„En toch,” vervolgde Sophocles tot Ion en eenige voorname bewoners van

Chios, die door dezen uitgenoodigd waren, „zoudt gij onbillijk zijn,

als gij in Pericles boven alles den staatsman en veldheer wildet

bewonderen. Van den roem zijner ondernemingen en scheppingen gaat de

roep door geheel Hellas, maar deze maakt slechts melding van die

eigenschappen van den grooten man, die gerucht verwekken en in verren

kring schitteren. Ik weet daarentegen van zijne edele, onopgemerkte

deugden meer dan ooit te spreken, sedert ik zijn strijdmakker geweest

ben vóór Samos. Van de overwinningen, die hij daar bevochten heeft,

weet gij; doch gij weet niet dat, toen ieder der vijftig rijke Samiërs,

die hij als gijzelaars naar Lemnos zond, hem heimelijk een talent voor

zijne loslating liet bieden, hij deze aanbiedingen, zoowel als de

sommen, waarmede de Perzische satraap hem zocht om te koopen, van de

hand wees. Anderen vertellen u, hoevele vijandelijke schepen hij in den

grond heeft geboord, hoevele vijanden hij gedood heeft—ik zal u echter

zeggen hoevelen hij uit medelijden gespaard heeft, hoe spaarzaam hij

was met het bloed der zijnen en hoe ik hem een paar maal schertsend tot

de soldaten heb hooren zeggen, dat, als het van hem afhing, zij eeuwig

zouden leven. Hij vond „ijzeren handen” voor zijne schepen uit, opdat

de handen van vleesch en bloed des te meer zouden gespaard worden. Gij

weet dat hij een held is in de ure van den strijd; maar ik zeg u, dat

hij een wijze is in de ure der rust en dat hij, als hij maar een

oogenblik in het leger den tijd heeft, zijn soldaten wind en weer,

zons- en maansverduisteringen en alle verschijnselen aan den hemel

verklaarde, waarom velen hem voor een toovenaar hielden. Van zijne

geleerdheid en wijsgeerigen zin hebben zij zoo’n hoogen dunk, dat velen

thans voor zeker beweren, dat hij den Samischen vlootvoogd Melissus,

een beroemd wijsgeer, meer door zijne groote krijgskunst, dan wel door

zijne doodende sluitredenen op de vlucht heeft geslagen. Er was geen

zachter en geen strenger, geen meer gevreesd en meer geliefd man in het

leger dan hij, geen die meer zweeg, wanneer het spreken overbodig was

en geen, die spraakzamer was, als het noodig was het zwijgen te

verbreken. Dit wilde ik u van Pericles zeggen, opdat gij den edelen en

voortreffelijken man als zoodanig moogt roemen, niet altijd alleen als

strateeg en zeeheld; want in dit opzicht verdient hij wel is waar lof,

maar niet onvoorwaardelijk, in zoover hij nadat hij zich vóór Samos zoo

dapper had gekweten, te Milete naar ik hoor, zich minder moedig heeft

betoond, ja zelfs zijne vloot en veldheersambt bijna vergeten had en

eenige dagen langer dan noodig was in de baai daar voor anker heeft

gelegen, wat ik als eene strategische fout beschouw.”

Ion en de andere toehoorders lachten over deze slotwoorden van

Sophocles; Pericles echter bedacht zich niet lang om de rede van zijn

vriend te beantwoorden. Hij sprak het volgende:

