleent de

God u, o kind, een geschenk, dat den zegen der Goden en het hoogste

geluk u voor uw geheele leven waarborgt.”

Op dit oogenblik begon de vlam van de lamp van zelf weder te ontbranden

en de God rustte niet meer schrikaanjagend daar, maar in heroëngestalte

op de plaats, waar straks de slang haar kop had opgeheven. Hij

verlangde, dat het meisje hem naderde. Hipparete deed het onversaagd.

Hij trok haar tot zich en drukte een kus op haar voorhoofd, dat die

schitterende reinheid had welke men bij half ontloken bladeren

waarneemt, wanneer zij juist na een warmen lenteregen uit de bruine

knoppen zijn gebroken.

„Hebt gij wel nooit hooren spreken,” vroeg hij, „van de goddelijke

genade, die aan sterfelijke jonkvrouwen is ten deel gevallen? Hebt gij

nooit gehoord van Alcmene en Semele, van Danaë?”

De lippen van den spreker trilden een weinig, toen hij die woorden

sprak: ook zijn hand beefde, toen hij daarmede het rijkgelokte hoofd

van het meisje streelde.

„Hebt gij,” ging hij voort, „wel niet hooren spreken van die

uitverkoren jonkvrouwen, tot wie Zeus nederdaalde en die niet

verschrikten, als de God zich in zoete min tot haar nederboog?”

Zoo sprekende sloeg hij zijn arm om het meisje, dat hevig verschrikte;

maar zij herkreeg haar moed en luisterde weder geloovig, en in het

reine kristal van haar oog spiegelde zich niets af dan de verwachting

eener kinderlijke ziel, die de wonderlijke en zegenrijke geschenken te

gemoet zag, waarmede de God beloofd had haar te zullen beloonen.

Plotseling zei het meisje, in den donkeren hoek van de spelonk ziende:

„De slang is toch nog altijd daar—alleen kleiner is zij thans, veel

kleiner van gestalte...”

Hipparete sprak deze woorden zeer bedaard en zonder de minste

aandoening van angst. Men had haar ingeprent, dat zij voor slangen op

haar weg niet bang moest zijn en zij vreesde ze ook niet. Zij wist dat

daaronder de zegen aanbrengende God Erechtheüs zich verborg. Zij had

die veel grootere slang niet gevreesd, waarom zou zij die kleinere

vreezen?

De God echter aan hare zijde ontstelde. De valsche Erechtheüs begon te

sidderen voor den toorn van den waarachtigen God. Strak staart hij naar

dien hoek en ziet, dat daar in der daad eene slang zich kronkelt. Het

vrome kind was overtuigd, dat haar geen leed wedervaren kon, dat zij

onder de hoede stond van den God Erechtheüs; de God zelf echter

sidderde onder zijn godenmasker, sidderde voor den kruipenden

aardworm...

Op dat oogenblik weerklinkt van buiten het gejubel van eene

volksschare, die langs de grot trok; het was eene menigte, die van den

Illisus naar de Piraeüs stormde met den jubelenden kreet: „De vloot van

Samos loopt de haven binnen! Pericles is daar! Lang leve Pericles, de

Olympiër”.

Met een somberen blik in de oogen en eene onheilspellende plooi om

zijne lippen verheft zich de eerst door zijn angst, thans door zijn

wrok ontmaskerde Erechtheüs-priester.

Hij richt zich op en maakt zich gereed, om het kind spoedig uit de grot

weg te voeren. Rustig neemt Hipparete, ook nu nog aan haar plicht

denkend, de heilige kruik van den grond op. De priester neemt haar bij

de hand en trekt haar door den donkeren gang voort. Daar, waar de

geheime weg in het binnenste gedeelte van het Erechtheüm uitloopt

verlaat hij haar, na streng bevolen te hebben, dat zij over alles wat

zij in de grot gezien had, een diep stilzwijgen moest bewaren; dan

alleen zou de zegen van den God haar niet onthouden worden.

Hipparete ging den verlichten tempel binnen en legde de heilige kruik

neder voor de voeten der Godin. Toen dacht zij zwijgend na over de

verschijning van den God.

En Diopithes?

Hij zal heengaan en Erechtheüs trachten te verzoenen en vuriger dan

ooit de vrees voor de oude Goden prediken.—

Terwijl dit des avonds op de stille hoogte van de Acropolis voorviel,

was de terugkeerende vloot den Piraeüs binnengeloopen. In dichte

drommen was het Atheensche volk naar buiten gesneld, om de aankomenden

te zien en te begroeten.

Het was donker geworden, doch de kaden der haven schitterden van

fakkels en te grootscher slechts was het schouwspel, toen bij den

schijn der fakkels de honderd fiere triëren der zegevierende vloot op

de golven kwamen aandrijven.

Bijna romantisch schitterden bij den hellen schijn der hoog gezwaaide

fakkels de hooge masten, de witte zeilen, de vergulde Pallasbeelden en

de grillige vormen der scheepsnebben, met de veroverde schilden

getooid, met de sieradiën van vernielde vijandelijke schepen en andere

tropaeën rijkelijk omhangen.