„Mijn ambtgenoot en vriend Sophocles hier wil u overreden, naar ik

hoor, mij liever onder de wijzen dan onder de groote strategen te

tellen. Gaarne zou ik, om hem niet met gelijke munt te betalen,

omgekeerd van hem beweren, dat hij eerder tot de groote strategen dan

tot de wijzen behoort, doch het ligt te zeer voor de hand om het te

kunnen ontkennen, dat hij met mij in hetzelfde geval verkeert: van de

krijgskunst namelijk en van datgene wat tot het zeewezen behoort

verstaat hij, om zoo te zeggen, al heel weinig. Hij zal zijn leven lang

veel gemakkelijker de namen van alle Nereïden [290] der zee onthouden,

dan de benamingen van de bestanddeelen van eene goedgebouwde Atheensche

triëre. Maar hij heeft ons gedurende dezen zeetocht als strateeg een

prachtigen paeän op Asclepius [291] gedicht, die op de geheele vloot

gezongen wordt en die, zooals onze stuurlieden en roeiknechten

verzekeren, ons bij stormen op zee reeds de voortreffelijkste diensten

heeft bewezen. En evenals zijn paeän de opgestuwde golven bedaart en de

Goden der zeevaart goedgunstig stemt, zoo is zijn geheele wezen met

zachte olie te vergelijken, die al het ruwe glad maakt, al het woest

verbolgene bedaart. De matrozen op zijn schip doen wat zij behooren te

doen, ook wanneer hij een verkeerd teeken geeft en zij houden hem wel

is waar voor een in het zeewezen onervaren, maar toch als een door de

Goden geliefd man. Wanneer uit mijn mond woorden van wijsheid komen,

naar de menschen meenen, dan gelooven zij tevens, dat ik ze aan den

Clazomeniër Anaxagoras ontleend heb; wanneer echter Sophocles den mond

opent, zijn allen overtuigd, dat de Goden zelven hem die woorden in den

droom hebben ingegeven. Zulk een man, mijne vrienden van Chios, is mijn

medestrateeg Sophocles. Ik meen hem geprezen te hebben en ik zou den

Goden danken, zoo de lof, dien hij mij toegezwaaid heeft, even wel

verdiend is, als die, welken ik hem in deze woorden toebreng.”

Zoo roemden, door de vurige gave van Bacchus opgewekt en ongeveinsde

hartelijkheid onder het masker van goedhartige scherts verbergend,

elkander de beide Atheensche scheepsbevelhebbers in den kring van

vroolijke, krachtige mannen, onder de druiventrossen van het schoone

terras van Ion.

„Ik zou haast blozen,” zei Ion, „als men mannen vóór zich ziet als

Pericles en Sophocles, die met ernstige bezigheden vervuld en

onophoudelijk voor het algemeene nut werkzaam zijn terwijl men zelf in

de afzondering alleen voor het genot en de Muzen leeft. Maar ik geloof,

dat naast een roemrijk en schoon werken ook eene loffelijke en schoone

ledigheid is. Deze heb ik verkozen.”

„Zeker,” zeide Sophocles, „is eene ledigheid schoon te noemen, die

schoone vruchten draagt. De Atheners hebben uwe treurspelen nog niet

vergeten.”—

„Noch uw Chiër-wijn!” voegde Pericles er bij.

„Ik weet zeer goed,” hernam Ion, goedhartig glimlachend, „dat gij

Atheners beweert, dat ik door mijn wijn uwe gunst voor mijn treurspel

wilde koopen, maar gij moogt zeggen wat gij wilt, alleen niet, dat de

wijn slecht geweest is. Want, als gij mijn Chiër niet roemt, dan

beleedigt gij mij meer, dan wanneer gij mijne treurspelen berispt.”

„Ziet me die treurspeldichters toch eens,” zei Pericles, „hoe opgeruimd

en vroolijk zij van geest zijn, terwijl zij er van houden in hunne

treurspelen zich met de somberste en verschrikkelijkste dingen bezig te

houden: altijd spreken zij van den toorn der Goden, overouden vloek,

overerfelijke schuld, vreeselijke beschikkingen van het noodlot en

dergelijke akeligheden meer...”

„Juist omdat wij opgeruimd van geest zijn,” hernam Sophocles,

„verkeeren wij moedig met het sombere, wij worstelen daarmede en zouden

het gaarne overweldigen. Moedig worstelen wij met die oude, blinde

machten van het noodlot, om de menschelijke dingen, zoo goed wij

kunnen, uit de betoovering eener duistere noodlottige macht te

bevrijden. In de heldere sterrennachten, die ik aan boord van mijne

triëre vóór Samos doorbracht, heb ik mij in den geest dikwerf

opgehouden met dien lijdenden, Thebaanschen grijsaard en hem gevolgd op

zijn lijdensweg, hoe hij het eerst door vertwijfelend berouw of

onvrijwillige schuld gedreven, zich van het licht der oogen heeft

beroofd en rondzwerft in den vreemde, langzamerhand echter tot een

reiner klaarheid en vrijheid gekomen, schuld en berouw ten laatste van

zich werpt, vóór het einde zijns levens het grijze hoofd met de

fierheid van den onschuldige omhoog heft en van een misdadiger de

rechter wordt over hen, die niet onvrijwillig en onbewust zooals hij,

niet door eene onverbiddelijke beschikking van het noodlot, maar uit

eigen beweging door de verloochening van alle edele, menschelijke

gevoelens misdreven hebben.”

„Mijn beste vriend,” sprak Ion, „uit hetgeen gij daar over Oedipus zegt

spreekt weder de oude, welbekende liefde voor uw geboortevlek, want

daar was het toch, dat de grijze lijder tot zijne rust inging.”—

„Gaarne beken ik u,” hernam Sophocles, „en ik zie er een gunstig teeken

in voor mijne tragische dichtkunst, dat juist in dat vlek, waar ik

geboren werd, die overoude, tragische verwikkelingen zich hebben

opgelost.”

„Eer vrij uwe geboorteplaats,” zei Pericles, „maar dit zult gij mij

toch moeten toegeven, dat niet alleen uw vlek, maar geheel Athene de

bodem is, waarop overoude verwikkelingen tot eene oplossing komen, oude

schuld verzoend wordt, vroegere duisternis bezwijkt op de plaats der

heldere Godin Pallas Athene! Op den gezegenden bodem van Athene heeft

niet alleen die zwaar beproefde grijsaard, maar ook de jonge Orestes,

voortgejaagd door de Furiën, delging van den vloek gevonden, ja, gij

allen kent den afgrond in de nabijheid van den onvoltooiden tempel van

den Olympischen Zeus en wij willen gaarne gelooven, wat de sage meldt,

dat in dezen afgrond de wateren van den Deucalionischen [292] vloed

zich hebben neergestort.”—

Onder deze en dergelijke gesprekken was de zon langzamerhand ter kimme

gedaald; de zee was over eene groote uitgestrektheid met een purperen

gloed getint, die zijn laatsten, gouden glans over het met wijnloof

omkranste terras verspreidde. De gasten van Ion ademden met welbehagen

de zachte, verfrisschende avondkoeltjes in die over de zee tot hen

overwaaiden. Ion liet de bekers opnieuw vullen en het vocht in de

zilveren schalen fonkelde, alsof ook daarin de purperen gloed der

ondergaande zon zich afspiegelde.

Pericles liet zijn beker door geene andere hand, dan door die van zijn

slaaf vullen. Deze nam het ambt van schenker met eene bevalligheid

waar, die aan het oog van Ion, van de schoone Chrysilla en de overige

aanwezigen evenmin ontging, als de schoonheid der trekken van den

jongeling. Hij scheen het zich tot taak gesteld te hebben, het ambt van

schenker ook bij Sophocles te vervullen, wat de dichter glimlachend en

met kennelijke vreugde liet welgevallen.

„Uw schenker heeft maar ééne fout, Pericles,” zei hij.

„En welke is die?” vroeg Pericles.

„Dat hij bij het aanreiken van den beker zoo haastig is,” hernam de

dichter; „men zou liever zien, dat hij daarbij een weinig draalde, om

zich in de oogen te laten zien, die, naar mij dunkt, eene nadere

beschouwing overwaard zijn.”

De jongeling bloosde, toen hij na deze woorden van Sophocles aller

blikken op zich gericht zag. Deze lachte om de verlegenheid van den

knaap en riep met de woorden eens ouderen dichters:

„Hoe schoon op purperwangen glanst des Eros’ licht!”

„Wat zegt gij van deze verzen van Phrynichus [293]? Hoe bevallen u die

purperwangen?”