Luide, blijde jubelkreten klonken van de steenen kaden den krijgers in

’t oor.

De ontscheping volgde. Toen ook de strategen aan land stapten, drong

alles om Pericles heen. Hem gold de luidste jubelkreet der menigte en

velen waren er, die bloemen op zijn pad strooiden en hem met kransen

overlaadden.

Om zich aan deze eerebetuigingen te onttrekken, nam Pericles de

uitnoodiging van Hipponicus aan, die hem eene plaats aanbood in zijn,

met edele Thessalische paarden bespannen wagen, die op den rijken

gastronoom in den Piraeüs wachtte.

Aspasia had zich van Pericles moeten scheiden. Een draagstoel wachtte

haar, die zij met dicht gesluierd gelaat besteeg en waarin zij naar de

stad gevoerd werd.

Intusschen was de maan opgegaan en haar glans verspreidde zich over de

zee, de kusten en de stad.

Pericles had, in den wagen van Hipponicus zwijgend en in gepeinzen

verzonken, de stad bereikt. Toen zag hij bij eene plotselinge kromming

van den weg, den blik omhoog slaande, vlak vóór zich de toppen van den

Acropolis.

Hij was getroffen. Eene lichte huivering voer hem door de leden.

Onmiddellijk vóór zijne oogen bevond zich hetgeen hij straks uit de

schemerende verte had gezien. Verblindend wit bij het schijnsel der

maan, scherp tegen den nachtelijken hemel uitkomend, grootsch in de

pracht van marmeren gevels en zuilen, stond het pas voltooide werk van

Ictinus en Phidias op de schitterende hoogte van de Acropolis.

En de betoovering, die nog heden de ziel aangrijpt van hem, die voor de

eerste maal op de puinhoopen van het Parthenon te Athene staat,

doortrilde in dat oogenblik de ziel van Pericles.

XIV.

DE PANATHENAEËN.

Wanneer het vaderland een groot man eert, de geheele wereld hem viert,

wanneer op al zijne paden vereering, liefde, hulde hem te gemoet komen,

dan is er dikwijls toch ééne plaats, waar zijne grootheid ineenkrimpt,

waar hij zich klein gevoelt, waar hem koude of zelfs afgunstige oogen

ontmoeten.

En deze plaats is zijn eigen haard, zijn huis, de schoot zijner

familie, het uitgangspunt van zijn arbeid.

Ook Pericles gevoelde zich zonderling en onaangenaam aangedaan, toen

hij, wien het jubelgeschreeuw van het Atheensche volk nog in de ooren

klonk, na een afwezigheid van een jaar weder den drempel zijner woning

betrad. Evenals den zegevierend terugkeerenden Agamemnon, ontving ook

hem eene heimelijk mokkende gade.

De tijding, dat Aspasia in het gezelschap van Pericles te Milete

geweest was, dat zij op de terugvaart zich aan zijne zijde had

bevonden, was tot Elpinice’s ooren doorgedrongen en uit den mond harer

vriendin had Telesippe het vernomen.

De vrouw van Pericles dacht er niet aan zich op den terugkeerenden

echtgenoot te wreken, zooals Clytaemnestra [299] op den terugkeerenden

Agamemnon, noch door een vergiftigd Nessus-kleed [300] hem in het

verderf te storten, zooals Dejanira den ontrouwen Heracles had gedaan.

Zij dacht kleingeestig, kleingeestig was haar wrok, kleingeestig haar

haat en kleingeestig ook haar wraak.

Dat Pericles vóór Samos overwonnen, dat hij het schip van den

vijandelijken veldheer in den grond had geboord, wat baatte het hem

tegenover de Erinnys, die aan zijn haard haar zetel had opgeslagen?

Terwijl de agora van zijn roem weergalmde, moest hij in zijn eigen huis

de kleingeestige, kijvende taal, den smadelijken afgunstigen blik van

Telesippe verdragen.

En Elpinice? Zij sprak tot Pericles, toen zij hem voor het eerst na

zijn terugkeer ontmoette:

„Schaam u, Pericles! Mijn broeder Cimon heeft over de Perzen, over

barbaren gezegevierd, gij echter hebt Hellenen-bloed vergoten en laat u

verheerlijken als de onderdrukker van uw eigen stamgenooten.”—

Zonder heftig op te stuiven, zwijgend, zooals het zijne gewoonte was in

den omgang, doch niet zonder ernstige overweging en fiere plannen, liet

Pericles den tweestrijd, die met de verschijning van Aspasia zijn hart

had bestormd, der beslissing te gemoet snellen. Hij had in den beginne

gemeend, dat het gemakkelijk zou zijn de rechten der geliefde

gescheiden te houden van de rechten der gade. En had Telesippe zelve

dit niet geloofd? Had zij niet met verachting op de Milesische hetaere

neergezien, die wel is waar het hart van haar echtgenoot had veroverd

maar die toch haar heerschappij aan den huiselijken haard moest laten,

haar, de wettige gade? Had zij niet de vreemde van den drempel des

huizes verdreven en had deze niet voor haar moeten wijken?