„Mij bevallen zij niet,” hernam de jongeling, die spoedig zijne

tegenwoordigheid van geest hernomen had. „Het komt mij voor, dat de

dichters in hunne verzen zaken prijzen, die zij in de werkelijkheid

volstrekt niet schoon zouden vinden. Ik geloof, dat eene wang met echt

purper geverfd, leelijk zou zijn.”—

„Hoe?” riep Sophocles, „dan zoudt gij toch ook de rozenvingeren van Eos

[294] bij Homerus niet schoon kunnen vinden?”

„Volstrekt niet,” hernam de jonge slaaf. „Als mijne vingers rood als

rozen waren, zou Pericles, mijn meester, gelooven, dat ik mij met het

sap der purperslak bezoedeld had en mij bevelen mijne handen te gaan

wasschen.”

„Och, dat alle hekelende kunstrechters slaven waren als gij!” riep

Sophocles. Maar lachend plaagde Pericles hem, omdat hij als dichter nu

eindelijk zijn beoordeelaar had gevonden.

Verscheidene aardigheden werden er gewisseld; ook vurige blikken, door

den gloed van Dionysus bezield, werden hier en daar geworpen en te

midden daarvan deden de onzichtbaar rondzwevende minnegoodjes een

klein, onschuldig, dartel spel van onderlinge ijverzucht ontbranden.

Pericles vond, dat zijn vriend Sophocles het geheim van den schoonen

slaaf te weinig eerbiedigde, en van dezen wederom meende hij, zijn ambt

van schenker met grooteren ijver dan noodig was vervulde. Aspasia van

haren kant dacht opgemerkt te hebben, dat Chrysilla’s blikken die van

Pericles telkens ontmoetten en dat deze de zijne somwijlen een tijdlang

op de weelderige, bloeiende vormen van Ion’s vriendin deed rusten.

Weldra echter veranderde de zaak. Chrysilla had werkelijk in den

beginne met hare oogen Pericles gezocht, om uit ijdele, vrouwelijke

nieuwsgierigheid uit te vorschen, of de macht harer bekoorlijkheden nog

iets vermocht op den man, die haar eens zijne hulde had bewezen.

Evenwel kon ook de schoone slaaf, die aller oogen tot zich trok, door

haar niet onopgemerkt blijven en dezen van zijn kant scheen het er op

gezet te hebben zijne vurigste blikken juist aan Chrysilla te wijden.

Zoo gelukte het hem ten laatste de oogen van Ion’s vriendin bijna

geheel van Pericles af te leiden en op zich te vestigen. In dit streven

werd hij door Sophocles krachtig geholpen.

Ion had in den beginne die wisseling van woorden en blikken tusschen

Pericles en Chrysilla niet zonder eenig ongenoegen waargenomen en zag

ten laatste met even weinig behagen de oplettendheid, die zijne

vriendin aan den vreemden jongeling wijdde, doch tevens gaf hij aan

zijne vriendin eenige reden tot bezorgdheid, doordat hij den indruk

liet bemerken, dien de opgewekte geest en de schoonheid van dezen

jongeling bijna geheimzinnig op hem maakten.

Nieuwe bekers werden gebracht. Toen Sophocles wederom den zijne uit de

hand van den schoonen schenker aannam, beschouwde hij den rand des

bekers met een scherp oog en zei, tot den slaaf zich wendend:

„Voor de eerste maal moet ik mij beklagen, dat gij niet oplettend

genoeg uw ambt vervult. Aan den rand van dezen beker zie ik een klein

pluisje, dat gij verzuimd hebt weg te nemen.”

Glimlachend wilde de jongeling met zijne fijne vingertoppen over de

plaats van den rand des bekers strijken, om het pluisje te verwijderen.

Doch Sophocles liet dit niet toe, zeggende:

„Zulke dingen moeten niet met de vingers aangeraakt, maar liever met

den adem van uw mond zacht weggeblazen worden.” Na deze woorden

gesproken te hebben, reikte hij den jongeling den beker, die zich

glimlachend bukte, om het pluisje, zooals de dichter wenschte er af te

blazen. Deze echter hield den beker zoo, dat het hoofd van den

jongeling zoo dicht mogelijk bij het zijne moest komen. Derhalve

raakten de gouden lokken van den jongeling bijna onmiddellijk den

boezem des dichters. Hij ademde het bedwelmende aroma in, dat daaruit

opsteeg en ondervond de zachte aanraking op zijne wangen van het

gebogen en weder opgeheven hoofd; hij zette daarop zijne lippen juist

op de plaats van den beker, die door den adem van den rozenmond

aangeroerd was.

Met spiedend oog had Pericles het voorgevallene opgemerkt. „Mijn waarde

Sophocles,” zei hij, „ik wist niet dat gij zoo’n haarklover waart, om

zooveel drukte van zoo’n onbeduidend pluisje te maken.”

„Beken liever,” hernam Sophocles, tevreden glimlachend, „dat gij nu

inziet vroeger gedwaald te hebben, toen gij mij in gezelschap van deze

allen stoutweg voor een zeer slecht strateeg en krijgskundige hebt

uitgemaakt. Intusschen stel u gerust; ik heb de voldoening waarom het

mij te doen was, en ik beloof u dat ik het bij dit kleine bewijs mijner

groote talenten laten zal.”

Zoo sprekende reikte Sophocles zijn vriend de hand en deze drukte ze

hartelijk lachend. De schaduwen werden al langer en langer, maar nog

laat in de schemering des avonds lieten de klank der bekers en een

vroolijk, luidruchtig gesprek op het door de zee bespoelde terras van

Ion zich hooren. In de zee was de purperglans allengs verdwenen, maar

nog steeds fonkelde het in de steeds opnieuw gevulde, schuimende bekers

op Chios.

Het was zonderling, maar eindelijk was de schoone vroolijke, geestige

schenker van Pericles het middelpunt van het geheele gesprek geworden.

Ieder wilde ten laatste alleen door hem zich den beker laten vullen.

Ieder wilde een blik uit zijne vroolijke, bezielde oogen opvangen,

ieder een geestig woord uit zijn mond vernemen. Toen Chrysilla eens den

wensch naar een bijzonder mooien druiventros uitte, die van de latten

afhing, haastte zich de vlugge en gedienstige schenker dien te plukken

en de dame aan te bieden. Chrysilla bloosde, bloosde voor den slaaf—en

niemand verwonderde zich daarover. Ion keurde het niet goed, maar vond

het toch zeer verklaarbaar. En zoo draaide zich ten laatste alles om de

verkleede Milesische. Ofschoon zij uit eene aardigheid verkozen had te

dienen, heerschte zij toch...

Eindelijk vroeg Ion, dien zijn eigen kostelijken wijn niet kariger dan

zijne gasten had aangesproken, aan Pericles, of hij hem dien slaaf

verkoopen wilde.

„Neen!” antwoordde Pericles, „ik ben van plan hem zijne vrijheid te

geven en nog heden wil ik dat doen—op dit oogenblik! Hij zal voor het

laatst deze kleederen gedragen hebben. Hier ten aanschouwe van u allen

verklaar ik hem vrij!”—

Alle aanwezigen gaven luide hunne goedkeuring over dit besluit te

kennen. De bekers werden op de gezondheid van den schenker geledigd en

zijne vrijlating met het bloed der edelste druif bezegeld.

Eén echter van het vroolijke gezelschap, Pericles zelf, was op het

einde ernstig en nadenkend geworden.

„Gij hebt,” zei Aspasia lachend tot hem, toen zij van Ion weggingen,

„mijne vrijlating met eene plechtigheid uitgesproken, die zelfs hen

trof, die niet wisten, dat het maar een grap was.”

„Het was geen grap,” hernam Pericles, „ik wil dat gij nooit meer

mannenkleeding zult dragen, dat gij nooit meer u zelve vernedert.”