Maar de zaken waren veranderd. Pericles zelf was niet meer, die hij

geweest was. De gedachte aan eene echtverbintenis van een anderen aard

was niet te vergeefs als een gloeiende vonk in zijne ziel geworpen.

De dagen, waarop het grootste van alle Atheensche feesten gevierd zoude

worden, waren teruggekeerd.

De bevolking der landelijke vlekken stroomde naar de stad; want het

feest was, wat zijn naam uitdrukte en wat het zijn moest naar de

gedachte van zijn stichter Theseus, een steeds vernieuwd

verbroederingsfeest van het gansche Attische volk. Maar ook van heinde

en verre, uit de verbonden steden en eilanden, uit de koloniën, ja uit

geheel Griekenland kwamen de gasten.

Nog nooit echter had Athene eene zoo groote menigte van burgers en

vreemdelingen binnen zijne muren verzameld gezien. Want ditmaal voegde

zich bij de aantrekkelijkheid, die het vieren der Panathenaeën steeds

had geoefend, de begeerte om het schoone Parthenon dat voor de eerste

maal geopend werd, het van goud en ivoor stralende standbeeld van de

Pallas Athene van Phidias onthuld te zien.

Gedurende verscheidene dagen hadden de gewone wedstrijden plaats vóór

den aanvang van den grooten feestelijken optocht. In de vallei aan den

Ilissus streden de jonge helden uit de Atheensche worstelschool om den

prijs. Eerst worstelden de uitnemendste knapen, dan de dapperste

jongelingen, vervolgens de krachtigste mannen in alle soorten van den

Helleenschen worstelstrijd. In den wedkamp der knapen overwon ook

ditmaal de pleegzoon van Pericles en de lieveling van alle Atheners,

Alcibiades, echter tot ergernis van Telesippe, die den knaap haatte,

omdat hij hare beide minder begaafde, weinig belovende zonen, Paralus

en Xantippus, geheel en al in de schaduw stelde.

Hoe bruischt het bloed in de aderen van den jeugdigen overwinnaar,

terwijl hij alle overige wedstrijden mede aanzag, waaraan hij echter

tot zijn leedwezen slechts als toeschouwer, niet als mededinger om den

prijs, mocht deelnemen! Met welk een afgunst zag hij, in geleide van

Pericles buiten de stad gekomen op de vlakte, die westwaarts van den

Piraeüs gelegen was, het opdwarrelende stof vochtig worden door den

dampenden adem der rennende rossen! Hoe bewonderde hij den kampioen in

de hippische [301] kunst, staande op den met vurige rossen bespannen

wagen, op elke kar naast den menner de met helm en schild gewapende

strijder, die, terwijl het span in toomelooze vaart door de renbaan

stoof, er af sprong en in krachtigen loop een eind met de kar om ’t

hardst liep, om dan met even zekeren sprong weder op den wagen te recht

te komen!

En hoe voelde de knaap zich door den beroemden wapendans der

jongelingen medegesleept! Hoe fonkelde zijn oog bij dit krijgshafte

spiegelgevecht toen de jongelingen op de maat der muziek allerlei

krijgsbewegingen maakten, alle soorten van aanval, van verdediging, van

ontwijken beproefden, in den danspas en onder begeleiding van den

rhythmus der tonen, waarbij in de maat met de zwaarden tegen de

opgeheven schilden geslagen werd, zoodat de heldere klank van het

metaal vereenigd met de tonen der muziek, soms ook met het gezang van

krijgsliederen, eene soort van strijdlustige stemming en vervoering ook

bij den toeschouwer opwekten! Toen nu zelfs de jonge Alcibiades, door

deze vervoering aangegrepen, de bewegingen der zwaarddansers begon na

te doen en van begeerte scheen te branden, zich in hunne rijen te

mengen, moest Pericles aan het verhaal van Artemidorus denken en aan

het tooneel toen de Milesiër zijn zoon Chrysanthes op den Tmolus

plotseling zag aangegrepen van den waanzin der Corybanten. En waarlijk,

dit gewoel van den wapendans zou aan de rijen der Corybanten hebben

kunnen herinneren, zoo daar niet alles wild en huiveringwekkend, hier

niet alles in plechtige en edele maat zich aan het oog vertoond had.

Maar ook de nacht had zijn feest: den grooten fakkelwedloop, waarmede

de Atheners hunne Goden des lichts: Hephaestus [302], Prometheus en

Pallas Athene plachten te vereeren. Alleen de schoonste en kloekste

jongelingen van Athene werden tot den wedloop toegelaten. Het kwam er

op aan de fakkels brandende aan den eindpaal te brengen: wiens toorts

onder den loop uitging, moest uit de rij treden. Wie langzaam liep, om

de vlam aan te houden, werd door de levendige spottende kreten van het

volk tot spoed gedreven.

Aspasia(#64986) · 第 27 / 57 段