„Ik ben verlangend te vernemen,” hernam Aspasia, „hoe gij het de

vreemdeling en de zoogenaamde hetaere uit Milete besparen zult, zich te

vernederen.”

„Dat zult gij vernemen,” zei Pericles.

Den volgenden morgen keerde de Atheensche veldheer naar Samos terug en

onverwijld gaf hij aan de vloot order den volgenden morgen zeilree te

zijn, om eindelijk den terugkeer naar Athene aan te nemen.

Met uitbundige blijdschap werd dit bevel begroet en fier met wimpels

getooid, zeilde, onder het aanheffen van een donderenden zegezang, bij

het krieken van den volgenden dag, het zegevierend Atheensch eskader

uit de haven van Samos naar de hooge zee, westwaarts koers zettende, om

na eene afwezigheid van elf maanden het vaderland terug te zien.

„Ik denk,” zei Aspasia tot haar vriend op het oogenblik van hun

vertrek, „dat gij het afgrijzen, ’t welk het verhaal van Artemidorus op

den laatsten avond te Milete bij u opwekte, wel reeds op Chios zult

overwonnen hebben en dat gij daartoe niet eerst, naar ge meendet, de

Attische lucht noodig hebt.”

„En toch,” hernam Pericles in vurige opgewondenheid, „is mijne ziel

geheel vervuld van een heimwee naar het vaderlandsche strand en steeds

klinken al luider en luider in mij eenige verzen, die ik uit den mond

van Sophocles gehoord heb:

„Ion’s zoon Melicertes, en gij lieflijke Leucathea,

Vorstin der fonkelende zee, immer tot hulpe bereid,

Nereus’ dochters, en gij, Poseidon, ruischende baren,

Gij ook, Thracische wind, zachtste beheerscher der zee,

Neemt in genade mij op en voert mij over het zilte

Zeenat zonder gevaar, naar het geliefde Atheen!”

De vaart ging den eersten dag bij gunstigen wind en onder een

onbewolkten hemel langs de eilanden van den blauwen Archipel. Voor de

beide gelieven was deze vaart door de eilandenzee een zalig genot. Wat

zagen zij gaarne, terwijl het ranke vaartuig de baren ruischend

doorkliefde van het boord van het schip in de donkerblauwe golven, die

in den naasten kring van het schip groen als weilanden en verderop als

in schitterend blauw gedoopt schenen en door de tallooze, verblindende

zilveren stralen der zon werd beschenen. Meeuwen fladderden om den mast

met hare lange, wit gerande vlerken, en in geheele drommen volgden

dolfijnen het witte schuimend spoor, dat de kielen, den vloed

doorklievend, achter zich lieten. In dartel spel, met de gespleten

staarten om zich slaande, vermeiden zij zich in de zilte baren,

scheerden over den zeespiegel, om dan weder hunne zwarte, schitterende

lichamen in de golven te begraven.

Bij het vallen van den nacht liet Pericles de vloot voor Tenos ankeren.

Het eentonige gezang der roeiers verstomde en daarmee het ruischen der

zee, door de kielen doorkliefd; in den reinen, helderen aether

fonkelden de sterren en het maanlicht sloeg in het Oosten zijn gouden

brug over de zee.

Pericles stond peinzend op het verdek van zijn vaartuig, terwijl alles

rondom hem in diepen sluimer verzonken lag.

Daar schoof zich eene warme, zachte hand in de zijne.

„Waarom staart gij zoo in gedachten op de zee?” vroeg Aspasia:

„Koestert gij zoo’n vurig verlangen naar de ambrosische [295] dochters

van Nereus, die met haar rozevoeten de kristallen diepten doorkruisen?”

De zilveren klank harer stem wekte den droomer uit zijn gepeinzen.

Pericles antwoordde met een kus en zij begonnen te minnekoozen, waarbij

zij allengs, bij het heldere maanlicht, als in zoete droomen gewiegd,

de geheele zee rondom zich vol leven zagen. Uit de diepten doemden de

dochters van Nereus op, rijdend op zeemonsters, en Tritons, die

schetterende trompetters ter zee, bliezen op hunne mosselschelpen; te

midden van hen verrees de zeenimf Galathea: zij hief haar purperen

gewaad uit den vloed en liet het, door zachte koeltjes zwellende, als

een zeil boven zich heen golven.

Bij het grauwen van den morgen vernamen Pericles en Aspasia plotseling

den klank van snaren in de verte. Het klonk hun als de lier van Orpheus

[296], die toch, naar de oude overlevering, toen de zanger den dood had

gevonden, door de Maenaden [297] in de zee geworpen en door den vloed

verder gestuwd was over de Aegaeïsche zee en welker tonen de

zeevaarders somwijlen bij diepe windstilte over den waterspiegel

vernamen. De klank derhalve van de onbeheerd ronddobberende lier van

Orpheus scheen tot het oor van Pericles en Aspasia door te dringen, tot

zij bemerkten, dat de tonen uit de triëre van Sophocles kwamen, die hen

naderde, toen de vloot in de schemering van den morgen zich weder in

beweging zette. De vrienden begroetten elkander en Sophocles nam de

uitnoodiging van Pericles aan om hem een bezoek op zijn schip te

brengen. Daar praatten zij over Athene, over het wederzien hunner

vrienden, over het feest der Panathenaeën dat onmiddellijk na hunne

terugkomst zou gevierd worden, en steeds hooger spande Aspasia de

verwachting, waarmede Pericles en Sophocles de verrassingen verbeidden,

die Phidias en de zijnen door hun rusteloozen arbeid in dat lange

tijdsverloop aan hunne terugkeerende vrienden hadden bereid.

Toen nu de dag ten volle was aangebroken en de eerste stralen de zee

verlichtten, doemde ter linker zijde het heilige Delos op, de „Ster der

zee”, het eiland van Apollo, schitterend in de morgenzon, als ’t ware

gekust door de stralen van den God, aan wien het geheiligd was. Niet

zonder innerlijke ontroering staarde Pericles op de overoude

eerwaardige parel in den Archipel. Hij dacht aan den dag, toen, als een

geschenk van den God, de rijke, gouden schat van dit eiland Athene

binnenstroomde. Maar ook het scheepsvolk liet het goddelijk eiland niet

zonder vereering aan zijne oogen voorbijgaan. Van de hooge boorden der

geheele Atheensche vloot klonk een donderende paeän ter eere van

Apollo, den beschermgod van den Ionischen stam, welk lied machtig rolde

over den zeespiegel, beschenen door de vriendelijke stralen der

morgenzon.

Maar gezang en gejubel verdoofden van nu af niet meer op de schepen;

eene vroolijke stemming heerschte overal; want nog heden zou men het

vaderlandsche strand bereiken en hoe meer men de vurig gewenschte

kusten naderde, des te gevleugelder schenen de triëren, gedreven door

de zwellende zeilen en den dubbel krachtigen riemslag der roeiers, het

zilte sop te doorklieven.

De uren vlogen voorbij: reeds was men Tenos en Andros voorbij

gestevend. In een zachten, zilveren glans verhieven zich ten noorden

van Ceos de hoogten van Euboeä. Ter linkerzijde doemden grootsch en

breed getakt, door dien zelfden zilverglans omstraald, de met pijnen

begroeide bergen van Aegina op. Een zachte rijp scheen alles te

bedekken, gelijk het fluweelen waas de donkere pruimen.

Tusschen de beide eilanden echter, verre vooruitspringend op den

achtergrond door een krans van eerwaardige hoogten omgord, rees uit de

diepten der zee Attica’s gewijde kust.

Tallooze oogen zochten haar—met blijde kreten werd zij begroet. Maar de

afstand ter zee is bedriegelijk. Reeds was de zon ver naar het westen

gedaald, vóór het uitspringend gebergte van Sunion was bereikt, steil

zich verheffend, verblindend wit, door de baren omruischt, met den

marmeren tempel van Pallas, die met zijne prachtige zuilen eene

lichtende stip is voor den zeevaarder.

Aspasia(#64986) · 第 26 / 57 段